1170 Greven, familie, regest 4.

1692-00-00

Herman Meeuwsen, schout van Zwolle en Zwollerkerspel, verklaart in aanwezigheid van Evert Rietbergh en Jan Driesen als gerichtslieden en van Gerrit Holt, gerichtschrijver, dat Joan Molkenbour, schout van Hardenbergh, en Christina van Kuyck, zijn vrouw, aan Joan Jellen en Agnis Schuirman, zijn vrouw, 1000 Carolusguldens van 20 stuivers per stuk schuldig zijn, wat na een opzeggingstermijn van een kwartaal van weerszijden opgezegd kan worden, waarvoor zij ieder jaar op 1 maart 60 Carolusguldens als rente zullen betalen, waarvoor zij de helft van het vrij eigen erve en goed, waarvan de andere helft aan Gerryt Molkenbour, doctor, toebehoort als onderpand stellen, dat bestaat uit 7 waren of koeweiden en 21 1/2 morgen bouwland, dat bezwaard is met een bedrag van 700 Carolusguldens, verstrekt door juffrouw van Ittersum en een bedrag van 50 Carolusguldens, verstrekt door Servaas Witkop en waarvan de helft van Joan Molkenbour en Christina van Kuck, zijn vrouw, bovendien nog bezwaard is met een bedrag van 500 Carolusguldens, verstrekt door de kinderen van wijlen Geurt Greven, hopman, en een bedrag van 500 gulden, verstrekt door Albert Molkenbour, schout van Dalfsen, broer van Joan Molkenbour, en dat in de buurschap van Schelle gelegen is, terwijl Jan Driesen als pachter belooft zijn pacht steeds op tijd te zullen betalen en Albert Molkenbour, schout van Dalfsen, en Gerhard Molkenbour, medisch doctor, als broers verklaren, dat het testament van wijlen Hendrick Molkenbour, hopman, en Lebuina Greven, hun ouders, zich hier niet tegen verzet.

1 charter.
NB: Zie Ch. coll. 692.01.