Oorkondenboek Overijssel, Regest 0146
1230-08-31
Acta sunt hec Davantrie anno Domini M ducentesimo tricesimo, pridie Kalendas Septembris. Willibrandus, bisschop van Traiectum, verklaart dat hij in tegenwoordigheid o.m. van Ludolfus, plebaan van Swolle, Gerardus de Hervete, Arnoldus de Laren, Albertus de Honlo, Herbertus Drentho, Leo maarschalk, Wenemarus advocatus van Salland, Goszwinus de Daventria en zijn broer Johannes, Eggelberus de Gernere, Johannes de Creienscate, Pelegrinus de Putte, Walterus Reding, Ghyselbertus de Buchorst, Hermannus de Deyse, Nycolaus de Thy, Hugo de Oxe, Alferus de Yselmuden, Henricus de Ghernere, Godescalcus de Dalvessen, Egbertus de Eme, Johannes de Rune, Gerardus de Ostenwolde, Hugo Storm, Hugo Dunker, Ghysilbertus de Leweth, Wicherus Benting, Rodolfus de Nurcht, Rodolfus de Langelo, Hugo de Lare, ridders, Swederus de Vorste, Ludolfus de Dventria, Walterus en Ecbertus de Yslemude, aan dienstmannen schepenen en gemeente van het dorp Suolle  wegens de door hen in de strijd tegen de Drenthones betoonde trouw en de financi‰le lasten, die zij zich voor de bouw van het kasteel Hardenborg getroost hebben, heeft toegestaan hun dorp tot stad te verheffen en het met grachten en muren te versterken; voor het overige zullen zij de rechten genieten die de inwoners van Davantria bezitten; een en ander met dien verstande dat de stadsvrijheid zich niet buiten de muren zal uitstrekken en dat Johannes de Ostendorp, Johannes en Andreas de Middelwic en hun huizen Ostendo(r)p en Middelwic vrij van alle schatting zullen zijn.