Archieven: 2019-12-12

Toen, op 12 december 1858: Puto’s Ziene te Slagharen.

In de Zierikzeesche Nieuwsbode van 22 december 1858 lazen we:
“Slagharen, 12 dec. Men verneemt, dat heden nacht zekere weduwe, in den wandel Puto’s Ziene genaamd, alhier wonende in eene ellendige hut, bestolen is geworden voor eene som van f. 6000 a f. 7000. De dief of dieven hebben dat geld uit den grond onder den wal der hut gegraven, waaruit men natuurlijk moet afleiden, dat het geene onbekenden zijn geweest. De bestolene, hoewel zeer armoedig levende, wordt gezegd veel geld te bezitten”.


Toen, op 08 december 1934: archeologische vondsten.

Onze eigen ‘De Vechtstreek’ van 8 december meldde al:
“Gramsbergen. Historische vondst. Momenteel is men bezig met het in werkverschaffing verbeteren van de oude stadsgrachten die dienst doen als waterleidingen. Op sommige plaatsen wordt de oude loop gedempt en een nieuwe waterleiding gegraven. Daarbij is men gestuit op de fundamenten van het vroegere kasteel van den Heer van Gramsbergen. Deze werden voor een gedeelte blootgelegd en de volgende dagen zal daarmede worden doorgegaan. Ook werden enige beelden gevonden die het vroegere kasteel versierd zullen hebben. Het was een in zandsteen gebeeldhouwde vrouwenfiguur, een leeuwenkop en een ornament van bladeren en trossen druiven. Het gevondene is voorlopig geborgen bij den heer Van der Haar die het huis bewoont dat vroeger het koetshuis van het kasteel vormde, in afwachting van de bestemming die eraan gegeven zal worden. Het is wel een historische bodem waar men thans aan het werk is. Reeds omstreeks 1400 is er sprake van het kasteel van den Heer van Gramsbergen. Het werd in den Tachtigjarige Oorlog verwoest en in 1607 begonnen de nakomelingen van Statius van Aeswijn met den herbouw. Dit nam zes jaren in beslag. In latere jaren ging het kasteel enige keren in andere handen over, tot het na het overlijden van den laatsten kasteelheer omstreeks 1820 werd afgebroken. De grachten en de poorten, die toegang tot de Heerlijkheid gaven, bleven intact, evenals het koetshuis. Op de plaats waar men thans op de fundamenten is gestuit, bevindt zich ook nog een oude waterput. Vroeger lag deze op de binnenplaats van het kasteel. De overlevering wil dat zich daar ook nog een onderaardse gang bevindt, welke moet eindigen op den Oldenhof, ongeveer twee kilometer verderop. Daar heeft men enige jaren geleden reeds fundamenten gevonden, doch daar men vreesde voor instortingen is het gat weer dichtgegooid en zijn de nasporingen gestaakt. De mogelijkheid is niet uitgesloten dat men bij de verdere werkzaamheden op de overblijfselen van deze gang zal stuiten.”

Het Algemeen Handelsblad van 13 december 1934 meldde:
“Bij graafwerk op ‘Den Steen’ te Gramsbergen zijn een aantal oude beeldjes en een geweer gevonden, afkomstig van een kasteel dat hier in vroeger eeuwen gestaan moet hebben.”

“Een historisch plekje gaat verloren. Naar aanleiding van ons bericht wat betreft de historische vondsten bij het vroegere Kasteel alhier, hebben we dezer dagen eens een nader onderzoek hiernaar ingesteld, alsmede naar de verrichte werkzaamheden. Wij gingen, gewapend met potlood en papier, langs de hervormde pastorie, waarbij ons direct opviel het aloude koetshuis van het Kasteel Gramsbergen, alsmede de weide, samen genoemd ‘de Heerlijkheid Gramsbergen’ welke nog omzoomd is met de oude grachten en poorten, alles daterende uit het jaar 1400, zoals we op een der poorten konden lezen. Toen we verder gingen kwamen we bij het werkverschaffingsobject, waar talrijke arbeiders aan het werk waren. Direct toonde men ons de vondsten, nl. een in steen uitgebeelde tak met vruchten, een mensenhoofd, alsmede een uitgehouwen leeuw. Alles is in zandsteen uitgehouwen en verkeert nog in goede conditie. Uit een steen, welke minstens 1000 pond weegt, kan men nog duidelijk opmaken dat dit een steen is geweest welke bij een begraafplaats heeft gestaan. Alles wordt netjes bewaard totdat de heer B.H. Kelder, notaris te Dedemsvaart, rentmeester voor den heer Löhnis van Zwolle en de N.V. Havezathe, de verdere bestemming hiervan zal aanwijzen. We vernemen dat al vele inwoners zich aangemeld hebben voor deze historische vondsten. Bij de verdere bezichtiging dezer werkzaamheden vonden we een tien meter lang fundament, welke afkomstig is van het vroegere Kasteel Gramsbergen. De stenen welke zich hieraan bevinden, zijn van grote afmetingen en uiterst zwaar. Toen we een en ander zo eens bezichtigd hadden, kwamen wij tot een enigszins onaangename ontdekking. Ons bleek namelijk dat de al eeuwen oude grachten, welke de vroegere Heerlijkheid omsingelen, worden dicht gemaakt en door nieuwe vervangen. Wij die het nut van deze werkzaamheden wel inzien – een groot stuk weidegrond de Steen zal hierdoor aanmerkelijk verbeterd worden – betreuren deze verdwijning van de grachten ten zeerste, daar hierdoor een fraai gedeelte – en waarlijk wel het mooiste plekje van ons stedeke – verloren gaat. Het koetshuis met de grachten en de schitterend mooie omgeving van bomen, vormen waarlijk een plekje waar geheel Gramsbergen trots op was. Een en ander zal thans mede een prooi worden van de werkloosheid en zijn gevolgen. Gramsbergen zal dan niet meer kunnen roemen op zijn vroegere ‘Heerlijkheid’, daar thans het mooist en oudste gedeelte ervan vergraven wordt. Verder vernamen we nog dat de populieren welke des zomers een prachtigen aanblik geven aan den Goordijk, alle eveneens opgeruimd zullen worden. Ook hierdoor zal een prachtig weggedeelte van het vroegere kasteel, hetwelk er heeft gestaan van 1400 tot 1820, verdwijnen.”


Toen, op 05 december 1890: Sint Nicolaasfeest.

Een historische schets uit Hardenberg:
’t Is 5 december 1890. De schoolkinderen van de beide scholen in Hardenberg gaan, zodra ’s middags om half vier de school uitgaat, de twee winkels in de Voorstraat bezichtigen waar St. Nicolaas poppen zijn uitgestald achter de smalle winkelramen. Dit zijn ook de enige winkels in Hardenberg waar men zien kan dat het die dag St. Nicolaas is. In de andere winkels is alles ’t zelfde en van bijzondere uitstalling niets te zien.

Twee kinderen uit de beide verschillende scholen staan ook te kijken en geraken daarna in druk gesprek.
Jantje vraagt aan Miena: ‘Wat krieg ie-j van Sunterkloas?’ En ’t antwoord is: ‘Mien pappe hef een mooie blokdeuze en gaanzebord veur mi-j aan Sunterkloas besteld en mien breurtie krig ’n mooi klein peertie met ’n klein karregien, en ie-j dan Jantie?’ ‘Wi-j kriegt van Sunterkloas ne mooie prente en schoelgriffel en taai sunterkloassie en aw mörgen vrog wakker word, goa’k voart hen kieken, want ik hebbe vanmiddag al heuj in ’t klumpie veur Sunterkloas zien peerd e’doane. En vanoamd kriegt mien breurtie en ikke ieder veer cent um hen dobbeln te goan. Mien moe kan niet meër missen, want mien vader verdient maar ne rieksdaalder in de wekke.’
Toen de kinderen de beide winkels bezichtigd hadden, gingen ze naar huis en vol verwachting klopten hunne hartjes. Toen ’s avonds de torenklok zeven slagen deed horen, werden de beide winkels in Hardenberg, waar gekocht en gedobbeld zou worden, geopend.

Bij Jaspers Evert en Miete staat ook veel volk in de winkel, waarin groote verschillende soorten Sint Nicolaas uitgestald zijn. Jantje en haar broertje staan hand aan hand ieder met vier centen in de handen en bewonderen de mooie uitstalling. Ook Miena en haar broertje, onder geleide van haar vader, staan alles te bezichtigen. Miena ziet ook Jantje met haar broertje, die sober gekleed zijn, staan en fluistert haar vader iets in het oor. De vader treedt op de beide kinderen aan en neemt ze mee, evenals zijn beide eigen kinderen, naar de tafel waar gedobbeld zal worden en betaald telkens voor de vier kinderen als gespeeld zal worden. Maar ’t geluk dient Jantje en haar broertje niet; wel zijn eigen kinderen. Tenslotte gaan ze huiswaarts, maar eerst koopt de vader van Miena voor de toonbank een flinke zak vol Sint Nicolaas. Jantje met haar broertje houdt nog steeds de vier centen in de hand vastgeklemd.
‘Pappie’, zegt Miena, ‘ie-j goat de verkeerde kaante uut’. ‘Dat weet ik kind, maar wi-j goat eerst disse kinderen noar huus hen brengen’ en aan de deur zegt Miena haar vader: ‘Hier Jantje, geeft dit pakkie an oew moeder en zegt dat mien vrouw en ik vanoamd um 9 uur komt koffie drinken en zorgt dat ie-j luu in bedde bint’.
Toen de torenklok negen slagen deed horen, waren Miena haar vader en moeder bij Jantje haar ouders aan de koffie. En toen Jantje ’s morgens vroeg op stond en in ’t klompje keek, lag daarin een mooie prent, een schoolgriffel en een grote St. Nicolaas, maar op een stoel voor ’t raam stonden twee dozen vol met winterkleren. En dat kwam goed uit, want ’t jaar 1890 op 1891 was een lang en koud winter…


Toen, op 03 december 1866: rampspoed in Slagharen.

De Provinciale Overijsselsche Courant van 3 december 1866 meldde:
“Slagharen, 29 nov. Ten gevolge eener hevige ziekte zijn hier in den tijd van 3 à 4 dagen vier kinderen in één gezin overleden. De nog eenig overgeblevene verkeert ook in een gevaarlijken toestand en lijdt aan keelziekte en roodvonk. Vermoedelijk zijn de eersten ook aan diezelfde ziekte gestorven, ofschoon zulks niet voor waarheid is op te geven, daar, naar men verneemt, bij hen geene geneeskundige hulp is ingeroepen.”

Vier dagen later schreef dezelfde krant:
“Slagharen, 5 dec. Vermeldden wij in de courant van jl. maandag dat hier zeker huisgezin zoo spoedig en onverwacht vier kinderen had verloren, en dat de nog eenig overgeblevene ook gevaarlijk ziek lag, thans berigten wij dat die zoo zwaar beproefde en treurende ouders ook hun laatste kind hebben moeten missen, zoodat zij binnen den tijd van 8 dagen van al hunne kinderen zijn beroofd.”

De akten van de burgerlijke stand geven uitsluitsel. Dit drama overkwam het gezin van Johann Bernard Determan en Anna Maria Meijer. De rooms-katholieke Johann Bernard was afkomstig uit het Duitse Lengerich, alwaar hij rond 1822 geboren werd. Zijn echtgenote had haar roots in Raalte. Op 20 december 1851 waren ze getrouwd in het gemeentehuis in Heemse.

Het echtpaar kreeg zeven kinderen, allen geboren in Slagharen: Johan Albertus (geb. 23-11-1852, ovl. 28-11-1866), Johannes Andreas (geb. 14-08-1854, ovl. 01-05-1858), Maria Anna (geb. 18-09-1856, ovl. 22-11-1866), Johannes Andreas (geb. 02-01-1859, ovl. 20-11-1866), Albert (geb. 25-11-1860, ovl. 21-11-1866), Anna Maria (geb. 29-09-1864, ovl. 22-11-1866) en Anna Maria Engelina (geb. 29-09-1867).

Er overleden dus in een tijdsbestek van 9 dagen (20-28 nov.) vijf kinderen in de leeftijd van resp. 14, 10, 7, 5 en 2 jaar oud. Het is dan ook geen wonder dat de namen van het dochtertje dat een jaar later, op 29 september 1867, ter wereld kwam ‘Anna Maria Engeltje’ waren (er was een engeltje geboren).


Toen, op 02 december 1949: dominee redt kind.

De Zeeuwsche kerkbode van 2 december 1949 schreef: Redding! Van een dominee, en een klein meisje. Ds. Veldkamp te Middelburg jubileert.

“Zwemmen als een bruinvis, preken als een profeet en schrijven als een ziener”. Dit bericht las een dominee toen hij gelogeerd was op de Brink in Heemse. Toen opeens een alarmgeschrei: Er ligt een kind in de Vecht. Ds. springt op, rent naar de Vecht, gooit zijn jas uit, en bedenkt zich niet maar stort zich in het ijskoude water, zwemt naar de drenkelinge, de 7-jarige Grietje Vasse, en redt haar van een waarschijnlijk gewisse dood. Wat een vreugde voor de ouders! Ik ben blij, dat ik het gedaan heb, zei dominee, vooral voor die moeder. De kleine Grietje liep op op de brug, struikelde, gleed onder de leuning door, en plonsde zo het water in. Het is heel best met haar. En de dominee (kandidaat Raven van Eindhoven) heeft ook geen hinder gehad van zijn onderduikeling in het koude water. Hij preekte ‘heel goed’ des middags, in gedeeltelijk geleende kleren. We zouden van hem ook kunnen zeggen, net als van ds. Veldkamp: hij zwemt als een bruinvis en preekt als een profeet.

Dit betrof Grietje Wilhelmina Vasse, geboren 24 december 1942 te Hardenberg, dochter van Johannes Vasse en Aaltje Jantina Kremer.