Zwolse Regesten, Toeg. 700, Regest 1018
1416-12-19
In 't yaer ons heren duysent vierhondert ende sestyen des saterdaghes na sunte Luciendach der heiligher joncfrouwen.
Gheert die Vleyschouwer Johanssoen, Wolter van Beesde die potghieter en Johan van den Beerne die lynewever, verklaren, dat zij gezworen hebben nooit meer iets te zullen ondernemen tegen Frederic van Blanckenhem, bisschop van Utrecht, en zijn opvolgers, tegen de onderdanen van het Sticht Utrecht, hun meiers en hun goederen, waar ook gelegen, noch ook tegen schepenen, raad, meente en ingezetenen der stad Zwolle, hun meiers en hun goederen, waar ook gelegen, noch ook tegen diegenen van buiten, die nu binnen Zwolle gekomen zijn om schepenen,raad en meente van Zwolle te helpen bij de zaken, die ze nu te doen hebben, noch ook tegen hun meiers en hun goederen, waar ook gelegen, en evenmin tegen Ludeken Johanssoen, richter te Zwolle, zijn knechten, zijn meiers en zijn goederen, waar ook gelegen, terwijl zij voorts nog het volgende beloven:
1. Gheert die Vleyschouwer Johanssoen belooft heden ten Herdenberghe te zulen zijn en binnen vijf dagen in het bisdom Palborne (Paderborn) of het bisdom Ossenbrugghe (OsnabrĀck) en dat nooit meer te zullen verlaten;
2. Wolter van Beesde die potghieter belooft heden te Deventer te zullen zijn en binnen vijf dagen in het land van der Marke en dat nooit meer te zullen verlaten;
3. Johan van den Beerne die lynewever belooft heden drie mijl van de stad Zwolle verwijderd te zullen zijn en binnen tien dagen in de stad Ludick (Luik) of Ghent en die stad nooit meer te zullen verlaten,
terwijl zij allen voorts beloven zelf, evenmin als hun familieleden of vrienden, te zullen trachten schepenen, raad en meente of hun bondgenoten te overvallen of doden of uit de stad te verdrijven, op straffe van de dood en verbeurd verklaring van al hun goederen.