Zwolse Regesten, Regest 0289
1388-04-10
In 't jaer ons heren dusent driehondert acht ende tachtentich des tienden dages in aprielle.
Florens (van Wevelinkhoven), bisschop van Utrecht, verklaart in aanwezigheid van Johan Sloet en Herman van Hunloe, zijn leenmannen, dat op des dinxdages na sinte Egidiusdach, dat die negende dach was van september in den jaer van twe en tachtentich nu naest verleden (9 september 1382) Johan, heer van Cuenre, Henric, heer van Dorrete, ridders, Henric de Zuere, Helmich de Zuere, Gosen Alpherssoene, Gerbert van Holleseynde, Cyse van der Schure, Henric Stelling die olde, Henric Stelling die jonge, Johan Alferssoene, geheten Rodenkak, Henric Schaepe, Willem Morriken van Catenhorst, Henric van Haersolte, Herman van der Eze, Johan Hagen, Huge van der Halle, Arent Stompe, Rolof Wevel, Gosen Ludickenssoene en Willem Morre van Campen, Henric van Schederic en Johan Ludickenssoene van Swolle in het gericht te Vollenhoe op verzoek van de nabestaanden van de op de drie dagen na --- den jaere ons heren doe men schreef dusent driehondert twee ende tachtentich des derden daeges in der maent augustus (6 augustus 1382) door Vriesen uit Stellingwerf en vooral uit Spangen, Scherpenzeel en Monnickbure in strijd met de in den jaer ons heren dusent dryehondert ende tachtentich des naesten dage na sinte Odulphusdage (op 13 juni 1380) voor twintig jaar gesloten vrede vermoorde Everdt van Essen, de inwoners van de drie kerspelen Spangen, Scherpenzeel en Monnickbure als vredebrekers vervallen van hun lenen verklaard hebben, zodat de bisschop de erven en goederen, die toebehoorden aan de in Spangerkerspel woonachtige zonen van Johan Schuring, aan Johan Haghen verkocht en beleend heeft ten behoeve van de bouw en versterking van de sloten te Vollenhoe en Hardenberghe.