Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur van Ambt Hardenberg

1 januari t/m 30 juni 1833

Nr. 1      Heemse, den 1e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Ten vervolge van mijne berichten daaromtrent van den 25e, 26e en 27e der vorige maand nr. 597, 602 en 603 en in voldoening aan het ten slotte bepaalde bij deszelfs aanschrijving van den 29e november l.l., 1e afd. nr. 6759/4707, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze te informeren dat ook gisteren (den avond voor nieuwjaarsdag), niet met de klokken in den kerktoren van Heemse is geluid of gebeijerdt geworden. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 2      Heemse, den 2e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Ten vervolge van mijne berichten daaromtrent van den 25e, 26e en 27e der vorige maand nr. 597, 602 en 603 en in voldoening aan het ten slotte bepaalde bij deszelfs aanschrijving van den 29e november l.l., 1e afd. nr. 6759/4707, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze te informeren dat ook gisteren (nieuwjaarsdag) niet met de klokken in den kerktoren van Heemse is geluid of gebeijerdt geworden. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 3      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

In overeenkomste van Uw Excellentie’s Besluit van den 9e mei 1831, 1e afd. nr. 695 (prov.blad nr. 78) voldoende aan het Gouvernements Besluit van den 13e juni 1821, zo heb ik de eer Uw Excellentie bij deezen gehoorzaamst te informeren dat van de nationale militie geen deserteurs of enige nalatige dienstplichtigen ter dezer gemeente zijn ontdekt geworden. Waarmede zich Uwe Excellentie gehoorzaamst is aanbevelende. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 4      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 11e juli 1817, heb ik de eer Uw Excellentie hiermede te berichten dat gedurende het laatst verlopene kwartaal des vorigen jaars geene onvoorziene rampen, deeze gemeente ofte eenige derzelver ingezetenen getroffen hebben. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 5      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Naar aanleiding van art. 14 van het Koninklijk Besluit van den 18e april 1818 heb ik de eer bij deze te berichten dat gedurende het 4e kwartaal des afgelopenen jaars geene vaccinatien in de gemeente plaats gehad hebben; zijnde er echter ook geene spooren van natuurlijke kinderziekte ontdekt geworden. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 6      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan de Commissie van Geneeskundig onderzoek en toevoorzicht van de Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ofschoon gedurende het 4e kwartaal des afgelopenen jaars geene vaccinatien in de gemeente mogen zijn te werk gesteld geworden, zo heb ik echter gemeend U daaromtrend bij deze naar aanleiding van het Koninklijk Besluit van den 18e april 1818 te moeten informeeren, met de vermelding tevens dat intusschen ook geene spooren van natuurlijke kinderziekte in dezelve zijn ontdekt geworden. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 7      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Ter voldoening van het gouvernementsbesluit van den 24e augustus 1827 heb ik de eer bij deze te overzenden de daarbij gerekwireerde tabelle van sterfte ter dezer gemeente ten jaare 1832. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 8      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan den heer Commissaris van Policie der Stad Deventer:

Ik heb de eer U hiernevens te retourneeren de mij bij deszelfs missive van den 29e der vorige maand overgemaakte bril met een glas in zilver gemonteerd en theelepeltje van hetzelve metaal, met het proces-verbaal van niet erkenning derzelve objecten door jonkheer Jacob van Foreest van Heemse te Heemse in de gemeente als ten zijnen huize in den nacht van den 24/25 september l.l. gestolen; terwijl het mij tevens leed doet nu ook wederom niets alhier te hebben mogen ontwaren nopens eenige der door U bedoelde in de maand september l.l. bij mevrouw de weduwe Kok of andere personen binnen Uwe stad gestolene goederen. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg.

Nr. 9      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan den heer Ontvanger der Rechten van successie en van overgang door overlijden in het ressort Ommen, te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari 1818 overzende ik U bij dezen de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene maand december 1832, - voegende hierbij ingevolge besluiten van Z.e. den heer Gouverneur der Provincie van den 14e januari en 7e maart des vorigen jaars, het certificaat van overmogen betrekkelijk de erfgenamen van Petertje van de Beek, in de voorlaatste maand overleden, en onder de dooden op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 10    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan den heer Officier bij de Regtbank te Deventer:

Ik heb de eer bij deze aan U te overzenden een door mij op heeden opgemaakt proces-verbaal van mishandeling op den 1e deezer (nieuwjaarsdag) aan de gebroeders Jan Herm en Jan Hendrik Rensing, beide landbouwers wonende te Slagharen in de gemeente, bij het woonhuis van Hendrik Keuken,  bakker onder Rheezerveen aan de Dedemsvaart in de gemeente, zullende zijn aangedaan door Jan Welmers, bakkersknecht en Hendrik Mulder, arbeider beide aldaar wonende, mitsgaders door Koop Kuunder, arbeider wonend aan dezelve Vaart onder de gemeente Zuidwolde in de provincie Drenthe. U verzoekende om, zo wel door de indispositie van mijn heer de burgemeester als door de veele werkzaamheden ter secretarie der gemeente, met het nader verhoor der getuigen bij het proces-verbaal genoemd, wel het Vredegerecht dezes kantons te willen belasten. Bij indispositie van de burgemeester, de 1e assessor bij het bestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh, A. Kampherbeek.

Nr. 11    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 85 van het Reglement op het Bestuur ten plattenlande der provincie, vastgesteld bij Zijner Majesteits Besluit van den 23e juli 1825, nr. 132, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze, door overzending van een afschrift van het daaromtrend door mij op heeden opgemaakte en overeenkomstig het gouvernementsbesluit van den 4e december 1818, in overeenstemming met het slot van opgemelden reglementairen artikel, bij mijne missive van heden nr. 10 (waarvan ook een afschrift hierbij) aan mijn heer den Officier bij de Rechtbank te Deventer ingezondene proces-verbaal, gehoorzaamst te informeeren van eene op den 1e deezer (nieuwjaarsdag) onder Rheezerveen aan de Dedemsvaart in de gemeente plaats zullende gehad hebbende mishandeling aan de gebroeders Jan Herm en Jan Hendrik Rensing, landbouwers te Slagharen in de gemeente, zullende zijn aangedaan door de daarbij genoemde Jan Welmers en Hendrik Mulder, aan dezelve Vaart onder Rheezerveen, mitsgaders Koop Kuunder, aldaar onder de gemeente Zuidwolde. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 12    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde Staaten der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het sub 2 bepaalde bij derzelver besluit van den 27e juni des vorigen jaars, hebben wij de eer, U bij deze gehoorzaamst te berigten dat deeze gemeente blijvende sustineeren tot hiertoe geene persoonen in een der koloniale gestichten der Maatschappij van Weldadigheid ten haaren laste te zijn hebbende of te regt voor rekening der gemeente aldaar opgenomen te zijn geworden, dan alzo ook deeze gemeente geene betalingen aan het rijk voor derzelver onderstand enz. zijn gedaan. Verblijvende hiermede onderdanigst. Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij indispositie van de burgemeester, A. Kampherbeek, assesor. In kennisse van mij J. Odink Dz., loco secret.

Nr. 13    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de gouvernementsbesluiten van den 26e september 1818 etc. etc. heb ik de eer hierbij aan Uwe Excellentie te doen toekomen den door mij opgemaakten staat der geboorte, huwelijken en sterfte in deeze gemeente gedurende den afgelopenen jaare 1832. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 14    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan den heer lieutenant colonel, commandant der vesting Coevorden:

Door den Raad van Administratie van het 2e bataillon der 1e afdeling mobile schutterij van Overijssel, bij deszelfs missive van den 23e der vorige maand, nr. 230, aan mij onder anderen overgemaakt geworden zijnde den inliggenden staat, van kleding, wapening en uitrustingstukken van Jan Nijkamp, schutter uit de gemeente, en dienende in de 5e kompagnie van het voormelde battaillon, ziek zijnde en zich in de garnizoensziekenzaal der vesting Coevorden bevindende, ten einde ingevolge magtiging van het Departement van Oorlog d.d. 7e te voren, nr. 109, dezelve effecten door hem bij de hoofd administratie van het depot der 12e afdeling infanterie te Doesburg moeten worden ingeleverd en hij daarna uit den dienst ontslagen, zo heb ik de eer denzelven staat bij deze aan U te overzenden, met verzoek om denzelven wel aan den betrokkenen te willen doen ter hand stellen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 15    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Voor den persoon van Kornelius Visker (den onderwerpe uitgemaakt hebbende mijner missive van Uw Excellentie van den 5e januari des vorigen jaars, nr. 13 en waartoe ten dezen zo veel nodig eerbiedige relatie) zoon van Frederik Bruins – en van Wieke Kornelius, loteling voor de nationale militie ter dezer gemeente van de klasse van 1832, en door den Militieraad in deszelfs 2e zitting op den 6e april van dat jaar voor een jaar van den dienst bij dezelve militie vrijgesteld, van het Departement van Coloniën een certificaat behoevende dat denzelven nog werkelijk onder de koloniale troepen is dienende, ten einde daarop van opgemelden raad in deszelfs bevoorstaande 1e zitting gelijke vrijstelling voor de ligting van den lopenden jaare voor denzelven te erlangen, zo neem de vrijheid Uwe Excellentie bij deze te verzoeken mij even als ten afgelopenen jaare, door deszelfs intermediair wel dezelve certificatie in tijds te willen doen toekomen. Verblijvende hiertoe onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 16    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan den Raad van Administratie der 8e afdeling infanterie in guarnisoen te Groningen:

Voor den persoon van Albert Beltman, zoon van Jan Hendrik Beltman en van Jennigjen Alberts, loteling voor de nationale militie ter dezer gemeente van de klasse van 1830 en door de Militieraad in deszelfs vroegere zittingen voor een jaar vrijgesteld van den dienst, een attest behoevende, dat Derk Flierman, als plaatsvervanger voor deszelfs broeder Evert Beltman, loteling van dezelve militie, ligting van den jaare 1827, in de gemeente Gramsbergen, als fuselier (nr. 15430 op het stamboek) is diende bij het depot bataillon der 8e afdeling infanterie, zo verzoeke U mij, zo spoedig mogelijk, zodanig attest, in overeenstemming met art. 28 der wet van den 27e april 1820, ingerigt naar het voorschrift van die van den 8e januari 1817, wel te willen doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 17    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan den Raad van Administratie van het 4e battaillon artillerie nationale militie te ’s-Hertogenbosch:

Voor den persoon van Rudolph Nijmeijer, zoon van Albert Nijmeijer en van Jennechien Nijmeijer, ingeschreevene voor de nationale militie der dezer gemeente in de klasse van den jaare 1831 en als zodanig noch in betrekking tot de ligting voor dezelve militie van den lopenden jaare 1833, een attest behoevende, dat Jan Hendriks, zoon van Jan Hendriks en van Geesjen Hendriksen, loteling van de voormelde militie, ter dezer gemeente van de klasse van 1825, nr. 16, als nummerverwisselaar voor deszelfs broeder Hendrik Nijmeijer, loteling van dezelve militie, ligting van den jaare 1827 in deze gemeente, als kannonnier (nr. 2666) is dienende bij het 4e battaillon artillerie nationale militie, zo verzoeke U mij, zo spoedig mogelijk, zodanig attest, in overeenstemming met art. 28 der wet van den 27e april 1820, ingerigt naar het voorschrift van die van den 8e januari 1817, wel te willen doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 18    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Zo ontvange Uwe Excelentie’s compel ter herinnering aan deszelfs besluit van den 27e der vorige maand, 1e afd., nr. 7278/5041, en wegens de niet voldoening aan het daaromtrent sub 2 bepaalde, bij deze, uithofode mijner persoonlijke ongesteldheid Uw Excellentie’s verschoning vragende, zo heb ik de eer bij deze gehoorzaamst te berigten dat reeds op den 2e dezer door mij is daargesteld geworden de daarbij bedoelde commissie uit het plaatselijk bestuur, belast met de werkzaamheden bij art. 4 en 5 der wet van den 19e december 1832, en hebbende daartoe alstoen benoemd de heeren A. Kampherbeek, 1e assessor, en J. Odink, mitsgaders jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, leden van den raad, onder toevoeging aan dezelve als geneeskundige van den heer Frans Willem van Riemsdijk, medicinae doctor enz. ter Steede Hardenbergh. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 19    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan den Raad van Administratie der 7e afdeling infanterie in guarnisoen te Zwolle:

De menigvuldige benodigde attesten en certificaten zo van praesentie bij hunne korpsen als van volbragten dienst en overlijden bij dezelve, voor de ligting der nationale militie van den lopenden jaare ten einde daarop vrijstelling van den dienst voor de belanghebbenden te erlangen, hebben mij doen besluiten, in steede van die, zo als tot hiertoe bij eene afzonderlijke missive aan te vragen, alle dezelve, voor zo verre tot de 7e afdeling infanterie zijn gehorende, op eenen staat, volgens bijgaanden te voeren, U verzoekende mij wel voor de daarop voorkomende dertiental lotelingen zo spoedig mogelijk de vereischte attesten enz. te doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 20    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan den heer commanderenden officier van het 2e battaillon der 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd in het voormalig Staats Vlaanderen, provincie Zeeland:

Ten einde daarop overeenkomstig de wet van den 29e november 1830, staatsblad nr. 84, voor de belanghebbenden, behorende tot de ligting der nationale militie van deezen jaare, vrijstelling van dienst te erlangen, verzoek ik U mij wel zo spoedig mogelijk te willen doen toekomen de attestaten of certificaten van dienst of wel van overlijden in denzelven, van het elftal schutters van den eersten ban uit de gemeente, vermeld en aangewezen op den nevensgaanden staat. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 21    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 22 der wet op de nationale militie van den 8e januari 1817, staatsblad nr. 1, en ingevolge de bepalingen bij art. 14 van het gouvernementsbesluit van den 3e december 1825, geïnhereerd bij Uw besluit van den 3e der vorige maand, hebben wij de eer bij dezen aan U te overzenden een bij het bestuur dezer gemeente, sub dato den 4e dezer, ingeleverd verzoekschrift van Gerrit Hutten en vrouwe Wibbigjen Jansen, landbouwers te Bergentheim in de gemeente, houdende verzoek om daarbij aangevoerde redenen, tot ontslag uit den dienst van haren zoon Jan Herm Hutten (door het overlijden zijner zuster enige zoon en tevens enigst kind geworden), loteling voor de nationale militie der klasse van den jaare 1830 ter dezer gemeente, en thans dienende als fuselier bij het 1e battaillon der 7e afdeling infanterie. En ofschoon de wet tot de onderhavige vrijstelling of ontslag uit den dienst geen rechtstreekse aanleiding geeft, hebben wij echter vermeend ingevolge en naar aanleiding van Uw besluit van den 22e der vorige maand, waarbij geïnhereerd wordt, dat van den 13e december 1831, het verzoek niet te kunnen of mogen afwijzen. Ons voorts ten dezen onderdanigst refererende tot de bijgevoegde rekweste en bijlagen, mitsgaders den staat in duplo, waarop ter voldoening aan art. 9 van het gouvernementsbesluit van den 9e december 1818 de bij dezelve rekweste gedaane aanvrage of verzoek hebben overgebragt, zo neemen wij tevens de vrijheid ons hiermeede Uwe Excellentie eerbiedigst aan te bevelen. Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie A. Kampherbeek, assessor. In kennisse van mij, J. Odink D.z., loco secretaris.

Nr. 22    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Janna Vos, zonder beroep, te Brucht, weduwe ten zijnen tweeden huwelijk van wijlen Berend Nijzink aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 23    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Evert Schutte, schaapherder te Venebrugge, zoon van Berend Schutte en vrouwe Evertje Nijman aldaar; hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 24    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Evertjen Vrijlink, landbouwersche te Lutten, weduwe van wijlen Arend Willems, in leven landbouwer te Stegeren; hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 25    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 23e april 1822, betrekkelijk het getal der individuele personen die in den loop van den jaare 1832 van buiten deze provincie in dezelve hun verblijf zijn komen te vestigen, of uit dezelve na andere plaatsen buiten de provincie in hetzelve jaar zijn verhuist, - heb ik de eer bij dezen Uwe Excellentie gehoorzaamst te berichten:

  1. Dat alzo hun verblijf ter dezer gemeente zijn komen te vestigen:
    1. in of onder de buurtschap Sibculo:

-          het huisgezin van Geert Huisman, hebbende 5 (twee mannelijke en drie vrouwelijke) zielen, en komende van Uelsen, graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover;

-          het  huisgezin van Herm Stegink, hebbende 4 (twee mannelijke en twee vrouwelijke) zielen, en komende van Uelsen voormeld;

    1. in of onder de buurtschap Rheeze:

-          het huisgezin van Geert Scholte, hebbende 2 (een mannelijke en een vrouwelijke) zielen, en komende van Osnabrück, koninkrijk Hanover)

-          het huisgezin van Jan Hermsz. Kok, hebbende 4 (twee mannelijke en twee vrouwelijke) zielen en komende van het Hoogeveen, provincie Drenthe

-          het huisgezin van Arend Koops, hebbende 5 (twee mannelijke en drie vrouwelijke) zielen, en komende van het Hoogeveen voorzeid

-          het huisgezin van Geesje Berghuis, bestaande uit eene (vrouwelijke) ziel, en komende van Nijmegen, provincie Gelderland

-          het huisgezin van Albert Roseboom, hebbende 6 (vier mannelijke en twee vrouwelijke) zielen, en komende laatstelijk van Emmelenkamp, graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover

-          het huisgezin van Jan Klaasz Bakker, hebbende 8 (vijf mannelijke en drie vrouwelijke) zielen, en komende van Ruinerwold, provincie Drenthe

-          het huisgezin van Reinder de Jonge, hebbende 3 (twee mannelijke en een vrouwelijke) zielen, en komende van ’t Hoogeveen, meergemeld

-          het huisgezin van Hendrik Hendriks Prins, hebbende 6 (drie mannelijke en drie vrouwelijke) zielen, en komende van Zuidwolde, provincie Drenthe

-          het huisgezin van Mannes Wilkes, hebbende 3 (een mannelijke en twee vrouwelijke) zielen, en komende van Heek, Ambt Ahousen, graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover

    1. in of onder het dorp Heemse:

-          het huisgezin van Seine ter Wijlen, hebbende 2 (een mannelijke en een vrouwelijke) zielen, en komende van Wijlen (Wielen), graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover

    1. in of onder de buurtschap Collendoorn:

-          het huisgezin van den heer Derk Hesselink Nap, hebbende 3 (twee mannelijke en 1 vrouwelijke) zielen, en komende van Coevorden, provincie Drenthe

    1. in of onder de buurtschap Lutten:

-          het huisgezin van Jan Meijer, hebbende 4 (twee mannelijke en twee vrouwelijke) zielen, en komende van Lingen, graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover

  1. Dat alzo uit deze provincie naar andere plaatsen buiten dezelve zijn verhuist:
    1. uit de buurtschap Collendoorn:

-          het huisgezin van Jan Hendrik Hekhuis, hebbende 2 (een mannelijke en een vrouwelijke) zielen, en zijnde vertrokken naar Wilsum, in de graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover

Waarmede zich Uwe Excellentie gehoorzaamst is aanbevelende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 26    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen in het gouvernementsbesluit van de 16e mei 1820, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze ter berichten, dat zich geene geneeskunstoefenaren in deze gemeente zijn bevindende, maar dat alle, de onderscheidene takken dezer kunstwetenschap (mede voor deeze gemeente) uitoefenende personen, zijn gevestigd in de door derzelver ligging als de kom dezer gemeente te considerende, Stad Hardenbergh. Verblijvende hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 27    Heemse, den 11e januari 1833, brief aan de weleerwaardige heeren Lubbartus Bosch en Hendrik Wineke, respective predicanten bij de Hervormden te Hardenbergh en Heemse:

Wij hebben de eer U bij deze te doen toekomen eene bij ons ontvangene advertentie, de dato den 26e der vorige maand, aan de ingezetenen der provincie, van eene zich te Zwolle in dezelve onder het voorzitterschap van Zijne Excellentie, den heer Gouverneur, gevestigd hebbende commissie, voor de inzameling van bijdragen voor de verminkten en voor de nagelatene hulpbehoevende betrekkingen van de in den strijd ter verdediging van het kasteel van Antwerpen en onderhorige forten, mitsgaders bij Zijner Majesteits Zeemagt op de Schelde, dezer dagen gesneuvelden, met verzoek den inhoud derzelve wel op aanstaande zondag bij gelegendheid der voordemiddagse godsdienstoefeningen, van de predikstoelen ter kennisse van derzelver respectieve hoorderen te willen brengen en dezelve daarbij te adverteeren, dat ter rechtmatige gemoetkoming ook van zijde dezer gemeente tot dezelve bijdragen in den loop der eerstkomende week, aan te vangen met maandag den 14e en te eindigen met zaterdag den 20e dezer, in dezelve van onzentwegen eene collecte langs de huizen in beslootene bussen zal plaats hebben voor den ontvangst ten dien einde aan zodane giften, als ten dezen door een ieder der ingezetenen, het zij mannen en vaders, vrouwen en moeders, mitsgaders andere op zich zelven bestaande persoonen, kinderen en dienstbooden, zal kunnen en behoren te worden afgezonderd, en waartoe wij, in aanmerking genomen het echt vaderlandsch gevoel der gezamentlijke oud-nederlanders en het geluk dat deze gemeente heeft mogen te beurtvallen, van geene hunner eigene strijders ten dezen gesneuveld of verminkt te zien, vertrouwen ten dezen geenen aandrang te behoeven buiten dien die U wel ten dezen naar den geest van den godsdienst, die wij belijden, zullen gelieven ter harte te neemen, zullende zodane bijdragen, welker ontvangst de opgemelde collectebussen mogen zijn ongeschikt, dan ook gedurende de opgemelde collecte dagen door de goede ingezetenen ter secretarie der gemeente kunnen in behoren te worden overgebragt om aldaar ook dankbaar tot voorschreeven weldadig einde in ontvangst te worden genomen. Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh, A. Kampherbeek, loco-burgemeester. In kennisse van mij, J. Odink D.z., loco-secretaris.

Nr. 28    Heemse, den 12e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Tot hiertoe nog niet ontvangen hebbende de bij mijne missive van den 13e der vorige maand, nr. 576, opgegevene benodigde gedrukte stukken ten dienste der nationale militie voor de ligting van den lopenden jaare, zo neeme de vrijheid Uwe Excellentie bij deeze te verzoeken, mij de daarbij genoemde stukken, speciaal wat betreft de inlegvellen voor het inschrijvingsregister en der alphabetische lijst, zo spoedig doenlijk te doen geworden. Verblijvende hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 29    Heemse, den 12e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik neem de vrijheid Uwe Excellentie bij deze, door overzending der daaromtrend bij mij ontvangene missive van mijn heer den burgemeester der gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe, van dato gisteren, nr. 1519, cum adjunctis in originali, te informeren, van art. 56 der wet van den 8e januari 1817, dat de daarbij bedoelde persoon van Hendrik Frederiks Mulder, sedert 3 jaaren van uit of onder de gemeente het Ambt Ommen ter deze aan de Dedemsvaart zijnde komen wonen, nu met zijne ouders alsnog wonende en thans vallende in de termen der nationale militie, ligting van den lopenden jaare 1833, niet ter dezer gemeente, maar in die van Zuidwolde, voor dezelve militie zoude behoren te worden ingeschreven, met verzoek onder retour derzelve stukken van Uwe Excellentie’s zo spoedig mogelijke decisie daaromtrent, als ten dezen met welgemelden heer burgemeester van contiaire opinie zijnde, gemerkt de geconcerneerde, bij zijne ouders ter dezer gemeente te huis zijnde, ofschoon dan ook gedeeltelijk met dezelve wordende gesubsidieerd door de diaconie der hervormden te Zuidwolde, geenszins te considereeren is als te vallen in de termen van de 3e alinea van voorschreeven wetsartikel maar wel degelijk in die der eerste zinsnede van deszelfs 1e alinea, in verband beschouwd tot art. 19 derzelve wet. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 30    Heemse, den 12e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij Uwe Excellentie’s apostillaire dispositie van den 7e dezer, nr. 93, in onze handen ten fine van rapport voor op den 15e dezer, gesteld geworden zijnde de hierbij teruggaande missive van Uwe Excellentie van Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaaken, d.d. 2e bevorens, nr. 125, met den daarbij gevoegden staat van mutatiën in het personeel der van het Gouvernement overgenomen bedelaars over de maand november 1832 in de provincie, voerende onder nr. 2465 den persoon van H. de Jager, den 8e dier maand overleden, en wiens domicilie van onderstand deze gemeente zoude zijn, zo hebben wij de eer daartoe na kennisneeming van dezelve stukken onder retour derzelve, bij deze te doen dienen. Dat de betrokkene persoon dezelfde is, als met anderen bedoeld bij onze missive aan Uwe Excellentie ten gevolge van deszelfs besluit van den 30e der maand te voren, nr. 2414/1808, van den 9e mei des vorigen jaars nr. 263, mitsgaders die van den 15e september aanvolgende, nr. 436, ten gevolge van Uw Excellentie’s apostillaire dispositie van den 30e augustus te voren, nr. 4747 op de dezelve specteerende missive aan Uw Excellentie van welgemelden heer Minister van den 25e te voren, nr. 186, cum adjuncto, tot beide welke ten dezen eerbiedige relatie. Dat bij dezelve onze missive dan aangetoond geworden zijnde, dat weliswaar de vader der betrokkenen (Jan de Jager) zich met denzelven geboren te Sleen in de provincie Drenthe, en zijn toenmalige verdere familie ten jaare 1827 metterwoon is gekomen ter neder slaan (laatstelijk van uit de gemeente Dalen in dezelfde provincie) ter dezer gemeente onder de buurtschap en marke Lutten, tot aan en met den jaare 1831, wanneer dezelve wederom heeft verlaten en uit dezelve na het Hoogeveen, ook in dezelfde provincie Drenthe, is verhuisd, zonder gedurende het voorzeide tijdvak alle de hem ter dezer gemeente opgelegde, bij de eerstgenoemde derzelve onze missives vermeld, belastingen te hebben beetaald, en na de bepalingen ten dezen bij de wet van den 28e november 1818, geenen grond hoegenaamd kon bestaan om deze gemeente te houden voor het eigentlijk onderstandsdomicilie deszelven, als of ook ingevolge de bepalingen derzelve wet te zoeken zijnde ter plaats zijner geboorte, of, als nog minderjarig wezende, dat van zijnen vader volgende, en alzo eigentlijk op te spooren ter eerstgemelde gemeente of plaatsen in de provincie Drenthe meergemeld, of ter ook bij onze eerstbedoelde voorschreevene missive aangegevene gemeenten Haaren of Pieters-zijl in de provincie Groningen, ofte eindelijk in die van Drachten, provincie Frielsnad, als de geboorteplaats van Jan de Jager, de vader. Dat het geen van de als voorzeid aan denzelven Jan de Jager in de gemeente opgelegde belastingen (Uw Excellentie gelieve ten dezen onze eerstegemelde vorenbedoelde missive van den 9e mei des vorigen jaars nader in te zien) nog is betaald geworden, zulks toevallig door des betrokkenens halven-broeder Roelof de Jager heeft plaats gehad, maar geentzints het gevolg heeft mogen zijn van de daartoe aan denzelven door den ontvanger der gemeente, ingevolge de bepalingen der wet van den 29e april 1819, gerichte waarschuwingen, sommatiën en resommatiën: ten gevolge dat zijne onvoldane belastingskwota’s van 1830 en 1831 denzelven ontvangen door ons voor die jaaren als oninvorderbaar hebben moeten worden en zijn geleden. Dat alzo ten dezen voor deeze gemeente blijvende reclameeren het effect der letterlijke bepalingen bij art. 3 der wet voorschreeven van den 28e november 1818, mij billijk durven hopen ten dezen niet verder omtrend het onderhoud aan den betrokkenen en zijne familie te zullen worden bemoeilijkt, maar deze gemeente, die na drie jaaren van mislukken oogst ten gevolge van inundatiën en nachtvorst (anno 1829, 1830 en 1831) buiten dien niet in staat is de kosten daarvan te dragen, daarvan geredelijk te zien ontheven; dezelve daartoe dan Uw Excellentie’s protectie ten zeersten aanbevelende en voorts gehoorzaamst verblijvende. Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh, A. Kampherbeek, loco-burgemeester. In kennisse van mij, J. Odink Dz., loco-secretaris.

Nr. 31    Heemse, den 14e januari 1833, brief aan den heer plaatselijken of guarnisoens kommandant te Kampen:

Door den raad van administratie van het 2e battaillon der 1e afdeling mobile schutterij, bij deszelfs missive van den 5e dezer, nr. 260, aan mij overgemaakt geworden zijnde, den in liggenden staat van kleeding, wapening, en uitrustingstukken van A. van den Kamp, schutter uit de gemeente en dienende in de 5e kompagnie van het voormelde battaillon, ziek zijnde met verlof in de gemeente ter herstelling zijner gezondheid, vervolgens ten zelfden einde naar de guarnisoensziekenzaal te Coevorden opgezonden en van daar naar ’s Rijks Hospitaal te kampen geëvacueerd, ten einde ingevolge magtiging van het departement van oorlog dezelve effecten door hem bij de hoofd administratie aan het depot der 12e afdeling infanterie te Doesburg, moeten worden ingeleverd en hij dienna uit den dienst ontslagen, zo heb ik de eer denzelven staat bij deze aan U als belast met het opzicht over het hospitaal voorschreven, te overzenden, met verzoek om denzelven wel aan den betrokkenen te willen doen ter hand stellen, hem te doen gelasten zich ten voren bedoelden einde naar Doesburg voormeld, op marsch te begeven en daartoe van de gevorderde order te doen voorzien. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, J. Odink Dz., assessor.

Nr. 32    Heemse, den 15e januari 1833, brief aan den heer agent van den algemeenen rijkskassier te Zwolle:

Ik heb de eer U in overeenkomste van het besluit van Z.E. den heer Gouverneur der provincie van den 8e februari 1832, volgens bijgaande borderel van storting te overzenden eene somma van f. 5,04 voor twaalf stuks attestatien de vita voor pensioenen, met verzoek mij daarvoor wel deszelfs kwitantie van storting te overzenden. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 33    Heemse, den 16e januari 1833, brief aan de Rechtbank van Eersten Aanleg, zitting houdende te Deventer:

Ter voldoening aan art. 43 van het burgerlijk wetboek, heb ik de eer hiernevens te overzenden eene der dubbelde afschriften der onderscheidene registers van de acten van den burgerlijken staat dezer gemeente voor den afgelopenen jaare 1832, zijnde dat der huwelijksacten gemunieerd met alle de daartoe betrekkelijke stukken, sub 1 tot en met nr. 19, terwijl voorts achter elk derzelve registers door mij is opgemaakt een alphabetisch register; voegende ook ter voldoening aan art. 63 van het voorzeide wetboek, hierbij het bij mij in den voormelden jaare gehouden register van huwelijksafkondigingen. Waarmede zich U eerbiedingst is aanbevelende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 35    Heemse, den 17e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Lummechien Salomons, zonder beroep te Rheezerveen, dochtertje van Hendrik Salomons en vrouwe Hilligjen Aaje Koning, landbouwers aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijke staat, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 36    Heemse, den 18e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, te Zwolle:

Ter voldoening aan deszelfs besluit van den 28e der vorige maand, hebben wij de eer bij deeze aan uwe Excellentie te overzenden eenen staat bevattende de manschappen tot den landstorm in de gemeente, ingerigt volgens het bij hetzelve Uw Excellentie’s besluit gevoegde model, tevens onder toevoeging in voldoening aan het bepaalde bij sub 3 van hetzelve van twee staaten aanwijzende de personen tot welke geoordeeld worden geschikt te zijn om tot officieren en onderofficieren bij denzelven te worden benoemd. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 37    Heemse, den 18e januari 1833, brief aan den heer burgemeester der gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe:

Na bij mijne missive van den 12e dezer, nr. 29, ter kennise van Z.E. den heer Gouverneur dezer provincie te hebben gebragt de Uwe van den 7e en 11e dezer, nr. 1516 en 1519, cum adjunctis, betreffende den persoon van Hendrik Frederiks Mulder, bijgenaamd Kui, ter dezer gemeente onder Rheezerveen aan de Dedemsvaart bij zijne ouders inwonende, doch met dezelve van wegens de diaconie der hervormden Uwer gemeente onderstand genietende, en onder deze omstandigheid thans vallende in de termen der nationale militie, ligting van den lopenden jaare, en van dezelve Zijne Excellentie het welmeenen te hebben geimploreerd nopens Uw sustenue, dat de bedoelde persoon, ondanks zijne inwoning bij zijne ouders ter dezer gemeente, uit hoofde zijner betrekking voorschreeven tot de diaconie voornoemd der Uwe in dezelve, en niet in deeze, voor welgemelde militie zoude behoren te worden ingeschreeven, zo heb ik de eer U bij deze te informeren van het met deszelfs voorzeide sustenue overeenkomend gevoelen ten deezen van opgedagten heer Gouverneur, mij gemanifesteerd bij deszelfs missive van den 16e dezer, nr. 281/201, zullende alzo de betrokkene ter dezer gemeente niet op de inschrijvingsregisters worden gevoerd, maar daartoe na Uwe gemeente worden verweezen en hij daartoe dan van onzentwegen worden belast met de dadelijke overbrenging dezer aan U. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 38    Heemse, den 18e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het besluit van heeren Gedeputeerde Staten der provincie Overijssel, van den 8e februari jl., in overeenkomste der bepalingen daaromtrend bij art. 70 van het reglement op het bestuur ten platen lande der provincie, vastgesteld bij ’s Konings Besluit van den 23e juli 1825, heb ik de eer bij deze aan U te overzenden een afschrift van het proces-verbaal van opneming der kas van den ontvanger der gemeente, door mij en heeren assessoren bewerkstelligd. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 39    Heemse, den 21e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb wel ontvangen Uwe Excellentie’s besluit van den 15e dezer, met eenen bijgevoegden nominativen staat der lotelingen, welke in vroegere jaaren eene provisioneele vrijstelling bekomen hebbende, dit jaar voor de militieraad, bij deszelfs eerste zitting, zullen moeten verschijnen, om hun voortdurend regt op vrijstelling te bewijzen, dan op denzelven staat niet voorkomende de persoon van Gerard Jan Waterink, loteling ter dezer gemeente der klasse van 1832, en hebbende bij de loting getrokken het dienstpligtig numero 20, die ten afgelopenen jaare door de militieraad bij deszelfs 2e zitting volgens de daarvan op de alphabetische lijst gevonden wordende aantekeningsplaats voor een jaar is vrijgesteld, zo heb ik, ofschoon vermoedende, dat, ten gevolge van een mij bekend gebrek aan een zijner schouders, ten gevolge eener verzuimde luxatie, door den militieraad finaal van den dienst zal kunnen zijn vrijgesteld, in plaats van slechts voor een jaar, ten gevolge van het voor hem ingezonden attest als oudste broodwinnende zoon zijner moeder weduwe, en dat alzo ten dezen een abuis kon hebben plaats gehad in de overschrijving der decisie van den militieraad omtrend hem op het alphabetisch register voormeld, - vermeend Uwe Excellentie van deeze omstandigheid te moeten informeeren, met eerbiedige aanvrage, of denzelven al dan niet door mij aan het eind van het inschrijvingsregister en alphabetische lijst voor de ligting van den lopende jaare zal moeten worden geplaatst; imploreerende hieromtrend Uwe Excellentie’s zo spoedig mogelijke reschriptie en verblijvende daartoe gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 40    Heemse, den 21e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Te zijner tijd wel ontvangen hebbende Uwe Excellentie’s missive van den 26e der vorige maand met de daarbij gevoegde uitnodiging aan Overijssel’s ingezetenen van wegens de te Zwolle onder Uwe Excellentie’s voorzitterschap zich gevestigd hebbende commissie voor den ontvangst en aanwending van bijdragen uit de gemeentens voor de verminkten en nagelatene hulpbehoevende betrekkingen onzer dappere strijders op het kasteel van Antwerpen en onderhorige forten, mitgsgaders bij ’s Lands Zeemagt op de Schelde, en het is dien ten gevolge dat ik de eer heb bij deze aan Uwe Excellentie voor welgemelde commissie volgens aan den voet dezer vermelde specificatie te overzenden de summa van negen en dertig guldens, zes en zestig en een halve centen, tot voorschreeven vaderlands- en menslievend doel door mij bij de ingezetenen der gemeente gedaan inzamelen. Specificatie: 2 daalders, 6 guldens, 59 kwart-guldens, 1/8 Zeeuwsche Rijksdaalder, 153 dubbeltjes, 5 stuivers en 4 centen. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 41    Heemse, den 21e januari 1833, brief aan de administratie van de diaconie der hervormden te Heemse:

Onder relatie tot den inhoud mijner missive van den 18e januari 1830, betrekkelijk de executie van het besluit van Z.M. den Koning van den 17e augustus 1827, nr. 123, ter mijner kennisse gebragt en bij dezelve mijne missive aan Ulieden, wat de betreffende poincten aangaat breedvoerig ontvoudt, inviteere ik Ulieden bij dezen om mij voor of uiterlijk op den 29e deezer te willen doen toekomen eenen nominatieven staat der kinderen onder Ulieden administratie, thans vallende in de termen on maar de etablissementen der Maatschappij van Weldadigheid te worden opgezonden, ingerigt naar het hierbij gevoegde model sub. A. Ulieden voorts tevens even als bij de mijne van den 20e januari 1832, nr. 51, bij dezen ten gevolge van het daarbij vermelde besluit van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie van den 13e december 1831, informeerende dat de Maatschappij van Weldadigheid zich ook bereid heeft verklaard om ook invalide (bejaarde) persoonen, waarvan de plaatsing verlangd mogt worden, in dezelve koloniën op te nemen, omtrend de plaats en de wijze van derzelver verpleging voor als nog ten minsten, geen anderen weg, dan voor de oviergen was aangenomen, zoude volgen, zo verzoeke Ulieden, zo en inaal dezer opneming in dezelve koloniën mog worden verlangd, mij ook voor of uiterlijk op voorschreeven tijdstip daaromtrend eenen nominativen staat te doen toekomen, ingerigt naar het hierbij gevoegde model sub B, Ulieden omtrend dezer plaatsing intusschen bemerkende, dat deze personen niet voor de enkele vestigings-kosten zullen kunnen worden gecoloniseerd, maar dat voor ieder invalide individu, ingevolge de beaplingen bij de 3e alinea van het 19e art. van voorschreven Zijner Majesteits Besluit, die de krachten of geschiktheid tot kolonialen arbeid geheel of grotendeels ontbreeken, ’s jaarlijks, geheel of gedeeltelijk ongeschikten door elkanderen gerekend, zullen moeten worden betaald f. 52,50 met uitzondering van door blindheid aangedanen of met eenig ander ongeneeslijk gebrek of kwaal behebt, waardoor voor altijd en ten eenen maale, tot eenigen kolonialen arbeid mogen buiten staat zijn, als voor welke ’s jaarlijks f. 65,- zullen moeten worden besteed, terwijl krankzinnigen niet zullen aangenomen worden, en zij, die na derzelver opneming, in krankzinnigheid mogen vervallen, zullen kunnen worden teruggezonden. Zullende zo en indien ook geen vorenbedoelde kinderen ofte invalide personen zich onder Ulieden administratie mogen bevinden, des niettemin voor het voorschreeven tijdstip des Ulieden negatif bericht bij ons worden te gemoet gezien, ten einde alzo te worden in staat gesteld ten dezen te kunnen voldoen aan de besluiten betrekkelijk den onderhavigen onderwerpe, zo van de heeren Gedeputeerde Staten der Provincie van den 23e october 1827, als van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie van den 13e december 1831 voormeld. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 42    Heemse, den 22e januari 1833, brief aan heeren Gedeputeerde Staten der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Naar aanleiding der bepalingen sub 2 bij Uw Edel Groot Achtbaarens Besluit van den 23e januari 1830, betrekkelijk het jaarlijks voor 1 februari door de gemeentebesturen te doen verslag van de klagten, welke gedurende het afgelopen jaar mogten zijn ontstaan over de wijze waarop de vergunde diensten der openbare middelen van vervoer te lande zijn vervuld en van het daaraan gegeven gevolg, heb ik de eer bij dezen te berigten dat geene zodanige diensten vallende in de termen van Zijner Majesteits Besluit van den 24e november 1829, ter dezer gemeente zijn bestaande. Bevelende zich hiermede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 43    Heemse, den 25e januari 1833, brief aan den heer burgemeester der gemeente Wierden:

Ik accuseere bij deze den ontvangst Uwer missive van den 19e dezer, nr. 37, door het intermediair van mijn heer den burgemeester der Stad Hardenbergh en heb de eer U tevens te informeren dat de daarbij bedoelde Jan de Wilde, ten dezer gemeente voor de nationale militie, ligting van den lopenden jaare, is ingeschreven geworden. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 44    Heemse, den 25e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen daaromtrend bij deszelfs aanschrijving van den 4e april 1832, nr. 517, heb ik de eer U bij deeze te informeeren dat tot en met heeden geene inschrijvingen ter secretarie der gemeente zijn gedaan in de daarbij bedoelde provinciale geldleeningen ten behove van den straatweg van Zwolle over Heino, Raalte, Wierden, Almelo en Borne, na Hengelo. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 45    Heemse, den 28e januari 1833, brief aan den heer lieutenant kolonel kommanderende het depot van het regiment ligte dragonders nr. 4, in guarnisoen te Zalt Bommel:

Mijn heer de burgemeester van de Stad Hardenbergh, mij ter hand gesteld hebbende, Uw missive van den 25e dezer, nr. 41, met het daarbij gevoegde signalement van den daarbij genoemden Lambertus Schotkamp, dragonder bij de depot kompagnie van het regiment nr. 4 en sederd den 21e te voren van hetzelve vermist, zo heb ik denzelven persoon op heeden ten huize zijner ouders ter dezer gemeente, waartoe is gehorende, doen nasporen en den vermisten aldaar ten huize zijner ouders voorgevonden. Ik zal den betrokkenen persoon, die vertrouwe met geen eigentlijk oogmerk van desertie, maar slechts van bezoek zijner familie (waartoe geen verlof zoude hebben kunnen bekomen), naar herwaards, te zijn getogen, op morgen aan mijn heer den kommandant der naastbijgelegene vesting Koeverden overzenden, en is deeze alleen dienende ter verwittiging van U van het gebeurde ter zo mogelijke verzagting van zijn lot als zulks even als zijne ouders door derzelver gedrag allezints meriteerende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 46    Heemse, den 28e januari 1833, brief aan den heere lieutenant kolonel plaatselijken kommandant der vesting Coevorden:

Ingevolge de bepalingen bij art. 7  van Zijner Majesteits Besluit van den 25e juni 1814, heb ik de eer bij deeze in staat van arrest aan U te overzenden den op den 21e dezer bij zijn korps te Zalt-Bommel vermisten dragonder bij de depot kompagnie van het regiment ligte dragonders nr. 4, Lambertus Schotkamp, op gisteren in de gemeente voorgevonden. U verzoekende aan den overbrenger dezes, Derk Jan Jansen, dienaar van policie en veldwachter dezer gemeente, wel deszelfs reçu van overname ter hand te stellen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 47    Heemse, den 29e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 17e dezer, nr. 7325, in onze handen, ten fine van berigt en consideratien te stellen, de hierbij teruggaande rekweste door Frederik Jansen, schoolonderwijzer aan de Dedemsvaart onder de gemeente het Ambt Ommen, in dato den 29e october des vorigen jaars aan Uwe Excellentie gepraesenteerd en  houdende verzoek om van zijne gemeente, mitsgaders aan deze en die van Avereest, op den voet bij de rekweste gemeld te mogen repeteeren de door hem in het 3e kwartaal deszelven jaars hebbende moeten verzuimd worden schoolgelden uithoofde der tijdelijke sluiting zijner school op order van mijn heer den burgemeester der eerstgemelde gemeente en de bestemming van zijn school-locaal tot eene zieken-zaal voor cholera-zieken, zo hebben wij de eer, meede na examinatie en overweging van den inhoud en der motiven van de met dezelve rekweste ontvangene en meede hierbij teruggaande bijlagen, bij deze daartoe te doen dienen. Dat wij ons ten dezen allezints zijn conformeerende met de opinie en gevoelens van den raad der gemeente het Ambt Ommen, gemanifesteerd bij deszelfs deliberatien van den 27e december l.l. en alzo eerbiedigst bij deze zijn opineerende voor de van de handwijzing der onderwerpelijke rekweste, speciaal meede en omdat de school van den rekwestrant in geene directe relatie tot deze gemeente is staande en het geen hij, bij nog heerschend gebrek eener school aan of omtrend de Dedemsvaart onder deze gemeente, van uit dezelve wegens bij hem ter school gaande kinderen is genietende, voor hem slechts eene winst is, waarop met geenen grond, en in geen geval hoegenaamd bij gemis, eene vordering tot schadeloosstelling kan te werk stellen, hebbende de rekwestrant des ten dezen geen eigentlijk verlies, maar slechts of hoogstens eene winstderving ondergaan. Dat de onderwerpelijke school aan de Dedemsvaart, al waare dezelve ook niet door mijn heer de burgemeester der gemeente het Ambt Ommen expresselijk voor cholera-ziekenzaal aldaar bestemd geworden, toen evenswel, bij het werkelijk aanwezen der ziekte aldaar, zoude hebben moeten zijn gesloten geworden, achtervolgens de bepalingen sub 4 bij Uwe Excellentie’s Besluit van den 30e juli 1832, kabinet nr. 180. Dat de gemeentens en speciaal ook deze, althans voor dit moment te behoeftig zijn om bij de veele aangewende kosten van voorziening bij het onstaat van cholera, ook nog die van eenige schadeloosstelling als de onderwerpelijke ter zaake dezer ziekte (voor welke misschien de rekwestrant zo gelukkig door het sluiten zijner school is bewaard gebleven) te dragen en welkers vordering dan ook nog te zeer in  het oog loopt, als andertzints zullende komen te worden geleden door eenen schoolonderwijzer, die zo ruimschoots boven andere schoolonderwijzers van ’s Lands wegen is bezoldigd, en, bij niet geringe emolumenten, ook nog eene vrije woning etc. geniet. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor, loco-secret.

Nr. 48    Heemse, den 30e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van art. 6 van Uw Excellentie’s besluit van den 3e december des vorigen jaars, nr. 4760, inhaererende de bepalingen daaromtrend bij art. 7 van dat van den 3e december 1825, nr. 700, heb ik de eer bij deze, in voldoening aan art. 9 der wet van den 27e april 1820, aan U te overzenden het inschrijvingsregister voor de nationale militie ter dezer gemeente, ligting van den lopenden jaare 1833, tevens met de daaruit door mij geformeerde alphabetische lijst. Bevelende zich hiermede Uwe Excellentie gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 49    Heemse, den 30e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij dezen te overzenden de bewijzen van voortdurende vrijstelling van dienst bij de nationale militie, voor Gerrit Seinen, Geert Mulder, Evert Gerrits, Albert Beltman, Hendrik Broekroelofs, Jan Bosman, Gradus Kolthof, Hendrik Bouwhuis, Roelof Nijmeijer, Jan Nuis, Derk Otten, Egbertus Doezeman, Rudolf Geertman, Egbertus Odink, Kornelius Visker, Hendrik Vrijlink, Jan Hermen van den Kamp en Jan Ekkelenkamp, tot hiertoe voor een jaar vrijgestelde lotelingen ter dezer gemeente van de klassen van 1829, 1830, 1831 en 1832, en als zodanig door mij aan het eind der alphabetische lijst, ligting van den lopenden jaare 1833 hebbende moeten worden gebragt, zijnde deeze stukken sub 1 tot 18 door mij gevoerd op den daarvan hierbijgaanden inventaris. Bevelende zich hiermeede Uw Excellentie onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 50    Heemse, den 30e januari 1833, brief aan heeren Gedeputeerde Staten der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge der daartoe betrekkelijke van wegen de diaconie administratie der hervormden te Heemse, d.d. 28e dezer, bij mij ontvangene missive in antwoord op mijne aanschrijving daaromtrend, in overeenkomste zo van Uw besluit van den 27e october 1827, als van dat van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie van den 13e december 1831, aan dezelve in dato 21e dezer nr. 41, heb ik de eer U bij deze, ten gevolge derzelve besluiten gehoorzaamst te informeeren dat zich onder dezelve administratie in de gemeente niet alleen geene kinderen zijn bevindende, vallende in de termen van, in overeenkomste der bepalingen bij Zijner Majesteits Besluit van den 17e augustus 1827, naar de etablissementen der Maatschappij van Weldadigheid te worden opgezonden, maar ook geene invalide (bejaarde) personen, waaromtrend men, ten gevolge van voorschreven besluit, de opneeming in dezelve is verlangende. Beveldne zich hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 51    Heemse, den 31e januari 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deeze gehoorzaamst te informeeren dat in deeze maand ter zaake van contraventien wegens het niet gebruiken der nieuwe maten en gewigten, geene proces-verbalen door de daartoe gelaste beambten zijn opgemaakt en aan de justitie verzonden, zijnde er tevens ook geene klagten bij mij ingekomen ter zaake van derzelver bestaande invoering. Bevelende zich hiermede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 52    Heemse, den 31e januari 1833, brief aan de griffie van het provinciaal gouvernement van Overijssel, te Zwolle:

Ik overzende U hiernevens de somma van f. 54,44 volgens specificatie aan den voet dezes, in voldoening der kosten van de registers voor den burgerlijken staat over den lopenden jaare 1833. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh. Specificatie: 20 Zeeuwsche Rijksdaalders, 1 goud-gulden, 1 gulden en 4 centen.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur van Ambt Hardenberg, beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende den 26e augustus 1833.

Nr. 54    Heemse, den 1e februari 1833, brief aan den heere regter ter instructie in het arrondissement Deventer, te Deventer:

Mijne nasporingen ten gevolge van Uw missive van den 27e der vorige maand, omtrend den daarbij bedoelden, bij mijn proces-verbaal van den 4e dezer, als een der voornaamste uitvoerders der op den 1e te voren aangedaane mishandelingen aan de gebroeders Rensink uit deze gemeente, aangegevenen, Koop Kunder, mij voor resultaat opgeleverd heebende dat dezelve zederd den afgelopenen zomer, hebbende vroeger bij eenen broeder te Giethoorn in deze provincie verkeerd, zich alnog werkelijk is onthoudende, of althans in den loop der vorige maand nog onthoudende was, aan de woonsteede zijner ouders, staande en gelegen in de gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe aan de zogenaamde Reest-A (de scheiding tusschen dezelve gemeente en deze) en wel even boven of ten noorden dezelve A aan het zuidwestelijkste punt van dezerzijdsch marke Lutten aan of omtrend dat naar dezelve uit de zogenaamde Lutterbeek in deze gemeente is ontspringende; liggende voorts aldaar over de meergemelde A aan eene aldaar op Zuidwoldsch territoir gegravene grift of vaart in de richting na den zogenaamden Braamberg even of op zeer korten afstand agter of noordwaarts de woning van Hendrik Salomons, ingezetenen dezer gemeente, onder Rheezerveen tusschen dezelve A en de Dedemsvaart wonende. Mogelijk echter heeft de bedoelde persoon op dit moment de woonsteede zijner ouders, uit hoofde zijner misdrijf, verlaten en houd dezelve zich dan thans waarschijnlijk wederom bij zijnen broeder in de gemeente Giethoorn voorschreeven op; hebbende men intusschen mij denzelven onder geenen anderen naam kunnen kenbaar maken, maar alleen weten te zeggen, dat een persoon van in de 20 jaren zoude zijn, hebbende eene middelbaare lengte, tamelijk gezet en sterk, mitsgaders van een gezond en vlug voorkomen, zullende uit de provincie Vriesland met zijne ouders afkomstig zijn; - welligt van de Overijsselsche grenzen dier Provincie in de nabijheid van Kuinre of Kuinder, en van daar mogelijk den bijnaam van Kuunder voerende, ofschoon onder eenen anderen ter secretarie der gemeente Zuidwolde bekend. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 55    Heemse, den 1e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan het bepaalde sub 4 bij deszelfs besluit van den 16e der vorige maand, 1e afd., nr. 175/205, betreffende de uitvoering der wet van den 31e december 1832, omtrend de personen die zich aan de verpligtingen tot de mobile schutterij onttrekken of zich daarvan reeds werkelijk onttrokken hebben, heb ik de eer U bij deeze gehoorzaamst te berigten dat zich ten gevolge derzelve bij mij geene zodanige personen zijn komen aangeven, en speciaal ook niet de bij mijne missives van den 15e en 29e october des vorigen jaars nr. 493 en 511, bedoelde Hendrikus Hekman, voortvlugtige dienstpligtig schutter uit de gemeente, en behorende tot het contingent van den jaare 1832. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 56    Heemse, den 2e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U naar aanleiding van art. 39 der wet van den 8e januari 1817 te informeren dat ondanks de daartoe van wegen het bestuur der gemeente in dato den 20e december l.l. gedane oproeping, zich in dezelve niemand heeft aangeboden om voor dezelve als vrijwilliger, in de tegenswoordige ligting der nationale militie te dienen. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 57    Heemse, den 4e februari 1833, brief aan den raad van administratie van het 2e battaillon der 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij te Hulst in de provincie Zeeland:

Door Z.E. den heer gouverneur der provincie bij deszelfs missive van den 14e der vorige maand, 1e afd. nr. 240/173 aan mij geadresseerd geworden zijnde eenen nominativen staat (opgemaakt bij de generaale directie van oorlog te ’s-Gravenhage in dato den 19e december bevorens) van schutters uit de gemeente die wegens ligchaamsgebreken uit den dienst wierden ontslagen, waarop voorkomende Hendrik van der Veen, dienende in de 5e kompagnie van Uw battaillon  en zich op dit moment noch te Kampen (werwaards van Koeverden in der tijd is geëvacueerd geworden) in het hospitaal bevindende en tot hiertoe te vergeefsch uitgezien hebbende op den ontvangst van Uw van den staat der wapenen, kleedings- en equipementsstukken door denzelven bij het depot der 12e afdeeling infanterie te Doesburg af te leveren, ten einde dienna aldaar zijn werkelijk ontslag te ontvangen; zo diend deze om U van deeze omstandigheid te informeeren,met verzoek van mij wel ten spoedigsten den bedoelden staat voor denzelven te doen geworden, ten einde dienna zijn vertrek van Kampen na Doesburg ten einde voorschreeven te gelijk met de bekoming zijner acte van ontslag te kunne uitwerken. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 58    Heemse, den 4e februari 1833, brief aan den heer ontvanger der rechten van zegel registratie enz., te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari 1818 overzende ik U bij deze de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene maand januari, voegende hierbij ingevolge besluiten van Z.E. den heer gouverneur der provincie van den 14e januari en 7e maart des vorigen jaars, de memorie van aangifte wegens de nalatenschap van Gerritdina Spijker, mitsgaders een certificaat van onvermogen betrekkelijk de erfgenamen van Berendina Kampman, in de voor laatste maand overleden, en onder de dooden op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 60    Heemse, den 5e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij koninglijk besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie der gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Zwaantjen Arends, landbouwersche te Diffelen, echtgenote van Willem Schutte, landbouwer aldaar, hebbende minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 61    Heemse, den 9e februari 1833, brief aan den heere auditeur militair in de provincie Gelderland, te Arnhem:

Mijn heer de burgemeester der Stad Hardenbergh mij ter hand gesteld hebbende de bij hem ontvangene missive van U, de dato den 6e dezer, nr. 63, betreffende den daarbij genoemden dragonder Lambertus Schotkamp uit deze gemeente en dezelve ten gevolge heden ondervraagd hebbende den meede daarbij vermelden buurman zijner ouders Derk Lubbers, arbeider, wonende in de gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe, welken daartoe bij mij hadde verzocht, zo heeft dezelve verklaard dat, beide dezelve ouders niet kunnende schrijven, hij op derzelver verzoek ten afgelopenen jaare successive twee breiven voor dezelven aan hunnen zoon, den opgedagten Lambertus Schotkamp, hadde geschreeven, de eerste slechts ten onderwerpe gehad hebbende de overmaking van twee guldens aan geld en de laatste eene gelijke overmaking van drie guldens en houdende tevens de vermelding dat zijne moeder aan de cholera was lijdende; zich overigens de epoque dezer brievenschrijving niet juist meer herinnerende doch omtrend die van den laatsten wel weetende ,dat dezelve voor in het afgelopen najaar heeft plaats gehad, en dat daarbij door hem niets is gerept van eenig aanzoek ter overkomste van denzelven Lambertus Schotkamp. Intusschen mij ter secretarie der gemeente meede blijkende, dat de moeder van den onderwerpelijken Lambertus Schotkamp reeds op den 14e september des vorigen jaars door de bedoelde ziekte, waarvan gelukkig hersteld, is aangetast geworden, zo heb ik gemeend U daarvan bij deeze te moeten informeeren, even als van de omstandigheid dat zijne arrestatie ten huize zijner ouders door den dienaar van policie en veldwachter dezer gemeente, D.J. Jansen heeft plaats gehad, ten gevolge van en na den ontvangst bij mij eener missive in dato den 23e januari l.l., nr. 41, van den chef van zijn korps, mij zijne vermissing uit zijn kwartier te Zalt-Bommel op den 21e te voren vermeldende en hem ter zijner naspooring signalerende. Intusschen wil ik zeer gaarne geloven dat de betrokkene alleen naar herwaards is overgekomen, met het eenvoudig voorneemen tot een kort en tijdelijk bezoek zijner ouders, waartoe zeide, ondanks zijne herhaalde aanzoeken geen verlof te hebben kunnen bekomen en geentzints met het eigentlijke oogmerk van desertie, immers de bedoelde dienaar van policie en veldwachter der gemeente vond hem ook ten huize zijner ouders, hij verborg of ontkende zijne situatie niet, volgde denzelven dadelijk en gewillig herwaards en had hij zijne bij zich hebbende kledings- en equipementsstukken, mitsgaders wapen, behoorlijk gepoetst en schoongemaakt om daarmeede zo als hij zeide, den volgenden dag zijn korps te rejoigneeren en geene voorbeelden van desertie van oudhoevige ingezetenen der gemeente waaronder de betrokkene kennende, deed het mij bij zijne arrestatie waarlijk leed van geene termen bij de wet te vinden om, ter te voorkoming zijner vervolging als deserteur, hem rechtstreeks naar zijn korps wederom te kunnen opzenden, waagende al zo gerustelijk voor den onderwerpelijken persoon de meest mogelijke clementie in zijne omstandigheden te emploreeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 62    Heemse, den 9e februari 1833, brief aan den here Major, commanderende het 2e battaillon der 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd te Hulst enz in de provincie Zeeland:

Zederd den 6e dezer bevind zich met eenen verlofpas van U, in dato den 1e dezer, in de gemeente Lubbert Hamberg, wegens dezelve in de 5e kompagnie van Uw battaillon bij de 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij dienende, voor wien de vader Egbert Hamberg dezer dagen een rekwest aan de generaale directie van oorlog heeft gepresenteerd ter bekoming van een verlof van 5 a 6 weeken ten einde het voorgenomen huwelijk van denzelven zijnen zoon met zekere Catharina Loowies alhier, die zich in eenen verre gevorderden staat van zwangerschap is bevindende, onder de formaliteiten bij de wet te kunnen voltrekken, dan uit eene missive van den heere staatsraad ad interim, belast met de directie van het departement van binnenlandsche zaken, in dato den 11e januari 1831, bij besluit van Z.e. den heer Gouverneur der Provincie, d.d. 15e aanvolgende, ter kennisse van de gemeentebesturen in dezelve gebragt, het mij voorkomende, dat ofschoon er dan ook geene bedenkingen bestaan tegen het aangaan van huwelijken door de schutters, behorende tot den 1e ban, en alzoo ook niet door den daartoe gehorenden betrokkenen Lubbert Hamberg, echter daartoe een speciaal verlof zal kunnen worden vereischt, waartoe zich dan aan de chefs hunner korpsen, aan wien de bemoeijenissen daaromtrend geheel waren overgelaten geworden, zouden behoren te wenden, zo is dan deeze daartoe voor en namens denzelven Lubbert Hamberg (ten zijnen uitdrukkelijken verzoeke en ter zo veel mogelijke bespoediging zijner belangens in dezen) dienende; verzoekende U dan tevens om zijnen verloftijd, welke met het avondappel van den 21e dezer andertzints, zal zijn expireerende, althans nog voor den tijd van 8 dagen te willen prolongeren, en mij wel ten dezen dadelijk na ontvangst dezes met Uw gunstige rescriptie te willen vereren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 63    Heemse, den 9e februari 1833, brief aan den heere J.J. Tijl, boekhandelaar te Zwolle:

Ik bedanke U provisioneel wel zeer voor de goede uitvoering der commissie U voor deze gemeente bij de mijne van den 10e december l.l. nr. 569 opgedragen, waaromtrend mijn tijdelijke post waarneemer gedurende mijne jongste ziekte verzuimd heeft U vroeger te berigten en welk verzuim ik alzo verzoeke wel ten goede te willen houden. Intusschen nu ook achtervolgens besluit van Z.E. den heer gouverneur der provincie van den 5e dezer, 4e afd., nr. 92/90 voor den 12e dezer aan het locaal der staaten van de provincie bij den boode concierge voor deze gemeente zullende moeten afgehaald worden eene tafel, bestemd tot bewaring der kadastrale stukken mij gevolge mijner voormelde van den 10e te voren overgemaakt, zo verzoeke U ook dezelve aldaar voor mij op aanstaande maandag in ontvangst te neemen en tot den volgenden vrijdag ten uwen huize in veilige bewaring te houden, om ze vervolgens ten dien dage met de marktschipper Baarslag onder recommandatie naar herwaards aan mijn adres te expediëren, declareerende U ook voor ten dezen te nemene moeite en aan te wendene kosten in billijkheid. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 64    Heemse, den 11e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij de gewenschte omstandigheid dat op dit moment in den gemeente naburige Graafschap Bentheim van het koningrijk Hanover alle uitgewekende miliciens, schutters enz. door de land-dragonders strengelijk worden opgespoord en het den ingezetenen derzelve bij poenale straffen geinterdiceerd is geworden eenig Neerlandsch Ingezetenen, zonder bewijs van niet-dienstplichtigheid, ten hunnent of in dienst te hebben (eenen maatregel zonder onderscheid, zo de voormelde uitgewekenen, als de eigentlijk niet uitgewekenen, en ter hunner tijd alhier voor de militie en schutterij opgeschreevenen en vervolgens geloot en des aan hunne verplichtingen voldaan hebbenden, doch aldaar bij de grensbewoners, als van alle tijden herwaards, alnog in particulieren dienst zijnde komende te treffen) door der laatstbedoelden ouders in deze gemeente of de betrokkene zelve dagelijks meenigvuldigst aangezocht wordende om eene certificatie omtrend derzelver relatie ten reguarde der militie en schutterij in dit Rijk, ten einde op vertoon derzelve van dien maatregel zich te zien ontheeven, zo neeme de vrijheid mij bij deze tot Uwe Excellentie te wenden met eerbiedige aanvrage hoe mij ten dezen te gedragen en of en hoedanige certificatiën ten dezen zal kunnen en vermogen af te geven, zo voor de bedoelde aan hunne verplichting alhier voldaan hebbende miliciens, als schutters ofte zodanige vroegere ingezetenen dezer gemeente, die voor de mobiel-verklaring der schutterij anno 1830 reeds uitlandig waren en nimmer tot dezelve behoorden, mitsgaders ook voor de tot de opgeschrevenen van den landstorm, die zich zederd de opschrijving na de bedoelde Graafschap in dienst mogen hebben begeven, zonder vooralsnog het oogmerk aan den dag te hebben gelegd van zich aan de dienstbaarheid bij denzelven te willen onttrekken. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 65    Heemse, den 11e februari 1833, brief aan mijn heer den burgemeester der gemeente Den Ham:

Zekere Hendrikus Hekman, geboren den 5e juni 1807 in Uwe gemeente en zoon van Hendrik Jan Hekman en Geertje Jansen, beide overleden, aldaar, ten afgelopenen jaare 1832 als schaapherder dienstbaar bij den landbouwer Willem Timmerman te Bergentheim in deze, zich ten afgelopenen jaare aan de inschrijving enz. voor de schutterij alhier onttrokken hebbende, door zich uit dezelve te verwijderen en in voornoemde zijne kwaliteit metterwoon te begeven eerst bij den heer G. Crull op den Beld, Koningrijk Hanover, en vervolgens bij den bouwman B. Tiebert in dezelfde Graafschap, onthoud zich, volgens bekomende informatiën, thans wederom in Uwe gemeente, ten gevolge der actueel strenge maatregelen (zo opzichtens de betrokkenen zelve, als die geene welke hun tot hiertoe dienst of huisvesting verleenen) tegens de na derwaards uitgeweekene militie-, schutterij- en landstormplichtigen binnen dit Rijk. Ten gevolge der voormelde informatiën nu dan vinde ik mij in het belang van den dienst zijner majesteit en van deze gemeente verplicht U bij deze te adieren met het dringend verzoek van alles te willen aanwenden ter opspooring van denzelven persoon, denzelven bij ontdekking te doen arresteeren en aan mij onder secuur geleide te overzenden, ten einde omtrend hem te kunnen vervoeren naar voorschrift der wet: ten dezen in soortgelijke en andere gevallen bereidwilligst zijnde tot reciprocque dienstvaardigheid. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 66    Heemse, den 11e februari 1833, brief aan den heer plaatselijken of guarnisoens kommandant te Kampen:

Door den raad van administratie van het 2e battaillon der 1e afdeling mobile schutterij, bij deszelfs missive van den 3e dezer nr. 330, aan mij overgemaakt geworden zijnde den inliggenden staat van kleeding-, wapening- en uitrustingstukken van H. van der Veen, schutter uit de gemeente en dienende in de 5e kompagnie van het voormelde battaillon, ziek zijnde en zich thans in ’s Rijks Hospitaal te Kampen bevindende, ten einde ingevolge magtiging van het Departement van Oorlog dezelve effecten door hem bij de hoofd administratie van het depot der 12e afdeling infanterie te Doesburg moeten worden ingeleverd en hij dienna uit den dienst ontslagen, zo heb ik de eer denzelven staat bij deze aan U als belast met het opzicht over het Hospitaal voorschreeven, te overzenden, met verzoek om denzelven wel aan den betrokkenen te willen doen ter hand stellen, hem te doen gelasten zich ten vorenbedoelden einde naar Doesburg voormeld op marsch te begeven en daartoe van de gevorderde order te doen voorzien. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 67    Heemse, den 12e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Na den ontvangst van Uw compel van den 8e dezer, houdende last om voor den 14e aanvolgende te voldoen aan deszelfs besluit van den 13e december 1831, nr. 4997/4145, betrekkelijk de opzending van behoeftige valide en invalide personen naar de koloniale gestichten, hetzelve besluit nader inziende, zo bemerken dan, dat hetzelve tweederleij aanschrijving ten dezen is bevattende, door mij zo het alzo voorkomt, verkeerdelijk geconfundeerd of geconculeerd met die bij besluit van heeren Gedeputeerde Staaten der Provincie, van den 23e october 1827, nr. 6, en waaraan alzo cumulative, vermeenende dat hetzelve Uw besluit alleen op diaconie-behoeftigen was doelende, door mij is voldaan geworden, zo bij mijne missive aan U van den 30e januari des vorigen jaars nr. 77, als bij die van den 30e der vorige maand nr. 50, intusschen nu dan ook U bij deeze gehoorzaamst informeerende dat deze gemeente voor alsnog geen valide of invalide behoeftigen ten haaren laste was of is hebbende, omtrend welke de bedoelde opzending naar de gemelde koloniale gestichten zoude kunnen worden verlangd. Verblijvende nu ten dezen Uw Excellentie’s gunstige verschoning nopens mijne onderwerpelijke misvatting geimploreerd te hebben, onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 68    Heemse, den 12e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge eener bij mij ontvangene missive van den heer Van Schreven van den 8e dezer door het bestuur dezer gemeente nu mede op zondag l.l. de ingezetenen derzelve bij gewone afkondiging en aanplakking geadverteerd geworden zijnde van de bepalingen sub 1 bij Uw Excellentie’s besluit van den 5e dezer, 4e afd., nr. 92/90, betrekkelijk de aangiften der eigendoms-veranderingen tot opmaking der kohieren voor de grondbelasting voor 1833, zo heb ik dan ook de eer, ten gevolge der bepalingen sub 2 bij hetzelve besluit, U bij deze te informeeren dat aan mij bij gelegendheid van den ontvanst van deszelfs vroeger besluit ten dezen van den 24e november des vorigen jaars, 4e afd, nr. 587/536, wel zijn overgemaakt geworden drie vellen van het register legger Q om daarin de alstoen te ontvangene aangaven in te schrijven, doch geene van de registers legger R en U; van het eerstgemelde van welk dan alzo nu eenige vellen ben verzoekende ter executie van de bepalingen sub 2 en 3 bij Uw Excellentie’s eerstgemelde besluit. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 69    Heemse, den 13e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 9e deezer, 1e afd., nr. 755, in mijne handen, ten fine van berigt en consideratien te stellen de hierbij teruggaande rekweste door Jan Koning, landbouwer te Bergentheim in de gemeente, sub dato den 31e der vorige maand, van Zijne Majesteit den Koning gepresenteerd en houdende verzoek om een twee maandelijks verlof voor zijnen zoon Jan Willem Koning, schutter wegens de gemeente in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij dienende, invoegen en met de bepalingen, als denzelven vroeger was verleend geworden bij dispositien van den Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur Generaal van Oorlog van den 27e juni / 14e october 1832, nr. 133/28, zo heb ik de eer daartoe bij deeze te doen dienen. Dat de bij dezelve rekweste, zo opzichtens zich zelve, als omtrend zijn gezin, door den rekwestrant aangevoerde positien der waarheid conform zijn. Dat ook des rekwestrants beroeps-toestand ontegenzeggelijk grotelijks is komen te lijden en nog lijdt bij den langen en onvoorzienen duur der afwezendheid van voormelden zijnen zoon Jan Willem Koning in den schutterlijken dienst. Dat ook gedurende dezelve langdurige afwezendheid van denzelven zijnen zoon slechts eenmaal en wel ten afgelopenen jaare een verlof van twee maanden is verleend, en zulks bij de voormelde dispositien van den Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur Generaal van Oorlog, en wel onder en met de bepalingen als bij de onderwerpelijke rekweste uitgedrukt. Dat dezelve des rekwestrants zoon en met hem de rekwestrant en de zijnen, nog niet eens het geluk en het genoegen gehad hebben, van het voorschreeven verlof ten vollen te profiteeren, gemerkt door mij, ten gevolge van Uw Excellentie’s besluit van den 20e november des vorigen jaars, nr. 6601/4570, reeds voor de expiratie daarvan wederom te wapen heeft moeten worden geroepen, aan welke oproeping dan ook niet alleen gewillig, maar zelfs met geestdrift heeft voldaan, niet achtende op eene ongesteldheid hem toenmaals nog aanklevende ten gevolge van vermoeijenissen op den marsch, van zijn korps naar herwaards, dien te zeer had bespoedigd op het groot verlangen der zijnen van hem eens wederom in hun midden en met hun voor hun gezamentlijk bestaan werkzaam te zien. Dat alzo nog veel minder heeft kunnen jouïseeren van de voor hem en de zijnen gunstige concessie bij opgemelde dispositie van den Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur Generaal van Oorlog voorschreeven, voor hem de faculteit is houdende om, het bestaan des rekwestrants dit vorderende en zulks door mij gecertificeerd wordende, telkens, voor de expiratie van hetzelve zijn verlof van hetzelve door het intermediair van Uw Excellentie de verlenging te verzoeken; zo als kan geblijken uit Uw Excellentie’s aanschrijving ten dien opzichte aan mij van den 23e october des voormelden vorigen jaare, nr. 6116/4247. Dat de rekwestrants verzoek bij de onderhavige rekweste nu alzo zich daarhenen strekkende om op nieuw een bepaald verlof als voormeld voor zijnen onderwerpelijken zoon Jan Willem Koning uit den schutterlijken dienst te bekomen, en de noodzakelijkheid van het zelve, voor den beroeps-toestand deszelven en der zijnen bij den thans naderende veld-arbeid bij mij buiten wederspraak zijnde, zulks ten noodwendigen gevolge moet hebben dat, de omstandigheid des vaderlands zulks gedogende, voor het gaaf accordeeren van hetzelve bij deeze ben opineerende. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 70    Heemse, den 13e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij Uw Excellentie’s apostillaire dispositie van den 9e dezer, 1e afd., nr. 784, in mijne handen, ten fine van berigt en consideratien gesteld geworden zijnde eene rekweste van Berend Schutte, landbouwer aan de Veenebrug in de gemeente, in dato den 29e der vorige maand aan Zijne Majesteit den Koning, gepresenteerd en houdende verzoek om onbepaald verlof uit den militie-dienst voor zijnen zoon Hendrik Jan Schutte, bij optreding voor zijnen broeder Evert Schutte, loteling voor dezelve militie ter dezer gemeente van de klasse van 1832, bij het depot der 7e afdeling infanterie dienende, zo heb ik de eer, onder retour derzelve rekweste, daartoe bij deeze te doen dienen. Dat de rekwestrant bij zijne slechts in huur of pacht hebbende boerderij, waartoe de aanhouding en conservatie in eene voor dit soort van vhee allezints ongunstige en moeijlijkst te beweidene marke van een niet gering aantal schaapen volstrekt noodzakelijk, tevens de tapneering en het voermanschap voor zijn en der zijnen noodzakelijkst bestaan exerceerende, tot dit alles, hoezeer dan deze laatste bedrijven ook thans bijzonder ter dezer gemeente uit bekende oorzaken waaronder den ruimen aanleg van straatwegen in andere gedeeltens dezer provincie, grotelijks zijn kwijnende, voor de voortzetting van dit een en ander veeler handen is behoevende. Dat de rekwestrant intusschen evenzomin als zijne huisvrouwe uithoofde van ziekelijke omstandigheden, zelve ten dezen na behoren kunnende bijdragen, derzelver bestaan hieronder van dag tot dag meer en meer komt te lijden. Dat daarbij bij des rekwestrants oudsten zoon, vroeger ten gevolge eener hevige koortsziekte zich eene blijvende ongesteldheid opgedaan hebbende, die hem niet altijd voor de meedewerking ter uitoeffening zijner beroepen en bedrijven volkomen geschikt doet zijn en ten gevolge waarvan dan ook van de militie- en schutterlijke diensten is vrijgesteld geworden, hij van dezen niet dat nut kan trekken, het welk andertzints daarvoor wel te wagten zoude zijn. Dat voorts de rekwestrant voor zijnen tweeden zoon Hendrik Schutte, zijnde geroepen tot den mobilen schutterlijken dienst, uithoofde dat dezen volstrekt voor hun gezamentlijk bestaan niet konden missen, genoodzaakt is geweest in denzelven dienst eenen plaatsvervanger te stellen, waarvan de kosten, bij den onvermoeden langeren duur van den dienst, en bij den overigen aanmerkelijken teruggang zijner tapneering en voermanswerk hem boven zijne krachten zijn komen te drukken. Zijnde ook verders het bestaan van hem en de zijnen nu zederd de drie laatste jaaren grootelijks en boven maaten komen terug te gaan ten gevolge der buitengewone natheid der saisoenen, nachtvorsten en de zo noodlottige galligheid en dientengevolge kwaaie sterfte, onder zijne schaapskudde. Dat nu het lot geweld hebbende, dat ook zijnen vierden zoon Evert Schutte voormeld ten vorigen jaare 1832 tot den militie dienst werd geroepen, en de rekwestrant zich volstrekt buiten magte bevindende om ook voor dezen, bij zijnen onoverwinnelijken tegenzin voor den militairen stand, eenen plaatsvervanger te kopen, ten dezen geen anderen uitweg heeft gezien dan om voor dezen zijne betrokkenen derden zoon Hendrik Jan Schutte, daartegen minder opziende, bij welgemelde militie te doen optreeden, zoals gebeurd.  Dat zederd dit alzo gebeurde de rekwestrant met de voormelde leeden van zijn gezin (de verdere mannelijke in hetzelve kunnen ten dezen, als nog te jong van jaaren zijnde, in geene aanmerking komen) getracht heeft best mogelijk zijne opgemelde beroepen en bedrijven voor hun zo goed mogelijk bestaan gaande te houden, zich zijne en der zijnen omstandigheden, bij die des lieven vaderlands, best mogelijk getroostende; doch dat zijnen voormelden zoon Evert Schutte op den 9e der vorige maand ongelukkiglijk zijnde komen te sterven; hij en zijne huisvrouwe daardoor metterdaad zo zeer aangedaan en gedrukt zijn geworden dat het niet missen kan daardoor aan het onderhouds-bestaan van zich en de hunnen eenen nieuwen gevoeligen en zwaaren slag toegebragt te zijn; vermeerderd wordende door de bijzonderheid dat daardoor van de eene zijde een noodzakelijk werkend lid hebben komen te verliezen, en van de andere zijde nu dit verlies voor hun word verdubbeld door het gemis tevens en daarbij van hunnen onderwerpelijken zoon Hendrik Jan Schutte, thans voor zijn overledenen broeder Evert Schutte voormeld de wapens bij de 7e afdeling infanterie dragende. Dat de voormelde omstandigheid ja waarlijk voor de rekwestrant en de zijnen ongelukkig zijnde, en hij buiten magte om alnog door plaatsvervanging de handen van zijnen betrokkenen zoon Hendrik Jan Schutte voor de uitoeffening van hun bestaan noodigst zich te recupereeren, bij de verzwaaring van dit ongeluk door het voor hun dubbel droevigst sterfgeval voormeld, het welk eerder en beter zoude hebben kunnen worden geleenigd, zo het den voorzeiden zoon in den militie-dienst, waartoe hij de eigentlijke lotings-plichtige was en waaren, zulks niet te voorzien zijnde, door zijnen onderwerpelijken broeder Hendrik Jan Schutte is gekomen vervangen te worden, had mogen treffen. – Alzo de berichtgever geene zwarigheid maakt ten dezen de dienst Zijner Majesteits bij de omstandigheden des vaderlands, dit gedogende, voor het accordeeren van het verzoek des rekwestrants bij deeze te opineeren. Hem daartoe met de zijnen ten zeersten de bekende edelmoedigheid van hoogst dezelve aanbevelende. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antonie van Riemsdijk.

Nr. 71    Heemse, den 14e februari 1833, brief aan den raad van administratie van het regiment ligte dragonders nr. 5, in guarnisoen te Deventer:

Voor den persoon van Jan de Wilde, zoon van Frederik de Wilde en van Hermina Oosterkamp, ingeschrevene voor de nationale militie ter dezer gemeente der klasse van den loopenden jaare 1833, een certificaat behoevende dat deszelfs broeder Gerrit de Wilde, loteling voor dezelve militie, der klasse van den jaare 1828 ter gemeente Wierden, en behorende tot de buitengewone ligting van den jaare 1831, is dienende bij het regiment ligte dragonders nr. 5, zo verzoeke U mij zo spoedig mogelijk zodanig certificaat in overeenstemming met art. 22 der wet van den 27e april 1820, ingerigt naar het voorschrift van die van den 8e januari 1817, model litt T, eerste geval, te doen toekomen: - kunnende, vermits zich bij zijn korps is bevindende, het nummer van het stamboek niet opgeven. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 72    Heemse, den 15e februari 1833, brief aan den heer controleur der directe belastingen in de divisie Ommen, te Heemse:

Ik accuseere U bij deze den ontvangst van deszelfs missive van gisteren nr. 65, met het daarbij gevoegde primitive kohier voor de belasting op het personeel, volgens de wet van den 28e juni 1822, in de gemeente voor het dienstjaar 1833. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 73    Heemse, den 15e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Zich geene zogenaamde huizen van bewaring of van plaatselijke policie in de gemeente bevindende, zo heb ik de eer, ten gevolge van het gouvernementsbesluit van den 12e februari 1829, U daarvan bij deze te informeeren, zo meede van de omstandigheid dat men daartoe, casu quo, gebruik maakt van de policie-gevangenis in het gemeentehuis der Stad Hardenbergh, het welk door derzelver bestuur in geen geval wordt verweigerd. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 74    Heemse, den 16e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

De persoon van Hendrikus Hekman, geboren den 5e juni 1807 in de gemeente Den Ham, en laatstelijk voor zijne uitwijking na buiten het Rijk, als schaapherder dienstbaar bij den bouwman Willem Timmerman te Bergentheim in deze gemeente, zoon van Hendrik Jan Hekman en vrouwe Geertje Jansen (beide overleden), die ten afgelopenen jaare 1832 zich aan de inschrijving en loting voor de schutterij onttrokken hebbende, door de commissie bij art. 15 der wet van den 11e april 1827 in overeenkomste van Uw welmeenen bij aanschrijving van den 18e augustus 1831, zonder loting, ingevolge de bepalingen bij art. 9 derzelve wet, voor den schutterlijken dienst is gedesigneerd en dien ten gevolge door de commissie bij art. 11 derzelve wet, aan het hoofd der rollen geplaatst, doch zich tot hiertoe niet ter inlijving bij de schutterij heeft gefisteerd gehad, zich op gisteren bij mij vervoegd hebbende om zich alnog, ten gevolge der bepalingen der wet van den 31e december 1832 en van Uw publicatie van den 14e der vorige maand, bedoeld sub 2, bij deszelfs besluit van den 16e aanvolgende, den schutterlijken dienst aan te geven, zo heb ik gemeend denzelven persoon sustineerende uithoofde der latere afkondiging van Uw voormelde publicatie in de gemeente, alnog te kunnen reclameeren het effect bij art. 3 der laatstgemelde wet, bij deze aan U onder geleide van den dienaar van policie en veldwachter der gemeente te moeten opzenden ter decisie. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 75    Heemse, den 16e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 13e dezer, nr. 947/607, heb ik de eer bij deze aan U te adresseeren eene aanvrage om bewijs van voldoening aan de nationale militie, ten behoeve van Hendrik Esschendal uit de gemeente, boerenknecht, dienende in de naburige graafschap Bentheim, Koningrijk Hanover, om te dienen tot vrijwaring tegen de aldaar van regerings-wegen te werk gesteld wordende vervolgingen omtrend de uit het Koningrijk der Nederlanden voortvluchtige militie-plichtigen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 76    Heemse, den 16e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb wel ontvangen Uw missive van den 13e dezer, nr. 947/607 met betrekking tot de wijze van uitgifte van bewijzen van voldoening aan de nationale militie, schutterij en landstorm, aan zodanige ingezetenen der gemeente, als in de ons naburige graafschap Bentheim van het Koningrijk Hanover bij particulieren aldaar dienstbode zijn, ter derzelver vrijwaring tegens de vervolgingen aldaar actueel van Regerings-wegen te werk gesteld wordende omtrend de voortvluchtige militie-, schutterij- en landstorm-plichtigen uit dit Rijk, dan U gelieve het mij ten goede te houden, dat ik de vrijheid neeme, - gelet op den inhoud van Uwe Excellentie’s dispositie van den 7e september des vorigen jaars, houdende beschikking op een adres van Egbert Vinke uit de gemeente nopens zijne inlijving bij de schutterij, mitsgaders op den inhoud van art. 1 der wet van den 19e december 1832, houdende bepalingen nopens de dienst bij den landstorm. – nogmaals Uw Excellentie ter onderhavige materie te adieren met eerbiedige voorstelling van de beide vraagen navolgende. 1. Of het gemeentebestuur bevoegd zij ten behoeve van zodanige ingezetenen uit de gemeente, die, tot daaraantoe niet schutterplichtig, voor de epoque in de voormelde graafschap Bentheim van het Koningrijk Hanover bij particulieren aldaar in dienst waren, en ter derzelver vrijwaring voor de actuele aldaar van regerings-wegen plaats hebbende vervolgingen vorenbedoeld, bewijs af te geven van niet-schutterplichtigheid binnen dit Rijk, heen ter tijd binnen hetzelve metterwoon zullen zijn teruggekeerd? 2. Of het gemeentebestuur de bevoegdheid hebbe ten behoeve van zodanige ingezetenen uit de gemeente, die voor de epoque der opschrijving voor den landstorm in dit rijk in dezelfde graafschap bij particulieren aldaar in dienst waren en alzo ten gevolge van Uw besluit van den 28e november 1832 niet tijdelijk binnen de gemeente voor den landstorm zijn opgeschreven geworden ter derzelver gelijke vrijwaaring, als voormeld, bewijs af te geven van niet-landstormplichtigheid binnen dit Rijk, heen ter tijd ook metterwoon binnen hetzelve zullen zijn teruggekeerd? Hebbende mij door de omstandigheid dat in grensgemeenten, zo als deze, de ingezetenen steeds gewoon waren en nog zijn zich over en weder in particuliere diensten te stellen, genoopt gevonden de beide voormelde vraagen bij deze aan Uwe Excellentie voor te stellen en verblijvende, in eerbiedige afwachting van deszelfs welmenen daaromtrend, onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 77    Heemse, den 18e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer Uwe Excellentie bij deze te informeeren dat de bij deszelfs apostillaire dispositie van den 16e dezer in mijne handen ten fine van berigt en consideratien gestelde rekweste, door Hendrik Geerlings, wonende ter Steede Hardenbergh in dato den 30e der vorige maand aan Z.E. den heer Directeur-generaal van Oorlog gepresenteerd, en houdende verzoek om onbepaald verlof voor zijnen zoon Hendrikus Geerlings, schutter wegens dezelve stad, in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, dienende, door mij, ten voorschreeven einde, is uitgereikt geworden aan mijn heer den burgemeester der Stad Hardenbergh. Waarmede aan Uw Excellentie’s intentie nopens dezelve rekweste voldaan verhoopende, onderdanigst verblijve. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 78    Heemse, den 18e februari 1833, brief aan den heer administrateur van ’s Rijks-Hospitaal te Middelburg, provincie Zeeland:

Zwaantjen Lenneps of Lennips, huisvrouwe van Jan Hendrik Tassink, wonende te Collendoorn in de gemeente, eenige zuster en erfgenaame ab intestato van wijlen derzelver broeder Hendrik Jan Lenneps of Lennips (bij de natevermeldene acten van overlijden Hendrik van Lennips), schutter van wegens deze gemeente gediend hebbende in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, doch, ingevolge de omtrend denzelven door den heer Wethouder der Stad Middelburg, belast met de functien van Officier van den burgerlijken Staat, sub dato den 3e october des vorigen jaars aan mij geadresseerde acte van overlijden, op den 1e derzelve maand in ’s Rijks-Hospitaal aldaar overleden, zich aan Z.E. den heer Directeur-Generaal van Oorlog geadresseerd hebbende ter bevordering der uitgifte aan haar eener somma van drie en twintig guldens, door denzelven haaren nu wijlen broeder stervende in voorzeide hospitaal zullende zijn nagelaten en hiertoe door dezelve zijne Excellentie bij dispositie van den 22e november l.l., nr. 107 gerenvoyeerd geworden zijnde aan den heer administrateur deszelven hospitaals, ten einde, met productie van een behoorlijk bewijs van erfregt, van dezen de uitgifte te erlangen der gelden en goederen door haaren voorzeiden broeder in hetzelve Hospitaal nagelaten voor zo verre geen eigendom des rijks: zo neem ik verlangende daardoor ten dezen elke nodelooze kosten voor dezelve te voor te komen, de vrijheid mij voor en ten behoeve derzelve zuster van den overledenen bij deeze tot U te wenden met verzoek mij wel vooraf te willen informeeren van den juisten staat der nalatenschap in het Hospitaal meergemeld van denzelven haaren broeder, ten einde dienna voor den ontvangst daarvan, tevens met het bewijs van derzelver erfregt, behoorlijk reçu te kunnen afzenden: zullende het mij bijzonder aangenaam zijn daarbij door U te worden geinformeerd nopens de meest geschikte wijze van overmaking ten dezen, gelijk mede omtrend den vereischten form van het verlangd bewijs van erfregt, zo en indien dezelve eenigzints van de in andere gevallen gewoone mogt komen af te wijken. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 80    Heemse, den 18e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1822, diend deze ter informatie dat ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Fenne Beeldhouwer, zonder beroep te Heemse, weduwe van wijlen Lambert Kolkman, in leven dagloner aldaar; hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 83    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1822, diend deze ter informatie dat ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Maria Hannessen, landbouwersche te Heemse, echtgenote van Hermannus Vinke G.z., gepensioneerd schoolonderwijzer aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 84    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1822, diend deze ter informatie dat ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Geesjen Vinke, bakkersche te Heemse, weduwe van wijlen Herm Jan Vinke, in leven bakker aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 85    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan de armen-administratiën der diaconiën van de Hervormden te Hardenbergh en Heemse:

Ik heb de eer bij deze aan Uw armen-administratie te doen toekomen een exemplaar van het provinciaal blad nr. 23 van den lopenden jaare, bevattende een besluit van Z.E. den heer gouverneur der provincie, van den 13e dezer, 1e afd., nr. 613, houdende aanwijzing van eenige handelingen van administratien van armen, gods- of weeshuizen enz., waartoe authorisatie van gouvernements wege wordt vereischt; ten einde daarvan kennisse te neemen en zich dien overeenkomstig te gedragen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 86    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 13e dezer, nr. 947/607, heb ik de eer bij deze aan U te adresseeren eene aanvrage om bewijs van voldoening aan de nationale militie, ten behoeve van Hermannus Koes uit de gemeente, boerenknecht, dienende in de naburige graafschap Bentheim, Koningrijk Hanover, om te dienen tot vrijwaring tegen de aldaar van regerings-wegen te werk gesteld wordende vervolgingen omtrend de uit het Koningrijk der Nederlanden voortvluchtige militie-plichtigen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 87    Heemse, den 24e februari 1833, brief aan den heer burgemeester der gemeente Den Ham:

De persoon van Hendrikus Hekman uit Uw gemeente en nalatig schutterplichtige in deze bij de ligting van den afgelopenen jaare 1832, bedoeld bij mijne missive aan U van den 11e dezer, nr. 65, zich op den 15e aanvolgende als zodanig bij mij vrijwillig zijnde komen aangeven, is door mij ten dage aanvolgende aan Z.E. den heer gouverneur der provincie, opgezonden, doch door dezleve Zijne Excellentie naar Uw gemeente gedaan retourneeren, hien ter tijd door Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken, zoude zijn beslist omtrend de politie van den betrokkenen en meerdere nalatige schutterplichtigen in de provincie, gemerkt het laatekenbaar worden van de gunstige beschikking omtrend dezelve bij art. 3 der wet van den 31e december 1832, van welken maatregel het dan mij uit eene missive van Z.E. den heer gouverneur der provincie van den 16e dezer, ook blijkt dat U door dezelve Zijne Excellentie moet zijn geinformeerd geworden. En nu dan door meergemelden Zijne Excellentie den heer gouverneur der provincie, bij deszelfs aanschrijving van den 21e dezer, geinformeerd wordende van den ten dezen door welgemelde Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken, meede omtrend den onderwerpelijken Hendrikus Hekman genomene beschikking, zo verzoeke ik U bij deze denzelven persoon, zich thans in Uwe gemeente onthoudende, wel door den dienaar van policie of veldwachter derzelve daarvan te willen doen kennis dragen en denzelven gelasten zich onverwijld en met den meesten spoed bij mij te vervoegen, ten einde voor den dienst bij de schutterij op de gewoone wijze naar het depot der 12e afdeling infanterie te worden gedirigeerd, of voor zich eenen plaatsvervanger verkiezende te stellen of wegens ligchaams-gebreken moetende worden gekeurd, daaromtrend mijne aanwijzingen te ontvangen: U onder betuiging mijner wederkerige dienstbereidwilligheid verzoekende mij wel den ontvangst dezer te accuseeren, als voor den 28e dezer Z.E. den heer gouverneur der provincie moetende informeeren van het ten dezen door mij uitgevoerde. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 88    Heemse, den 25e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 13e dezer, 1e afd., nr. 940 in mijne handen, ten fine van rapport te stellen, eene door mijn heer deszelfs ambtgenoot in de provincie Groningen aan Uwe Excellentie geadresseerde missive van den 19e der vorige maand, nr. 6a, met het daarbij gevoegde rapport daaromtrend van den heer burgemeester der gemeente Vriesenveen ter dezer provincie van den 9e dezer, nr. 29, door Uwe Excellentie bij gelijke dispositie van den 2e bevorens, 1e afd., nr. 427, gerekwireerd, beide raakende het onderhoud van Eliszabeth Ninteman, weduwe van wijlen Christoffer Wirtz en derzelver bij welgemelde missive genoemde kinderen, ter gemeente Oude-Pekel-A in de provincie Groningen voornoemd, zo heb ik de eer daartoe, onder retour derzelve stukken, bij deze te doen dienen. Dat het ter secretarie dezer gemeente blijkt dat de voormelde Christoffer Wirtz (zo als alhier in de registers van den burgerlijken staat paroisseerd) of Wirts, ook Weeres of Wieres, binnen dezelve in denzelver buurtschap Bergentheim in den loop der jaaren 1820, 1821, 1822 en 1823 (dragende men van de juiste epoque zijner aankomst in- en vertrek uit dezelve Ao 1820 en 1823 geene kennis) als grensjager is gestationeerd geweest en in die kwaliteit aldaar heeft dienst gedaan ter surveillering van ’s Rijks-Middelen, alsmeede dat hem aldaar op den 6e april 1822 uit voornoemde zijne huisvrouwe een kind van het vrouwelijk geslacht is geboren geworden aan het welk de voornamen van Maria Helena gegeven heeft; zijnde dan ook onder den naam van C. Wieres ter dezer gemeente ten opgemelde jaaren in den personeelen of hoofdelijken omslag voor dezelve mitsgaders op het kohier van schoolgelden en van den omslag voor het schoolfonds voor de drie laatsten derzelve aangeslagen geworden, doch heeft hij van deeze zijne aanslagen voor de eerstgenoemde belasting slechts die van 1820 en 1821 en voor de laatstgemelde die van 1821 en 1822 gekweeten, terwijl wegens de eerstgenoemde derzelve gemeenteljike lasten zijn kwota’s over 1822 en 1823 en wegens de laatsgemelde derzelve die over 1823 zijn onvoldaan gebleven en den ontvanger der gemeente bij zijne comptabele rekeningen over dezelve jaaren als oninvorderbaar in remissie hebben moeten worden geleden. Dat het den rapportant, even als zijnen ambtgenoot den heer burgemeester der gemeente Vriesenveen, ja waarlijk vreemd voorkomt, dat men de geboorteplaats van Christoffer Wirtz niet heeft kunnen ontdekken, niet zo zeer uithoofde der door denzelven heer burgemeester bij zijn opgemelde rapport aangevoerde redenen, dat, daar hij gepensioneerd was geweest en bij het verleenen van pensioens-acten of bij het inschrijven der pensioenen eene geboorte-acte of doopcedul wierd gevorderd ofte immers zodanige acte welke de geboorte-acte wettig konde vervangen, waarvan in de pensioens-acten (te weeten van den tijd van geboorte) werd melding gemaakt, maar omdat toch zonder twijffel de juiste plaats der geboorte van den betrokkenen op te sporen is in de controles of stamboeken van de onderscheidene korpsen, waarbij dit Rijk, het voormalig koningrijk Holland of de vroegere Bataafsche Republiek en die der vereenigde Nederlanden heeft gediend gehad, en zeker bij de Ministeriën van Finantien voor zo verre het gewezen korps grensjagers betreft en bij de Generale Directie van Oorlog, voor zoverre de vroegere regimenten of brigades aangaat, daartoe alnog in te zien; terwijl het den rapportant, die veelmalen, ja vast altijd, de oude militairen van staaten van dienst gemanieerd zag, ook geentzints zoude verwonderen dat zijne weduwe nog wel bezitter van zodanigen staat van dienst waare. Dat de rapportant dan onder de voormelde omstandigheden de wet van den 28e november 1818 houdende bepalingen tot aanwijzing der plaats waar de behoeftigen in den algemeenen onderstand deelen kunen, ter hand neemende, niet zien kan, dat deeze gemeente verplicht is te continueren in de voortaane onderhouding der opgedagte weduwe en kinderen van den betrokkenen C. Wirtz; ten dezen meede ten reguarde dezer gemeente het Ambt Hardenbergh, mijn heer den burgemeester der gemeente Vriesenveen in zijn rapport voorschreeven bijstemmende, dat, - naar de bepalingen bij de wet voorschreven, de gemeente in welke een behoeftige in den algemeenen onderstand deelen kan, die zijner geboorte zijnde, ten waare gedurende vier achtereenvolgende jaaren in eene andere dan die zijner geboorte gewoond hebbe en aldaar gedurende denzelfden tijd al de hem opgelegde belastingen voldaan, mitsgaders het domicilie van onderstand voor de weduwen, dat haarer mannen en voor (in echte geboren) minderjarigen, dat van hunne vader, - beide gemeentens bij het niet overlijden van vader en moeder beide ne het niet meerderjarig zijn van de verdere onderstand behoevenden tot nietwes zijn gehouden, en alzo ten dezen billijk en te recht concluderende dat deze gemeente opzichtelijk den verlangden voortaanen onderstand niet als meede-plichtschuldig kan worden gehouden, zelfs niet ten reguarde der voormelde op den 6e april 1822 in de gemeente geboorene Maria Helena Wirtz, als, zo als voorzeid, het domicilie van onderstand haares vaders volgende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 89    Heemse, den 25e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen daaromtrend bij deszelfs aanschrijving van den 4e april 1832, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deeze te informeeren dat tot en met heeden geene inschrijvingen ter secretarie der gemeente zijn gedaan in de daarbij bedoelde provinciale geldleeningen ten behoeve van den straatweg van Zwolle over Heino, Raalte, Wierden, Almelo en Borne na Hengelo. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 90    Heemse, den 27e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Na den ontvangst van Uw Excellentie’s missive van den 21e dezer, 1e afd., nr. 1043 mij bij de mijne van den 24e aanvolgende, nr. 87, aan mijn heer den burgemeester der gemeente Den Ham geadresseerd hebbende met verzoek om den betrokkenen persoon van Hendrikus Hekman, zich zederd Uwe Excellentie’s aanschrijving van den 16e dezer, 1e afd., nr. 1035/639 in deszelfs gemeente bevindende, van den inhoud derzelven Uwe Excellentie’s missive voorlopig te informeeren en voorts denzelven te doen aanzeggen om zich onverwijld ter verdere kennisneeming daaromtrend bij mij te komen aanmelden, - zo heeft dan dezelve zich daartoe zo straks bij mij vervoegd; en nu dan dezelve Hendrikus Hekman, die niet verlangde voor zich eenen plaatsvervanger in de schutterlijken dienst te stellen, door den heer F.W. van Riemsdijk, medicinae doctor enz. ter Steede Hardenbergh bij deliberatie van den raad der gemeente van den 23e mei 1832 toegevoegd aan de Commissie in de gemeente bij art. 15 der wet van den 11e april 1827 als geschikt voor denzelven dienst bevonden zijnde, zo heb ik hem bij eene schriftelijke order gemunieerd met eenen extract-staat, als bij Uwe Excellentie’s besluit van den 19e januari des vorigen jaars, 1e afd., nr. 10/105 gelast om zich op vrijdag den 1e maart aanstaande over Raalte, Deventer en Zutphen na het depot battaillon der 12e afdeeling infanterie te Doesburg op marsch te begeven, ten einde bij hetzelve te worden gekleed, gewapend en op het 2e battaillon der 1e afdeeling Overijsselsche Schutterij gedirigeerd; zich bij zijne aankomst aldaar dadelijk aanmeldende bij den commanderenden officier van voorschreeven depot-battaillon of mijn heer den plaatselijken kommandant en wezende voorts door mij aan den betrokkenen ter hand gesteld f. 1,05 om daarmeede in zijne nachtkwartieren en voedings-kosten te Raalte, Deventer en Zutphen te voorzien. Uwe Excellentie dan alzo bij deze van den afloop dezer zaak eerbiedigst informeerende, zo verblijve gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 91    Heemse, den 27e februari 1833, brief aan den heer commanderenden officier van het depot-battaillon der 12e afdeling infanterie in guarnisoen te Doesburg:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen eenen nominativen-staat der manschappen (schutter-plichtigen uit de gemeente voor den dienst van den jaare 1832) ingevolge art. 25 der wet van den 11e april 1827, in der tijd bestemd, zo ter daarstelling van het 1/5e van het contingent der gemeente, ten opgemelden jaare van hetzelve tot de reserve overgegaan, als ter aanvulling van de bij hetzelve door vrijstellingen, ontslag of overlijden opengevallene schuttersplaatsen, - en gedestineerd geweest om, ingevolge de besluiten van Z.E. den heer gouverneur der provincie, van den 13e september 1832, 1e afd., nr. 3642 en 3650 op den 19e september 1832, ter derzelve verzamelplaats Zwolle afgelverd en overgegeven te worden aan den daartoe bij laatstgemelde besluit aangewezenen heer 1e lieutenant H.J. Venema met informatie dat de thans daarop alleenlijk voorkomend persoon van Hendrikus Hekman, wiens positie in betrekking tot de schutterij in de kolom van aanmerkingen van denzelven staat te erzien, door mij op heden ten gevolge eener aanschrijving van Z.E. den heer gouverneur der provincie, van den 21e dezer, 1e afd., nr. 1043/713 is gelast geworden zich naar het door U gecommandeerd wordende depot battaillon der 12e afdeling infanterie te Doesburg over Raalte, Deventer en Zutphen op marsch te begeven ten einde bij hetzelve te worden gekleed, gewapend en vervolgens op het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij gedirigeerd; wezende daartoe vorozien zo van mijne schriftelijke order, aan welke door mij is geannecteerd geworden bij besluit van welgemelde Zijne Excellentie van den 19e januari 1832, gevorderde extract-staat, als van eene summa van f. 1,05 voor voedings- en logis-kosten ter voormelde inkwartieringsplaatzen. Verzoekende voorts U mij wel na het arrivement van den bedoelden persoon te Doesburg, daarvan te willen doen verzekeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 92    Heemse, den 27e februari 1833, brief aan den heer commanderende officier van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd in het voormalig Staats-Vlaanderen:

Voor den persoon van Hendrik Bakhuis, zoon van Jannes Bakhuis en van Janna Jansen, ingeschrevene voor de nationale militie ter dezer gemeente in de klasse van den lopenden jaare 1833, een attest behoevende, dat Jan Bakhuis of Wesselink, voor deze gemeente, als schutter is dienende bij de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij en zulks ten einde voor denzelven daarop het effect van vrijstelling van den dienst bij dezelve militie, overeenkomstig de bepalingen bij art. 9 der wet van den 29e november 1830 te erlangen, zo verzoeke U mij wel zodanig U mij wel zodanig certificaat van activiteit van dienst van denzelven Jan Bakhuis of Wesselink met den meesten spoed (als moetende daarvan op den 16e der volgende maand gebruik worden gemaakt) te doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 94    Heemse, den 28e februari 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Naar aanleiding van het gouvernementsbesluit van den 24e maart 1821 heb ik de eer U bij deze gehoorzaamst te informeeren dat in deeze maand ter zaake van contraventien wegens het niet gebruiken der nieuwe maten en gewigten geene proces-verbaalen door de daartoe gelastte beambten zijn opgemaakt en aan de justitie verzonden; zijnde er tevens ook geene klagten bij mij ingekomen ter zaake van derzelver bestaande invoering. En hiermeede beveeld zich Uw Excellentie gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur van Ambt Hardenberg, beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende den 26e augustus 1833.

Nr. 95    Heemse, den 2e maart 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 23e der vorige maand, 1e afd. nr. 1105, in mijne handen, ten fine van bergit en consideratien te stellen, de hiernevens teruggaande rekweste door eenen Jan de Jager, bedelaar-kolonist in het etablissement der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans, vroeger temporier-ingezeten dezer gemeente, in dato den 11e der vorige aan Z.E. den heer Minister van Binnenlandsche Zaaken, gepresenteerd en houdende, om daarbij aangevoerde redenen, verzoek om ontslag voor hem en zijne familie uit hetzelve etablissement, - zo heb ik de eer daartoe bij deeze te doen dienen: dat de bedoelde Jan de Jager en gezin dezelfde persoonen zijn als bedoeld bij de missives van het bestuur dezer gemeente aan Uwe Excellentie (waartoe ten dezen eerbiedige relatei) van den 9e mei en 15e september des vorigen jaars, nr. 263 en 436. Dat dezelve persoon of persoonen, na zich ten jaare 1827 van uit de provincie Drenthe ter dezer gemeente in derzelver marke Lutten in de richting van de zogenaamde Dedemsvaart te hebben nedergeslagen, in het eerst weliswaar aldaar voor zich op eene behoorlijke wijze den kosten hebben zoeken te winnen zo met bezembinden, als onderscheidene andere verrichtingen van veld- en veenarbeid, zo dat op derzelver gedrag en vlijt niets aan te merken viel; bestaande weliswaar soberst, doch zich in dezen hunnen soberen toestand best mogelijk generende en niemand lastig vallende. Dat intussen zich een der zoonen van den betrokkenen Jan de Jager als plaatsvervanger bij de nationale militie hebbende komen te engageeren, voor zekeren Albert Odink te Collendoorn in de gemeente, en voor de betrokkene en zijn gezin daaruit voordeelen voor hun bestaan voortgevloeid zijnde, zulks van nadeeligen invloed is komen zijn op derzelver vroegeren werkzamen vlijt. Dat althans, na de absorptie van voorschreevene toevallige ruimere bestaansmiddelen, zich de omstandigheden des rekwestrants en de zijnen aanmerkelijk hebbende komen te verzwaaren en dezelve zich minder, als te voren, belust gevoelende daartegen door vlijtigen handen-arbeid te voorzien, de rekwestrant ten dezen alleen schijnd uitgezien te hebben naar eene minder vermoeijende en gemakkelijkere uitkomst, en, op het voorbeeld van zo veele het platteland onder den dekmantel van negotie aflopende bedelaars, die zeker ook al nu en dan zijn afgelegene woning voor nachtverblijf enz. kwamen bezoeken, dezelve heeft getracht te vinden in de bewandeling met de zijnen van een gelijk spoor, hun, door het neemen van een weinig kostend patent ter uitoeffening hunner gewaande negotie, bij derzelver hoofdberoep, de schandelijke bedelarij, tegens de vervolingen der dienaren van policie en veldwachters veelal komende te beveiligen: en is het den betrokkenen dan alzo ook gelukt ten jaare 1831 ter deze gemeente van patent te worden voorzien, zonder dat de berichtgever van zijne primaire pogingen daartoe bij den ontvanger der gemeente is komen kennisse te dragen. Dat intusschen de berichtgever inmiddels onderricht geworden zijnde van den gang, die de betrokkene en gezin met hetzelve patent, speciaal in de naburige provincie Drenthe, heinde en verre, voornamentlijk bedelende, ging volgende, het voor zijnen plicht heeft geacht deze schandelijke handelwijze derzelve te moeten te keer gaan, en daartoe ja waarlijk aan den betrokkenen ten afgelopenen jaare de uitgifte van een vernieuwd patent heeft verweijgerd, hem daarvan persoonlijk de redenen afgevende met recommanditie om zijn vroeger beroepsbestaan te hervatten; doch dat hij, zulks ter secretarie der gemeente gebeurende, van daar onvergenoegd is heen gegaan, met de bedreiging van deswegens bij de hogere authoriteit te zullen klagen. Dat dan hierop de rekwestrant ook zonder van patent te zijn voorzien, met de zijnen zijn vroegere togten in de voorzeide provincie Drenthe hervat hebbende en zich aldaar aan de hun nu reeds eigene bedelarij schuldig moetende gemaakt hebben, zij aldaar zijn gearresteerd en naar het koloniaal bedelaarsgesticht aan de Ommerschans vervoerd geworden. Dat de berichtgever zich weliswaar verheugd dat de rekwestrant en de zijnen aldaar tot vlijtige arbeidzaamheid zullen zijn teruggekeerd, doch in allen gevalle twijffelen zoude aan de duurzaamheid daarvan bij derzelver zo spoedige terugkeer buiten dwang in de Maatschappij; ten dezen alzo voor consideratie niets anders kunnen zeggen, dan dat de beslissing daaromtrend voor alsnog alleen aan de directie van het gesticht, waarin zich actueel bevinden, zal moeten worden overgelaaten; zullende het echter de berichtgever, bij de vrees dat hunne latere levenswijs nog niet mogen zijn ontwend, even zo weinig als zeker ook het gros zijner gemeente leed doen, dat bij relaxatie, zich nimmer wederom binnen dezelve komen te vestigen; integendeel grotelijks te vreeden zijn, dat alsdan hunne vroegere verblijven ter provincie Drenthe, Groningen of Friesland zullen komen herzoeken. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 96    Heemse, den 3e maart 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Aan mijn berigt en consideratien in dato gisteren nr. 95 aan Uwe Excellentie omtrend de daarbij bedoelde rekweste, door Jan de Jager, bedelaarskolonist in het etablissement der Maatschappij van Weldadigheid in dato den 11e dezer aan Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaaken, gepraesenteerd, dezelve rekweste vergeeten zijnde toetevoegen, zo heb ik de eer dezelve bij deeze te overzenden. Uw Excellentie verzoekende om zo en indien bij abuis bij hetzelve berigt en consideratien eenig ander stuk mog zijn ingeslooten geworden, mij wel het zelve te willen doen retourneeren. Verblijvende daartoe eerbiedigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 97    Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den heer ontvanger der rechten van successie en van overgang door overlijden, in het ressort Ommen, te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari 1818, 2e divisie nr. 43, overzende U bij dezen de sterflijst voor deeze gemeente over de afgelopene maand februari deezes jaars. Voegende hierbij ingevolge besluiten van Z.E. den heer gouverneur der provincie van den 14e januari en 7e maart des vorigen jaars, 3e afd., nr. 25 en 56/130 de memoriën van aangiften en certificaat van onvermogen betrekkelijk de nalatenschappen van Evert Schutte, Evertjen Vrijlink, Roelof Bakhuis en Derk Espeldoorn, in de voorlaatste maand overleden en onder de doden op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 98    Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den heer Vrederegter des Kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1828 diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Grietjen Brinkhuis, landbouwersche te Baalder, weduwe van wijlen Lucas Stroeve in leven landbouwer aldaar; hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh; officier van den burgerlijke staat.

Nr. 99    Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge en ter voldoening aan deszelfs apostillaire dispositie van den 23e der vorigen maand, 1e afd., nr. 1120, heb ik de eer bij deeze van berigt en consideratiën te dienen op eene in dato den 11e der vorige maand aan Zijne Majesteit den Koning, door Dina Schepers, huisvrouwe van Hendrik Oldemeijer, landbouwers te Brucht in de gemeente, gepraesenteerde rekweste, houdende verzoek om onbepaald of bepaald verlof uit den schutterlijken dienst, en daartoe eerbiedigst te doen strekken. Dat de rekwestrante en haaren eheman niet behoren onder de zo veele ingezetenen dezer gemeente die ten einde zich aan de 1e cathegorie van schutters te onttrekken, na de epoque van de mobiliseering der schutterijen, in echte zijn komen te begeven en ten dezen, - de bij de rekweste naar waarheid opgegevene omstandigheid, dat den laatste desniettemin bij absorptie derzelve 1e wetscathegorie (uithoofde der veele sterftens onder de schutters in het 5e district der provincie Zeeland gestationeerd) ondanks zijnen gehuwden staat nog voor deze gemeente ten vorigen jaare 1832 als schutter bij de 1e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij heeft moeten komen op te treeden, - alle consideratie zijn verdienende. Dat hier thans bijkomt, dat de rekwestrante een eigen plaatsjen bemeijerende, zij daartoe voor zich niet alleen buiten staat is, maar ook niet mij magte daartoe zich van anderen vreemden handenarbeid te voorzien, moetende althans nu geheel en al afzien van de voor den landlieden in de marke Brucht zo voordelige veenboekweitculture, waaraan immers voor haar persoon in geenen deele te denken. Dat ook de ondersteuning die de rekwestrante in dezelver omstandigheden actueel uit het fonds van ondersteuning behoevende schutterlijke betrekkingen in de gemeente is trekkende, alleen voor der rekwestrants persoonlijke behoefte is berekend en geentzints sufficient om derzelver geheelen beroep-omvang gaande te houden. Dat het alzo voor de rekwestrante, ofschoon dan ook op dit moment gelukkiglijk met geen onderhoud van kinderen bezwaard, evenals voor haaren echtgenoot van groot belang zoude zijn, indien de dienst van Zijne Majesteit mogte gedogen dat met bepaald verlof, telkens bij voortdurende behoefte op de certificatie van den berichtgever, na tijdelijke aanvrage daartoe bij de bevoegde authoriteit, te verlangen, ten zijnent konde retourneeren ter instandhouding en voortzetting van hun vroeger beroepsbestaan, en deeze derhalven de hiervoren opgegevene consideranda volgende, dan bij deze opineerende voor het accordeeren van zodanig verlof van den echtgenoot der rekwestrante. Verblijvende hiermede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 100  Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Onder retour der hiernevens gevoegde, door Thijes Stegeman, landbouwer te Brucht in de gemeente, in dato den 11e der vorige maand aan Zijne Majesteit den Koning, gepresenteerde rekweste, houdende verzoek om onbepaald of bepaald verlof uit den schutterlijken dienst voor zijnen Derk Jan Stegeman, in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, - waaromtrend mijn berigt en consideratien is gerekwireerd geworden bij Uwe Excellentie’s apostillaire dispositie in dato 29e februari l.l., nr. 1152, heb ik de eer daartoe bij deze te doen dienen. Dat de positien door den rekwestrant bij de onderwerpelijke rekweste op- een aangegeven, ten reguarde van hem zelven, als ten opzichte van zijn gezin, waaronder dan de voormelde schutter Derk Jan Stegeman, zijnen eenigen zoon, overeenkomstig de waarheid zijn. Dat ook de finantieele omstandigheden des rekwestrants en der zijnen zodanig zijn, dat, zonder dezelve eenen onherstelbaren slag toe te brengen, buiten staat waren en alnog zijn bevindende om voor den betrokkenen schutter eenen plaatsvervanger in den schutterlijken dienst te stellen. Dat hij bij den onvoorzienen langeren duur van den dienst der gemobiliseerde schutterijen ook onwedersprekelijk is, dat niet het landbouwend beroep des rekwestrants en der zijnen daaronder, speciaal ook bij de bijzondere omstandigheden van des rekwestrants huisvrouwe en van de eene zijner dogters, en bij zijne eigene reeds zo verre gevorderde jaaren, grotelijks zoude komen te lijden, als gaande notoir bij het ontbreeken van hetzelve om een werkzaam lid der famille en van deezer nog jeugdige en krachtvolle handen, met elken dag hoe langer, hoe meerder agter uit. Dat zeker bij deze thans kennelijke situatie het voorkomt, dat des rekwestrants onderwerpelijk verzoek geene onbillijkheid in zich bevat zo en indien maar het toestaan van hetzelve aan een te brengen is met het belang van Zijner Majesteits Dienst, vroeger althans ook in deze gemeente gelijke gunstige concessiën bij wijze van bepaald verlof aan anderen te accordeeren toegelaten hebbende, op den voet, speciaal ten opzichte van de tijdes veerlengingswijze van hetzelve, als door den rekwestrant bij zijne rekweste ontvoudt. Neemende berichtgever dan de vrijheid bij deze te opineeren voor het accordeeren van het verzoek des rekwestrants voor zoverre het daarbij gevraagde bepaald verlof voor zijnen betrokkenen zoon D.J. Stegeman aangaat en zulks met en onder de bepalingen omtrend de tijdelijke wijze van verlenging van hetzelve, als bij de rekweste, ten gevolge der daarbij aangehaalde dispositiën van H.H.E.E. den Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur-generaal van Oorlog van den 27e juni en 14e october 1832 geëlargeerd. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 101  Heemse, den 6e maart 1833, brief aan den Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs circulaire van den 23e der vorige maand, 1e afd., nr. 765, door mij, na voorschrift sub 2 bij dezelve, opgemaakt geworden zijnde de nominative lijsten van het personeel der landstorms in de gemeente, en tot hier mijn heer den kommandant niet kennende, aan wien het bevel over het battaillon in het kanton Hardenbergh te huis horende, is opgedragen geworden, zo heb ik de eer Uwe Excellentie deze omstandigheid bij deze te communiceeren met verzoek mij wel te informeeren waar ter plaatse en aan welken persoon aldaar dezelve lijsten voor den 10e zal hebben over te maken. Verblijvende hiertoe onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 103  Heemse, den 8e maart 1833, brief aan den heer burgemeester der Stad ’s-Hertogenbosch (provincie Noord-Brabant):

Bij dispositie van Hun Edel Groot Achtbaren, de heeren Gedeputeerde Staaten dezer provincie van den 1e november des vorigen jaars, 1e afd., nr. 2181/1621, mij toegezonden geworden zijnde een afschrift van Zijner Majesteits Besluit van den 24e october bevorens, nr. 45, waarbij Hoogst dezelve heeft goedgevonden en verstaan te verklaaren, dat door de Stad ’s-Hertogenbosch aan deze gemeente Ambt Hardenbergh moet worden teruggegeven eene som van zes en dertig guldens en vijf en twintig cents, wegens uitgeschotene verplegingskosten van het bij hetzelve besluit vermelde gezin van J. Middelkoop, onverminderd haar regt van verhaal op zodanige andere gemeente, als men te ’s-Hertogenbosch mogte kunnen opspooren daartoe gehouden te weezen; zo houde Uw Edel Achtbare het mij ten goeden, dat, in de veronderstelling dat zeker ook te zijner tijd een soortgelijke fschrifte aan Uw Edel Achtbare van wegen Hun Edel Groot Achtbaren, de heeren Gedeputeerde Staten der provincie Noord-Brabant, zal zijn overgemaakt geworden, mij zeer verwondere tot hiertoe niets van Uw Edel Achtbaare nopens de realisatie der bedoelde restitutie heb vernoomen: Uw Edel Achtbare bij deze ter afdoening dezer nu reeds te lang vertraagde zaak, zo uithoofde der onderlinge plaatselijke afgelegendheid als om de moeilijkheid van behoorlijke kwijting ten dezen proponeerende om de voormelde somma, het zij in geld of in geldswaardens, franco over te maken of te doen ter hand stellen aan mijnen zoon C.J. van Riemsdijk, student in de theologie aan de Hoogeschool te Leiden en aldaar bij den heer A. Scholten, slijter in sterke dranken op de Lange Brug, om de hoek van de Kost-Steeg wonende, die Uw Edel Achtbare dan daarvoor namens mij op den door Uw Edel Achtbaren verlangd wordenden voet kwiteeren zal. Ofschoon dan ook niet twijffele, dat Uw Edel Achtbare deze mijne propositie agreëere, verzoek intusschen daaromtrend per eerste post deszelfs aveu te mogen verneemen ten einde ook daaromtrend de vereischte informatie aan mijnen bedoelden zoon te kunnen doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 104  Heemse, den 8e maart 1833, brief aan den heer luitenant-kolonel, commanderende de 1e afdeling mobile Schutterij van Overijssel in het 5e district der provincie Zeeland, te Axel:

Door U, ingevolge magtiging van het Departement van Oorlog, d.d. 19 december des vorigen jaars, nr. 41, op den 31e derzelve maand, wegens ligchaamsgebreken en daaruit voortvloeijende ongeschiktheid voor den dienst, ontslag verleend geworden zijnde aan Albert van den Kamp, schutter bij de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile schutterij van Overijssel, en herkomstig uit deze gemeente, en dezes broeder Jan Hermen van den Kamp, loteling voor de Nationale Militie, van de klasse van 1832, hebbende bij de loting getrokken het dienstpligtig nr. 38, doch wezende ten zelfden jaare door den Militie-Raad in de provincie ter deszelfs 2e zitting op den 6e april van dat jaar voor een jaar, uit hoofde van den Schutterlijken Dienst zijnes broeders voorschreeven van dien bij de militie vrijgesteld, - ten dezen Jaare bij welgemelde Militie-Raad ter deszelfs 1e zitting op den 8e der vorige maand, naar aanbeveling en op grond der bepalingen bij art. 4 der wet van den 31e december 1832 in verband beschouwd tot art. 94 m.m. der wet van den 8e januari 1817 en art. 22 en 24 der wet van den 27e april 1820 niet hebbende kunnen slaagen eene gelijke en voortdurende eenjarige vrijstelling van den dienst te erlangen, uit hoofde bij voorschreeven U Wel Edel Gestrenge’s aan zijnen voorzeiden broeder Albert van den Kamp verleende ontslag niet waare vermeld geworden dat dezes bedoelde ligchaams-gebreeken en daaruit voortvloeijende ongeschiktheid voor den dienst door hem in of gedurende dien dienst zelve zoude zijn bekomen, zo neem ik de vrijheid; - mij van de waarheid daaromtrend zelve (ook in mijne kwaliteit van medicinae doctor) volkomen overtuigd houdende, als hebbende den betrokkenen schutter volkomen welvarend en gezond deze gemeente verlaten, en zijnde persoonlijk in dien toestand door mij op den 24e en 25e februari 1831 na de verzamelplaats Deventer begeleid geworden en ten laatstgemelden dage aldaar aan den heer majoor Meijer, zijn battaillon commanderende, overgeleverd, - daaromtrend in het belang des betrokkenen en zijner familie bij deze U nadere en spoedige certificatie, na de bij zijn voormalig battaillon te werk gedaan stellen onderzoek, te verzoeken. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 105  Heemse, den 10e maart 1833, brief aan den heer W. Swam, commanderende het 7e battaillon landstorm in de provincie Overijssel, te Gramsbergen:

Bij eene op gisteren avond bij mij ontvangene missive van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie, van den 7e dezer, 1e afd., nr. 1379/928, geinformeerd wordende van deszelfs benoeming tot kommandant van het battaillon landstorm, waartoe de manschappen dezer gemeente behoren, zo heb ik de eer bij deze ten gevolge van welgemelde Zijner Excellentie’s circulaire van den 23e der vorige maand, 1e afd., nr. 765, aan U Wel Edel Gestrenge te adresseeren de nominative staaten derzelve manschappen, 1e en 2e klasse. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 106  Heemse, den 11e maart 1833, brief aan den heer Vrederegter des Kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Frans Bouck, landbouwer te Slagharen, echtgenoot van Engel Oosterman, landbouwersche aldaar, hebbende minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 107  Heemse, den 15e maart 1833, brief aan den heer Schoolopziener van het 5e district in de Provincie Overijssel, te Archem bij Ommen:

Ten fine van deszelfs consideratien heb ik de eer bij deze, naar aanleiding eener bij mij sub dato den 27e augustus 1821, 2e div., nr. 673 (epoque van den bouw der nieuwe school te Collendoorn) ontvangen aanschrijving van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, aan U te overzenden het bij den raad dezer gemeente op heeden ontworpene bestek en conditien voor den aanbouw eener nieuwe school ter buurtschap Radewijk in de gemeente, met de daartoe specteerende platte grond-teekening; solliciteerende dezelve stukken ten spoedigsten van U terug te mogen ontvangen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 108  Heemse, den 16e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uw Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 8e dezer, 1e afd., nr. 1382, in mijne handen, ten fine van berigt en consideratien, te stellen de hierbij, met de daarbij gevoegde stukken, teruggaande missive d.d. 5 dezer aan Uw Excellentie van J.J. Meij, commis te voet van de 4e klasse, gestationeerd op de zogenaamde Kloosterhaar ter buurtschap Sibculo in de gemeente, heeft de eer daartoe te doen dienen: Dat ik mij niet herinner ooit door denzelven J.J. Meij gesprooken te zijn over den onderwerpe bij dezelve zijne missive. Dat het mogelijk is dat ten dezen heeft geconsuleerd den Officier van den civilen staat der gemeente alwaar de persoone, met welke wenscht zich in huwelijk te begeven is wonende; zullende dan, zo als bij informatie verneemen moeten zijn zijn geweest mijn heer den burgemeester der gemeente Tubbergen of mijn heer den burgemeester der gemeente Vriesenveen, onder welke laatste dan eigentlijk de briefschrijver zelfs ook, ofschoon aan en in die nabijheid der grenzen der gemeente, op dit moment woonachtig is, ten gevolge, dat, naar aanleiding der bepalingen bij art. 165 van het Burgerlijk Wetboek, zijn voorgenomen huwelijk, uit dien hoofde zelfs niet ter dezer gemeente zal kunnen of mogen worden voltrokken. Dat het intusschen, welken officier van den civilen staat dan ook de briefschrijver moge hebben geconsuleerd, voorkomt, dat door dezen ingevolge de bepalingen bij art. 197 der wet van den 8e januari 1817 en van het gouvernementsbesluit van den 27e februari 1825, nr. 178, te regt zwarigheid is gemaakt geworden om hem in ondertrouw op te neemen zonder het aan dezen bij behoorlijk bewijs werd gedaan blijken, dat de briefschrijver aan de verplichtingen die ten aanzien der nationale militie op den zelven mogt berust hebben, tot dat ogenblik had voldaan. Immers de briefschrijver is na den jaare 1793 (gouvernementsbesluit van den 29e juli 1825, 3e div., nr. 449) geboren en had, ingevolge den uitdrukkelijken letter van art. 51 van voormelde wet van den 8e januari 1817 te zijner tijd anno 1817 niet alleen aan de inschrijving en looting voor de nationale militie (1e klasse) ter plaatse van zijn bij de wet aangegeven domicilie moeten deel neemen, maar bleef ook vervolgens en ondanks de gunstige beschikkingen bij de wet van den 21e december 1824 de verzuimingen antorieur aan de wet van den 8e januari 1817 specteerende ten einde van den dienst bij dezelve, naar aanleiding der bepalingen bij art. 94 q.q. derzelve wet, telkens voor een jaar te worden vrijgesteld, aan hetzelve zijn domicilie gedurende de verdere jaaren zijner militie-plichtigheid met betrekking tot dezelve verbonden. Dat alzo alhier van zijde des briefschrijvers ofte der zijnen een verzuim bestaat, waartegen de door denzelven ingebragte verschooningen van ten dezen verkeerd ingelicht of gerenseigneerd te zijn geweest, zeker minder zullen kunnen afdoen, dan, bij zijne eigentlijke vrijwillige dienstpraestatie inmiddels bij de armee, welk, zijne vrijwillige aangifte daaromtrend, in dezen, welke nu bij zijnen onderwerpelijken brief aan Uw Excellentie komt te doen. Dat echter over dit verzuim niet door eenig officier van den burgerlijken of van den civilen staat zal vermogen te worden heen gestapt en het paspoort des briefschrijvers ten dezen kunnen worden gedaan subintreeren voor het certificaat L.L. van den heer gouverneur zijner provincie, bij art. 200 der meergemelde wet van den 8e januari 1817 bedoeld, maar dat hiertoe hogere authorisatie wordt vereischt zo als vroeger reeds omtrend den briefschrijver schijnd verleend te zijn geweest, en waarvoor dan zo mogelijk de berichtgever, de omstandigheden der betrokkenen in aanmerking neemende, ten dezen wel zoude zijn opineerende: althans vermeenende het daarvoor te kunnen en moeten houden, dat ten gevolge zijner onderwerpelijke eigene aangifte alzo, naar aanleiding van het bepaalde bij het gouvernementsbesluit van den 18e juli 1822, nr. 570 ter gemeente, van zijn vorig domicilie zal kunnen en behoren te worden toegelaten tot eene naloting voor de jaaren (waaromtrend zich dan na de geproduceerde geboorte-acte en niet na het meede overgelegde paspoort, waarbij epoque een jaar vroeger vermeld, zal behoren te worden gericht) – in welke door zijnen ouderdom tot de nationale militie heeft behoord en in welke daaromtrend door hem verzuim is begaan, om dienna verders ten zijnen opzichte de wet in overeenstemming met derzelver milderen geest, te doen werkzaam zijn. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 109  Heemse, den 16e maart 1833, brief aan raad van administratie der 7e afdeling infanterie in guarnisoen te Zwolle:

Voor den persoon van Hendrik Hofsink, zoon van Jan Hofsink en van Jennigjen Koerts, loteling voor de nationale militie ter dezer gemeente van de klasse van den lopenden jaare 1833, en hebbende bij de loting op heeden getrokken het dienstpligtig numero 28, een attest behoevende dat dezes broeder Reinhard Hofsink, loteling voor dezelve militie der dezer gemeente der klasse van den jaare 1832, die uit hoofde van te kleine gestalte ten vorigen jare voor een jaar door den Militieraad is vrijgesteld geworden, doch bij deszelfs 1e zitting op den 8e februari dezes jaars voor den dienst gedesigneerd, ten gevolge daaraan op den 1e dezer maand ter inlijving bij welgemelde militie aan Z.E. denheer Gouverneur der Provincie overgegeven zijnde en vermoedelijk bij de 7e afdeling infanterie is ingelijfd geworden. Zo verzoeke U mij met de post van aanstaande maandag een attest van werkelijken dienst deszelven Reinhard Hofsink, in overeenstemming met art. 28 der wet van den 27e april 1820, ingerigt naar het voorschrift van die van den 8e januari 1817, wel te willen doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 110  Heemse, den 20e maart 1833, brief aan den heer militiecommissaris in de provincie Overijssel, te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 44 der wet van de 27e april 1820 houdende wijzigingen in die van den 8e januari 1817 omtrend de inrigting der nationale militie, heb ik de eer bij deze aan U te overzenden de bewijzen tot vrijstelling van dienst voor Hendrik Jan Oldemeijer, Hendrik Hofsink, Hendrik Bakhuis, Gerhard Prins, Jan Hannink, Hermannus Welink, Albertus Warmink, Rudolf Waaijman, Jan de Wilde, Egbert Reints, Everhardus Hamberg, Lucas Slotman en Hermannus Zweers, lotelingen bij dezelve militie ter dezer gemeente van de ligting van den lopenden jaare 1833, gelijk meede den daartoe specteerenden inventaris op welken die bewijzen onder nr. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 zijn gevoerd. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 111  Heemse, den 20e maart 1833, brief aan den heer fungerenden agent van het domein te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 12e dezer, nr. 4548, heb ik de eer bij deze aan U te overzenden het bij dezelve gevraagde extract van het domein uit den kadastralen legger der eigendommen in de gemeente. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 112  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan Z.E. den heer president der provinciale commissie ter inzameling van bijdragen voor de verminkten en de nagelatene hulpbehoevende betrekkingen van de gesneuvelden der bezetting van Antwerpens citadel en de zeemagt op de Schelde, te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs daartoe strekkende dezer dagen bij mijn ontvangene invitatie, heb ik de eer U bij deze te informeeren, dat voor zoverre mij bewust of tot hiertoe heb kunnen te weeten bekoomen, zich van de ingezetenen dezer gemeente, gediend hebbende bij de bezetting van de citadelle van Antwerpen, ofte bij de Zeemagt op de Schelde,  niemand is verminkt of gesneuveld. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 113  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan den heer controleur ad interim der directe belastingen in de divisie Ommen, te Heemse:

Ik accuseere bij deze den ontvangst van het executoir verklaarde kohier van het patent-regt ter gemeente voor de vier eerste maanden dezes jaars 1833, begeleid geweest door Uw missive van den 21e dezer, nr. 115. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 114  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Janna Brinkman, weduwe van Willem Holtman, landbouwersche wonende te Brucht in de gemeente, wier eenige zoon en eenigst kind Gerrit Holtman onder het contingent der gemeente van 1830 als schutter is dienende in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, doch zich met twee-maandelijks verlof staande te expireren op het avond-appel van den 4e mei aanstaande; zederd den 10e dezer ten zijnent bevindende, in de omstandigheid verkeerende dat ter voortzetting van derzelver beroepsbestaan eene verlofs-verlenging van denzelven haaren zoon, voor den tijd van alnog 2 maanden is behoevende, zo hebbe ik de eer ten gevolge van deszelfs aanschrijving van den 8e dezer, 1e afd., nr. 1380/940, dartoe bij deze aan U te adresseeren de certificatie voorschreeven bij deszelfs missive van den 16e juni 1832, nr. 3167/2468. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 115  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Jan Willem Koning, onder het kontingent der gemeente van 1830, als schutter dienende in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij (dezelfde als begreepen bij Uw Excellentie’s aanschrijving aan mij van den 23e october 1832, nr. 6116, waartoe ten dezen eerbiedige relatie) bevind zich thans, na dat zijn vader Jan Koning, landbouwer te Bergentheim in de gemeente, daartoe zich op den 31e januari dezes jaars bij rekweste, den onderwerpe uitgemaakt hebbende van Uw Excellentie’s apostillaire dipositie van den 9e der vorige maand, nr. 755 en van mijn berigt en consideratien daaromtrend van den 13e aanvolgende, nr. 69, waartoe ten dezen meede gelijke relatie. Aan Z.M. den Koning gewend heeft gehad, wederom even als ten afgelopenen jaare ingevolge de dispositien van de Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur-generaal van Oorlog, zederd den 10e dezer met twee-maandelijks verlof, staande te expireren op den 4e mei eerstkomende, in de gemeente en de omstandigheden van den vader Jan Koning voormeld en van dezes gezin zodanig zijnde, dat er eene volstrekte noodzakelijkheid bestaat voor de verlofs-verlenging van denzelven zijnen zoon Jan Willem Koning, ter instandhouding van hun gemeenschappelijk beroeps-bestaan, zo heb ik gemeend, ofschoon mij tot hiertoe daaromtrend eene vernieuwde speciale aanschrijving van U is ontbrekende, mij bij dezen in het belang der betrokkenen tot U te mogen wenden, ten einde ook van den onderwerpelijken verlofganger eene nadere verlofs-verlenging te effectueeren, daartoe dan de vrijheid neemend bij deze aan U te adresseeren eene certificatie ingerigt naar het voorschrift bij voormelde aanschrijving van den 23e october des vorigen jaars. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 116  Heemse, den 25e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen daaromtrent bij deszelfs aanschrijving van den 4e april 1832, 1e afd., nr. 517, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deeze te informeeren dat tot en met heeden geene inschrijvingen ter secretarie der gemeente zijn gedaan in de daarbij bedoelde provinciale geldleeningen, ten behoeve van den straatweg van Zwolle over Heino, Raalte, Wierden, Almelo en Borne na Hengelo. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 117  Heemse, den 26e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer bij deeze aan Uwe Excellentie te adresseeren een dubbeld van het proces-verbaal van overgifte en ontvangst van het primitif kohier van het patentregt in de gemeente, over de vier eerste maanden des lopenden jaars 1833, aan en door den ontvanger der directe belastingen (ad interim) in dezelve, alsmeede een afschrift der daartoe betrekkelijke publicatie van het gemeentebestuur, door de respective kosters van Hardenbergh en Heemse, mitgaders den boode der gemeente, voor publicatie en affixie gecertificeerd. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 118  Heemse, den 29e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge en ter voldoening aan deszelfs aanschrijving van den 19e dezer, 1e afd., nr. 1569/1055, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deeze onderdanigst te informeeren. Dat, bij de bestaande bevolking der gemeente anno 1828 van 2238 zielen, alstoen, in overeenkomste der bepalingen bij art. 23 der wet van den 11e april 1827 (staatsblad nr. 17), derzelver contingent is bepaald geworden op 44 manschappen. Dat van deze 44 manschappen nu, krachtens voorzeiden wetsartikel, jaarlijks 1/5e gedeelte tot de reserve moetende overgaan, bij de niet deelbaarheid derzelve door een effen getal, voor dien overgang zijn aangewezen geworden anno 1829 acht, en voor de jaaren 1830, 1831, 1832 en 1833 telken negen manschappen; zo als dan ook de uitloting daaromtrent, ingevolge de bepalingen bij art. 2 van Zijner Majesteits Besluit van den 18e juli 1829 (staatsblad nr. 52) over de manschappen voorkomende op de bijzondere schutters-rol voor den jaar 1828 op den 11e augustus des eerstgedachten jaars heeft plaats gehad. Dat alzo nu anno 1830 (epoque der mobiliseering van de schutterijen) als het voorschreeven 1/5e van het gemeentelijk contingent voorzied, 9 manschappen tot de reserve overgingen, even als ook ten jaaren 1831 en 1832, om ook nog gelijken overgang ten lopenden jaare 1833 te doen plaats hebben. Dat intusschen bij de laatste algemeene volkstelling op het einde van het jaar 1829 zijnde komen te blijken, dat met 1e januari 1830 de gemeente bij accres eene bevolking had van 2523 zielen ook reeds voor dat jaar derzelven schutterlijk contingent is verhoogd geworden met zes – en alzo 50 manschappen is komen te bedragen, zo dat dan ook hetzelve, bij de alstoen ingevallene vorenbedoelde epoque der mobiliseering der schutterijen, voor dat jaar ten bedraage van 45 manschappen (blijvende een vijftal als gehuwd zijnde en kinderen of bewijslijk zwangere vrouwen hebbende van den uitmarsch verschoond) tegelijk met al de reserven (exempt een derzelve, zijnde inmiddels tot officier bij de schutterij benoemd) buiten en bovendien en alzo daaronder niet begrepen, naar de voor hetzelve bestemde verzamelplaats Deventer is uitgemarcheerd, en daarvan uithoofde van tijdelijke ziekte of andere in der tijd aangegevene oorzaken provisioneel achtergebleven (met naamen Gerrit Holtman, Frederik Brink, Gerrit Holleboom en Hendrik Regeling) vervolgens successive na derwaarts, of op het depot der 12e afdeling infanterie te Doesburg gedirigeerd of ten opvolgenden jaare 1831, ten gevolge der bepalingen bij art. 25 der wet voorschreeven, bij den uitmarsch van het vorenbedoelde 1/5e of aanvullings-contingent van dat jaar, behoorlijk aangevuld geworden, en ook na derzelver verzamelplaats Zwolle uitgemarcheerd zijnde. Dat wijders, zo als bij de vorige alinea reeds aangeroerd, ten jaare 1831 en ook verder ten jaare 1832 wederom telkens voor het 1/5e voorschreeven of het aanvullings-contingent der gemeente van die jaaren naar derzelver verzamelplaats Zwolle voormeld uitgemarcheerd afgeleverd zijn (om zulks eindelijk ook nog voor dezen jaare 1833 op denzelfden voet te zijner tijd te continueeren) negen manschappen, daaronder begrepen de ten laatstbedoelden jaare achtergeblevene naar buitenlands gewekene Hendrikus Hekman, die gebruik gemaakt hebbende van de gunstige bepalingen bij de wet van den 31e december des vorigen jaars (staatsblad nr. 67) op den 27e der vorige maand ten gevolge van Uw Excellentie’s aanschrijving van den 21e te voren, 1e afd., nr. 1043/713, door mij is gedirigeerd geworden op het depot der voorzeide 12e afdeeling infanterie en, ingevolge eener daarvan in dato den 5e dezer onder nr. 133 bij mij ontvangene kennisgeving van den heer commanderenden officier van hetzelve, dan ook reeds op dien dag bij dezelve was aangekomen. Dat middelerwijl ten jaaren 1831 en 1832 ook door deze gemeente, naar voorschrift bij voormelden 25e wetsartikel, de meergemelde 1/5e of jaarlijksche aanvullings-contingenten gesuppleerd geworden zijn met de manschappen, ingevolge hetzelve artikel, vereischt ter aanvulling van de inmiddels opengevallene schutters-plaatzen, voor zo verre derzelver vroegere bekleeders niet tot de reserve waren behorende, en dat alzo anno 1831 gelverd en gemarcheerd zijn 11 in plaats van 9, en anno 1832 12 in plaats van gelijke 9 manschappen; zijnde daarbij ten eerstbedoelden jaare 1 en ten laatstgemelden 4 manschappen van den uitmarsch, uithoofde, dat gehuwd zijnde, kinderen of bewijslijk zwangere vrouwen waaren hebbende, verschoond gebleeven en wezende het dan deeze manschappen, die vermeerderd met het voren aangehaalde, in dezelve cathegorie vallende, vijftal van 1830 thans en tot hiertoe de reserve-schutterplichtigen in de gemeente of den 2e en 3e ban der schutterij zijn daarstellende. Voegende ik voorts hierbij een dubbeld van eenen door mij expresselijk, meede in dato heden, opgemaakten aanwijzenden staat voor de mobiliseering ten jaare 1830 der schutterij in de gemeente, derzelver aanvulling, zo wegens den jaarlijkschen overgang van het 1/5e van derzelver anno 1828 bepaald contingent tot de reserve, als wegens de inmiddels (art. 25 der wet van den 11e april 1827, staatsblad nr. 17) opengevallene schuttersplaatsen, voor zo verre derzelver vorige bekleeders niet tot de reserve behoorden; en bevattende voorts onderscheidene bemerkingen de tijdelijke situatie der betrokkene schutterplichtigen raakende en bloot leggende de onderscheidene veranderingen in dezelve tot hiertoe voorgevallen, waarin Uwe Excellentie met een opslag van het oog zal kunnen zien wat ten dezen voor deze gemeente door mij is gedaan en hoe daaromtrent gehandeld zijnde dor mij den grond voor dezen staat gelegd geworden toen enkele wrevelige schutterplichtigen bij de leevering van het aanvullings-contingent van 1832 wilden beweeren, dat ik, in tegenstelling van andere gemeenten te veel deed en leverde en alzo hun boven de wet kwam te bezwaaren, en dezelve thans afgewerkt ten betooge (zo als ik vertrouwe) bij Uwe Excellentie dat de gemeente tot hier aan toe het verplichtte en niet te weinig (zo als door mijn heer de luitenant-kolonel, commanderende de 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij nu stond te beweren) voor den schutterlijken dienst geleverd hebbende. Verblijvende hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 119  Heemse, den 30e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

De op de bij Uwe Excellentie’s missive van den 23e dezer, 1e afd., nr. 1715/1152 gevoegde extract-staat vermelde schutter Lubbert Hamberg uit de gemeente, over zijnen hem verleenden verloftijd binnen dezelve hebbende blijven vertoeven is, bij de ontwaaring daarvan, door mij op den 21e der vorige maand gelast geworden onmiddellijk zijn korps te rejoigneeren, doch inmiddels, op zijnen marsch na hetzelve, te Ommen ziek geworden zijnde, heeft hij, volgens informatie, zich aldaar eenige weinige dagen moeten ophouden, en dienna zijnen bedoelden marsch voortgezet, zo dat zich reeds, volgens bij zijne ouders alhier van hem ontvangen schrijven, wederom bij zijn korps onder de wapenen is bevindende. Uwe Excellentie hiervan bij deeze informeerende, zo verblijve gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 120  Heemse, den 30e maart 1833, brief aan den heer ontvanger van het regt van successie enz. te Ommen:

Ten gevolge van Uwe missive van den … der vorige maand, retourneere U de daarbij in dato den 6e dezer gevoegde lijst der overledenen in de gemeente, van welker nalatenschappen nog geene memoriën van aangifte waren ingediend, mij gedragende tot het daarbij door mij in de kolom van aanmerkingen geinfereerde en onder toevoeging aan dezelve de certificaten van onvermogen en memoriën van aangifte respective bij dezelve vermeld. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 121  Heemse, den 31e maart 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Naar aanleiding van het gouvernementsbesluit van den 24e maart 1821, 1e div., nr. 1 (prov.blad nr. 26) heb ik de eer Uwe Excellentie bij deeze gehoorzaamst te informeeren dat in deeze maand ter zaake van contraventien wegens het niet gebruiken der nieuwe maten en gewigten geene proces-verbalen door de daartoe gelastte beambten zijn opgemaakt en aan de justitie verzonden; zijnde er tevens ook geene klagten bij mij ingekomen ter zaake van derzelver bestaande invoering. En hiermeede beveeld zich Uwe Excellentie gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 122  Heemse, den 1e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 11e juli 1817, 1e div., nr. 1 (prov.blad nr. 102) heb ik de eer uwe Excellentie hiermeede te berichten dat gedurende het afgelopene eerste kwartaal deezes jaars geene onvoorziene rampen bedoeld bij het gouvernementsbesluit van den 19e april 1917, 1e div., nr. 3 (prov.blad nr. 65) eenige ingezetenen deezer gemeente getroffen hebben. Waarmeede zich Uwe Excellentie eerbiedigst is aanbevelende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 123  Heemse, den 1e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

In overeenkomste van Uwe Excellentie’s besluit van den 9e mei 1831, 1e afd., nr. 695 (prov.blad nr. 78) voldoende aan het gouvernementsbesluit van den 13e juni 1821, nr. 485 (prov.blad nr. 49), zo heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze gehoorzaamst te informeeren dat van de nationale militie geen deserteurs ofte nalatige dienstplichtigen ter dezer gemeente zijn ontdekt geworden, behalven den persoon van Lambertus Schotkamp, zoon van Hendrik Schotkamp en van Hendrikje Lamberts Koster, loteling voor de voorzeide militie ter dezer gemeente van de klasse van 1832, hebbende bij de loting getrokken nr. 41, en dienende bij de depot compagnie van het regiment dragonders nr. 4, zederd den 21e januari l.l. van hetzelve te Zalt-Bommel vermist en ten gevolge der kennisgeving daaromtrent van den heer luitenant-kolonel, hetzelve depot commanderende, d.d. 23e aanvolgende, nr. 41, aan mij, door den dienaar van policie en veldwachter der gemeente op den 28e aanvolgende ten huize zijner voormelde betrekkingen in de gemeente gearresteerd en wezende ten dage aanvolgende, bij mijne missive aan den heer luitenant-kolonel, plaatselijken commandant der naastbijgelegene vesting Coevorden, van dien dag, nr. 46, onder geleide van denzelven dienaar van policie en veldwachter, ingevolge de bepalingen bij art. 7 van Zijne Majesteits Besluit van den 25e juni 1814, nr. 59a (staatsblad nr. 71) in staat van arrest na dezelve vesting opgezonden, en aldaar blijkens daaromtrent ter secretarie der gemeente berustend reçu, aan welgemelden plaatselijken commandant overgeleverd. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 124  Heemse, den 1e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Wel ontvangen hebbende Uwe Excellentie’s aanschrijving van den 7e februari en 25e maart laatstleden, 1e afd., nr. 658/495, met den daarbij gevoegden staat van bedelaars, gedurende de maand december te voren in de kolonie der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans opgenomen en ten laste van deze gemeente gebragt, voerende onder nr. 981 (van  het stamboek derzelve kolonie) Koop Koops Dol; nr. 805 Albert Bartus de Heer (kind van H. de Heer, nr. 789); nr. 789 Hendrik de Heer; nr. 817 Hendrik de Heer (kind van H. de Heer nr. 789); nr. 2462 Jan de Jager; nr. 2463 Hinke Pieters Rozema (vrouw van nr. 2462); nr. 2464 Pieter de Jager (kind van nr. 2462 en 2463); nr. 2465 Hendrik de Jager (ook kind van nr. 2462 en nr. 2463); nr. 2466 Anna de Jager (almeede kind van nr. 2462 en 2463) en nr. 2199 Asselina Hendrika Kuiper, weduwe van Joseph Vincent, - zo heb ik de eer, dientengevolge daaromtrent bij deze gehoorzaamst te berigten. Dat de onder nr. 981, 805, 789 en 817 vermelde persoonen van Koop Koops Dol, Albert Bartus de Heer, Hendrik de Heer (de vader) en Hendrik de Heer (de zoon) dezelfden zijn als bedoeld bij de missives van het bestuur dezer gemeente, mitsgaders van mij (7 mei 1832, nr. 262; 17 september 1832, nr. 439; 8 december 1832, nr. 566) aan Uwe Excellentie ten fine van reclame tegens de verplichtheid dezer gemeente tot derzelver onderhoud geadresseerd. Dat ook de onder nr. 2462, 2463, 2464, 2465 en 2466 genoemde persoonen van Jan de Jager, dezes vrouw Hinke Pieters Rozema, en dezer kinderen Pieter de Jager, Hendrik de Jager en Anna de Jager, dezelfden zijn als vermeld bij de missives van het bestuur dezer gemeente (9 mei 1832, nr. 263; 15 september 1832, nr. 436; 12 januari 1833, nr. 30) aan U ten einde als voormeld, ingezonden. Dat, wat nu de verder op den onderwerpelijken staat onder nr. 2199 van het stamboek der kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans, vermelde persone van Asselina Hendrika Kuiper, weduwe van Joseph Vincent betreft, ook deze in geenerlei opzichte met betrekking tot derzelver eigentlijk onderstandsdomicilie in aanraking ter deze gemeente kan komen, als zullende, volgens bekomene informatien van mijn heer den burgemeester der gemeente de Stad Hardenbergh, te wier laste dezelve vroeger door het Ministerie van Binnenlandsche Zaken is gekomen gebragt te worden, binnen dezelve Stad niet derzelver ouders Johannes Kuiper en Johanna ter Poorten geboren en op den 13e februari 1786 aldaar gedoopt geworden zijn, voorts tusschen 1782 en 1786 met voornoemde haare ouders van daar na Coevorden, provincie Drenthe, vertrokken, van waar de vader zich vervolgens in ’s Lands Dienst naar de kust van Guinea zoude hebben begeven, zijne vrouwe en kinderen te Coevorden voormeld in de Kerkstraat achterlatende; terwijl het dan ook aan Zijn Edel Achtbaare uit eene missive van Uwe Excellentie van den 29e october des vorigen jaars, 1e afd., nr. 6163/4303 zoude zijn gebleeken, dat de vader dezer bedelaarsche/koloniste in 1780 als predikant, naar de West-Indiën zoude zijn vertrokken, en dat zij dat jaar met haare moeder naar Coevorden zoude zijn gegaan en aldaar 8 jaaren gewoond hebben, zullende hare moeder toen hertrouwd zijn met zekeren Reinier Haveman, destijds battaillons-adjudant aldaar in guarnisoen, wezende zij voorts van Coevorden naar Arnhem vertrokken en  hebbende aldaar 4 jaaren verblijf gehouden; dat hare ouders vervolgens een gelijk getal jaaren te Harlingen zouden hebben gewoond, gedurende welke tijd haar stiefvader uit den dienst zoude zijn ontslagen en benoemd tot commis in de Graaf, alwaar zij 22 jaaren zouden hebben verblijf gehouden tot in het jaar 1818, wanneer na Sparrendam, alwaar hare moeder na verloop van een half jaar zoude zijn overleden, zoude zijn vertrokken; zullende zij koloniste voor 31 jaaren in Kleefsland gehuwd zijn met Joseph Vincent, geboren te Mindros bij St-Armand in Frankrijk, alwaar een half jaar zouden gewoond hebben, en van daar teruggekomen, bij haare ouders in de Graaf voormeld zouden zijn te huis geweest, verblijvende aldaar, bij dezer vertrek na Sparrendam voormeld, nog 8 jaaren, en zich vervolgens gedurende 7 jaren binnen Utrecht, alwaar haar man, die liquer-stooker van beroep was, zoude zijn overleden, zijnde gaan vestigen van waar eindelijk dan, na doode van haare man, die stad zoude hebben verlaaten om zich binnen Zwolle, alwaar dan tot aan de epoque haarer opzending naar de Ommerschans, gedurende 6 jaaren zoude hebben gewoond, te vestigen. Dat alzo de berichtgever ook in geenen deele deeze gemeente voor die van het eigentlijke onderstandsdomicilie der betrokkene A.H. Kuiper, weduwe J. Vincent, die zo verre bekend, nimmer in eenige betrekkelijke aanraking tot en met dezelve was, kan erkennen, maar ook ten haaren reguarde bij deze voor dezelve is reclameerende dezelve allezints ontheffende bepalingen der meergemelde wet van den 28e november 1818. Verblijvende hiermeede, - onder herhaalde aanbeveling in de protectie van Uwe Excellentie eener gemeente, die, ook bij verplichtheid of gehoudenheid ten dezen, als neen, waartoe dan ten dezen eerbiedige protestatie, na drie jaaren van mislukten oogst ten gevolge van inundatien en nacht-vorst (anno 1829, 1830 en 1831) buiten dien niet in staat zoude zijn de ten dezen gevorderde zwaare kosten te dragen. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 125  Heemse, den 2e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Naar aanleiding van art. 14 van het Koninglijk Besluit van den 18e april 1818 (staatsblad nr. 20) heb ik de eer bij deeze te berigten dat gedurende het afgelopene 1e kwartaal deezes jaars geene vaccinatien in de gemeente plaats gehad hebben; zijnde er echter ook geene spooren van natuurlijke kinderziekte ontdekt geworden. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 127  Heemse, den 2e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Ik heb de eer ingevolge het gouvernementsbesluit van den 17e maart 1819, nr. 171, bij deze te overzenden eene aanvrage om bewijs van voldoening aan de nationale militie, ten behoeve van Gerrit Jan Brink, met verzoek daaromtrent uwe excellentie’s certificatie te erlangen, leggende ter voldoening aan de bepalingen daaromtrent bij art. 50 der wet van den 27e april 1820, hierbij over zijn in dato den 15e maart 1822 hem als fuselier bij de 7e afdeling infanterie uithoofde van expiratie van dienst, verleende paspoort. Waarmeede zich uwe excellentie gehoorzaamst is aanbevelende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 128  Heemse, den 4e april 1833, brief aan Z.E. den heer ontvanger der rechten van successie en van overgang door overlijden in het ressort Ommen, te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari 1818 overzende ik U bij deeze de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene maand maart, voegende hierbij ingevolge besluiten van den heer gouverneur der provincie van den 14e januari en 7e maart des vorigen jaars, de certificaten van onvermogen, betrekkelijk de erfgenamen van Zwaantjen Arends, Fenne Beeldhouwer en Hermina Timmer, in de voorlaatste maand overleden en onder de dooden op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh; bij deszelfs absentie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 129  Heemse, den 5e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur der provincie Overijssel:

Ik heb de eer U bij deeze te overzenden eene aanvrage om bewijs van voldoening aan de nationale militie voor Gerrit Jan Wesselink te Heemse in de gemeente, ten einde na den ontvangst van Uw certificatie daaromtrent in ondertrouw te kunnen worden opgenomen. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 130  Heemse, den 6e april 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie deezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Hendrikjen Bekman, landbouwersche te Rheeze, echtgenote van Gerrit Jan Bril, landbouwer aldaar, hebbende minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 133  Heemse, den 8e april 1833, brief aan den raad van administratie van het korps mineurs en sappeurs, in garnisoen te Nijmegen:

Voor den persoon van Rudolf Waaijman, zoon van Asse Waaijman en van Aaltjen Jentingen, loteling voor de nationale militie ter dezer gemeente in de klasse van den lopenden jaare, een attest behoevende, dat Wijnand Vonke als nummerverwisselaar voor deszelfs broeder Lambert Waaijman, loteling voor dezelve militie in deeze gemeente, der klasse van den jaare 1831, nog werkelijk is dienende bij het battaillon mineurs en sappeurs, bij hetwelk na zijne inlijving als milicien bij de 7e afdeling infanterie is overgegaan, zo verzoeke U mij, zo spoedig mogelijk (vermits hetzelve voor den 18e dezer door mij aan den militieraad in deze provincie moet ingezonden worden) zodanig attest, in overeenstemming met art 28 der wet van den 8e januari 1817, te doen toekomen, kunnende vermits zich bij zijn korps is bevindende, zijn nr. op het stamboek niet opgeven. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, provincie Overijssel.

Nr. 134  Heemse, den 9e april 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie deezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Zwaantjen Nootveld, landbouwersche te Bergentheim, weduwe van wijlen Jan Noodveld, in leven landbouwer aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 135  Heemse, den 10e april 1833, brief aan Z.E. den heer gouverneur der provincie Overijssel:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 4e dezer, 1e afd., nr. 1920 in mijne handen ten fine van berigt en consideratien te stellen de door Jannes Valkman ter Steede Hardenbergh bij plaatsvervanging voor Gerhardus Gerrits uit deze gemeente, loteling voor de nationale militie van de klasse van 1826, hebbende bij de loting getrokken nr. 9, dienende bij de 2e compagnie van het 1e battaillon der 7e afdeeling infanterie, in dato den 28e der vorige maand aan Uwe Excellentie gepresenteerde rekweste, zo heb ik de eer na vooraf volgens Uwe Excellentie’s uitgedrukt verlangen, de wet daaromtrent het zegel te hebben doen in acht nemen, door aan dezelve hierbij teruggaande rekweste een duplicaat op zegel daarop te doen toevoegen, daartoe bij deze, na den beklaagden Albert Kromhof, de stiefvader van den voormelden Gerhardus Gerrits, ten dezen te hebben gehoord, - te doen dienen. Dat de omstandigheid van den voortdurenden dienst des rekwestrants niet van den beklaagden, ofte zijne meergemelde stiefzoon is afhangende, maar van de bekende betrekkingen des rijks, wezende voorts gegrond in de bepalingen daaromtrent zo bij de wet van den 8e januari 1817 als bij art. 8 en volgende derzelve. Dat de beklaagde niet alleen sustineerd aan alle zijne verplichtingen omtrent den rekwestrant, ten gevolge der tusschen hun ter zaake der onderwerpelijke plaatsvervanging, bestaande overeenkomste voldaan te hebben, maar zelfs meer, door de praestatie zederd op onderscheidene tijden aan des rekwestrants bij de rekweste bedoelde (zogenaamde) huisvrouwe van onderscheidene veldproducten, zijner gaarden en akker hebbende komen op te leveren. Dat intusschen de beklaagde, ook naar aanleiding van art. 97 der voormelde wet van den 8e januari 1817, zich ten dezen in geenen deele nimmer tot zodane praestatien ofte eenige anderen gehouden heeft geacht en ook alnog niet verplicht oordeeld, als hebbende de rekwestrant te zijner tijd in eenen ongehuwden en hinderloozen staat als plaatsvervanger voor zijnen bedoelden stiefzoon geëngageerd, wezende het bij de rekweste bedoelde kindjen althans langen tijd en jaaren daarna geboren en hij te eerst met de moeder van hetzelve op den 4e dezer ter Steede Hardenbergh is gehuwd. Dat de berichtgever, ofschoon oordeelende, dat al weinig te zeggen zij tegens de argumenten ten dezen door den beklaagden aangevoerd, echter daarbij ook de situatie van den rekwestrant, uit zijne voortdurende dienst gehoudendheid, voortvloeiende, niet vermeend geheel en al te kunnen of te mogen passeeren en alzo voor dezen wenschen zoude, dat er termen bij de wet bestonden tot aanspraak op schadelooshouding voor denzelven ofte immers dat de beklaagde daartoe in billijkheid en alzo in evenredigheid der bij contract vermelde stipulatiën voor eenen veronderstelden diensttijd van ongeveer 6 jaaren van wegens hoogere authoriteit konde worden gepromoveerd; daartoe dan Uwe Excellentie meede ten fine van de gevraagde consideratiën ten dezen, voorstellende om den beklaagden voor zich binnen Zwolle te ontbieden en aldaar deszelfs hoogeren invloed op hem ten gunste van den rekwestrant en der (actuele) zijnen, als zijnde ja waarlijk eerst op den 4e dezer gehuwd, te doen dienstbaar zijn. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 136  Heemse, den 10e april 1833, brief aan den heer burgemeester der gemeente het Ambt Ommen, te Ommen:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen twee exemplaren van een notificatie de dato heden van burgemeester en assessoren der gemeente, betrekkelijk de voorjaars-opruiming en schouwe der waterleiding in derzelver, met uitnodiging om, in betrekking tot de beide daarbij voorkomende waterleiding van den Sibculoër Dijk en van den Hessenweg, dezelve ook, op de daarbij bedoelde zondagen, ter gewoone plaatsen en op de gebruikelijke wijze in Uwe gemeente te doen publiceren en affigeeren. Voort U ten einde bij de schouwingen te adsisteeren als schouwdag voor de eerstgemelde waterleiding proponeerende donderdag den 23e mei eerstkomende en voor de laatstgenoemde vrijdag den 24e aanvolgende, des voordemiddags ten 9 uren, beginnende aan derzelver respective bekende uitwateringen in de rivier de Vecht. Verzoekende bij deze Uw goedkeuring de rescriptie met de verzekering van den ontvangst ten bedoelden einde der betrekkelijke notificatie. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 137  Heemse, den 10e april 1833, brief aan den heer burgemeester der gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden twee exemplaren van een notificatie de dato heden van burgemeester en assessoren der gemeente, betrekkelijk de voorjaars-opruiming en schouwe der waterleiding in derzelver, met uitnodiging om, in betrekking tot de beide daarbij voorkomende waterleiding de Reest-A, dezelve ook op de daarbij bedoelde zondagen, ter gewone plaatsen en op de gebruikelijke wijze in Uwe gemeente te doen publiceren en affigeeren. Voort U ten einde bij de schouwingen te adsisteeren als schouwdag voor de onderwerpelijke waterleiding proponeerende vrijdag den 24e mei aanstaande, des voordemiddags ten 10 uren, beginnende aan het punct waar dezelve deze gemeente is verlatende en tusschen Uwe gemeente en die van het Ambt Ommen derzelver loop vervolgende. Verzoekende bij deze Uw goedkeuring de rescriptie met de verzekering van den ontvangst ten bedoelden einde der betrekkelijke notificatie. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

 

Nr. 138  Heemse, den 10e april 1833, brief aan den heer burgemeester der gemeente Avereest, te Avereest:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen twee exemplaren van een notificatie de dato heden van burgemeester en assessoren der gemeente, betrekkelijk de voorjaars-opruiming en schouwe der waterleiding in derzelver, met uitnodiging om, in betrekking tot de beide daarbij voorkomende waterleidingen de Reest-A en den Ondersloot ter wijk, buurtschap of marke Rheeze, dezelve ook op de daarbij bedoelde zondagen, ter gewone plaatsen en op de gebruikelijke wijze in Uwe gemeente te doen publiceren en affigeeren. Verzoekende bij deze Uw goedkeuring de rescriptie met de verzekering van den ontvangst ten bedoelden einde der betrekkelijke notificatie. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 139  Heemse, den 11e april 1833, brief aan den heer militiecommissaris in de provincie Overijssel, te Zwolle:

De bij billet in dato den 8e dezer door deszelfs secretaris namens U mij teruggezondene alfabetische lijst voor de nationale militie in de gemeente, heb ik wel ontvangen en de eer daarvan denzelven ontvangst te accuseeren. U verzoekende mij wel enigzints te willen inlichten nopens de omstandigheid, dat door de militieraad ter deszelfs vorige aan de zich uit de gemeente voor denzelven gevisteerd hebbende lotelingen zouden zijn kenbaar gemaakt, dat slechts een tweetal hunner dit jaar zoude behoeven te marcheeren, in plaats van een viertal, uitmakende met de zes ter deszelfs 1e loting uit de ligtingen van vorige jaaren daartoe gedesigneerden, het tientallige contingent des gemeente geadsigneerd bij besluit van heeren Gedeputeerde Staten der provincie van den 6e februari l.l., 1e afd., nr. 251/170 (prov.blad nr. 17). Aan de juistheid der omstandigheid dan voorschreven, uithoofde der stellige bepalingen bij voorschreven besluit, twijfelende, zal het mij aangenaam zijn ten dezen te worden ingelicht, ter casu quo nodige contrariëering van de onbezorgdheid deswegens bij sommige lotelingen omtrend hunne plaatsvervanging heerschende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 140  Heemse, den 11e april 1833, brief aan den heer luitenant-kolonel, commanderende de 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij in het 5e district der provincie Zeeland, te Axel:

Tot hiertoe mij deszelfs antwoord ontbreekende op mijn missive aan U van den 8e der vorige maand, nr. 104, in relatie tot den op den 31e december l.l. uit den schutterlijken dienst bij de 5e compagnie van het 2e battaillon der door U gecommandeerd wordende 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij ontslagenen Albert van den Kamp uit de gemeente, zo is deeze dienende ter nadere besollicitering van hetzelve, in het belang zijner bij dezelve mijne missive meede vermelden broeders Jan Hermen van der Kamp, thans tot den milicie-dienst geroepen, uithoofde in des eerstgenoemden bedoelde ontslag niet vermeld werd gevonden, dat dezes daarbij aangevoerde ligchaams-gebreeken en daaruit voortvloeijende ongeschiktheid voor den dienst door hem in of gedurende denzelven zouden zijn bekomen, inploreerende andermaal, tot stuur der waarheid daaromtrent, Uw nadere certificatie, ten einde daarop voor voornoemden Jan Herman van den Kamp, het rechtmatig ontslag uit welgemelden militie-dienst ter gehorige plaats en bij de bevoegde authoriteit te kunnen provoceeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 141  Heemse, den 12e april 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

In overeenkomste der bepalingen bij art. 42 van het reglement op het bestuur ten plattenlande der provincie, vastgesteld bij Zijner Majesteits besluit van den 23e juli 1825, nr. 152, en ingevolge de deliberaties van den raad dezer gemeente van den 15e en 26e der vorige maand, waarvan ook extracten hierbij, hebben wij de ere bij deze ter tafel van U ten fine van approbatie (waarom dan namens den raad voormeld eerbiedigst zijn verzoekende) in te zenden het proces-verbaal der op gisteren bij ons gehoudene openbare aanbesteding eener nieuwe school ter buurtschap Radewijk in de gemeente, waartoe de fondsen indertijd zijn voorgedragen en toegestaan geworden op de respective staaten van begrooting in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente over de diensten van de jaaren 1832 en 1833. Hetzelve proces-verbaal het bestek en de conditiën voor de onderwerpelijke aanbesteding bevattende, zo hebben tevens de eer ons daaromtrent daartoe en tot de bijgevoegde plattegronds-teekening van het schoolgebouw zelve, bij deze te gedragen, voegende alleen dan nog hierbij de afschrift der consideratoire missive ten dezen van mijn heer den schoolopziener van het 5e district dezer provincie, waartoe deze gemeente behoord, d.d. 24e der vorige maand, waaraan het gevolg is gegeven geworden, als uit de voormelde extract-deliberatiën van den raad der gemeente te erzien. Wij emploreeren nu ten dezen, gemerkt den gunstigen afloop der aanbesteeding en de omstandigheid dat door het thans plaats vindend wassend water op de rivier de Vecht den aannemer nog eene gunstige gelegendheid zal geboren zijn voor den aanvoer der bouwmaterialen langs dezelve (welke gelegenheid wij ons allezints overtuigd houden de aannemer voor zijne schadelooshouding te behoeven), ten dezen U spoedigst approbatoir-besluit en beveelen ons hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester en assessoren der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor en loco-secretaris.

Nr. 142  Heemse, den 12e april 1833, brief aan den heer president van den militie-raad in Overijssel, ter deszelfs 3e zitting vergaderd binnen Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs apostillaire dispositie van den 5e dezer, heb ik de eer U onder retour derzelve en der daaraan geannecteerde stukken bij deze te overzenden het daarbij gerequireerde attest van activiteit van dienst bij het korps mineurs en sappeurs van Wijnand Vonke, bij nummerverwisseling primitief in dienst getreeden bij de 7e afdeeling infanterie voor Lambert Waaijman uit de gemeente, loteling voor de nationale militie van de klasse van 1831, hebbende bij de loting getrokken nr. 31, doch op den 8e april van dat jaar, na zijne indeeling bij voorzeide afdeeling, door mijn heer de provincialen commandant nader gedesigneerd om over te gaan bij het korps voorschreeven, ten gevolge eener authorisatie van het Departement van Oorlog, van den 5e te voren, nr. 25.

Nr. 143  Heemse, den 12e april 1833, brief aan den heer Officier bij den Regtbank te Deventer:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen het door mij op gisteren opgemaakt proces-verbaal ter zaake van eenen in den nacht tevoren gepleegden diefstal in de gemeente ten huize van den veenbaas Anthoni van Doorn, wonende onder de buurtschap of marke Rheeze aan de Dedemsvaart, verzeld van uitwendige braak, waaromtrent de omstandigheden, bij mijne indispositie dan ook nog ten zelfden dage in loco hebbe doen naspooren door heeren assessoren bij het bestuur dezer gemeente, en door deze, in overeenkomste met het des bij het proces-verbaal aangegevene, zijn bevonden geworden, zo als te erzien uit derzelver certificatie daaromtrent aan den voet van hetzelve, - en wezende voorts door dezelfde heeren bij gelegendheid dier naspooring ook niets verder omtrent de dader of de daders van het feit ontwaard geworden. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 144  Heemse, den 12e april 1833, brief aan de heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

In den nacht van den 10e op de 11e deezer tenhuize van Antoni van Doorn, veenbaas onder Rheezerveen aan de Dedemsvaart in de gemeente, eenen diefstal gepleegd geworden zijnde, verzeld van uitwendige braak, zo heb ik de eer ter voldoening aan art. 85 van het reglement op het bestuur ten plattenlande dezer provincie, U daarvan bij deeze te informeeren door overzending van een afschrift van het daaromtrent op gisteren bij mij opgemaakte en overeenkomstig de bepalingen, aan mijn heer den Officier bij de Regtbank te Deventer ingezonden proces-verbaal. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 145  Heemse, den 13e april 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge der daartoe door den raad dezer gemeente bij deszelfs deliberatiën van den 26e der vorige maand op mij verstrekte kwalificatie heb ik de eer bij deze ter tafel van U in te zenden een extract uit dezelve deliberatiën, gemunieerd met eene in dato den 21e te voren aan denzelven gepresenteerde rekweste (het onderwerp derzelve extract-deliberatiën uitmakende) van Derk Jan Jansen, dienaar van policie en veldwachter dezer gemeente, houdende, bij de onmogelijkheid om met zijn talrijk gezin van zijn bestaand tractement van f. 156,- jaarlijks te kunnen blijven leeven en tevens eene jaarlijksche huis- en gaardenhuur ad f. 30,- te bestrijden, verzoek om voorziening in zijne behoefte ter kwijting derzelve huur, aanvang genomen hebbende met 1e mei des afgelopenen jaars; - en op welke rekweste de raad vermeend hebbende niet zonder Uw aveu te mogen disponeeren invoegen bij dezelve extract-deliberatie gewenscht, nodig en billijk geoordeeld, zo is deeze dan dienende om daartoe namens den raad Uw authorisatie te imploreeren zo wel, als tot het gebruik daartoe voor de jaaren 1832 en 1833 van de nodige gelden uit de daarbij afgegevene respecten der staaten van begrooting in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente over dezelve jaaren respective. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 146  Heemse, den 15e april 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer bij deeze aan U te doen toekomen een dubbeld van het proces-verbaal van overgifte en ontvangst van het eerste suppletoir kohier der personeele belasting van den lopenden jaare 1833 ter dezer gemeente aan en door den ontvanger (ad interim) der directe belastingen in dezelve, als meede een afschrift mijner afkondiging daartoe betrekkelijk, door de respective kosters van Hardenbergh en Heemse, mitsgaders den boode der gemeente voor publicatie en affixie gecertificeerd. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 149  Heemse, den 15e april 1833, brief aan de heeren L. Bosch en H. Wineke, praedikanten bij de hervormden te Hardenbergh en Heemse respective:

Ten gevolge van een bij mij ontvangen besluit van Zijne Eminentie den heer Gouverneur der Provincie d.d. 4e dezer, 1e afd., nr. 1378-1944/1328 (provinciaal blad nr. 41) doe ik U bij deze en ten einde als daarbij, ieder een exemplaar toekomen van dat van Zijne Majesteit van den 25e der vorige maand, betreffende den gezegenden staat van Hare Koninklijke Hoogheid de princes Frederik der Nederlanden en de daarbij bevolene openbaare voorbiddingen deswegens. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 150  Heemse, den 13e april 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het gouvernementsbesluit van den 12e juli 1827 heb ik de eer U bij dezen te berigten dat zich geene jongelingen (miliciens van de ligting van dit jaar) ter dezer gemeente bevinden, welke, kwekelingen op ’s Rijks veeartsenijschool te Utrecht of wel, aldaar hunne studiën volbragt hebbende door het gouvernement als vhee-artsen erkend zijnde, in de termen vallen om ten gevolge van hun laag nummer in mindering van het contingent der gemeente bij de nationale militie te moeten worden ingelijfd en alzo aanspraak hebben op het faveur van onbepaald verlof ter vrijstelling van de najaars exercitiën, ten gevolge van Z.M. besluiten d.d. 25e juli 1823 en 12e mei 1827. Verblijvende hiermede eerbiedigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 152  Heemse, den 17e april 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1828 diend deze ter informatie dat op gisteren ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Herm Suhr, vreemd arbeider te Rheezerveen, echtgenoot van Sophia Tellejans te Latbergen in de Graafschap Tecklenburgh, Koningrijk Pruisen, hebbende minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 153  Heemse, den 17e april 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli 1828 diend deze ter informatie dat op gisteren ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Albert Jonkeren, zonder beroep te Collendoorn, zoontje van Albert Jonkeren en vrouwe Aaltjen Stoevebelt aldaar; hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 154  Heemse, den 18e april 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge der door den raad dezer gemeente bij deszelfs deliberatiën van gisteren op mij verstrekte kwalificatie heb ik de eer bij deze ter tafel van U te adresseeren een extract uit dezelve blootleggende deszelfs opinie en verlangen ten gevolge van Uw besluit van den 9e dezer, 1e afd., nr. 710/481 nopens de daarbij voorgesteld wordende heffing van opcenten op den rijks-accijns op het gemaal, en plaatselijke belasting op het van elders ingevoerde. Mij hiertoe gedragende, zo verblijve hiermede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 156  Heemse, den 18e april 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 11e dezer nr. 2135 in mijne handen ten fine van berigt en consideratien te stellen, eene in dato den 6e bevorens door Berend Schutte, landbouwer, wonende aan de Veenebrugge in de gemeente, aan U gepraesenteerde rekweste, houdende klagten over den pachter van het dominiale veer ter Ruinen of Oelen te Heemse in de gemeente, zo hebbe de eer daartoe bij deze, onder retour derzelve rekweste te doen dienen. Dat de bedoelde zogenaamde Veenebrugge in de gemeente van alle tijden en tot op het moment der inlijving van het Koningrijk Holland in het Fransche Keizerrijk onder het voormalig kerspel of schoutambt Hardenbergh tot en onder derzelver buurtschap Brucht heeft behoord, en eerst zederd de herstelling der onafhankelijkheid van Nederland onder deze gemeente (edoch nog in alle gevallen zonder uitzondering) als een eigen gehucht is beginnen beschouwd en aangemerkt te worden. Dat alzo bij het vanouds bestaande tarief voor den onderwerpelijken tol, laatstelijk geinhaereerd bij deszelfs laatste en nog durende verpachting, op den 19e maart des vorigen jaars vanwegen het amortisatie-syndicaat ten verzoeke van mijn heer den fungerenden agent der domeinen, wegen, vaarten etc. in de provincie, en ten overstaan van mijn heer den burgemeester der Stad Hardenbergh (die mij het proces-verbaal daaraf ten dezen wel heeft willen laaten inzien) geëffectueerd, onder anderen gezegd en geleezen wordende ‘De boeren in Brucht, Bergentheim, Anevelde, Holthone en den Velde, wagen en paarden houdende, geven over het andere jaar twee gast rogge, alsmeede die van Aane’, het alzo van zelven spreekt dat de pachter van het onderwerpelijke veer, Evert van Munster ter Steede Hardenbergh, den klager komt te bezwaaren als van hem even als van eenen vreemden of der gemeente uitheemschen, telkens als hetzelve veer met zijn voertuig komt te passeeren, deswegen tien cents vorderd. Dat alzo de berigtgever de vrijheid neemd U bij deze in eerbiedige consederatie te moeten geven, om van deze omstandigheid mijn heer den fungerenden agent voornoemd te informeeren en door dezen den onderwerpelijken pachter te doen aanschrijven om zich voortaan ten dezen van alle verdere baatzuchtige en allezints onbevoegde handelwijze te onthouden; restituerende van den klager het tot hiertoe te veel en boven het tarief voorschreeven van denzelven gevorderde en genotene. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 157  Heemse, den 18e  april 1833, brief aan de heer Majoor (baron van Heeckeren tot Walien), commanderende het 28e battaillon der reserve schutterij, in guarnisoen te Zwolle:

Ten gevolge der bepalingen bij besluit van den heer Gouverneur der provincie van den 10e dezer, betreffende het in functie treden van U als commanderenden officier van het 28e battaillon reserve schutterij, heb ik de eer U bij deze te informeren dat zederd de laatstelijk op den 7e december des vorigen jaars bij mij, ter voldoening aan het besluit van den 21e november te voren, opgezonden staat, geene mutatiën bij de reserve schutterij ter dezer gemeente hebben plaats geha. Voegende ik een afschrift van den vorenbedoelde staat hierbij met de bemerking dat het daarop voorkomend 10 tallige personeel was en alzo nog blijft te zamengesteld door de persoonen van: Frederik Hansman, Willem Olsman, Gerrit Hakkers, Egbert Rechtuit, Hendrik Kampman, Klaas Nijeboer, Gerrit Jan Bossink, Gerrit Jan Bekman, Jan Pullen en Jan Bouwhuis, omtrend welke het mij uit eene missive van de Gouverneur der provincie van den 3e dezer, nr. 1286 is gebleeken dat tot korporaals zijn gedesigneerd geworden de persoonen van Gerrit Hakkers en Egbert Rechtuit. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 158  Heemse, den 18e april 1833, brief aan de Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het besluit van heeren Gedeputeerde Staaten der Provincie van den 8e februari 1832, heb ik de eer bij deeze aan U te overzenden een afschrift van het proces-verbaal van opneming der kas van den ontvanger der gemeente door mij en heeren assessoren bewerkstelligd. Verblijvende hiermede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 159  Heemse, den 19e april 1833, brief aan den heer ontvanger der registratie etc., te Ommen:

Ten gevolge van deszelfs invitatie bij missive van den 13e dezer, nr. 423, heb ik de eer U bij deze te informeeren dat de daarbij bedoelde ontvangers van ’s Rijks belastngen Egbert Jannes Hoijkens te Nieuwwolda (provincie Groningen) en Jan Fontain P.Z. te Nijkerk (provincie Vriesland) geene vaste goederen ter dezer gemeente zijn bezittende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 160  Heemse, den 19e april 1833, brief aan heeren Gedeputeerde Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van derzelver besluit van den 3e dezer, heb ik de eer U bij dezen te informeeren dat zederd den ontvangst van het besluit van den tijdelijken heer Gouverneur der provincie van den 25e october 1824, nr. 3 (prov.blad nr. 110) betrekkelijk het begraven van overledene personen, eerder dan 36 uren na het overlijden, bij den burgerlijken stand ter dezer gemeente voor algemeene cynosure met uitzondering van de gevallen van overlidjen ten gevolge van geneeskundig erkende besmettelijke of aansteekende ziektens, is aangenomen geworden om geene consenten tot begraving vor na hetzelve tijd-verloop hoegenaamd af te geven en mits dien ook niet aan de belijders van den Israëlitischen godsdienst voor de lijken hunner geloofsgenoten. Dat ook de Israëlieten in de gemeente geene de minste zwarigheid hebben gemaakt de opgemelde alzo aangenomene cynosure op te volgen of zich daaraan wederstreevend betoond, en dat alzo dezelve geentzints te rangschikken voorkomen on der die geene hunner geloofsbelijderen, die, naar den inhoud van Uw besluit voorschreeven, op de daarbij vermelde wijze zoeken te wederstreeven aan de verordening omtrend het begraven hunner lijken vastgesteld bij alle de kerk-reglementen, ten gevolge van art. 23, litt i van Zijner Majesteits besluit van den 12e juni 1814, nr. 58, houdende organieke bepalingen nopens het Israëlitisch kerkgenootschap, en in overeenstemming met art. 77 van het nog vigerend burgerlijk wetboek. Dat men alzo voor deze gemeente geene zwarigheid ziet om gevolg te geven aan het voorstel ten dezen bij Uw onderwerpelijk besluit voormeld van de hoofd-commissie tot de zaken der Israëlieten ter bepaaling ‘dat de ambtenaren van den burgerlijken stand geen verlof tot eene vroegere begraaving dan 24 uren na het overlijden zullen mogen verleenen, dan op eene verklaring van een geneesheer, waarbij dezelve op den eed bij den aanvang van zijn beroep afgelegd, betuigd dat de onverwijlde ter aarde bestelling van het lijk, in het belang der maatschappij, en uithoofde van den aard der ziekte (welke hij zal moeten opgeven) gebiedend vereischt wordt, en alzoo de vertraaging nadeelig zoude zijn voor de gezondheid der ingezetenen’. En derhalven, meend dezerzijdsch verlangde consideratiën en advies daarhenen te moeten doen strekken. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 161  Heemse, den 19e april 1833, brief aan de Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Voldoende aan de gouvernementsbesluiten van den 15e februari 1819 en van den 19e februari 1820, zo heb ik de eer bij deze aan U ten einde als bij dezelve besluiten, te overzenden een extract uit de registers van den burgerlijken staat dezer gemeente, betrekkelijk de aangifte op den 16e dezer van het binnen dezelve voorgevallen overlijden van zekeren Herm Suhr, echtgenoot van Sophia Tellejans, landbouwer te Latbergen in het Graafschap Tecklenburgh des Koningrijks Pruissen, zich voor den veenarbeid na deze gemeente begeven hebbende; zijnde de begraving van het lijk deszelven op de grafplaats te Heemse bewerkstelligd door en ten koste van eenige zijner ook in de gemeente zich bevindende landgenooten, waaronder des overledenes zoon Herm Suhr jr. en aan dezen laatsten door mij gedaan ter hand stellen de bij den overledenen bevondene goederen, in diverse kledingstukken en eenige mondbehoeften bestaan hebbende. Verblijvende hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 162  Heemse, den 20e april 1833, brief aan heeren Gedeputeerde Staten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van derzelver besluit van den 17e dezer, het hierbij gaande suppletoir of nader contract met A. Koeslag ter Steede Hardenbergh, aannemer der nieuw te bouwen school te Radewijk in de gemeente, aangegaan hebbende, door welkers executie wij vertrouwen in allen opzichte aan derzelver intentie voor de meerdere verluchtiging van het gebouw te zullen worden voldaan, zo hebben wij de eer hetzelve, tevens met onze proces-verbaal wegens den onderwerpelijken aanbouw van den 11e dezer, het bestek en conditien daarop bevattende, en de daartoe specteerende plattegronds-teekening, bij deze ter tafel van U, ten fine van approbatie (waarom dan andermaal bij deeze eerbiedigst verzoekende) in te zenden. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 163  Heemse, den 20e april 1833, brief aan de Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

In den loop van den jaare 1830 zich ter dezer gemeente ten gehuchte Slagharen (eene kolonisatie in de nabijheid van en omtrend de Dedemsvaart) in de marke van Lutten zijnde komende te vestigen (Uwe Excellentie gelieve ten dezen in te zien de missive van den heer burgemeester der gemeente aan mijn heer den waarnemenden gouverneur der provincie van den 6e januari 1831, waartoe ten dezen eerbiedige relatie) uit Rutenbrock ten Ambte Meppen (voormalig Munsterland) van het Koningrijk Hanover, het huisgezin van Frans Bouck (bij voormelde missive Buck) hebbende alstoen 6 (vier mannelijke en twee vrouwelijke) zielen, wier getal door de geboorte aldaar op den 12e april 1832 uit Engelina Aleida Oosterman, huisvrouwe van denzelven Frans Bouck, van drie kinderen (een van het mannelijk en twee van het vrouwelijk geslacht) tot 9 is vermeerderd geworden, - en deze Frans Bouck in het laatst van den afelopenen jaare ongesteld geworden en ten gevolge dier ongesteldheid (van tijd tot tijd zich herhaalende aanvallen van epilepsie) op den 10e der vorige maand overleden, zo hebben wij niet alleen, onder en gedurende dezelve zijne ziekte, op aanzoek der voormelde zijne huisvrouwe gesterkt door de verzekeringen van den heer B.L. Nijentap, Rooms-Catholiek pastor aan de gezegde Dedemsvaart onder den Ambte Ommen, omtrend de behoefte van hun en hun gezin, geene zwarigheid gemaakt hun voor derzelver beter bestaan eene weekelijksche ondersteuning in natura, heen ter tijd het meer gevorderde voorjaar aan den man de gelegendheid voor verdiensten in den turf-arbeid zoude hebben verschaft te doen toekomen uit het respect van kosten van onderstand van onderscheidenen aard aan behoeftige ingezetenen niet tot de ledematen van eenig godsdienstig genootschap in de gemeente gehorende of ook vreemden zich toevallig in de gemeente bevindende, op den staat van begroting in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente, en zulks ofschoon door hun tot hiertoe geen cent ter schraaging van derzelver finantien waare bijgedragen, als hebbende niets van de hun in dezleve inmiddels afgelegde lasten, komen te kwijten – maar ook deze ondersteuning gemerkt het overlijden van den opgemelden vader des huisgezins, tot hiertoe doen voortduren tevens de intentie koesterende om ook, onder dezelve ongelukkige omstandigheden, daarmeede te continueren, tot aan de epoque dat de ten velde staande of noch te brengene vruchten van dit gezin dezelve onnodig zoude komen te maken; der moeder steeds recommanderende alles te doen en den meest mogelijken vlijt aan te wenden om derzelver bezittingen waaronder althans nog twee stuks koebeesten voor zich en haare kinderen bij elkanderen te houden in de hoop op gunstiger uitzicht het zij ter plaatse van derzelver actueel verblijf of dat van derzelver voormalig buitenlandsche, waar na toe wij haar aanrieden bij haare familie met derzelver kinderen te retourneeren en daartoe ook de hulp en de medewerking van welgemelden heer P.L. Nijentap, derzelver geloofs- en godsdienstleeraar, te imploreeren, haar dan tevens ten gevolge van het besluit van de heeren Gedeputeerde Staaten der provincie van den 20e februari dezes jaars, bekend maakende dat aan hen onlangs uit de provinciale kas eenige fondsen waaren verstrekt ter zo veel mogelijke temporaire voorziening in de behoeften der ingezetenen dezer gemeente, en die van de ambten Ommen en Avereest, aan en omtrend de Dedemsvaart bij het aldaar, ten gevolge van het saisoen, bestaand tijdelijk gebrek aan werk en verdiensten, zullende het in het bijzonder gemerkt derzelver bijzondere en allezints nu te erkennene behoeften aan haar ofschoon dan ook volgens haar zeggen, door dien heer van tijd tot tijd al met f. 4,- of f. 5,- begiftigd, vrijstaan denzelven ten dezen van tijd tot tijd te adieren, meede als de directie hebbende over de diaconie- of armenfondsen zijnes kerkgenootschaps aan de meergenoemde vaart, waarvan toch met derzelven gezin leeden waaren, en daartoe ook gewisselijk in der tijd het hunne hebben bijgedragen en alzo door die bijdragen, even als ten gevolge van het leerstellige van iederen christelijken godsdienst, rechtmatige aanspraak waaren hebbende. De uiterlijke houding der vrouwe nu weduwe, en derzelver gesprekken (waarbij dan steeds derzelver verlangen te kennen gaf om haare bezittingen alhier zonder schaade te kunnen te gelde maken en met derzelver product na Rutenbrock voormeld in hanover met de haaren terug te keeren) opmerkzaam gadeslaande, zo voedden wij het vertrouwen dat aan onze aanmaningen voormeld zoude gehoor geven en dezelve bevolgen; haar toezeggende onze temporaire ondersteuning in natura aan haar en haare kinderen provisioneel te zullen blijven volhouden. Dan ons in dit vertrouwen nu geheel en al voorziende teleurgesteld te zullen worden door de omstandigheid, dat de bedoelde vrouwe zich voor weinige dagen bij mijn heer den burgemeester der gemeente is komen te vervoegen in gezelschap van zekeren zich noemende Otto Vinke (Finkers) uit Groningen, zeggende timmerman van beroep te zijn en zich voor ruim 4 maanden of daaromtrend ook eerst ter dezer gemeente aan de meergemelde Dedemsvaart, vanuit de kolonie der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans, te hebben ter nedergeslagen, met het voorstel ‘om in dezes gezelschap met haare vorenbedoelde drieling-kinderen enz. na derwaarts (Groningen) te reizen en aldaar bij derzelver vertooning de mededeelzaamheid der ingezetenen in te roepen’, waartoe dan verlangende was door een permissie-billet te worden gemunieerd (eenen persoon ons weinig bekend, van wiens aanwezen ter dezer gemeente wij tot hiertoe niets dan bij de inspectie der opschrijvingsregisters voor den landstorm zouden weeten, en dien, zijn vroeger verblijf in aanmerking genomen en ofschoon zelfs vrouw en kinderen hebbende vermeenen voor niets anders te moeten houden dan voor eenen avonturier, de onderwerpelijke vrouwe en gezin zoekende om den tuin te leiden, schandelijk op te ligten en uit derzelver nog resteerende bezittingen en door de als voormeld, in te roepene mededeelzaamheid van Groningers ingezetenen zich zelve te voeden) zo hebben wij het, bij de als voormeld nu aangenomene allezints verdagte houding der onderwerpelijke vrouwe weduwe, in het belang onzer gemeente, ten einde dezelve niet eenmaal zoude kunnen worden gehouden voor het wettig onderstandsdomicilie derzelve en haare kinderen, geoordeeld ons bij deze tot U te wenden ter derzelver vrijwaaring daaromtrend en ter bekoming van de gevorderde aanwijzing daartoe, bij de niet-applicatie vooralsnog ten dezen van de bepalingen bij art. 6 der wet van den 28e november 1818, hierom dan bij deze Uwe Excellentie eerbiedigst verzoekende. Bij deze gelegendheid dan tevens de vrijheid neemende U opnieuw te doen attendeeren op de nadeelige schromelijke en kostbaare gevolgen ten dezen voor deze gemeente staande voortvloeijende uit de zich nog dagelijks vormende en toenemende colonisatien in dezelve aan en in den omtrek van den Dedemsvaart; colonisatien zoals de veelvuldige proces-verbalen, inkwisitiën en vonnissen wegens wan- en misbedrijven van allerlei aard, opgemaakt, geinstitueerd en geveld bij de bevoegde authoriteiten van policie en justitie in de gemeente en de provincie, komen te leeraaren der gemeente en het rijk de tafereelen van het smaadelijkst en schandelijkst gedrag komende op te leveren en de overtuigendste blijken dragende, dat een groot gedeelte van de dezelve daarstellende bevolking word uitgemaakt door lieden zonder goed merk of stempel, door de justitie of andere omstandigheden van heinde en verre, speciaal ook van buitenlandsch, derwaards (veelal ook der militaire conscriptie buiten het rijk alzo ontvluchtende) gedreeven, en de eigen ingezetenen der gemeente, door hunner veeler handen werk, dan wanner wat te verdienen is, van alle gewin door turf- en veen arbeid beroovende, en zich voorts in het wintersaisoen der mond zoekende open te houden door roof- en diefstal, mitsgaders het even schandelijk smokkelaarsbedrijf, waartoe dan ongelukkiglijk de nabij gelegene rijks-grenzen hen eene zo gunstige gelegendheid komt aan te bieden en waarvan dan ook de menigvuldige proces-verbaalen der rijks-beambten en de vonnissen der rechtbank te Deventer even veele bewijzen komen op te leveren, als veelal de registers aan het kantoor der registratie te Ommen van de deficits voor de rijks-kassa wegens de baten en kosten, waarin (bij eene niets door hen geteld wordende procalabele gevangenisstraf van langeren of korteren duur) ter dier zaake, wij zwijgen ten andere van andere correctioneele misdrijven, komen te worden verweezen. En, waarin, zouden dan U wel vertrouwen de voornamere oorzaak dezer zo buitengewoon toenemende colonisatie, speciaal door de uitheemschen des Rijks, te zoeken zijn? Gewis, op dat wij terug komen op hetgeen wij vroeger de eer hadden bij onze berigt aan U van den 7e juni 1831 ten gevolge der aanschrijving van den 26e mei bevorens, aan te stippen, in den vroegeren opbouw eener Roomsch-Catholyke kerk aan de Dedemsvaart ten Ambte Ommen, voor de fundatie der thans aldaar gebouwd wordende Hervormde, de Roomsch-Catholyke geestelijkheid toch kleeft, boven die der hervormden de leer de propaganda fide et ecclesia dan en zulks onbetwistbaar een voornaam meede poinct van derzelver bemoeijingen en streeven zijnde, zo zocht de eerwaarde pastor loci, de heer P.L. Nijentap voormeld, ook maar zijn in evenredigheid onzer vroegere vast algemeen hervormde bevolking, klein kuddeken door consentieerende leeden uit het veelal bijzonder armoedige voormalige Munsterland of van elders te verrijken, en zodoende dreigd dan nu deze burgerlijke gemeente reeds aanvankelijk de prooij te worden van zijne onberaadene propagandisterij. Zijn Eerwaarde houde ons, eene in allen opzichte verdraagzame godsdienstleer belijdende en bevolgende, deze uitweiding ten goede, als alleen derzelver oorspong verschuldigd aan onze voor den finantielen toestand onzer gemeente nodigste intentie om daardoor ook uwe Excellentie’s attentie zo veel mogelijk op deze bijzondere omstandigheid en die onzer gemeente daardoor te leiden; derhalven hieromtrend bij deszelfs indulgentie deswegens te omwaards, ook van Uwe Excellentie in het belang der gemeente de geoorloofde voorzieningen, ten dezen ofte derzelver provocatie bij de superieure authoriteit dringend inploreerende. Verblijvende voorts gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor, loco-secretaris.

Nr. 164  Heemse, den 20e april 1833, brief aan de Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer bij deze te overzenden de bij mij in dato gisteren van den heer agent van den algemeenen rijks-kassier te Zwolle ontvangene duplicaat-kwitantie, wegens ten dien dage ten zijnen kantore voor deze gemeente gedane overstorting der abonnementsgelden voor het staatsblad en het register daarop, voor den lopende jaare 1833. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 165  Heemse, den 22e april 1833, brief aan de Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij mijne missive van den 23e der vorige maand, nr. 115, had ik de eer U te informeeren dat Jan Willem Koning, onder het contingent der gemeente van 1830, als schutter dienende in de 5e compagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij zich toen (evenals nu op dit moment nog) na dat zijn vader Jan Koning, landbouwer te Bergentheim in de gemeente, daartoe zich op den 31e januari dezes jaars bij rekweste, aan Z.M. den Koning gewend heeft gehad, wederom, evenals ten afgelopenen jaare ingevolge de dispositien van de Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur-generaal van Oorlog, zederd den 10e derzelver maand maart met twee-maandelijks verlof, staande te expireeren op den 4e mei eerstkomende, in de gemeente was bevindende, en de omstandigheid van den vader Jan Koning voormeld en van dezes gezin zodanig zijnde dat ere eene volstrekte noodzakelijkheid bestond voor de verlofs-verlenging van opgemelden zijnen zoon Jan Willem Koning ter instandhouding van hun gemeenschappelijk beroeps-bestaan, zo nam ik dan tevens, ofschoon mij tot daaraantoe daaromtrend eene vernieuwde speciale aanschrijving van U was ontbreekende, de vrijheid bij dezelve mijne missive in het belang der betrokkenen tot U te wenden, ten einde ook voor den onderwerpelijken verlofganger eene nadere verlofs-verlenging te effectueren, daartoe dan bij dezelve aan U adresseerende eene certificatie aan mij dien ten gevolge tot hiertoe geene communicatie nopens zodanige verlofs-verlenging voor den onderwerpelijken Jan Willem Koning geworden zijnde, zo heb ik gemeend, de vorenaangevoerde volstrekte noodzakelijkheid daartoe blijvende bestaan, mij bij deze, onder eerbiedige relatie tot mijne voorschrevene missive van den 23e der vorige maand en tot mijne daarbij gevoegd geweest zijnde certificatie, andermaal tot U te durven wenden en eerbiedigst, in het belang der betrokkene familie, nogmaals te imploreeren, dat mij alnog in tijds voor den bedoelden Jan Willem Koning de verlangde twee-maandelijksche verlofs-verlening door deszelfs vermogende intercessie mag geworden. Verblijvende daartoe onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 166  Heemse, den 23e april 1833, brief aan de Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij Uw Excellentie’s apostillaire dispositie van den 15e dezer, 1e afd., nr. 2244 in mijne handen, ten fine van berigt en consideratien, gesteld geworden eene hierbij cum adjunctis teruggaande rekweste door Lambert Klement, wonende te Heemse in de gemeente, als plaatsvervangend schutter gediend hebbende in de 5e compagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij voor Herm Jan Welink, schutterplichtige behorende tot het gemeentelijk contingent van 1830, en uit denzelven dienst, ten gevolge der sequelen eener gedurende denzelven ondergaane ziekte, ontslagen in dato den maart l.l. aan Zijne Majesteit den Koning, gepraesenteerd en houdende verzoek om een jaarlijks pensioen ten bedrage van een en negentig guldens, ofte van zodanige andere som als Hoogstdezelve, zijne ongelukkige omstandigheden, voor de toekomst ten gevolge van zijnen dienst in het 5e district der provincie Zeeland bij Hoogstdeszelfs getrouwe legers in aanschouw neemende, zoude goedvinden, zo heb ik de eer daartoe bij deze te doen dienen. Dat de relatien in de omstandigheden van den rekwestrant, invoegen bij zijne onderwerpelijke rekweste, mitsgaders bij zijne vroegere van den 7e augustus 1832 voorgedragen, allezints voorkomen naar waarheid, te zijn op- en aangegeven, ook met betrekking tot zijnen actuelen ligchaamelijken toestand, waaromtrend dan ook reeds vroeger, ten gevolge van Uw aanschrijving van den 25e augustus des vorigen jaars, nr. 3379, door mij, in mijne kwaliteit van ook medicinae doctor enz., een expres onderzoek is te werk gesteld geworden, waarvan het resultaat vermeld bij mijne missive aan U van den 30e aanvolgende, nr. 417, even als nu wederom dit onderzoek door mij herhaald en voor nader resultaat dezelfde bevinding komen op te leveren, zo ten reguarde der bij  hem steeds bestaande groote lidteekens, met verlies van zelfstandigheid, ter zijden van het heiligbeen, als der voortdurende, dan eens of, dan wederom toenemende ontvellingen van zijn hielen; door het een en ander gevolgen van gringrana e decubitu bij eenen overgang in cachexia der door hem in Zeelands vijfde district gecontraheerde noodlottigste endemische koorts-ziekte, niet alleen belet wordende de ligchaamsbewegingen en verrichtingen uit te voeren voor zijn beroep van schoenmaker vereischt, maar ook zelfs in het behoorlijk staan en gaan, ja wat meer is, nu en dan in het zitten grootelijks en pijnlijks wordende gehinderd, en bij elke nodige aanstrenging ten dezen zich aan eene dadelijke en onvermijdelijke recrudescentie en exacerbatie derzelve zijne uiterlijke ongesteldheden blootstellende. Dan dat ook door den rekwestrant bij dezelve zijne rekwesten een waar en juist tafereel zijner huisselijke omstandigheden, is opgehangen geworden, moetende nu de bedongene weekelijke remplacements-subsidien en gelden zijn komen op te houden en het veredere deswegen bedongene verteerd is, bij het gebrek tevens zijner geschiktheid als te voren voor zijn beroep, van dag tot dag tot erger komen en eindelijk op volslagene armoede en gebrek uitlopen; zijne huisvrouwe ook daarbij volstrekt buiten staat zijnde voor beiden het brood te verdienen. Dat, ofschoon het dan ook eigentlijk naar den letter waar mag zijn, dat, zo als de Directeur-generaal van Oorlog bij deszelfs opgedagte dispositie komt te argumenteeren, des rekwestrants ligchaamsgebreeken niet door dienstverrigting, maar ten gevolge van eene gewoone ziekte, zijn ontstaan, het daarbij toch even ontegenzeggelijk zeker is, dat dezelve hem is opgekomen in den schutterlijken dienst en onder de en ten gevolge der uitvoering der daaraan verbondene plichten en verrichtingen in het den ingezetenen dezer gemeente overigens en daarbij allezints vreemde clima der provincie Zeeland, waar zo veele hunner bereeds derzelver graf gevonden hebben, en welke althans eene eigenaartige endemische ziekte gesteldheid met zich is voerende, terwijl toch bekendelijk derzelver noodlottige gevolgen bij den onderwerpelijken ongelukkigen speciaal te attribueeren schijnen aan zijn lang verblijf in onderscheidene Rijkshospitalen, voor hem niet altijd de nodige zagtere ligging bij de vereischtte gedurige veranderingen in derzelve, ten gevolge der nalatigheid daaromtrend van zijne oppasseren, opgeleverd hebbende. Redenen waarom dan gevoegd bij de voormelde de berigtgever zich allezints verplicht gevoeld zijne consideratien ten dezen te doen dienstbaar zijn tot het accordeeren van des rekwestrants verzoek; hem daartoe dan bij deze Zijne Majesteit den Koning mitsgaders welgemelde hunne excellentien ten zeersten en in allen opzichte aanbevelende en daartoe ook van U voor hem deszelfs vermogende protectie inroepende. Verblijvende voorts hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 169  Heemse, den 26e april 1833, brief aan de Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te retourneeren de mij bij deszelfs besluit van den 15e dezer geadresseerde lijst der reserve-schutterplichtigen in de gmeeente, na de aanvulling op dezelve der verlangde renseignementen. Intusschen mij (behalven Gerrit Hakkers en Egbert Rechtuit, beide mij bij deszelfs aanschrijving van den 3e dezer, bekend gemaakt, als tot den dienst van korporaal bij het 28e battaillon gedesigneerd) geene der verdere op dezelve lijst vermelde personen voorkomende bijzondere geschiktheid te hebben om de functien van sergeant-majoor, sergeant, fourier, korporaal of tamboer waar te nemen, zo heb ik de eer ook U daaromtrend bij deze te informeeren, evenals van de omstandigheid dat tot hiertoe geen mutatien bij het onderwerpelijke personeel voor de schutterij ter gemeente hebben plaats gevonden.

Nr. 171  Heemse, den 26e april 1833, brief aan den leeraar der Protestantsche Christelijke kerk te Heemse:

Ingevolge besluit van den heer Gouverneur der provincie van den 1e februari l.l., doe ik U ten einde als daarbij, bij deze toekomen een exemplaar van eene missive van den heer Minister van Staat, belast met de generale directie voor de zaaken der hervormde kerk enz., in dato den 19e januari bevorens, nr. 1, gerigt aan de leeraren der Protestantsche Chistelijke kerk, bevattende de jaarlijksche gewone collecte voor het fonds ter aanmoediging en ondersteuning van den gewapenden dienst in dit rijk.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur van Ambt Hardenberg, beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende den 26e augustus 1833.

Nr. 176  Heemse, den 3e mei 1833, brief aan den heer ontvanger der rechten van successie en van overgang door overlijden in het ressort Ommen, te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari 1818 overzende U bij dezen de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene maand april, - voegende hierbij ingevolge besluiten van den heer gouverneur der provincie van den 14e januari en 7e maart 1832, de certificaten van onvermogen betrekkelijk de erfgenamen van Dina Stegink en Frans Bouck, in de voorlaatste maand overleden en onder de dooden op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 182  Heemse, den 6e mei 1833, brief aan den heer Majoor, commanderende het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd te Hulst enz. in de provincie Zeeland:

De schutter Willem Bekman uit de gemeente, in de 5e kompagnie van Uw battaillon dienende, en zich met eenen verlofpas van U in dato Hulst den 18e der vorige maand zederd den 24e aanvolgende voor twintig dagen, expireerende op het avond-appel van morgen, in de gemeente onthoudende, is zederd eenige dagen door eene intermitterende koortsziekte aangedaan geworden en uit dien hoofde zich buiten staat bevindende zijn korps te rejoigneeren, door mij, ter herstelling zijner gezondheid gedirigeerd geworden op de guarnisoens-ziekenzaal der ons naburige vesting Coevorden; van welke omstandigheid dan ik de eer heb U bij deze te informeeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr. 186)

Nr. 184  Heemse, den 6e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te informeeren dat op gisteren (den eersten zondag der maand mei dezes jaars) in de gemeente is gepubliceerd geworden de gouvernementspublicatie van den 16e november 1814, betrekkelijk de custodie van vuur en licht, mitsgaders het reglement op het blusschen van brand in de gemeente het Schoutambt Hardenbergh van den 26e februari 1823. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 190  Heemse, den 8e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden eene aanvrage om bewijs van voldoening aan de nationale militie voor Gerrit Jan Veurink te Wijlen in de graafschap Bentheim, koningrijk Hanover, ten einde na den ontvangst van Uw certificatie daaromtrend in ondertrouw te kunnen worden opgenomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 191  Heemse, den 9e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik vinde mij in de onaangenaame noodzaakelijkheid geplaatst aan U bij deze te moeten informeeren dat in den laaten avond van gisteren en ten afgelopenen nacht ten gronde toe is afgebrand het woonhuis van Berend Veenebrugge, c.z., aan de Venebrug ter dezer gemeente, zijnde, behalven den geheelen aanwezigen ruimen inboedel des voormelden eigenaars, zijne gereedschappen voor de huishouding en beroepen (logementhouding en tappers-neering bij den landbouw), de voorraad van leeftogt en voeding voor menschen en vhee, daarin ook nog zes stuks jong hoornvhee omgekomen, alsmeede ook tevens al het lijfstoebehoor der domestieken bij deze gelegendheid verbrand. De brand, waarvan men de eigentlijke oorzaak niet weet aan te geven, schijnd binnen’s huis te zijn ontstaan omstreeks ten elf uren des avonds, op het moment dat, behalven de huisvrouwe slechts nog een der domestieken niet te bed waaren, wagtende op te huis komst van derzelve voornoemden echtgenoot en zoon, die juist bij het begin van den brand van Sibculo kwamen te huis rijden en daardoor nog in de gelegendheid waaren derzelver verdere vhee den brand te ontvoeren, doch overigens van derzelver verder in het gebouw aanwezie bezittingen niets vermogten te redden, als staande momentelijk en opeens in ligte laaije vlam, grootelijks begunstigd wordende door het riet- en stroodak waarmeede was gedekt; en hebbende zich alzo de vlijt en de waakzaamheid van de weinige bewoners der Veenebrugge en van eenige dadelijke uit de nabijheid ter hulp toegesnelde personen alleen moeten en met vrucht kunnen bepalen tot de weering der vlammen van het belende huis van den tapper en landbouwer Berend Schutte, meede, evenals de hierna vermelde schuuren en schaapskooijen met riet en stroo gedekt; zijnde derzelver onvermoeijde pogingen, opvolgende gesterkt door eene uit de stad Hardenbergh aangevoerde brandspuit en de toesnelling der ingezetenen van de buurtschap Brucht met hunne brandhaken en een aantal water-emmers, mitsgaders begunstigd door de zachtheid des winds, het ten dezen dan ook gelukt en daardoor meede ook de vorenbedoelde schuuren en schaapskooijen der beide opgemelde bewoners van de Venebrugge behouden gebleeven. Ik heb voorlopig geene verdere bijzondere observatiën ofte consideratiën betreffende dit ongelukkig voorval hiernevens te voegen, als dat, ofschoon dan ook het verbrandde gebouw voor brandschaade is verwaarborgd, het verdere verlies van deszelfs eigenaar en van deszelfs gezin aanmerkelijkst te achten is, als hebbende niets behouden dan hetgeene waarmeede waaren gekleed en gedekt toen den brand ontstond, zij denzelven ter naauwernood konden ontvlieden ofte bij denzelven aankwamen; zullende ik den ongelukkigen dadelijk de behulpzame hand bieden in het opmaken der aan den heer controleur in de divisie Ommen om remissie van belastingen en ter gemoetkoming aan de geledene verliezen uit de daartoe bestaande fondsen in te dienen reclames; terwijl, zodra dien ten gevolge het vereischte proces- of processen-verbaal daaromtrend zal of zullen zijn opgemaakt, hetzelve of dezelve aan U zal doen toekomen. Bevelende intusschen de schaade geleden hebbende bij deze ten zeersten in Uwe protectie en verblijvende daartoe gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr. 192)

Nr. 193  Heemse, den 10e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Albert Lenters, landbouwer te Heemse, echtgenoot van Lammechien Bouwhuis aldaar, hebbende minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 194  Heemse, den 10e mei 1833, brief aan den heer G. Crull, marken-richter der marke Diffelen, op den Beld:

De voorjaars-schouwe der waterleiding van den Sibculoër-Dijk, bekendelijk tusschen de marken van Diffelen en Beerse, Ambt Ommen, uitwaterende in de rivier de Vecht, op den 23e dezer des morgens ten 9 uren te beginnen aan derzelver bedoelde uitwatering bij die rivier, zullende plaats hebben, zo nodige ik U door deze uit om daarbij in persoon of door een gecommitteerde uit de marke te adsisteeren, evenals ten dage aanvolgende, meede des morgens ten 9 uren, bij die der waterleiding van den Hessenweg, tusschen de marken van Diffelen voorzeid en die van Stegeren ten Ambte Ommen voormeld na de opgemelde rivier aflopende, in ook te beginnen aan derzelve bekende uitwatering in de rivier; zullende vervolgens dan ten zelfden dage ook nog worden overgegaan tot de schouwe der verdere waterleidingen in dezelve marke. U dan ook nog bij deze, als meede-eigenaar van Sibculo en van de marken dier buurtschap, attent makende op de notificatie van burgemeester en assessoren der gemeente van den 10e der vorige maand, de uitvoering der algemeene schouwe der waterleidingen in de gemeente met den voorzeiden 23e dezer betreffende, en tevens informeerende dat die schouw voor de marke Sibculo ook op denzelven 23e dezer zal plaats hebben, te beginnen des achter-middags ten 1 uur, aan het punt der scheiding tusschen de marken Bergentheim en Sibculo aan den Sibculoër- of Klooster-dijk, en dat ook door U of door iemand der andere meede-eigenaren, daarbij in persoon of door een gekwalificeerde zal behoren te worden geadsisteerd. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (vergelijkbare brieven nr. 195 en 196 gericht aan de heer W. Creemer te Hardenbergh, voor zich en de verdere meede-eigenaren van Sibculo en aan de heer G.J. Hesselink, marken-richter der marke Bergentheim, aan den Mariënberg aldaar.)

Nr. 197  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, markenrigter van Heemse, Collendoorn en Radewijk, te Heemse:

De voorjaars-schouw der waterleidingen in de gemeente eerstdaags zullende moeten plaats hebben, en daartoe bepaald geworden zijnde: a. voor het dorp en marke Heemse den 29e deezer, des morgens ten 9 uren te beginnen aan de waterleiding van Spaanschkamp bij derzelven uitwatering in het veer ter Ruinen of Oelen; b. voor de buurtschap en marke Colelndoorn, den 29e deezer, des achtermiddags ten 2 uren, te beginnen aan de waterleiding van het Collendoornerveen bij derzelver uitwatering in die van den Voort aan den Havermarsch; c. voor de buurtschap en marke Radewijk, den 25e dezer, des achtermiddags ten 2 uren, te beginnen aan de waterleiding de Radewijkerbeek bij de Veltmans-brug; zo heb ik de eer U daarvan te procadverteeren bij deze, met uitnodiging om hetzij in persoon of door een gekwalificeerde uit de marke te adsisteeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 198  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer J. van Riemsdijk te Hardenbergh, marken-richter der marke Brucht:

De voorjaars-schouw der waterleidingen in de gemeente, vroeger aangekondigd bij notificatie van burgemeester en assessoren van den 10e der vorige maand, een aanvang staande te neemen op den 23e dezer en den 28e aanvolgende in en onder de buurschap en marke Brucht, te beginnen des morgens ten 9 uren aan de waterleiding de Bruchterbeek bij derzelver uitwatering in de rivier de Vecht, zullende plaats hebben. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 199  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer Lucas Hoenderken te Hardenbergh, markenrichter der marke Baalder:

De voorjaars-schouwe der waterleidingen in de gemeente, op den 25e dezer in de buurtschap en marke Baalder, te beginnen des morgens ten 9 uren aan de waterleiding van het Baalerhag bij derzelver uitwatering in de rivier de Vecht, zullende plaats hebben. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 200  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan de heeren Roelof Westerman en Asse Waaijman te Lutten, gecommitteerden der makre van dien naam:

De voorjaars-schouw der waterleidingen in de gemeente, op den 24e deezer, te beginnen des achtermiddags ten 1 uur aan de waterleiding van het Lieve-Veen, bij derzelver uitwatering door de marken-scheiding met Heemse en Collendoorn, in de buurtschap en marke Lutten, zullende plaats hebben, zo diend deze te uwer informatie daaromtrend. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 201  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heeren J.an Stoeten L.zn, Gerrit Jan Veurink en Egbert Dunnewind te Rheeze, gecommitteerden der marke van dien naam:

De voorjaars-schouwe der waterleidingen in de gemeente, onder de buurtschap en marke Rheeze zullende plaats hebben; a. voor de Reest-A op den 24e dezer, te beginnen des morgens om 10 uren aan derzelver afwatering na de marke Stegeren ten Ambte Ommen; b. voor de verdere waterleidingen in dezelve buurtschap en marke op den 30e aanvolgende, te beginnen des morgens ten 9 uren, aan de uitwatering der waterleiding van het Ruimbroek in de rivier de Vecht, zo diend dezer te uwer informatie daaromtrend. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 202  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Geertjen Heuver, landbouwersche te Diffelen, weduwe van wijlen Hendrik Hekman, in leven landbouwer aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 203  Heemse, den 17e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Albert Altena, zonder beroep te Lutten, zoontje van Lambert Altena en vrouwe Arendina Waaijman aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 204  Heemse, den 17e mei 1833, brief aan den heer burgemeester der gemeente Nieuwe-Pekel-A, provincie Groningen:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden het inliggende mij door den heer Derk Hesselink Nap, thans wonende te Collendoorn in deze gemeente, gepraesenteerde geboorte- en doop-extract, zullende dienen ter zijner opneming in ondertrouw, met verzoek van wel deszelfs goedkeuring in margine derzelve te willen stellen omtrend de daarin voorkomende doorschrijving in den datum zijner geboorte en mij dienna wel hetzelve ten spoedigsten te retourneeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, provincie Overijssel, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 205  Heemse, den 17e mei 1833, brief aan den heer ontvanger der registratie, te Coevorden:

Door mijnen ambtgenoot, den heer burgemeester der Stad Hardenbergh, mij ter hand gesteld geworden zijnde Uwe missive van den 13e dezer, nr. 86, zo heb ik dien ten gevolge, den daarbij betrokkenen persoon van Geert Meijer (bij deszelfs opgemelde missive Meijerink genaamd) bij mij ontboden gehad en heeft dezelve aangenomen van aanstaande maandag ten deszelfs kantore de verlangde aangifte te zullen komen doen. U tevens informerende dat, ofschoon dan ook in het geheel niet bemiddeld, ik echter zwarigheid heb gemaakt ten dezen een verlangde certificatie af te geven. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 207  Heemse, den 18e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Thijes Stegeman, landbouwer te Brucht in de gemeente, wiens zoon Derk Jan Stegeman onder het contingent der gemeente van 1830, als schutter is dienende in de 5e compagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, doch zich met twee-maandelijks verlof, staande te expireeren op het avond-appel van den 30e juni aanstaande, zederd den 7e dezer ten zijnent bevindende, in de omstandigheid verkerende, dat ter voortzetting van deszelfs beroepsbestaan eene verlofs-verlenging van denzelven zijnen zoon voor den tijd van alnog 2 maanden is behoevende; zo heb ik de eer aan U te adresseeren de certificatie ten dezen.De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 211  Heemse, den 18e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Willem Wittendorp, zonder beroep te Rheezerveen, zoontjen van Stephanus Wittendorp en Hendrika Haverkort aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 215  Heemse, den 22e mei 1833, brief aan heeren Gedeputeerde Staten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze ter tafel te zenden afschriften, zo van het proces-verbaal van aanbesteeding in dato den 11e der vorige maand der nieuwe school te Radewijk in de gemeente, als van het suppletoir contract dienaangaande met den aannemer Abraham Koeslag te Hardenbergh, de dato den 20e aanvolgende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 216  Heemse, den 24e mei 1833, brief aan de heer Gouverneur der provincie Groningen, residerende te Groningen:

Door de heer Derk Hesselink Nap, geboren in de gemeente Nieuwe-Pekel-A ter Uwer provincie op den 10e mei 1801, en thans wonende ter dezer gemeente, aan mij, ten einde in ondertrouw te worden opgenomen, onder de daartoe nodige stukken geproduceerd geworden, zijnde U bijgaande certificatie wegens de voldoening dor hun van de wetten op de nationale militie, en in dezelve eene kenbaare schrijffout ingeslopen zijnde met betrekking tot de daarbij vermelde epoque zijner geboorte, zo neem ik de vrijheid dezelve certificatie, ten fine van redres, bij deze aan U te adresseren, met verzoek mij dienna wel dezelve te willen doen retourneren, ofte, bij niet mogelijkheid daarvan, mij wel Uw vernieuwde certificatie ten dezen omtrend denzelven te doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 217  Heemse, den 24e mei 1833, brief aan de heer Officier bij de Regtbank te Deventer:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden de dor mij op gisteren opgemaakte processen-verbaal ter zaake van drie in den nacht te voren gepleegde diefstallen van boter, ter bleek gelegen hebbende lijf- en bedlinnen, mitgsgaders booter en brood, de eerste en de laatste vergezeld van uitwendige braak, ten woonhuize van Jan Hendrik Meijerink, ter bleekplaats van Jan Hendrik Breeman, en ten woonhuize van Hillegien Wijchmink, weduwe van wijlen Hannes Waterink, landbouwers te Brucht in de gemeente. Aan den voet van het eerstbedoelde en laatstgemelde van welke U tevens zal vinden de verklaring van den heer A. Kampherbeek, 1e assessor bij het bestuur dezer gemeente, in dato heden, nopens zijne bevindingen omtrend de spooren van braak aan de bij dezelve bedoelde behuizingen respective, ter onderzoeking van welke door mij was verzocht en gekwalificeerd geworden. Tot hiertoe heeft nog niets verder omtrend den waarschijnlijk eenzelvigen dader of daders van dit feit ontdekt kunnen worden, doch is mij de meede bestoolene Jan Hendrik Meijerink zo straks komen zeggen dat door eenige kinders van zijnen buurman Jan Stegeman Wolterszoon, de bij  het eerstgemelde proces-verbaal bedoelde boter-potten geledigd waren teruggevonden in eenen sloot aan de bij hetzelve vermelde Lange-Kampen, wezende de eene gebroken en de andere gaaf en ongeschonden. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 219  Heemse, den 25e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij het bestuur dezer gemeente, op den 10e dezer uit derzelver midden, ten einde achtervolgens art. 11 der wet op de Schutterijen van den 11e april 1827 de operatien der bevoorstaande looting voor den schutterlijken dienst ten deezen jaare in dezelve te besturen, gecommitteerd geworden zijnde de burgemeester Antoni van Riemsdijk en de 1e assessor A. Kampherbeek, zullende bij wettige verhindering van een van beiden de verhinderde door de 2e assessor J. Odink D.z. en van beide tevens meede door het raads-lid H. Heuver worden vervangen; zo heb ik de eer U daarvan te informeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 222  Heemse, den 25e mei 1833, brief aan de heer F.W. van Riemsdijk, medicinae et art. obstetric. Doctor, chirurgijn enz., ter Steede Hardenbergh:

Wij hebben de eer U bij deze te informeren dat, ten gevolge der bepalingen bij art. 4 van Zijner Majesteits Besluit van den 28e juni 1828, door den raad dezer gemeente op den 10e dezer wederom zijt benoemd geworden tot den genees- en heelkundigen, welke ten lopenden jaare de commissie van onderzoek voor den schutterlijken dienst zal moeten bijstaan en beoordelen of en in hoeverre de opgegevene ziekten of gebreeken voor denzelven dienst ongeschikt maken; zullende de commissie, achtervolgens art. 18 en 19 van hetzelve besluit, ten dezen op den 1e juni en 9e juli aanstaande ten Rustenbergh te Heemse, des morgens ten 9 uuren, expresselijk komen te vergaderen. De burgemeester en assessoren bij het bestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor en loco-secretaris.

Nr. 223  Heemse, den 27e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 25 der reglemente op het bestuur ten platten lande in de provincie, heb ik de eer U bij deeze, door overzending van afschriften der door mij op den 23e dezer opgemaakte en aan mijnheer den Officier bij de Regtbank te Deventer, bij mijne missive van den 24e dezer, waarvan ook een afschrift hierbij, ingezondene proces-verbaal, gehoorzaamst te informeren van de in den nacht te voren te Brucht in de gemeente gepleegde diefstallen aan de bezittingen van de landbouwers J.H. Meijerink, J.H. Breman en H. Wijgmink, wed. H. Waterink aldaar. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 224  Heemse, den 28e mei 1833, brief aan heeren Gedeputeerde Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter gevolge der door den raad dezer gemeente daartoe bij derzelver deliberatien van den 21e dezer op mij verstrekte kwalificatie heb ik de eer bij deze ter tafel van U in te zenden een extract uit dezelve raads-deliberatien toucheerende Uw besluit van den 20e februari jl., opzichtens de daarstelling van een temporair armen-subsidiën-fonds voor de gewone winterlijke behoefte onder de ingezetenen der gemeente aan en omtrend de Dedemsvaart; eerbiedigst vertrouwende dat U de daarbij aangevoerde consideratien tegens de daarstelling van zodanig fonds metterdaad bestaande niet zullen disavouëren, zo neeme de vrijheid mij daartoe enkel tot dezelve te refereeren en verblijve onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 225  Heemse, den 28e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer, ten gevolge der daartoe door den raad dezer gemeente op mij verstrekte kwalificatie, bij deze aan U te adresseeren een extract uit de deliberatiën van denzelven raad, den 21e dezer gehouden, ten gevolge van Uw rescriptie d.d. 15e dezer, aan mij op des raads missive van den 20e der vorige maand, nr. 163, in betrekking tot het behoeftig gezin van wijlen Frans Bouck te Slagharen in de nabijheid van en omtrend de Dedemsvaart ter dezer gemeente; en strekkende ter bekoming van Uw medewerking en intercessie (waarom dan ook bij deze namens den raad eerbiedigst ben verzoekende) bij de buitenlandsche authoriteit aan welke dit behoord ter bekoming van restitutie door de plichtschuldige buitenlandse gemeente of gemeenten, van den tot hiertoe aan hetzelve provisioneel door deze verleenden onderstand en ter bekoming van derzelver toekomstige bemoeijingen in het onderhoud van hetzelve. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 226  Heemse, den 28e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te informeren dat tot tegenschatters van de zijde der belastingschuldigen in de personele belasting van het aangegeven bedrag der huurwaarde of aantal deuren en vengsters of haardsteeden) benoemd zijn, de personen van Berend Venebrugge C.z., koopman, wonende aan de Venebrugge, en Evert Dorgelo, winkelier, wonende te Heemse, beide in de gemeente. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 228  Heemse, den 30e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Gerrit Schepers uit de gemeente, behorende tot derzelver contingent van den jaare 1830, wezende met hetzelve op den 24e februari 1831 van hier na de verzamelplaats Deventer uitgemarcheerd en zijnde zederd als schutter in de 5e compagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij dienende, bevind zich met eenen verlofpas van den heer majoor, hetzelve battaillon commanderende, van den 15e tevoren en staande te expireren met het avond-appel van den 3e der volgende maand, zederd den 18e dezer ten zijnent, door eene allezints bedenkelijke waterzuchtige ongesteldheid, ten gevolge van obstructen bij hem uit aanhoudend lijden aan de Zeeuwsche endemische koortsziekte, waaraan zo bij zijn korps als in onderscheidene rijks-hospitalen gedurende nu nagenoeg 16 maanden zal zijn sukkelende geweest, buiten staat, zo om op dit moment zijn korps te rejoigeneeren, als om zonder gevaar na de guarnisoens-ziekenzaal der naburige vesting Coevorden te worden getransporteerd. Zelve in mijne kwaliteit van ook medicinae doctor mij van de opgegevene situatie des betrokkenen overtuigd hebbende, en zijne bezorgde ouders, die buiten dien ook nog eenen schoonzoon bij dezelfde compagnie en korps zijn hebbende dienen, niets vuriger wenschende, dan denzelven hunnen zoon voor en tot aan zijne herstelling in dezelve mogelijk bij zich te houden, zo heb mij door derzelver beede bewogen gevonden U van deze zaak (welke ik meede niet zal verzuimen ter kennisse van den chef des betrokkenen te brengen) te informeren en voor hun bij deze deszelfs vermogende medewerking en intercessie bij den heere Directeur-generaal van Oorlog te verzoeken dat aan denzelven hunnen zoon, gemerkt zijnen langdurigen en bedenkelijken staat van ziekte, eene verlofsverlenging ter beproeving van het herstel zijner gezondheid moge worden verleend. De vrijheid neemende dan dezelve ouders en zoon daartoe Uwe protectie eerbiedigst aan te bevelen, en hiermeede onderdanigst verblijvende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr. 229)

Nr. 230  Heemse, den 30e mei 1833, brief aan den heer Majoor, commanderende het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, in het 5e district der provincie Zeeland:

De schutter Evert Nijeboer uit de gemeente, dienende in de 5e compagnie van het door U gecommandeerd wordende 2e battaillon, zich met deszelfs verlofpas d.d. 15e dezer, staande te expireren op den 5e der volgende maand, zederd in de gemeente bevindende, door ziekte belet wordende zijn korps te rejoigneeren, heeft alzo door mij ter zijner herstelling naar de guarnisoens-ziekenzaal der naburige vesting Coevorden gederigeerd moeten worden; van welke omstandigheid dan ik, ter te voorkoming van alle nadelige gevolgen deswegens voor hem, de eer heb U bij deze te informeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr. 231)

Nr. 233  Heemse, den 30e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Jannes Grendelman uit de gemeente, voor zichzelfs als schutter dienende bij de 5e compagnie van ‘t 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, geboren den 3e mei 1799 en alzo op den 3e dezer zijnen vierendertig jaren ouderdom volbragt hebbende, ingevolge de bepalingen bij art. 85 der wet van den 11e april 1827 gerechtigd zijnde tot zijn ontslag uit den voormelden dienst, zo heb ik de eer ter bekoming van hetzelve ontslag voor denzelven, bij deze aan U te adresseren den daarbij voorgeschreven staat van aanvrage daartoe van de heeren Gedeputeerde Staaten der provincie. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 234  Heemse, den 31e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij deszelfs apostillaire dispositie van den 23e dezer, nr. 2992, in mijne handen ten fine van berigt en consideratiën gesteld geworden zijnde, de hierbij teruggaande rekweste van Elizabeth Nijzink, huisvrouwe van Albertus Centen, landbouwersche, wonende te Brucht in de gemeente, sub dato den 13e dezer aan Z.M. den Koning, gepresenteerd en houdende verzoek tot het verleenen van een onbepaald of bepaald verlof aan voornoemden haaren echtgenoot, onder het aanvullingscontingent der gemeente van den jaare 1832, als schutter bij de 5e compagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij dienende, ter hervatting van hun beroep, zo heb ik de eer daartoe bij deze te doen dienen, dat de positiën door den rekwestrante ter derzelver onderwerpelijke rekweste aangevoerd der waarheid overeenkomstig zijn. Dat er derhalven dan voor de rekwestrante en speciaal voor derzelver ouderlijke gezin, waarin gehuwd en waarvan het hoofd (de vader Hannes Nijzink) reeds bejaard is en het welk thans ook bij eene verzuimde rheumatische ongesteldheid van der rekwestrants eenigen broeder geene reëele hulp meer van denzelven hebben kan, behoefte is bestaande voor het verzochte verlof. Dat alzo, de omstandigheden des rijks en de dienst zijner Majesteit dit gedogende, de berichtgever de vrijheid neemd zijne consideratiën bij deze voor dezelve verlofs-verlenging, het zij dan bepaalde, met vrijlating van den bij voortdurende behoeft de verlenging te verzoeken, of onbepaalde te doen strekken. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur van Ambt Hardenberg,

beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende den 26e augustus 1833.

Nr. 236  Heemse, den 1e juni 1833, brief aan Z. E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van den 23e der vorige maand, nr. 2889, in mijne handen ten fine van berigt en consideratien te stellen, de hierbij teruggaande rekweste en bijlagen door Gerrit van den Kamp, landbouwer te Rheezerveen in de gemeente, in dato den 5e te voren, aan Z.M. den Koning gepraesenteerd en houdende op daarbij aangevoerde gronden en om daarbij gemotiveerde redenen verzoek tot ontslag van zijnen zoon Jan Harmen van den Kamp uit de militie-dienst, door hem tot daartoe gehoorzaamst en zonder eenige wedersteeving opgevolgd zederd zijne inlijving bij de 7e afdeling infanterie op primo maart laatstleden, heeft de eer daartoe bij deze te doen dienen. Dat de positien door den rekwestrant ten rekweste aangevoerd, zo met relatie tot den staat zijner familie en derzelver bijzondere betrekkingen tot de militie – en van den toestand en de situatie, meede in relatie tot dezelve diensten van zijne zoonen Albert van den Kamp en Jan Harmen van den Kamp in het bijzonder, volkomen der waarheid overeenkomstig zijn, evenals ook de door hem bij de onderwerpelijke rekweste aangevoerde waare behoefte, waarin zich met de zijnen door het gemis van den handen-arbeid des laatstgenoemden ten opzichte van hun gezamentlijk bestaan, den landbouw, gebragt vind. Dat er, het ten rekweste sub c overgelegde besluit van heeren Gedeputeerde Staaten der provincie van den 20e februari dezes jaars, nr. 334/239, naar de bepalingen bij de wet van den 8e januari 1817 geacht moetende worden ten reguarde der militie-dienstplichtigheid van zijnen voornoemden zoon Jan Harmen van den Kamp eene decisie in het hoogste ressort te zijn, op het zien en bij de overweging van het daartoe door welgemelde heeren bij hetzelve aangevoerde motief, ja waarlijk voor den rekwestrant, hebbende dezes voorzeiden broeder Albert van den Kamp gezond zijne woning zien verlaten en wezende door dezen dan ook eenige maanden in denzelfden toestand mobilen schutterlijken dienst gepraesteerd, niets anders overbleef dan van de bekende clementie Zijner Majesteit dat geene te zoeken te erlangen, wat dezelve hem niet vermogten te accordeeren uithoofde, dat in het ontslag uit den mobilen schutterlijken dienst (de bijlage sub a bij de rekweste) van denzelven zijnen zoon Albert van den Kamp , wegens ligchaamsgebreken en daaruit voortvloeijende ongeschiktheid voor denzelven, niet vermeld werd gevonden dat die gebreeken bij hem door den dienst bekomen waaren. Dat de rekwestrant dan alzo daartoe billijk bedagt is geweest het bedoelde ontslag uit den mobilen schutterlijken dienst voor zijnen zoon Albert van den Kamp overeenkomstig de waarheid geamplieerd en verbeterd te krijgen en dat, daartoe de berichtgever geadieeret hebbende, door dezen om die reeden de breiven bij de rekweste vermeld zijn geadresseerd geworden aan den heer luitenant-kolonel der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij bij het 2e battaillon van welke zijn zoon Albert van den Kamp was dienende geweest, in het 5e district der provincie Zeeland commanderende, welke ook tot op dit moment door denzelven nog niet zijn beantwoord geworden. Dat dan van die zijde zijne hoop ter lange baan verschoven ziende, eindelijk, bij het dagelijks toeneemend nadeel ten dezen voor het beroepsbestaan van hem en de zijnen door de roeping tot en het verwijl in den militiedienst van zijnen betrokkenen zoon Jan Harmen van den Kamp voortvloeijende, de rekwestrant te raade geworden zijnde zich bij de onderwerpelijke rekweste en met het daarbij vermeld verzoek tot Z.M. den Koning te wenden, de berichtgever ook geene zwarigheid heeft gemaakt daartoe als bijlage te leenen zijne certificatie aan dezelve, sub d annex, berustende op volkomene wetenschap in zijne beide daarbij vermelde kwaliteiten van burgemeester der gemeente en van medicinae doctor tevens. Dat de berichtgever ook na de afgifte derzelve zijne certificatie zich verplicht gevoelende den rekwestrant tot stuur der waarheid zo veel mogelijk behulpzaam te zijn ter staaving zijner assertie, ten rekweste nopens den tijd welken dezes zoon Albert van den Kamp gezond en welvarend de schutterlijke wapenen zoude hebben gedragen, en daartoe nu bij zich ontboden hebbende de op dit moment met ontslag of met verlof zich in de gemeente bevindende vroegere of nog werkelijke schutterplichtigen derzelve en van de naburige gemeenten dezes kantons de Stad Hardenbergh en Gramsbergen, - B.H. Harssevoort, K. van ’t Holt, L. Klement, G. van Bruggen, G. Holtman, F. Brink, D.J. Stegeman, J.W. Koning, A. Reinink, H. Poes, A. Schutte, H. van der Veen, E. Kreemer en E.J. Meppelink, hebbende alle eenen volbragten of nog voortdurenden mobilen dienst bij de 5e kompagnie van voorschreeven battaillon, waartoe dezelve des rekwestrants zoon insgelijks was behorende, van 11 tot 27 maanden, - zo kan de berichtgever ten dezen uit den mond van alle dezelve persoonen niet anders verklaren dan dat alle hunnen meergenoemden wapenbroeder Albert van den Kamp immers gedurende nagenoeg een half jaar gezond en welvarend in dezelfde voorzeide 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij met hun hebben zien dienen en in de gelederen onder de wapenen staan, en zulks tot aan de epoque der eerste detacheering derzelve hunne kompagnie uit Hulst na den zogenaamden Zandberg en Walsooden, alwaar zich onder dezelve te eerst de endemische Zeeuwsche koortsziekte, die zo veele hunner ten graave is komen te sleepen en onderscheidene steeds een door derzelver restes kwijnend leeven is komen na te laten, in het algemeen heeft geopenbaard, en het eerstgemelde van welke plaatsen dan ook dezen hunnen wapenbroeder te eerst wezende, zo als voorzeid, tot daaraan toe met hun gezond en welvarend, door die ziekte zoude zijn aangetast geworden. Dat alzo de berichtgever nu ook zich door deze verklaring overtuigd kunnende houden, van de waarheid der onderscheidene positien door de rekwestrant ter zijne rekweste aangevoerd, geene zwarigheid maakt, op grond der bij dezelve aangevoerde bepalingen, zijne consideratien ten dezen te doen pleiten voor het accordeeren van het verzoek des rekwestrants; althans, zo en indien daaromtrent nog eenige zwarigheid mogte kunnen blijven bestaan, het allezints nodig en te wenschen achtende, dat onder de gegevene omstandigheden aan zijnen zoon Jan Harmen van der Kamp een onbepaald verlof uit den militie mag kunnen worden verleend, waartoe dan de vrijheid neeme denzelven bij deze in allen gevalle ten zeersten aan te bevelen. Verblijvende hiermede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 239  Heemse, den 1e juni 1833, brief aan Z. E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Onder eerbiedige relatie tot mijne informatoire missive van den 9e der vorige maand nr. 191, nopens den in den avond en acht te voren plaats gehad hebbenden brand aan de Veenebrugge in de gemeente, heb ik de eer bij deze Uw authorisatie te verzoeken om uit den post van onvoorziene uitgaven ter beschikking van de provinciale authoriteit op den staat van begroting in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente voor den dienst van den lopenden jaare 1833 te mogen doen betalen aan den brandspuitmeesteren en hunne gehulpen ter Steede Hardenbergh, eene praemie van vijf en twintig guldens, die uit dezelve met eene brandspuit ter hulp aanbrenging op de voormelde Venebrugge zijn aangekomen en werkzaam geweest; en zulks ten gevolge der bepaling daaromtrend bij art. 9 van het in de gemeente bestaande reglement op het blusschen van brand; gearresteerd bij den raad der gemeente het Schoutambt Hardenbegh op den 26e februari 1823. Verblijvende hiertoe onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 243  Heemse, den 3e juni 1833, brief aan den heer ontvanger der regten van successie en van overgang door overlijden in het ressort Ommen te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari 1818 overzende ik U bij deze de sterflijst voor deze gemeente voer de afgelopene maand mei dezes jaars, voegende hierbij de memorien van aangiften betrekkelijk de nalatenschap van Derk Bossink, Albert Jonkeren en Hendrikjen Bekman, in de voorlaatste maand overleden en onder de dooden op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 245  Heemse, den 8e juni 1833, brief aan den heer controleur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnsen in de divisie Ommen, te Ommen:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 6e dezer nr. 169 heb ik de eer U bij deze te informeeren dat bij de laatste telling de bevolking dezer gemeente is bevonden te bedragen 2523 zielen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 246  Heemse, den 8e juni 1833, brief aan den heer Officier bij de Regtbank te Deventer:

Met de post van gisteren onder kruisband mij geworden zijnde de hierbij gaande acte van overlijden in het militair zieken-etablissement te Axel op den 1e dezer van Johannes Petrus Weber, tamboer bij de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd in het 5e district der provincie Zeeland en hebbende de strekking om voor acte van overlijden ter dezer gemeente in de registers van den burgerlijke stand te worden in- of overgeschreven. …… U tevens nog hierbij bemerkende dat de overledene, die zich tijdelijk als plaatsvervangend schutter voor een schutterplichtige uit de gemeente Den Ham in dienst heeft begeven gehad, ter dier epoque weliswaar te Rheezerveen aan de Dedemsvaart ter dezer gemeente was wonende, doch dat zijne huisvrouwe en kinderen zich kort daarna metterwoon ter zelfder gemeente Den Ham zijn gaan vestigen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 247  Heemse, den 10e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Opgave nopens de al of niet dienstplichtigheid bij de schutterij in de gemeente eeniger in krijgsdienst zijnde finantiele ambtenaren. Jan van Groningen te Sibculo, Carel Lodewijk Humbert Drosz, Nicolaas Rudolph Pieter Walburg Staverman te Lutten, Johan Frederich Elias Loos te Lutten, Jacobus Wilhelmus van der Woude te Sibculo, Jan Kisjes en Jan Schotvanger en Abraham Salomon van der Hoeden.

Nr. 248  Heemse, den 10e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Mutatiën bij de reserveschutterij in de gemeente.

Nr. 249  Heemse, den 12e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Brand in de veenen aan en omtrend de Dedemsvaart in de gemeente. De plotzelijke hevigste in eenen storm ontaarde windsverheffing in den vroegen achtermiddag van gisteren het misschien hier en daar tegens ieders verwachting noch van de laatste veenbranding voor de boekweit-culture verborgen ofte andertzints, zo als dikwijls bij groote en aanhoudende droogten het geval, in de uitgestrekte veenen aan en omtrend de Dedemsvaart bij toeval aanwezige vuur, zich met eene onbegrijpelijke snelheid en onwederstaanbaare kracht in dezelve hebbende doen ontvlammen en verspreiden is niet alleen ten zelfden achtermiddag en opvolgende laatstverlopenen nacht ongelukkigst voor de veen-eigenaaren aan dezelve vaart en de bewoonderen van derzelver wederzijdsch boorden ter naburige gemeente het Ambt Ommen geweest, maar ook opvolgende voor die in deze gemeente hoogst noodlottigst, vermits wij binnen dit tijdperk ook onder dezerzijdsch marke Rheeze, behalven een groot aantal hoopen ouden langen turf van de graavingen van het vorige en vroegere jaaren, mitsgaders een aanzienlijk gedeelte van dit veen-product van dezen jaare, het welk vroeger gegraaven en alzoo meerder in droogte gevorderd was, der vlammen ten prooij hebben moeten zien worden een 16 tal woonhuizen en zogenaamde turfmakerstenten aldaar, van grooteren en minderen omvang, hechtheid en waarde, met ook een gedeelte van de zich daarin bevindende inboedels en goederen, mitsgaders voorraad van levensmiddelen, werktuigen en gereedschappen van onderscheidenen aard; zijnde alzo door het vuur, waaraan door de felheid des winds vast geen weerstand te bieden en hetwelk in den aard des bodems, waarop was woedende, en alzo in zich zelfs overal het uitgebreidste voedsel vond en natuurlijk, evenals in alle veenderijen, vinden moest, geheel ofte gedeeltelijk (waaromtrend spoedig Uwe Excellentie de meer bijzondere details, evenals van de bijzondere geledene, hoogst aanmerkelijke schaaden, hoopt te doen toekomen) verteerd geworden:

  1. een woonhuis van J. Dorgelo te Rheezerveen in de gemeente, bewoond door F.G. Mulder
  2. een dito van de gebroeders Steenbergen te Zuidwolde, bewoond door den bakker en winkelier H. Keuken
  3. een dito van Hendrik Bosveld door hem zelven bewoond
  4. een dito van Willem van Zoelen, ook door hem zelven bewoond
  5. een dito van A. Weide te Rheezerveen voormeld, door een arbeider bewoond
  6. een dito enkel van hout gebouwd, van H. van Haringen aldaar
  7. drie turfmakerstenten van de heeren van Dedem
  8. een dito van den heer Bijsterbos, bewoon door Wilmpje Bouwke
  9. een dito van H. Keuken voormeld
  10. drie dito van de heeren J. van Riemsdijk en E.F. Meijeringh
  11. een dito van en bewoond door Willem van Beek
  12. een dito van en bewoond door Herm Velthuis

De onheilen door dezen brand (waaronder gelukkig geene verliezen van het leeven eeniger menschen of vhee te tellen) veroorzaakt, zouden zich noch in het oneindige hebben kunnen vermenigvuldigen, zo ook dezelve tot den grooten voorraad van hoopen van korte- of baggerturf, alle met riet of stroo, mitsgaders drooge plaggen gedekt, en van de verveeningen van vorige jaaren de vaart in grooten getalle onder de marken van Heemse, Collendoorn en Lutten – omzomende, was overgeslagen, dan gelukkig is deze aan het eind van de marke Rheeze voor de zogenaamde Jan Mulders-wijk gekeerd geworden, en hierdoor nog bij den eindelijk heeden tegen den middag en na denzelven gevallen reegen en het zederd zich leggen van den wind het grootst verlies gelukkig te voorgekomen; hoopende en vertrouwende men althans zederd de verdere voortgang des brands geheel gestuit en het verdere gevaar geweeken te zijn. De bezittingen aan roerende goederen, behalven de voorraad van turf, in onze veenderijen nog al niet zeer aanmerkelijk zijnde, zo komt zeker het geleeden verlies daaraan bij dat des turfs in geene aanmerking, alleen zal dat van voornoemden bakker en winkelier Hendrik Keuken al nog van eenig aan belang zijn, als bij zijnen geheelen winkelvoorraad en ustenfiles, die ook zijnen bakkerij met een gedeelte zijnes verderen inboedels verlooren hebbende. En alzo dan bij deze de eer hebbende U mijne eerbiedige informatiën ten dezen, en onderzoek in loco te doen toekomen, zo verblijve gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 250  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij deszelfs apostillaire dispositie van den 8e dezer, nr. 3165, in mijne handen ten fine van berigt gesteld geworden zijnde de hierbij teruggaande missive van Z.E. den heer Minister van Binnenlandsche Zaaken, van den 28e der vorige maand, nr. 188, relatif mijne patents-weigering anno 1832 aan Jan de Jager te Lutten in de gemeente, thans bedelaar-kolonist in het etablissement der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans, zo heb ik de eer daartoe, onder eerbiedige relatie tot mijne missive aan Uwe Excellentie van den 2e maart l.l., nr. 95, bij deeze te doen dienen. Dat dezelve mijne patents-weigering geen ander doel heeft gehad dan bij mijne voorzeide missive aan U uitgedrukt. Dat dit doel dan ook door Zijne Excellentie den heer Minister voorschreeven bij deszelfs onderwerpelijke missive niet miskend hebbende kunnen worden, ik ook had durven hoopen dat daaromtren door dezelve zijne Excellentie niet zoude zijn teruggekoomen op het punct van wettigheid dier weigering, daar toch de dagelijksche ondervinding in alle plattelandsgemeenten doet zien, dat niets meer de vreemde bedelarij in dezelve is begunstigende dan de uitgifte van patent aan zogenaamde kraamers van den stempel en soort als den betrokkenen Jan de Jager. Dat het immers uit den aard en het gewicht van den handel of negotie dezer personen, waarvan de waarde zich toch waarlijk veelal, zo niet altijd tot die van f. 3,- tot f. 6,- hoogstens f. 7,- komt te bepaalen, vanzelve evident is dat van de winsten daarvan geene met hunne vrouwen en kinderen buiten hunne gemeenten rondreizende kramers kunnen leeven, maar dat derzelver voornamere bestaan alzo zullen moeten zijn zoekende in derzelver bekende rondzwervende schandelijke bedelarij, daarin zich der vervolgingen en calanges van de dienaren van policie en veldwachters onttrekkende door de productie hunner patent-acten, als bewijzen van hunnen negotiërenden stand en legitimeerende derzelver aanhoudende togten buiten hunne gemeenten. Dat althans ter dezer gemeente dit niet alleen dagelijks derzelven bedoelde beambte komt te ondervinden, maar ook meermalen door den berichtgever zelve ondervonden is, als bij de rescontie zodanigen personen en familien in dezelve alstraks van dezelve op de gewoonlijk aan dezelve als dan gericht wordende vraagen en aan dezelve gedaan wordende waarschuwingen, onder productie hunner patent-acten ten antwoord krijgende ‘wij zijn geene bedelaars, maar gepatenteerde persoonen, die daarvoor ‘s Rijks rechten betaald hebben en alzo tot onze handeldrijvende tochten zijn bevoegd, zonder dat het iemand raakt hoe wij daarmeede aan den kost weeten te koomen, enzovoort’. Dat weliswaar zoals Zijne Excellentie de heer Minister van Binnenlandsche Zaaken zegt, de weigering van patent de daad der bedelarij niet verhinderd, doch dat toch dezelve aan den bedelaaren de gelegendheid ontneemd om zulks onder den dekmantel van patent te doen of om althans hun met hunne familiën rondzwervend aanzijn buiten hunne gemeentens te legitimeeren; weetende dat dit volkjen zodra in de een of andere wijk der gemeenten door de dienaren van policie en veldwachteren komen te worden ontmoet, dezelve aldaar op elke wijze in hunne functiën te vilipendeeren door zich uuren lang en achter elkanderen aldaar met hunne quasie-negotie, waartoe eenmaal in het jaar f. 2,- of daaromtrend voor patent-recht hebben weeten te besteeden, door dezelve te doen nalopen en ophouden, zodat men voor de publieke veiligheid der gemeenten in derzelver geheele uitgestrektheid vast voor iedere wijk of buurtschap eenen afzonderlijken zodanigen ambtenaar zoude behoeven, en zo van den dag ten einde lopende werpt zich dit volkjen hier en daar op den weg ter neder en komt alzo der policie de uitstrekking van derzelver functiën na behoren te vervolgen te beletten. Enfin het gebeurde door den berichtgever niet ontkend zijnde, noch als daadzaak hebbende kunnen ontkend worden, zo vertrouwe dat ook U ten dezen het waare doel mijner handeling zal erkennen en alzo daaromtrend in hetzelve schoning vinden, voor zo verre niet uit het oogpunct van wettigheid ten dezen door mij te gestreng of verkeerdelijk in het onderhavige geval mag zijn gehandeld, betreurende intusschen en zeker met alle mijne ambtgenoten ten platten-lande in de provincie, mij nu eens voor altijd beperkt te zien omtrend de aanwendigng van een veel vermogend middel om den vreemden landlopende venteren van weinig of geen betekenis, met hunne bij zich hebbende vrouwen en kinderen derzelver eigentlijke en waare mom afteligten of te beneemen. Bevelende voorts mij hiermeede Uwe Excellentie gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 251  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Berigt en consideratiën op eene door Aaltjen Hammink, huisvrouwe van Egbert Vinke, landbouwersche te Heemse in dato den 21e der vorige maand aan Z.M. den Koning gepresenteerde rekweste, houdende verzoek om onbepaald of bepaald verlof uit den schutterlijken dienst voor denzelven haaren man, ter hervatting van de werkzaamheden des landbouws in het daartoe dezes handen zo zeer behoevende huisgezin haares hoogbejaarden schoonvaders en schoonbroeders, in het welk waaren ingetrouwd (schoonvader Hermannus Vinke was tuinman op het Huize Heemse).

Nr. 252  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan den heer Controleur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnsen in de divisie Ommen, te Ommen:

Geleedene brandschaaden aan en omtrend de Dedemsvaart in de gemeente.

Nr. 253  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan den heer schoolopziener van het 5e district in de provincie Overijssel, te Archem:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 10e dezer heb ik de eer U bij deeze te verzekeren dat ik volkomen in staat ben (meede in mijne kwaliteit van medicinae doctor, en als zodanig meer dan 1/3e van eene eeuw behandeld en geneeskundig verzorgd hebbende het huisgezin van wijlen Egbert Broekroelofs te Radewijk in de gemeente, waartoe de betrokkene behoord) U te zijner tijd te doen toekomen mijne certificatie nopens de goede en onbesprokene moraliteit, mitsgaders robuuste gezondheid van Hendrik Broekroelofs uit de gemeente, als provisioneel onderwijzer fungerende in de lagere school te Sibculo in de gemeente en zich aangegeven hebbende als kandidaat voor de waarneeming van den schooldienst in Neerlands-Indiën; een besluit van dezen jongeling mij tot hiertoe onbekend, doch mij allezints welgevallig als prouveerende zijne aanhoudende zucht tot progressie in een tevens ten nutte der maatschapij, en derhalven niet kunnende afzijn denzelven U ten zeersten aan te bevelen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 254  Heemse, den 14e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Onder retour der in dato den 29e der vorigen maand door Hillegien Wijgmink, weduwe van wijlen Hannes Waterink, landbouwersche te Brucht in de gemeente aan Uwe Excellentie gepresenteerde rekweste, houdende, bij het verlies haarer twee bouwpaarden aan een en dezelfde kortstondige ziekte, verzoek om Uw Excellentie’s aveu, medewerking en intercessie ter bekoming eeniger geldelijke schadeloosstelling ofte ondersteuning uit het daartoe disponibel gestelde gedeelte van het fonds der non-valeurs bij de grondlasten, heb ik de eer bij deze gehoorzaamst te berigten. Dat de omstandigheden des rekwestrante en van derzelver gezin ja waarlijk zodanig zijn, als bij de rekweste opgegeven, en dat het alzo dezelve te zwaar zal voelen derzelver verlies uit eigene middelen te herstellen. Dat ten dezen gehoord hebbende derzelver naaste buurlieden, Herm Bokking, Albert Schepers en Berend Balderhaar, ook landbouwers te Brucht voormeld, staande ter goeder naam en faam en wezende met de omstandigheden der rekwestrante en de haaren bekend, mij dan deze ook niet alleen de assertiën ten rekweste volmondig geavoueerd hebben, maar tevens verklaard thans met de verdere buurlieden der rekwestrante genoodzaakt te zijn beurtelings derzelver verrichtingen voor den landbouw, waartoe dagelijks paardenarbeid vereischt wordt, uit te voeren, als buiten magte om zich op dit moment wederom paarden aan te schaffen, en waartoe na den bevoorstaanden oogst uit eigene middelen eindelijk zullende moeten komen, zich en de haaren daardoor zodanig achteruit gezet zal zien, dat dezelve schaade niet dan na verloop van jaaren zal kunnen herhaalen. Hebbende de opgemelde drie personen mij dan alverder ter staaving van het der rekwestrante alzo overkoomen ongeluk verklaard, dat de bedoelde paarden, die dezelve ook wel op de ten bij de rekweste opgegevene prijzen, of daaromtrend, naar beste wetenschap waren schattende, ten bij dezelve opgegevene dagen zijn overleden, aan eene hun onbekende eenzelvige ziekte, gepaard met eene plotseling onstaande kruislammigheid ten gevolge waarvan zich van achteren niet konden staande houden of oprichten, maar zulks pogende of daartoe geholpen wordende dadelijk wederom neervielen en zich verrekt in de stalling kwamen daarheen te leggen zonder veele buitengewone en pijnlijke bemoeiingen met de voorbeenen of ook den kop te maaken; blijvende hierbij de eetlust en ook de gewoone ontlastingen nog al behouden, ofschoon in de doorzwelging krampachtig schijnende te worden gehinderd; hebbende de derde der gebuuren, Berend Balderhaar, dan ook op den 30e april laatstleden een zijner bouwpaarden aan dezelfde ziekte, althans onder dezelfde verschijnselen, zien overlijden, na den 28e te voren eerst blijken van ongesteldheid te hebben gegeven gehad. Dat de berichtgever ook geenen grond hoegenaamd is voorgekomen zo om de oorzaak der ziekte der onderwerpelijke paarden aan eene niet behoorlijke oppassing, slechte of onbedachtzaame voedering en te groote aanstrenging toe te schrijven, als om die van derzelver overlijden te attribuëren aan eenig verzuim van vhee-artzelijke hulp zijnde, om door de rekwestrante ten rekweste aangevoerde redenen, gezocht geworden ter plaatsen alwaar men dezelve voor deze gemeente (bij zo grooten afstand van van Rijkswegen bezoldigde kunstwetenschapoeffenaren) te zoeken gewoon is en bij persoonen (beide elèves van den in zijn vak met roem gefungeerd hebbenden wijlen Jacob van der Kluin) daartoe geadmitteerd. Achtende zich alzo de berichtgever die overigens eerst van het afsterven der paarden van de rekwestrante werd geinformeerd bij gelegendheid van het verneemen van derzelver voorneemen tot het presenteren der onderhavige rekweste, zich verplicht zijne consideratiën ten dezen te doen strekken tot het obtien door de rekwestrante van eenigen geldelijken onderstand uit het daartoe bestemd fonds voor kwaade posten. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 255  Heemse, den 15e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Weekelijks berigt omtrend de zich in de gemeente vertoond hebbende verdagte vreemdelingen: geene.

Nr. 257  Heemse, den 17e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Verlofsverlenging van den schutter Jan Willem Koning te Bergentheim.

Nr. 261  Heemse, den 19e juni 1833, brief aan den heer commanderenden officier van het 2e battaillon der 1e afdeling mobiele Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd te Hulst, provincie Zeeland:

Aanvrage om een certificaat van presentie onder de wapenen bij zijn korps van Marten Hannesen, plaatsvervangend schutter voor Gerrit Jan Scholten, broer van landbouwer Hendrik Scholten Bergentheim.

Nr. 262  Heemse, den 21e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Verlofsverlenging van den schutter Gerrit Holtman, zoon van Janna Brinkman en wijlen Willem Holtman te Brucht.

Nr. 264  Heemse, den 10e juni 1833, brief aan den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Kennisgeving van het sterfgeval van Gerrit Jan Schrotenboer jr, landbouwer te Collendoornerveen, echtgenoot van Geertje Lamberink, hebbende minderjarige erfgenamen nagelaten.

Nr. 265  Heemse, den 24e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Besteedelingen Jacob Foust en Aaltjen Foust in de koloniën der maatschappij van weldadigheid. Beiden zijn door collega en ambtgenoot de burgemeester der Stad Hardenbergh na de kolonie of het gesticht Veenhuizen opgezonden en aldaar op ’s Rijks kosten verpleegd.

Nr. 266  Heemse, den 25e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Waardering der brandschade aan en omtrend de Dedemsvaart. Voordragende Peter Willering, timmerman te Heemse en Gerrit Jan Schrotenboer, veenarbeidkundige te Heemserveen.

Nr. 271  Heemse, den 28e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Opzending eener reclame wegens het kadaster van Gerrit Jan Hesselink, markenrichter der marke Bergentheim.

Nr. 272  Heemse, den 29e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Berigt nopens den staat der wegen, bruggen, duikers en waterleidingen in de gemeente, mitsgaders derzelver verbetering ten lopenden jaare. Dat na voorafgegaane inspectie der onderscheidene wegen in de gemeente, door mij en heeren assessoren bij derzelver bestuur successivelijk en voorafgaande bewerkstelligd, waarbij den wijk- of rotmeesteren in de onderscheidene wijken of buurtschappen der gemeente en den bijzonderen plichtschuldigen tot derzelver onderhoud de gevorderde aanwijzingen nopens derzelver herstellingen en verbeteringen op de plaats zijn aangeduid en aangewezen geworden, wij nu bij derzelver dezer dagen te werk gestelde schouwingen ook met genoegen hebben mogen ondervinden dat aan dezelve aanduidingen en aanwijzingen meestal volvaardig is voldaan, zo dat zich, met derzelver bruggen, duikers en spekken op dit moment in goeden en allezints voldoenden toestand zijn bevinden, laatende vast geene derzelve iets te wenschen overig, behalven de zogenaamde Sijtzama’s dijk in den weg van Heemse naar Coevorden, wiens glooijing ten afgelopenen winter veel door den waterslag hebbende geleeden, noch eenige werkzaamheden behoeft.

Nr. 275  Heemse, den 29e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Opzending van reclames wegens het kadaster van J. Stoeten Lz., G.J. Veurink en E. Dunnewind, markegecommitteerden der marke Rheeze; en twee van J. Bruins te Heemse.

Nr. 276  Heemse, den 29e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij mijne missive van den 18e april l.l., nr. 155, had ik de eer aan U te adresseeren een extract uit de deliberatieën van den Raad dezer gemeente van den dag te vooren, gehouden ten gevolge van deszelfs circulaire aanschrijving van den 13e derzelve maand, ten onderwerpe hebbende renseignementen bij de invoering van eenen rijks-accijns op het gemaal, en houdende onder anderen des raads gedagten en voordragt betrekkelijk de door de ingezetenen der gemeente op molens buiten dezelve te doen maalene graanspeciën en de wijze hoe ten dezen best in het gerijf van dezerzijdsch ingezetenen der buurtschappen en marken Bergentheim, Sibculo en Diffelen en tevens dat van den molenaar Willem Snel, ingezeten dezer gemeente, wonende aan den Mariënbergh onder Bergentheim voornoemd, doch zijnen molen even over dezelver grenzen, ten Ambte Ommen staan hebbende, te voorzien, - en nu ten gevolge van denzelven des raads-voordragt in dato den 19e dezer, onder nr. 619, door mijn heer den arrondissementsinspecteur te Deventer geïnformeerd wordende dat het den ingezetenen der voorzeide buurtschappen dezer gemeente mitsgaders die van Rheeze is toegestaan derzelver granen te verimposten te Ommen, even verre (1½ uur) als het kantoor te Hardenbergh van den bedoelden molen verwijderd, zonder dat daarbij iets vermeld wordt nopens een ten Ambte Ommen voormeld ofte binnen deze gemeente te Marienbergh voorzeid in de nabijheid van dien molen te vestigen sub-kantoor voor die verimposting, en alzo vindende ten dezen niets ten gerijve der bedoelde ingezetenen der gemeente of van den bedoelden molenaar gestatuëerd, zo heb ik gemeend hiervan bij deze, met eerbiedig verzoek van voorziening, Uwe Excellentie te moeten kennisse geven, evenals van de omstandigheid, dat zo voor de onderwerpelijke moolen geen sub-kantoor in de nabijheid deszelven komt te worden geplaatst, de molenaar Willem Snel voornoemd zijn geheele gemaal zal komen te verliezen zo van uit deze gemeente, als uit die van het Ambte Ommen, gemerkt de ingezetenen hunne consenten ter maaling van Ommen of hardenbergh op de voorzeide aanmerkelijke distantie zullende moeten gaan haalen, even als nu, zullen blijven verkiezen derzelver graanen na derwaarts ter maaling mede te voeren en zich alzo den ten dezen vereischten dubbelden togt zoeken uit te winnen. Verblijvende hiermeede onder aanbeveeling van den molenaar W. Snel en Uw Excellentie’s protectie onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 280  Heemse, den 30e juni 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh bij besluit van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie van den 20e maart l.l., geinformeerd geworden zijnde, dat er niet alleen geen bezwaar, maar zelfs voor de vermindering van het aantal individuele reclames groote niettigheid in konde bestaan, dat wegens onderwerpen, waarvan de uitkomst van algemeene toepassing in een kanton of gemeente zijn moet, door de plaatselijke besturen, polder-beheerders of dijks-collegien en markebesturen voor eene gemeente, heemraadschap of polder-district, casu quo gereclameerd wierde bij een algemeen bezwaarschrift en considererende de in het algemeen bij de ingezetenen der gemeente geuitte bezwaaren tegens de te hooge opvoering der tarieven bij het kadaster, was reeds dadelijk bedagt omtrend dezelve, ter voorziening daarin door de administratie ofte ulieder commissie, eenen algemeenen staat derzelve op te maken en, bewijslijk gestaafd, aan deszelve Zijne Excellentie, ten fine van redres derzelve te hooge tariefs-opvoering, waardoor de grondlasten ja waarlijk voor dezelve te drukkend waren geworden en derzelver krachten komen te boven gaan, meede voor Uwe commissie in te zenden, dna gebrek aan schriftelijke huurcontracten in eene gemeente waar men vast alles bij monde kwam te verhuuren en te huuren, althans nimmer zodanige in den regel bestonden of thans niet meer over de epoque van 1816 tot 1826 aanwezig zijn, immers van behoorlijke en naar voorschrift der wet ingerigte, van op zich zelven staande en met geene andere zaaken vermengde heeft hetzelve daarvan moeten doen afzien, doch, om niet door stilzwijgen te schijnen te avoueerene wet al bezwarend het kadaster bij ondervinding nu reeds aanvankelijk komt op te leveren, gemeent alhier kortelijk te moeten voordragen. Dat, ofschoon ten dezen over het algemeen minder te zeggen valt over de klasseering der onderscheidene landen en gronden in de gemeente, het toch allezints verwondering zoekt, dat men in alle wijken of buurtschappen (sectiën bij het kadaster) der gemeente exept Veenebrugge en Sibculo, onder de ongebouwde eigendommen in de 1e klasse gerangschikt vindt, hoedanige echter men vertrouwd alleen in de gemeente aan te treffen te zijn in de wijk, buurtschap ofte sectie Collendoorn, en slechts ook aldaar nog maar alleen in dat gedeelte derzelve, hetwelk bekend is onder de naam van het Holt, speciaal onder die van het erve en katersteeden de Hofstede, het Holthannes en het Seinen, bekende klei- en mindere culture en bemesting behoevende gronden hebbende terwijl toch die geene in de verdere buurtschappen, wijken of sectien der gemeente, welke  het den beambten van het kadaster behaagd heeft, meede in de onderwerpelijke 1e klasse te rangschikken, ten dezen hoegenaamd in geene adspect kunnen komen dan ten gevolge van derzelver meerdere en kostbaardere culture, en alzo voorkomende ten dezen met vorenbedoelde op het Holt onder Collendoorn voorschreven geentzints pari passu te kunnen gaan en in billijkheid met dezelve op denzelfden voet te hebben mogen worden belast. Dat het derhalven den schijn heeft dat men bij het kadaster maar zo veel mogelijk overal in de gemeente rondgezogt heeft om in elke van derzelver wijken, buurtschappen of sectien onder de ongebouwde eigendommen, landen van de 1e klasse te vinden, en dat, dit ten notoiren gevolge gehad hebbende, de rangschikking der verdere van meerdere uitgestrektheid en omvang in de 2e en volgende klassen, hierdoor alzo bij de toepassing op dezelve van de onderscheidene tarieven, ten dezen meede den grond is gelegd geworden voor de hoogst bezwarende uitkomsten van het kadaster in de gemeente; en bevreemdende het dan nog daarbij zeer, dat men, zo zoekende en rondsnuffelende om waardens voor dezelve 1e klasse te vinden, men dan dezelve nog niet even zeer in de voormelde wijk, buurtschap of sectie Veenebrugge heeft kunnen opspooren, dan in die van Radewijk, wier landen en gronden wij althans bij ondervinding als niet beter vermeenen te kennen.