Historisch Centrum Overijssel (HCO)

Toegang 0214 Huis Almelo, no. 793.
1509-04-18

Wesselus de Mernehem en Ludolphus de Yttersum, Utrechtse notarissen, verklaren dat Everhardus de Backe en Wilhelmus de Twel (Tuyl), ridders, leken uit het bisdom Utrecht, hebben bekend schuldig te zijn aan Adolphus de Rechteren, jonker van Almeloe, de som van 475 Rijnse guldens, als restant van een bedrag van 600 Rijnse guldens, zijnde de koopsom van eike- en andere bomen afkomstig van de erven Hondebrynck en Ruuehoff en andere in de heerlijkheid Almeloe, zulks volgens de koopakte bezegeld door Rodolphus de Schonencamp, schout van Covoerden; voor welke restanten de debiteuren jaarlijkse renten uit hun goederen hebben gevestigd ten behoeve van de heer van Almelo tot een totaal van 38 mudden tarwe, volgens een aparte akte daarvan opgemaakt, waarna debiteuren tot zekerheid van de nog aflosbare som, de rente en eventuele invorderingskosten al hun roerende en onroerende goederen, speciaal gelegen in het gericht Hardenberg, stellen. (In capella sancti Anthoni in Rechteren)
Getuigen: Theodericus de Ceppel de Verwolde, Haldwynus de Voerst, Johannes de Thije, Bernardus de Thije en Wilhelmus de Myddele, ridders, en Johannes de Oetmersem en Johannes Henrici, leken uit het bisdom Utrecht.

NB: Origineel op perkament (inv.nr. 1346), met de signaturen van de notarissen.