
Auteur: Arnoud Pullen
´t Creijnost of – zoals men later schreef – ‘t Kraaienest was een heel oude huisplaats in het voormalige esdorp Heemse. Het lag schuin tegenover de Lambertuskerk aan de aloude Hessenweg en aan de andere zijde van het erf liep een voetpad richting huize Welgelegen. Het was vanouds een keuterboerderij en dus geen officieel erve waar de eigenaar rechten en invloed in de marke aan kon ontlenen. Een keuterboerderij werd vroeger een katerije of katerstede genoemd. Later kreeg ’t Creijnost overigens wel een aandeel in de marke van Heemse en Collendoorn. Het Creijnost bestond al in de middeleeuwen. In het archief van het voormalige klooster Sibculo komen we in twee charters een vermelding van deze huisplaats tegen, in één uit 1403 en één uit 1438:
‘Rolof van den Zande, richter te Hardenbergh, verklaart dat Herman die koster, Rémmelt zijn zoon, Egbert ten Oestendarpe, Johan Reyning en Volker Aneking, waarvan sommige 60 en meer jaren oud zijn, getuigd hebben dat de Crummehof, gelegen in het kerspel van Hardenberch in de marke van Heijmese een edel, onverbroken eigen was, hetgeen zij ook van hunne ouders hadden gehoord.
Koernoten: Johan Schonekamp, Egbert Velding, en Goede van Kreijenschote.
Ghegeven int jaer ons Heren dusent vierhundert ende drie op sunte Egidius dach.’
‘Aernd van Blankenvoird, richter te Herdenberghe, verklaart dat Guede van Kreijenscoten heeft verkocht aan Prior en Convent van Galilea te Zibekeloe, ord.Bern., een stuk lands gelegen in het kerspel van Herdenberghe, in de marke van Lotten (Lutten) met garantie tegen stoornis in het bezit.
Gerichteslude Johannes ten Veltcampe en Lefert van Bergenthem.
Ghegeven in den jare ons Heren MCCCC ende achte ende dertich up der Vigilien des heijlighen Apostels sinte Andrees.’
Het betreft hier ene Goede van ‘t Kreijenschot. De naam van de huisplaats verbasterde in de loop der tijd tot Creinost alias Creijenhorst en nog wel enkele variaties meer. In het midden van de zestiende eeuw woont er ene Gert of Geert op de katerstede. In het rechterlijk archief lezen we in 1551 over Geerdt ter Creinchorst met Wijbbe zijn vrouw. Hij komt nog een enkele keer vaker voor in de archieven.
Waarschijnlijk kende ’t Creijnost daarna (ook) een tijdlang de functie van herberg. In het markeboek van Heemse en Collendoorn spreekt men in 1642 over ‘Kreijennest oft d’Herberghe’ en in het verpondingsregister uit 1601 komen we onder Heemse geen Creijnost tegen, maar wel ‘Ein koetterstede genompt de Harbarge tobehorende Arendt Thonnis ende wort gebrucket bij Alberdt Wigers’. In het belastingregister uit 1520 (schattingsregister) worden naast de officiële erven van Heemse drie keuterboerderijen genoemd onder het kopje ‘Die kather In Heemze’, één daarvan is ‘Ffenne Inden Herbargen’.
In het kohier van de hoofdelijke belasting uit 1675 wordt het Creinost vermeld, helaas zonder dat er een (voor)naam van de bewoner bij genoemd wordt. In 1682 zien we in het vuurstedenregister van Salland een Jan Creijnost vermeld staan onder het dorp Heemse. Zijn zoon Jan, oftewel Jan Jansen Creijnost, trouwt met Hendrikje Jansen Veldsink en zij vormen de volgende generatie op ’t Creijnost. In het trouwboek van Heemse staat bij oktober 1684 ‘Jan Jansen j.m. nagelaten soon van Jan Creiennost tot Heemse en Henrickien Jansen j.d. van Jan Velsinck tot Heemse’. Zij krijgen meerdere kinderen in de jaren tussen 1685 en 1703. Enkele daarvan zien we op jongvolwassen leeftijd lidmaat van de kerk worden. Bijvoorbeeld in 1725 dochter ‘Aaltje Jansen, j.d. uit Kreijenest’ (zij overlijdt overigens in 1757 als Aaltien Kraijenest te Rheezerveen).

In het hoofdgeldkohier van 1723 wordt het ‘Craeijennest’ wederom vermeld zonder nadere naam. Wel wordt aangegeven dat de belasting van toepassing is voor drie personen van dit huishouden en er staat bij als notitie ´nogh haer olde moeder als sijnde in de seventigh jaar begeert het selve om Godts wil´. Deze oude moeder is Hendrikje Jansen, gedoopt op 6 december 1661 in Gramsbergen als dochter van Jan Jansen Velsinck. In het verpondingsregister uit 1733 zien we ook ´t Creijnost vermeld staan. Er staat bij genoteerd dat het eigendom is van de heer van Heemse.
Tijdens de volkstelling in 1748 werd ’t Creijnost bewoond door ‘Evert Hendriks en Geertien Asses’ met hun dochter Wibbigjen (aangeduid als Wibbe). Daarnaast woonde er nog een Janna bij de woning in. Zij werd door de diaconie ondersteund. Het gezin van Evert en Geertje woonde hier toen nog maar net. Ze kwamen uit Ane, dat kerkelijk onder Hardenberg viel. Evert en Geertje waren op 28 juni 1744 in Hardenberg getrouwd als ‘Evert Hendriks j.m. en Geertje Asse j.d. beide van Ane’. Op Pasen in het jaar 1747 werden ze als lidmaten ingeschreven bij de kerk van Heemse met een attest van de kerk van Hardenberg. Evert was geboren op de Haar in Ane, en was een zoon van Hendrik Everts en Roelofje Jansen. Hij was gedoopt op 31 augustus 1721 in Hardenberg als zoon van ‘Hendrijk Everts op de Haar tot Aanen’. Geertje was een dochter van Asse Hendriks Nijhuis en Wubbegien Hendriks Wolbink uit Ane en was gedoopt op 26 januari 1716 in Gramsbergen als ‘Geertjen, dogter van Asse Nienhuis en Wibbigjen Henriks, eheluiden in Aene’.
Evert is vanaf 1747 landbouwer op ’t Creijnost in Heemse en in officiële stukken komen we hem vervolgens tegen als Evert Creijnost. Direct al in 1747 komen we hem een paar keer tegen als keurnoot in het rechterlijk archief als ´Evert Hendriks op Creienost´. Aan Evert wordt daarnaast echter nog een andere (bij)naam toegekend, namelijk die van ‘Goren Evert’. Ook die naam komen we tegen in de stukken. Dit betekent zoiets als ‘Evert op de gaarden’ of ‘Evert van de gaarden’. In deze contreien was het lange tijd de gewoonte om soms de achternaam of boerderijnaam vooraan te plaatsen in aanduidingen van personen. Zoiets zien we ook gebeuren bij de aanduiding ‘Goren Evert’. Of Evert de eerste bewoner van ’t Creijnost was aan wie een dergelijke bijnaam gegeven werd is niet bekend. Wel geldt dat vanaf toen de bijnaam ‘Goren’ verbonden was en bleef aan ’t Creijnost. Zo lezen we in het pachtboek van de heer en vrouwe van Heemse over ’t Kraainestkamp gelegen bij Goren Everts huis’ en in een notariële akte uit 1820 wordt de huisplaats aangeduid als de ‘katersteede het Gooren-Everts of Kraainest’. Het woord goren of goorden komen we veel vaker tegen in oude stukken en dat is oude taal voor ‘gaarde’, oftewel een omheind stuk (tuin)grond. Het Creijnost lag aan de oude Hessenweg op de kamp (een soort kleine es) waar de oude Heemser kerk op uitkeek – en vandaag de dag nog altijd op uitkijkt. Gedeelten hiervan werden inderdaad aangemerkt als ‘goorde’. Deze goorde(n) hoorde(n) waarschijnlijk bij de katerstede ’t Creijnost, dan wel ‘t Creijnost was hierop gelegen. Hierdoor kreeg Evert Creijnost waarschijnlijk de bijnaam Goren Evert. Vervolgens werd, zoals we zojuist zagen, de katerstede ’t Creijnost zelf met een afgeleide hiervan aangeduid als ‘het Gooren-Everts’.
Elders in Heemse lagen andere ‘goorden’. Ook kende het dorp een oude katerstede met de naam ‘Op de goorden’. Deze huisplaats lag aan de andere kant van huize Welgelegen aan de oude Heemser Esweg. In het midden van de 18de eeuw werd deze katerstede bewoond door de hovenier die werkzaam was op de adellijke landgoederen. Hierdoor werd deze huisplaats steeds vaker aangeduid als ‘t Hoveniers. Het vuurstedenregister uit 1752 laat dat mooi zien en heeft het over ‘de hovenier van Heemse op den Goorden’. Deze huisplaats wordt als ‘katerstede het Hoveniers’ in 1850 verkocht aan de familie Woelders. Onderzoek heeft uitgewezen dat Evert en zijn gezin nooit gewoond hebben op katerstede Op den Gooren, later het Hoveniers genoemd, maar dat zij wonend op ’t Creijnost de alternatieve aanduiding ‘Goren’ toegekend hebben gekregen.

Evert en Geertje op ’t Creijnost alias ’t Goren Everts kregen de volgende drie dochters:
- Wibbigje: geboren in 1745, waarschijnlijk in Ane. Volgens de naamlijst uit 1811 van Ommen is ze geboren op 10 oktober 1745. Ze was vernoemd naar haar grootmoeder van moederskant en verhuisde als meisje van anderhalf met haar ouders mee naar ´t Creijnost in Heemse. Ze trouwde op 12 mei 1774 te Hardenberg met Gerrit Hendriks Wolbink uit Ane als ‘Wibbigjen Evertsen j.d. mede van Aane’. Waarschijnlijk werkte ze voorafgaand aan haar huwelijk bij haar familie of kennissen in Ane als dienstmeid. Vanaf hun huwelijk woonden Gerrit en Wibbigjen op ’t Dobbemans in Loozen. In 1780 stellen ze zich borg voor de huur van het erve Den Hof bij Ommen dat gepacht gaat worden door hun zoon Gerrit. Later vertrekken ze ook zelf naar dat erve en wordt Gerrit Hendriks aangeduid als Gerrit Hendriks Hofmeijer. Wibbigje is overleden op 88-jarige leeftijd op 29 november 1832 in Arriën als ‘Wibbigje Everts, weduwe van Gerrit Hendriks’.
- Hendrikje: gedoopt op 26 oktober 1749 in Heemse als dochter van Evert Hendriks en Geertje Asse te Heemse, ze was vernoemd naar haar grootvader Hendrik van vaderskant. Ze trouwt op 15 mei 1777 met Arend Hermsen Woestkamp uit Marienberg als ‘Hendrikjen Everts j.d. van Heemse, wonende te Brugt’. Zij gaan wonen in Mariënberg. Arends ouders verhuizen enkele jaren later naar het erve Bouwhuis in Bergentheim en ook Arend hanteert daarom (later) de achternaam Bouwhuis. Hendrikje overlijdt op 30 oktober 1835 als ‘Hendrikjen Goren Everts, wed van wijlen Arend Bouwhuis, dv wijlen Evert Goren Everts, en vrouwe Geertjen Haar Everts, in leven landbouwers te Heemse, oud 84 jaren’.
- Asseline: gedoopt op 26 november 1752 in Heemse als dochter van Evert Hendriks en Geertje Asses te Heemse, vernoemd naar de vader van haar moeder (Asse), overleden in 1752, begraven op 25 december 1752 in Heemse als ‘Goren Everts zijn kijnt’.
In het register van het schoorstenengeld uit 1752 komen we Evert op de lijst tegen als Evert Creinost. Hier staat bij aangetekend dat deze huisplaats eigendom was van de vrouwe van Heemse. In datzelfde jaar werd de jongste dochter van Evert en Geertje geboren. Dat gebeurde in november 1752. Het kindje kreeg de naam Asseline, naar haar grootvader Asse, en werd op 26 november gedoopt. Waarschijnlijk kwam Geertje de bevalling helaas niet te boven. Ze overleed korte tijd later. De kerk van Heemse hield er geen afzonderlijke begraafboeken op na. Toch zijn er data van begrafenissen te vinden, namelijk in enkele diaconieboeken waarin de uitgaven en inkomsten werden bijgehouden. Bij begrafenissen werd er namelijk collectegeld betaald aan de kerk. Dankzij deze boeken weten we ook van het vroegtijdig overlijden van Geertje Asses. Ze werd begraven op 9 december 1752. In het diaconieboek van Heemse vinden we bij deze dag de begrafenis vermeld van ‘Goren Evers vrouwe’. Helaas ging het ook niet goed met de kleine Asseline. Enkele regels onder de vermelding van de begrafenis van haar moeder vinden we op 25 december 1752 haar begrafenis opgetekend met de woorden ‘Goren Evert zijn kijnt’.

als van hun kind in 1752 vermeld wordt.
Na het overlijden van Geertje hertrouwt Evert met Hendrikje Gerrits Keizer. Hendrikje kwam, net als Evert, oorspronkelijk uit Ane en dat zal niet helemaal toevallig zijn geweest. In het trouwboek van Heemse lezen we bij 20 mei 1753: ‘Evert Hendriks weduwnaar te Heemse en Hendrikje Gerrits j.d. te Collendoorn, gedient hebbende ten Hardenb. dese sijn hier getrouwt op den 24 junij’. Hendrikje was in 1725 geboren op katerstede de Keizer op het Veltinkveld in Ane. Ze was gedoopt op 22 juli 1725 in Hardenberg, als dochter van ‘Gerrit Evertz Ceijser en Geesje Hendrix’. Dit waren Gerrit Everts Keizer en Geesje Hendriks Kamphuis, die in 1711 waren gehuwd. Het Veltinkveld was in deze tijd overigens eigendom van de familie Van Blanckvoort, de adellijke familie in Collendoorn en Heemse. Toen ze wat ouder was ging Hendrikje elders aan het werk als dienstmeid. Bij de volkstelling in 1748 treffen we haar niet meer aan bij haar ouders die nog altijd op katerstede de Keizer in Ane woonden. Ze was toen inmiddels 23 jaar oud. Afgaande op de tekst bij haar huwelijk, woonde en werkte ze voordat ze in Collendoorn verbleef in de stad Hardenberg. In 1749 wordt er ‘op Kerstijt’ een Hendrikje Gerrits uit Collendoorn lidmaat van de Heemser kerk. Dit is waarschijnlijk ‘onze Hendrikje’. Kennelijk was ze echter bij de kerk van Hardenberg nog niet uitgeschreven aangezien haar ondertrouw in 1753 ook in het Hardenbergse kerkboek vermeld wordt met als toevoeging dat ze met een attestatie naar Heemse vertrekt: ‘Evert Hendriksen wed. van Heemse en Hendrikje Gerritsen j.d. van Collendoorn, dese met attestatie nae Heemse’.
Bij het huwelijk van Evert en Hendrikje werd een akte opgemaakt waarin vastgelegd is welke spullen de kinderen van hun overleden moeder Geertje Asses erfden en waarin staat dat hun stiefmoeder Hendrikje hen als haar eigen kinderen zou beschouwen. Deze akte vinden we in het rechterlijk archief, opgesteld op 19 mei 1753. De kinderen worden hierin echter helaas niet bij naam en aantal genoemd. Hendrikje werd bij het opstellen van de akte bijgestaan door haar zwager Hendrik (Otten) Nijzink. Hij was getrouwd met Fennigje Gerrits Keizer, de oudere zus van Hendrikje, met wie hij in Ane had gewoond. Fennigje was echter enkele jaren daarvoor overleden en Hendrik was hertrouwd met weduwe Hendrikje Egberts en woonde op erve ’t Nijzink in Collendoorn. De akte is o.a. getekend door Evert Hendriks, Hendrikje Gerrits, Hendrik Nijzink, Gerrit Gerrits en Koendert Asse.
In de jaren daarna krijgen Evert Hendriks en Hendrikje Gerrits enkele kinderen op het Creijnost alias ‘t Goren-Everts. Als eerste een zoon Roelof, die rond 1754 geboren werd. Hij werd vernoemd naar de moeder van Evert. Vervolgens werd in januari 1755 zoon Gerrit geboren. Hij werd gedoopt op 12 januari en vernoemd naar de vader van Hendrikje. Dit jongetje overleed echter al een maand later. In de boeken van inkomsten en uitgaven van de Heemser diaconie vinden we namelijk de aantekening dat op 11 februari 1755 er een kind begraven wordt van Goren Evert. Het volgende kind dat geboren wordt krijgt weer de naam Gerrit. Hij werd geboren in 1757 en werd gedoopt op 13 februari dat jaar. Ook dit jongetje stierf helaas al als baby. Op 5 juni 1757 werd hij in Heemse begraven als kind van Goren Evert, slechts enkele maanden oud.
Oftewel, Evert en Hendrikje kregen de volgende kinderen op ’t Creijnost alias ‘t Goren Everts:
- Roelof: geboren rond 1754 en getrouwd op 9 mei 1793 in Heemse met Fennigjen Bolks. Zij betrokken het erve Bolks in Heemse en gingen op oudere leeftijd wonen in Bergentheim. Roelof overleed op 94-jarige leeftijd in Heemse op 7 januari 1848 als Roelof Bolks, weduwnaar van Fennigjen Bolks en ‘zoon van wijlen Evert Bolks en Hendrikjen Keisers’.
- Gerrit: gedoopt in Heemse op 12 januari 1755, begraven in Heemse op 11 februari 1755.
- Gerrit: gedoopt in Heemse op 13 februari 1757, begraven in Heemse op 5 juni 1757.
Twee jaren na het overlijden van zijn zoontje Gerrit in 1757, is het Evert zelf die overlijdt. Hij was op enkele dagen na 38 jaar oud geworden. Hij werd begraven in Heemse op 23 augustus 1759 als ‘Goren Evert’. Hendrikje hertrouwt vervolgens met Gerrit Jannessen Hesselink. Gerrit woonde tot dan nog altijd als vrijgezelle zoon in zijn ouderlijk huis, het erve Hesselink in Heemse. Hier was hij geboren in het jaar 1727 als kind van Jannes Jansen Hesselink en Aaltje Geerts (van het Warmink) te Heemse. Hij werd gedoopt op 11 mei van dat jaar in Heemse. Toen hij trouwde met Hendrikje was Gerrit bijna 33 jaar oud. Hendrikje was inmiddels 34 jaar oud. Ze trouwden op 11 april 1761 in Heemse. Gelet op haar stiefkinderen en zoon Roelof uit haar huwelijk met de overleden Evert, wordt op de trouwdag behalve de gang naar de kerk, ook een bezoek aan de schout gebracht om een en ander in een akte vast te laten leggen met betrekking tot de kinderen. Bij hun huwelijk worden ze als volgt in het kerkboek van Heemse vermeld ‘Gerrit Jannes j.m. op Hesseling te Heemse en Hendrikje Gerrits, weduwe van Evert Hendriks, te Heemse; hier getrouwd’.
In de akte wordt Gerrit aangeduid als Gerrit Jannessen Hesselink en Hendrikje als Hendrikje Gerrits. Er wordt in beschreven dat er mombers (voogden) aangesteld worden over de stiefkinderen Wibbegien en Hendrikjen Everts, namelijk hun ooms Coendert Assen en Hendrik Otten Nijzink. Daarnaast wordt vastgelegd wat zij zullen erven en wat hun spullen zijn. Vervolgens gaat de akte over de zoon van Hendrikje en haar overleden man Evert, genaamd Roelof Everts. Hij wordt door Gerrit Jannessen aangenomen als z’n eigen zoon en toekomstig erfgenaam. De akte wordt ondertekend door o.a. ‘Gerrijt IJansen, Hendrikien Gerrits, Gerrits Eekmans, IJannes IJasen, Henderk Nijsijnk en Koendert Asse’.

Gerrit Jannessen Hesselink nam vanaf zijn trouwdag in 1761 intrek in ’t Creijnost alias ’t Goren-Everts, de woning van zijn vrouw. In de kohieren van de hoofdelijke omslag van 1764 en 1765 zien we hem op de lijst staan als ‘Gerrit Kreinest’, in 1767 wordt hij hierin echter ‘Goren Gerrit’ genoemd. Ook na het overlijden van Evert bleef de aanduiding Goren-Everts een alternatieve naam voor ’t Creijnost. Gerrit werd dan ook ‘Gerrit Gooren-Everts’ of ‘Gerrit Gooren’ genoemd, in de volksmond ‘Goorn Gerrit’. Hij kreeg met Hendrikje enkele kinderen. Zij werden later in officiële stukken vaak aangeduid als zoon of dochter van ‘Gerrit Jansen’. Bij het overlijden van z’n ongehuwde dochter Geziena Gerrits jaren later krijgt hij in de akte als haar vader abusievelijk haar achternaam met terugwerkende kracht toegekend. Dat gebeurde sinds de invoering van de vaste achternaam wel vaker. De kinderen van Gerrit en Hendrikje:
- Evert (1763-1811): geboren in 1763 in Heemse (geen doopvermelding te vinden). Evert Gerrits genoemd alias Goren-Everts, net als de eerste man van zijn moeder. Hier is hij ook naar vernoemd. Op 29 juni 1792 in Heemse getrouwd met Swaantje Jansen Bolks als zoon van ‘Gerrit Janssen en Hendrikjen Gerrits’, woont met zijn gezin tot 1807 op het Creijnost (Kraainest), overleden op 5 februari 1811 op ’t Geerts alias Warmink in Heemse als ‘Everd Gerrids, oud 48 jaaren, nalatende zijn vrouw met 7 kinderen’. Zijn vrouw was op dat moment zwanger van hun jongste zoon.
- Aaltje (1765-1813): geboren in 1765 in Heemse (geen doopvermelding te vinden), volgens de akte van naamsaanneming in Ommen geboren op 19 mei 1765, vernoemd naar de moeder van haar vader, trouwt in 1793 in Ommen met Jurrien Spanjerd als ‘Aaltjen Gerrits, dochter van Gerrit Jannessen en Hendrikjen Gerrits, j.d. op het Kraaijenest te Heemse’ (tekst ondertrouw in Heemse op 7 september), overleden op 8 oktober 1813 in Ommen als Aaltje Gerrits, naaister, oud 48 jaar, echtgenote van Jurjen Spanjaard, dochter van ‘wijlen Gerrit Jans en Hendrikje Gerrits’
- Geziena (1768-1819): geboren in 1768 in Heemse (geen doopvermelding te vinden), waarschijnlijk vernoemd naar haar grootmoeder Geesje, de moeder van Hendrikje. Zij blijft ongehuwd en is overleden op 25 december 1819 in Heemse als Geziena Gerrits, 51 jaar oud, dochter van ‘wijlen Gerrit Gerrits en vrouwe Hendrikjen Gerrits’. Ze overleed ‘ten haaren zwagers woonhuize’ te Heemse met huisnr. 42. (die zwager was Albert Holleboom, de man van haar jongere zus Jennigjen, zij woonden toen (sinds 1817) op het aloude erve Bolks).
- Jennigjen (1771-1821): geboren in 1771 in Heemse (geen doopvermelding te vinden), waarschijnlijk vernoemd naar haar grootvader Jannes, de vader van Gerrit. In 1799 huwde ze in Heemse met Albert Holleboom uit Uelsen. Als ouders van de bruid worden vermeld Gerrit Jansen en Hendrikjen. Op 49-jarige leeftijd overleed ze op 15 december 1821 in Heemse, (huisnr. 42, erve Bolks, waar ze sinds 1817 woonden) als ‘echtgenoote van Albert Holleboom en dochter van wijlen Gerrit Hesselink en vrouw Hendrikjen Everts in leven landbouwer te Heemse’.
Wat opvalt is dat van al de vier kinderen van Gerrit en Hendrikje geen doopvermeldingen in de kerkboeken van Heemse en omliggende plaatsen te vinden zijn. Mede hierdoor en doordat er ongeveer in dezelfde periode een ander, jonger stel in Heemse woonde dat Gerrit Jansen en Hendrikje Gerrits heette, dat ook kinderen kreeg, vergde het nader onderzoek welke kinderen van welk stel waren (zie voor dit gezin het artikel over de huisplaats het Bouwhuis in Heemse). In het zojuist al aangehaalde belastingkohier uit 1767 worden alleen de bewoners van 17 jaar en ouder van elke woning vermeld. We zien het huishouden van Gerrit en Hendrikje genoemd staan als ‘Goren Gerrit – de man en Hendrikje – de vrouw, met Hendrikje – de dochter‘. Deze ‘dochter’ betreft hun stiefdochter die in 1749 geboren was en die als enig thuiswonend kind 17 jaar of ouder was. Haar vier jaar oudere zus Wibbigje zal elders als dienstmeid werkzaam zijn geweest. Als dienstmeid of knecht woonde je vaak in bij de mensen waar je werkte. In het geval van Wibbigje was dat waarschijnlijk ergens in Ane. Toen ze in 1774 trouwde woonde ze daar volgens het trouwboek. Hendrikje trouwde enkele jaren later, in 1777. Nadat deze zussen het Creijnost verlaten hadden, kende het huishouden van Gerrit en Hendrikje – naast henzelf – enkel hun eigen kinderen en hun (stief)zoon Roelof Everts uit Hendrikjes eerste huwelijk.
Het oudste kind van Gerrit en Hendrikje, zoon Evert, treedt in 1792 in het huwelijk met Swaantje Bolks. In het trouwboek van Heemse staat bij 2 juni van dat jaar: ‘Evert Gerrits, zoon van Gerrit Janssen en Hendrikjen Gerrits, j.m. te Heemse en Zwaantjen Bolks, dochter van Jan Bolks en Hermpjen Zeine, j.d. mede alhier; zijnde naa drie voorafgegaane gewoone proclamatien alhier getrouwt op den 29 junij’.
Swaantje was geboren in 1766, gedoopt op 19 januari 1766 in Heemse, en was een buurmeisje afkomstig van het erve Bolks in Heemse, dat dichtbij ’t Creijnost gelegen was. Op de dag voorafgaand aan de trouwdag waren er bij de schout huwelijkse voorwaarden opgesteld, waarbij bepaald werd dat Evert en Swaantje bij Everts ouders zouden gaan inwonen en boedelhouder zouden worden. Daarnaast werd beschreven wat zijn halfbroer en zussen erfden. De akte werd door alle betrokkenen ondertekend, ook door Everts ouders, met de namen Gerrit Jansen en Hendrikje Gerrits. Vanaf haar trouwdag ging Swaantje bij haar schoonouders inwonen op ’t Creijnost.

Everts jongere zus Geziena woonde toen in ieder geval nog thuis. Zij zou ongehuwd blijven en zou tot 1817 op ’t Creijnost blijven wonen. Everts jongere zussen Aaltjen en Jennigjen trouwden in respectievelijk 1793 en 1799, maar het zou goed kunnen dat ze in 1792 al elders als dienstmeid werkzaam waren. Aan het einde van het jaar 1795 woonden ze in ieder geval niet meer op ’t Creijnost. Everts halfbroer Roelof Everts woonde in 1792 wellicht ook nog in huize ’t Creijnost, alhoewel hij ook elders als knecht zou kunnen wonen. Dat valt niet meer te achterhalen. Roelof trouwde niet veel later, op 9 mei 1793, in Heemse met Fennigjen Bolks en ging inwonen in haar ouderlijk huis, het erve Bolks in Heemse (voorheen erve Oostmannink geheten). Fennigje was de oudere zus van Swaantje Bolks. Het was dus dubbel familie. Bij hun huwelijk staat er van Roelof geschreven ‘Roelof Everts, zoon van Evert Hendriks en Hendrikjen Gerrits’. Roelof en Fennigje zouden later het Bolks gaan aankopen, en nog weer later zouden ze gaan inwonen bij hun zoon Evert met zijn gezin in Bergentheim. Toch keerde Roelof aan het einde van zijn leven terug naar Heemse. Hij overlijdt daar op 94-jarige leeftijd op 7 januari 1848 als Roelof Bolks, weduwnaar van Fennigjen Bolks en ‘zoon van wijlen Evert Bolks en Hendrikjen Keisers’. Aan zijn vader wordt in de overlijdensakte abusievelijk met terugwerkende kracht zijn achternaam Bolks toegekend. Een fenomeen dat we zojuist ook al zagen.
De in 1792 getrouwde Evert en Swaantje werden de volgende generatie op ’t Creijnost alias ‘t Goren-Everts. Dat er daarmee weer een Evert op de boerderij kwam, zal de naam Goren-Everts een extra impuls hebben gegeven. Evert werd landbouwer in Heemse, maar pachtte de boerderij van de heer en vrouwe van Heemse, net als zijn vader. Mogelijk bleef zijn vader aanvankelijk zelf nog de pachter. Ze woonden immers bij elkaar in en tijdens de summiere volkstelling in 1795 wordt vader Gerrit op de lijst vermeld als hoofdbewoner. Hij komt daarop voor als ‘Goorn Gerrit, boer’ met een huishouding die uit 7 personen bestaat. Dit zijn hij en zijn vrouw Hendrikje, hun ongehuwde dochter Geziena, en hun zoon Evert met zijn vrouw Swaantje en hun twee kinderen Hendrikjen en Hermina. Bij de doop van dochter Hendrikjen in 1793 werd in het doopboek van Heemse expliciet vermeld dat ze een dochter was van ‘Everd Gerrits en Zwaantjen Bolks op ‘t Kraainest te Heemse’. De beide meisjes waren elk vernoemd naar een grootmoeder. De woonsituatie zoals die in 1795 bestond zou echter niet meer lang bestaan. Gerrit en zijn vrouw Hendrikje zouden allebei in het jaar 1798 komen te overlijden. Hendrikje als eerste, zij werd begraven op 25 januari 1798 als ‘Goorn-Everds Hendrikje’. Gerrit volgde daarna en werd begraven op 9 augustus van dat jaar als ‘Goorn Gerrit’.

Het jaar erop – in 1799 – werd er een nieuw pachtboek aangelegd waarin de pacht en tienden van de erven, katersteden en landerijen van de heer en vrouwe van Heemse werden bijgehouden. Hierin wordt ’t Kraainest vermeld met als huurders ‘Evert Gerritsen en zijn huisvrouw Swaane Jansen’ met daarbij de opmerking ‘alles volgens huurzedel vernieuwt den 4 januari 1794.’ In het boek bevinden zich diverse losse briefjes met afrekeningen. Zo ook bij de pagina’s betreffende het Kraainest. Op deze briefjes wordt Evert afwisselend Evert Gerrits(en) en Goren Evert genoemd.

Na de zojuist genoemde twee dochtertjes, kregen Evert Gerrits en Swaantje Bolks nog meer kinderen. In totaal kregen ze 9 kinderen:
- Hendrikjen Gerrits (1793-1861)
- Hermina Gerrits (1794-1831)
- Gerrit Gerrits (1796-1809)
- Jennigjen Gerrits (1798-1845)
- Gerritdina Gerrits (1801-1856)
- Hendrica Gerrits (1803-1882)
- Gerrit Jan Gerrits (1805-1845)
- Gerhardus Gerrits (1807-1880)
- Evert Gerrits (1811-1869)

In 1811 werd in Nederland de verplichte vaste achternaam c.q. familienaam ingevoerd. Kinderen kregen daarmee dezelfde achternaam als hun vader, in plaats van de boerderijnaam of een afgeleide van de voornaam van hun vader (zoals Jansen of in dit geval Everts). Vandaar dat aan de kinderen van Evert Gerrits de achternaam Gerrits werd toegekend, alhoewel geldt dat ze soms ook aangeduid werden met de achternaam ‘Everts’.
Rond 1807 werd er een register aangelegd van eigenaren van onroerend goed in het schoutambt Hardenberg. Op deze lijst zien we onder het dorp Heemse het Kraainest vermeld staan met huisnr. 36 als eigendom van de heer en vrouwe van Heemse: ‘36. Krainest te Heemse met een huis en aan zaailand en groenland zamen a 8 mudden gezaaij graven op de Heemster kerkhof en 1/4 waare in de markte van Heemse en Collendoorn meest tiendbaar.’ Het is de vraag of Evert en Swaantje met hun kinderen toen nog op het Kraaienest woonden. Zij verhuisden rond deze tijd naar een andere boerderij in Heemse, waar hun jongste twee kinderen werden geboren. In het pachtboek staat op de pagina’s van ’t Kraainest bij het jaar 1807 vermeld: ‘Kraainest te Heemse; verhuurd aan Albert Holleboom en zijn huisvrouw Jennechien Gerrits volgens huurcedel in dato den 31 januarij 1807’. Oftewel, de jongere zus van Evert en zijn zwager. Zij nemen de rol van pachters over van Evert en Swaantje. Albert kwam uit Uelsen en was kleermaker van beroep. Hij en Jennigjen waren in 1799 getrouwd en mogelijk woonden ze vanaf toen al bij Evert en Swaantje in op ’t Kraaienest.
Boven de zojuist genoemde vermelding in het pachtboek staat geschreven ‘Den 31 Dec. 1807 met de ouwe meijer verr(ekend) hetgeen door hem door Mevr. is aanbesteed op het erve Geerts ter somma van f 32,-, daaronder hetgeen overgenomen is als een straatje planken populieren’. De oude meier dat is de voormalige huurder Evert Gerrits, en met ‘Mevr.‘ wordt de vrouwe van Heemse bedoeld. Dat was Clara Feyoena Van Raesfelt, die overigens op 1 september van dat jaar overleden was. Een inliggend briefje bevat een specificatie van deze kosten en dit begint met de zinsnede ‘1807 in april van Evert Gerrits overgenomen’. Het betrof een vergoeding van kosten die Evert gemaakt had bij het leggen van planken op het dak van ’t Kraaienest en bij het aanleggen van veldstenen in het straatje voor de baanderdeur van ‘t Kraainest. Het gros van de kostenvergoeding had echter betrekking op ‘de reparatie aan de zuidelijke zijde van de keuken van het huis op het erve Warmink, te weten het dak met twijgen’.
Evert Gerrits en Swaantje Bolks met hun kinderen zetten vanaf 1807 hun bestaan voort op het erve Warmink alias ’t Geerts in Heemse, terwijl Everts zwager en zus, Albert Holleboom en Jennechien Gerrits voortaan het Kraaienest gingen pachten. Zij bewoonden het Kraaienest tot 1817, samen met hun kinderen en Jennechiens zus Geziena. In dat jaar verhuisden ze naar het erve Bolks, de woning van Jennigjes halfbroer Roelof Everts, die zelf met zijn vrouw in Bergentheim ging wonen. In het pachtboek staat bij ’t Kraainest onder het jaar 1817 ‘vervolgens is dit plaatsje verhuurd aan Gerrit Bos en Johanna Dorgelo voor 70 gld en verder op dezelfde voorwaarde.’
Op 12 december 1820 hield notaris Antoni van Riemsdijk een boedelinventarisatie op den Huize Heemse, op verzoek van de hoogwelgeboren heer jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, weduwnaar en boedelhouder van wijlen de hoogwelgeboren vrouwe Maria Clara gravinne van Rechteren, lid van de Ridderschap dezer provincie en breedgeërfde, domiciliërende op den Huize Heemse (…) Tot de vele onroerende goederen behoorde ‘het Gooren-Everts of Kraainest, liggende te Heemse, aan en ten noorden den Bolkskamp gelegen, hebbende de zogenaamde Hessenweg agter de behuizinge langs lopen en bestaande uit derzelver behuizinge numero 36’ (aktenr. 240).
Het jaar erop overleed pachter Gerrit Bosch. Notaris Antoni van Riemsdijk had op 7 juli 1821 zijn testament nog kunnen vastleggen en verbleef daarvoor op ’t Kraaienest te Heemse, in het woonhuis numero 36 (aktenr. 93). Gerrits weduwe Johanna bleef ’t Kraaienest bewonen en bemeijeren. Een half jaar later, op 5 januari 1822, verscheen de notaris opnieuw op ’t erfjen het Kraaijnest. Hij deed dat op verzoek van ‘Johanna Dorgelo, weduwe van wijlen Gerrit Bosch, landbouwersche op ’t Kraaijnest’. Zij was moeder en voogd over haar minderjarige dochtertje Machtilda Bosch (aktenr. 149). Zij hertrouwde in 1825 met ene Klaas Rolleman, die bij haar in kwam wonen. Ook hij kwam echter na enkele jaren op ’t Kraaienest te hebben gewoond te overlijden, namelijk op 16 september 1831.

Bij de invoering van het kadaster (anno 1832) werd ’t Kraaienest geregistreerd onder B no. 740 op legger 101 ten name van jonkheer Jacob van Foreest van Heemse. Op 25 juli 1834 vond op het erfjen het Kraainest een openbare verkoop plaats van verschillende percelen op gasten staande rogge, op verzoek van Johanna Dorgelo, weduwe van Klaas Rolleman, ´tappersche te Heemse´. Notaris Antoni van Riemsdijk hanteerde de veilinghamer (aktenr. 1108).
Nadat Johanna zelf was komen te overlijden in 1842, wordt het pand verkocht. In 1844 worden Mannes Schrotenboer en zijn echtgenote Hendrica Holleboom, landbouwers te Heemse, eigenaren. Hendrica was de dochter van Albert Holleboom en was opgegroeid op ’t Kraaienest. Ze keerde hiermee terug naar de woning van haar jeugd. In de notariële akte wordt gesproken over de ‘katerstede het Kraijennest’. Ruim 20 jaar later, in 1866 overlijdt Hendrica en het jaar erop verkoopt Mannes ’t Kraainest aan Hendricus Nicolaus van Roijen, burgemeester te Heemse. Burgemeester Van Roijen laat het boerderijtje in 1868 afbreken. Het was gelegen op de huidige T-splitsing in de Hessenweg direct aan de oostzijde van de Hessenwegkerk.
Kadastrale geschiedenis
Legger 101 in 1832: Sectie B-740: Huis en erf. Eigendom van jonkheer Jacob van Foreest van Heemse.
Legger 101/303: Sectie B-740. Huis en erf. In 1843 over op:
Legger 691/1: Eigendom van Mannes Schrotenboer en echtgenote Hendrica Holleboom, landbouwers te Heemse. Zij waren op 7 juli 1827 getrouwd te Heemse. In 1867 verkoop. Over op:
Legger 2694/3: Eigendom van Hendricus Nicolaus van Roijen, burgemeester te Heemse (zie hulpregister no. 4 hypotheken, deel 22, nr. 451). Hij was op 11 augustus 1858 te Assen getrouwd met Johanna Gesina Sluis. In 1868 afbraak’. Over op:

Legger 2694/11: Nieuwe sectie B-4775. Bouwland.