Doodgravers op Nijenstede


koster en schoolmeester Gerrit Jan Pruim

Jan Herm van Loo

Johannes van Loo, wonend op 't Hoofd (Sallandschestraat)

J. Niezink

Hendrik Jan Dörman (1845-1916)

Albert Dorman (Gramsbergerweg 1876-1966)

Albert Dorman (Gramsbergerweg 1917-1999)

 

De doodgravers werden vanouds benoemd door het kerkbestuur.
Tot hun taak behoorde o.a. het goed onderhouden van het kerkhof, namelijk paden, heggen enz. schoon en in orde te houden.
Ze moesten van onbesproken gedrag zijn en een eerbiedige bediening tijdens begrafenissen werd zeer aanbevolen. 

 

 

 

1809-08-21
De aangestelde doodgraver was dezelfde als de schoolmeester/koster, oftewel Gerrit Jan Pruim.

Op het hier teruggaande berigt van de Magistraat der Stad Hardenberg op de klaagrequeste van de volmagten en zetteren van het carspel, over de buiten hunne voorkennis aangestelden doodgraver in de stad, zal ik in voldoening aan de aanschrijving van mijnheer den Landdrost van den 2 oogstmaand 1809 no. 15 de eer hebben van consideratie te dienen. Dat klageren de volmagten en zetteren van het carspel de regering van den Hardenberg niet betwisten het regt om in haar stad een doodgraver aan te stellen, maar beklagen zig dat de ingesetenen van 't carspel over die aanstelling niet behoorlijk zijn gekend of geconvoceerd geworden en de Scholtus des Carspels zigh beholpen heeft om de kerkensprake wegens die aanstelling door de regering der stad gedaan, mede te Heemse te laten afleesen, en aanplakken, uit welke kerkensprake de ingesetenen des carspels niet hebben begreepen dat dezelve daaronder betrokken werden, waartoe dezelve nimmer hunne toestemming zouden gegeven hebben, bij aldien sij daarover behoorlijk waren geconvoceert geworden. Al het welk de Scholtus ook wel zal gevoelt hebben, en daarom uit vrees dat zijn broeder daar mede niet mogt begunstigt worden, dit expedient daar op uitgevonden heeft. Daar het mij nu egter voorkomt dat om de bij het berigt der Regering aangevoerde gronden, de aanstelling van den doodgraver in den Hardenberg niet gevoeglijk kan vernietigt worden, zoo zij het mij egter vergund, mijnheer den landdrost, eerbiedig in bedenking te geven of de ingesetenen van dat carspel wegens die gebrekkige aanstelling, waardoor dezelve verschrikt zijn geworden, die consideratie niet menteeren, dat dezelve voor het maken hunner graven minder betaalden, hetwelk den doodgraver die teffens schoolmeester en koster is, en thans een ruimer inkomen als den predicant heeft, niet aanmerkelijk zal benadeelen, waardoor mij teffens durf vlijen, dat aan de carspels ingezetenen genoegen zal gegeven worden. Ik heb de eer. Den 21 van Oogstmaand 1809. Toegang 3.1, inv.nr. 6828.

1809-07-04
Passage uit de verbalen van de kwartierdrost van het 2de kwartier aan de Landdrost:
Doodgraver en schoolfonds : Ik heb de eer hierbij twee requesten te zenden van de gecommitteerden der burgerij van den Hardenberg, waarbij dezelve zigh beklagen over de verhoging van het schoolgeld met 12 stuivers op de gulden, als mede dat de regering van den Hardenberg verweigert aan requestranten verzoek om eenige opening of reden van die zware verhoging te geven te voldoen. Het andere request is van de volmagten van het carspel Hardenberg, houdende klagten dat buiten hunne voorkennis een doodgraver in den Hardenberg was aangesteld, aan wien de ingesetenen van het carspel voor het maken van een graf voor een dode moeten betalen 1 gulden en van een kind 10 st., verzoekende om van dit voor hunne ingezetenen soo drukkend bezwaar bevrijd te worden en dat de oude gewoonte onder hun van het maken der graven door de gebuuren wederom mogt stand grijpen. Volgens bekomene onpartijdige informatien is het mij voorgekomen dat de klagten van bijde parthijen niet zonder grond zijn en dat de regering van den Hardenberg met de bepaling en invordering van het schoolfonds vrij dispoticq handelt, alsmede dat de ingesetenen van het carspel niet behoorlijk kennis hebben gedragen van de aanstelling van een doodgraver in den Hardenberg en niet geweeten hebben dat de carspels ingezetenen daarbij onder betrokken waren. (Toegang 3.1, inv.nr. 6828)


Rotterdamsch nieuwblad 6 juni 1889

 

 

 

Men schrijft ons uit Hardenberg:
Ook deze gemeente heeft zijn kerkhofsquaestie, waarin, als we goed zijn ingelicht, spoedig de beslissing des rechters zal worden ingeroepen. Tengevolge der zoogenaamde reformatie in de Herv. kerk alhier, werd, nadat de kerkelijke goederen door de doleerenden aan den advocaat van de classicalen waren overgegeven, door het nieuwe kerkbestuur een andere doodgraver aangesteld, daar de in functie zijnde in de doleerende kerk
ouderling was. Ook werd aan de diakenen der doleerenden wel zooveel te kennen gegeven, dat men hen niet langer toeliet te collecteeren
op het kerkhof voor hun armen. De kerkeraad der doleerenden besloot toen om de collecte in plaats van op het kerkhof aan het sterfhuis te houden, zoodat de diakenen der Herv. kerk, welke steeds bij elke ter aardebestelling collecteerden, bijy een begrafenis van doleerenden niets of bijna niets
ontvingen. Ook schaften de doleerenden een lijkbaar en een doodlaken aan en lieten niet langer, zooals hier vrij algemeen
gebruikelijk is, bij den dood of het begraven luiden.

Het kerkbestuur der Herv. gemeente, die beweert recht te hebben op het kerkhof en ook reeds sedert jaren zijn recht daarop heeft uitgeoefend, duldt de lijkbaar der doleerenden niet op 't kerkhof, en vordert, als een tegemoetkoming van het missen der
opbrengsten van de collecte en voor 't gebruik van het doodlaken een zekere som (wij meenen twee gulden) voor het gebruik der lijkbaar. Hiertegen komen de doleerenden in verzet. Zij beweren, dat het kerkhof particulier eigendom is, waarover het
kerkbestuur niets te zeggen heeft, daar de graven alle het eigendom zijn van particulieren.

Zoo nu en dan heeft er een hevige woordenwisseling plaats bij de poort van't kerkhof, daar de doleerenden trachten met hun
lijkbaar op het kerkhof te dringen, terwijl de doodgraver hun dan op last van 't kerkbestuur den toegang weigert en 't hek gesloten houdt.

't Is te wenschen, dat aan dezen onverkwikkelijken strijd spoedig een einde kome, want gehaspel en twist bij een geopende
groeve, waar ons alles tot vrede stemmen moest, is bijzonder hinderlijk.

 

 

1891-05-30: Klachten over het begraven door de doodgraver H.J. Dorman
Na verschillende klachten bracht de burgemeester een bezoek aan het kerkhof, waarop hij vervolgens de volgende opmerkelijke brief aan de president-kerkvoogd van de hervormde gemeente (de eigenaar van het kerkhof) schreef:
Meermalen is het mij gebleken dat de door u Weleerwaarde aangestelde doodgraver met opzet zijn plicht verzuimd, herhaalde malen toch maakte ik hem opmerkzaam, dat de lijken te ondiep begraven werden en er in de meeste gevallen in plaats van een meter zand boven de kisten slechts eene hoogte te bespeuren was van 7 à 8 decimeter. Onlangs bij het opgraven van een kinderlijkje ontdekten wij hoe onzedelijk zijn handelingen zijn; wij ontwaarden dat boven op het kistje gelegd waren onderscheidene beenderen, alsmede 2 doodshoofden in wier kaken de kiezen nog vastzaten, dusdanige gruwelen strijden tegen de zeden. Het is daarom dat ik u dringend en ernstig in overweging geef, deze persoon onmiddellijk te ontslaan en een ander aan te stellen waarvan men verwachten kan, deze beter zal handelen. Ook heeft het mijne aandacht getrokken er in den laatsten tijd vele lieden begraven worden die niet in het bezit van graven zijn; doch telkens bij andere eigenaren graven worden gekocht, die nog niet volgens de wet mogen worden ontruimd, ten blijke van een verkochte begraafplaats van R. Vasse, alwaar men de hier voren genoemde hoofden en beenderen te voorschijn haalde. Ik heb gemeend u met dit een en ander in kennis te moeten stellen en geef u den raad te bevorderen dat door uwe tussenkomst in het vervolg niet meer lijken worden begraven op uw kerkhof, dan die welke rechtelijk in 't bezit zijn van graven, ten einde te voorkomen dat ik genoodzaakt worde, de Hervormde begraafplaats voor geruimen tijd te sluiten. Op de gemeentebegraafplaats is genoeg ruimte (bron: Uitgaande brieven burgemeester Stad Hardenberg, d.d. 30-5-1891).

(Dit speelde zich af in de tijd dat de gemeente een eigen begraafplaats aan de Stationsstraat had, hier is echter nooit iemand begraven. Later werd op deze begraafplaats de O.L.S. gebouwd.)

lijkwagenvereniging   lijkwagenvereniging
oud gebruik: doodgraver spreekt formulie aan het graf

Lijkwagenvereniging 1918 en 1952

lijkwagenvereniging
Krant 21-03-1952: aanschaf van dekens met manekoppen en mantels voor G. Kremer en Vasse

lijkwagenvereniging
Begrafenisondernemer Egbert Renkema (1878-1932) was in 1926 woonachtig op A47 en in het bezit van een begrafeniswagen.

Verder was hij onder meer koetsier voor hotel Brouwer, kolenhandelaar, verhuurde auto's en had een depot van Douwe Egberts.

lijkwagenvereniging
Lambert Klement, secretaris penningmeester van de lijkwagenvereniging.