Belgische vluchtelingen in Hardenberg

E. Wolbink


Honderd jaar geleden was de Eerste Wereldoorlog in volle gang. Wij, Nederlanders, bleven gelukkig buiten schot, omdat het de regering gelukte - zo goed als - neutraal te blijven.

Terwijl een groot deel van de wereld in brand stond, ging in Nederland, en zeker bij ons, het leven zijn gewone gang. Toch merkten de inwoners van Hardenberg en omgeving wel degelijk iets van de gevolgen van het Europese strijdgewoel. Al snel na het uitbreken van de 'grote oorlog', op 28 juli 1914, werd ons land een veilige haven voor vele honderdduizenden vluchtelingen uit België. Deze vluchtelingen waren zowel burgers die vreesden voor het oorlogsgeweld en de vermeende wreedheden van de Duitsers, als militairen die ofwel deserteerden of van hun legereenheid waren afgesneden.

De gemeente Stad Hardenberg, op dat moment slechts iets meer dan 2000 zielen tellend, kreeg op 15 oktober 1914 maar liefst 115 vluchtelingen binnen haar stadsgrenzen. Deze moesten worden voorzien van voedsel en huisvesting. Dat laatste was nog niet zo eenvoudig. Het gemeentebestuur besloot daarom de kort ervoor opgeleverde paardenstallen van de Coöperatieve Landbouwvereniging te vorderen en aan te wijzen als tijdelijke opvanglocatie. De stallen waren verrezen aan de Stationsweg (Stationsstraat), nabij het oude kerkhof Nijenstede.

Daar verbleven de vluchtelingen slechts korte tijd. Zodra de opvanglocaties in openbare gebouwen in gereedheid waren gebracht, werden ze daar naar toe overgebracht. Vanaf dat moment bivakkeerden ze in het Gebouw voor Christelijke Belangen, de oude Bewaarschool en in de oude openbare lagere school aan de Achterstraat. De inwoners van de gemeente waren betrokken en hielpen daar waar ze maar konden. Over het algemeen was hun houding ten opzichte van de vluchtelingen positief.

De eerste brief in het archief van de gemeente Stad Hardenberg welke handelt over de opvang van de Belgische vluchtelingen dateert van 18 oktober 1914. Het is geschreven door de burgemeester van Avereest, Ubbo Petrus Cavaljé, aan zijn ambtsgenoot Jacobus Willem Cornelis Bloem. Deze eerste burger van Stad Hardenberg viel wat dat betreft wel met de neus in de boter. Hij was nog maar net geïnstalleerd als burgemeester (10 oktober) of hij werd geconfronteerd met het vluchtelingenprobleem.
Cavaljé schrijft dat hij diezelfde ochtend vroeg een Belgische vluchteling op zijn kantoor heeft gehad die voorgaf dat hij al het hele land had door gezworven en nu hulp zocht bij zijn terugtocht naar België. Het verhaal was de burgemeester enigszins verdacht voorgekomen en daarom had hij de politie een nader onderzoek laten instellen. Daaruit was gebleken dat de vluchteling Charles Louis Bonduel heette en dat hij in de gemeente Stad Hardenberg in een school met andere vluchtelingen was ondergebracht. Bonduel was in België opgenomen geweest in een soortgelijk gesticht als Veenhuizen. Een van zijn mede-vluchtelingen had hem herkend en had hem openlijk verwijten gemaakt over zijn verblijf in een landlopersgesticht. Dat was de reden waarom hij zijn verblijfplaats in Hardenberg stante pede had verlaten. Burgemeester Cavaljé beëindigde zijn brief met de vraag of zijn collega het wenselijk achtte dat de vluchteling werd teruggebracht naar Stad Hardenberg.

Burgemeester Bloem reageerde twee dagen later en liet weten dat men op dat moment circa 120 Belgen huisvestte, maar dat er sinds kort één werd vermist. Hij schrijft:

Enfin, de persoon ziet er als volgt uit: een kuiltje of deukje in de wang, leeftijd circa 26 jaar, gekleed in grijs jasje, wat wel de indruk geeft van gestichtskleeding, grijs vilt hoed en vilt pantoffels. 't Is zeer waarschijnlijk wel de persoon die hier vermist wordt. Hij deelde hier mede dat hij uit Gent kwam, aldaar samenwoonde met moeder en tante, doch van die beiden niets wist. Aangezien hij hier geen familiebetrekkingen heeft, is terugzenden beslist niet noodig, en bovendien te ontraden, omdat wij hier al zoo vol zitten.

Enig speurwerk door collega Sophie Welvaert van het Bevolkingsarchief van de Stad Gent wees uit dat het hier handelde om Charles Louis Bonduel die op 27 januari 1878 was geboren in Gent. Op goed dertigjarige leeftijd was hij verhuisd naar Lens in Frankrijk, maar in 1914 was hij kennelijk op de vlucht geslagen en in Nederland terecht gekomen. De burgemeester had hem ‘circa 26 jaar’ geschat, maar hij was dus al wat ouder (in 1914 was hij geen 26, maar 36). Het laatste wat nog van hem bekend is, is dat hij de ‘Grote Oorlog’ heeft overleefd, want in 1927 vestigde hij zich in de zgn. ‘Merksplas-Kolonie’. Dit komt weer overeen met hetgeen door de burgemeester van Avereest werd geschreven, namelijk dat hij was gevestigd in ‘een gesticht als Veenhuizen’. In ieder geval verbleef Bonduel na de oorlog (opnieuw) in zo’n gesticht. De Merksplas-Kolonie was een ‘onvrije’ landloperskolonie. De landlopers werden er verplicht om in de regio op het land te werken om zo hun werkethos te bevorderen. Er heerste strikte orde en tucht.

De volgende brief in ons archief, welke handelt over de opvang van de Belgische vluchtelingen, bevat een ‘zeer vertrouwelijk’ advies voor de burgemeester. Letterlijk wordt gevraagd ‘zachte dwang’ uit te oefenen op de Belgische vluchtelingen, om ze ertoe te bewegen naar hun vaderland terug te keren. De steller van de brief schrijft:

Aan vluchtelingen die weigeren on binnen korten tijd (10 à 14 dagen) naar hun land te vertrekken, zou van Uwentwege kunnen worden medegedeeld dat door U is vernomen dat er door de Regeering plannen worden overwogen om de ondersteuning die zij alhier genieten, op minder kostbare wijze te doen geschieden en hen daarom naar het kamp te Oldebroek of naar Veenhuizen te doen transporteeren. Zooals vanzelf spreekt, kan door U niet worden medegedeeld dat U iets van Regeringswege of van mij omtrent deze plannen bekend is, maar een zacht dreigement in den aangegeven zin, althans eene meer of minder krachtige aansporing zou, naar ik van het Departement van Binnenlandsche Zaken verneem, der Regeering wel wenschelijk voorkomen.

Het is niet bekend of burgemeester Bloem zich iets van dit ‘advies’ heeft aangetrokken. Wel weten we dat er op 8 december om 09.20 uur een speciale trein vertrok vanaf station Hardenberg. Aan boord was een groot deel van de 115 vluchtelingen. Zij werden overgebracht naar het vluchtelingenkamp bij Nunspeet.

Tweeëndertig personen gingen niet mee en bleven in Stad Hardenberg. Die keuze werd gerespecteerd door de Commissaris van de Koningin in Overijssel, maar – zo liet hij weten – dan kwamen de onderhoudskosten geheel voor rekening van de particulieren die hen onderdak boden. Die particulieren hadden zich verenigd in een ‘Plaatselijk Steuncomité’, voorgezeten door dokter Kattenwinkel. Eind december 1914 verbleven dezelfde 32 vluchtelingen nog altijd in de stad. Zij waren van een betere of gegoede stand.

In ons archief wordt verder nog interessante correspondentie bewaard dat afkomstig is van de Belgische vluchtelingenfamilie Walschaert uit Antwerpen. Twee kinderen Walschaert hebben tijdelijk onderdak gehad bij het echtpaar Johannes Fredriks en Lambertha Blomberg aan het Oosteinde. De brieven werden geschreven vanuit hun nieuwe woonplaats Amersfoort, alwaar ook een vluchtelingenkamp lag...

[Op de prentbriefkaart zijn de paardenstallen van de Coöperatie te zien, gelegen aan de Stationsweg (nu Stationsstraat, waarin de Belgische vluchtelingen hun eerste opvang vonden.

panorama ca. 1925