Archieven: 2020-04-26

Toen, op 26 april 1859: mevrouw Meijeringh-Fuhrmann overleden.

0426_Meijeringh_Fuhrmann


Op 26 april 1859 overleed Johanna Wilhelmina Christina Meijeringh-Fuhrmann te Dedemsvaart. In de Opregte Haarlemsche Courant werd drie dagen later deze advertentie geplaatst:
“Heden overleed, tot bittere droefheid van mij, mijne kinderen en behuwd-kinderen, mijne veelgeliefde echtgenoote J.W.C. Meijeringh, geboren Fuhrman, na een langdurig lijden, in den ouderdom van 58 jaren en 5 maanden. E.F. Meijeringh, Dedemsvaart, 26 april 1859”.

0426_Meijeringh_Fuhrmann2


In de collectie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag worden een tweetal portretten bewaard die herinneren aan het echtpaar Meijeringh-Fuhrman. De foto’s dateren uit het midden van de negentiende eeuw en behoren daarmee tot de alleroudste uit onze regio.
We zien Johanna Wilhelmina Christina Fuhrmann en echtgenoot Ernst Friderich Meijeringh. Het stel was op 14 juni 1820 te Bad Bentheim in getrouwd. Hij was daar geboren op 13 maart 1795 en zij was op 31 oktober 1800 geboren in Heemse. Johanna was namelijk een dochter van koopman Johann Wilhelm Fuhrmann en van Johanna Elisabeth van Riemsdijk. Laatstgenoemde was weer een dochter van Jacobus van Riemsdijk en Clara Stolte.

Ernst ging als jongeman het leger in en werd Oberleutnant in dienst van de ‘Landwehr Bentheim’. Hij nam deel aan de ‘Slag bij Waterloo’. Ernst en Johanna Meijeringh hadden de eerste jaren van hun huwelijk in de graafschap Bentheim gewoond. In 1823 woonden ze onder de gemeente Hoogeveen, maar tussen 1830 en 1834 verhuisden ze naar de Dedemsvaart, alwaar Ernst als grootgrondbezitter en veenbaas een vooraanstaande plaats innam in de jonge veenkolonie.
De foto’s zijn gemaakt door een onbekende fotograaf en daarna zijn ze ‘opgewerkt’ (van kleur voorzien en aangezet). Ernst Meijeringh overleed op 20 augustus 1889 te Dedemsvaart.


Toen, op 25 april 1661: benoeming van Joachim van Stegeren tot predikant.

"Gesien de presentatie uijt name vant Adelsse Stijfft Swarte Water, gedaen op de persone van Dominus Joachimus van Steigeren. Gesien mede drie Verscheijden Requesten uijt de name van Verscheijden Guetheeren van den Hardenberch over drie verscheijden personen overgelevert, soo is dit bij ons na ripe deliberatie alles overwogen sijnd en erkent en verclaert dat de præsentatie op de persone van Joachimus van Steigeren gevallen in weerde sal sijn ende ten effecte gebracht worden. Wordende deselve præsentatie bij ons geapprobeert ende van weerden verclaert, sullende den Rentmeister vant Swarte Water dese resolutie om de kerckenraert van den Hardenbarch en an de Classis van Zwolle worden bekent gemaeckt, ten eijnde Joachimus van Steijgeren na kercken ordere (nut) ten Eersten tot Prædikant beroepen ende bevesticht moge werden"

Deze fraai geschreven akte dateert van 25 april 1661 en betreft de benoeming van ds. Joachim van Stegeren tot predikant te Hardenberg. Het klooster Zwartewater, ten noorden van Hasselt in de buurschap De Velde en het Klooster gelegen, was in 1233 gesticht ter nagedachtenis aan de slag bij Ane in 1227. Krachtens schenkingen in het verleden, oefende de Ridderschap als bezitter van het Stift de collatie uit van de predikant te Hardenberg. Getranscribeerd lezen we:

“Gesien de presentatie uijt name vant Adelsse Stijfft Swarte Water, gedaen op de persone van Dominus Joachimus van Steigeren. Gesien mede drie Verscheijden Requesten uijt de name van Verscheijden Guetheeren van den Hardenberch over drie verscheijden personen overgelevert, soo is dit bij ons na ripe deliberatie alles overwogen sijnd en erkent en verclaert dat de præsentatie op de persone van Joachimus van Steigeren gevallen in weerde sal sijn ende ten effecte gebracht worden. Wordende deselve præsentatie bij ons geapprobeert ende van weerden verclaert, sullende den Rentmeister vant Swarte Water dese resolutie om de kerckenraert van den Hardenbarch en an de Classis van Zwolle worden bekent gemaeckt, ten eijnde Joachimus van Steijgeren na kercken ordere (nut) ten Eersten tot Prædikant beroepen ende bevesticht moge werden”.

Actum den 25 april 1661. R. van Haersolte, Jan van Isselmuden, R.(?) van Raesfelt.

Voor een overzicht van alle voorgangers (pastoors en predikanten) die, voor zover ons bekend, in onze regio zijn voorgegaan, verwijzen we graag naar onze website.


Toen, op 20 april 1849: gouden bodemvondst in Heemse.

0420_munten

De Zwolsche Courant van 20 april 1849 meldde:

Goudzoekers
Naar Californie! Naar Californie!
Gij allen, die begeerig zijt naar goud, want daar kunt gij het in overvloed vinden en van een zuiver gehalte. Maar neen! Begeeft u niet naar Californie, welligt moet gij, evenals zoo velen reeds is overkomen, of uitgeput van honger en vermoeijenis onder uwen goudlast bezwijken, of u op uwe terugreis overvallen en u van al uwe schatten beroofd zien, door de aldaar wonende Indianen. Verlaat uwen Vaderlandschen grond niet, inwoners van Overijssel! Verlaat gij zelfs uwe provincie niet, maar gaat naar het dorp Heemse, vooral in de nabijheid der kerk, kunt gij de schoonste goud- en zilverstukken vinden.

Van tijd tot tijd is er onbekend zilvergeld gevonden, hetwelk natuurlijk deed vermoeden dat daar schatten verborgen lagen. Thans is er door de meid van den landbouwer R.W. in of bij de mestkuil, eene aarden pot met zeven goudstukken gevonden, die zeer dun en verschillende grootte hebben, en hierin zeer veel overeenkomen met een kwartje en een oude schelling. Men kan uit het wapen en door de blindheid van het jaartal niet met zekerheid bepalen van welken tijd zij afkomstig zijn, men gist echter uit den Spaanschen. Men twijfelt er niet aan of er zitten nog meer schatten verborgen, waarom dan ook naar de boeren van Heemse (men begrijpt hoe de begeerte naar goud door die laatste vondst is opgewekt) niet anders droomen dan goud! goud!

Er moet dan ook werkelijk het plan gevormd zijn om den grond bij de kerk, pastorij en dien, welke onmiddellijk aan het kerkhof ligt, te doorgraven. Wordt nu eens die moeite door goud of zilver rijkelijk beloond, wie weet of niet geheel Heemse 3 a 4 voet omgekeerd wordt. De boer houdt zich dan niet meer bezig om zijnen akker goed te bearbeiden, in de hoop van eenen goeden oogst, maar om goud te zoeken. O, wat dan een ongelukkig Heemse! Zoude al dat goud, hetwelk de boeren van Heemse in hunne verbeelding al gevonden hebben, ook invloed uitoefenen op deszelfs waarde, gelijk men denkt over dat van Californie?

(later bleek de muntenschat te bestaan uit een collectie gouden en zilveren exemplaren uit de 13de en 14de eeuw)


Toen, op 17 april 1914: molenaarshuis Brucht afgebrand.

Op vrijdag 17 april 1914 brandde het huis van molenaar Gerrit Jan ten Brinke tot de grond toe af. De beltkorenmolen aan de Haarweg bleef gespaard. Het Nieuwsblad van het Noorden schreef de dag erna:
“Vrijdag ontstond brand ten woonhuize van den molenaar Ten Brinke te Brucht. Al het vee benevens een gedeelte van het huisraad werd gered. Door flinke hulp bleef de korenmolen gespaard. Verzekering dekt de schade. Oorzaak onbekend.”

Op dezelfde plek kon Ten Brinke herbouw plegen dankzij de uitgekeerde verzekeringspenningen. De korenmolen van Brucht was in 1877 opgericht op het zgn. ‘Koeveen’, in opdracht van Derk ten Brinke. Gerrit Jan ten Brinke, kleinzoon van de oprichter, was getrouwd met Gesina Iemhoff. Zij werden in 1938 opgevolgd door Johan Timmerman die gehuwd was met hun dochter Hendrika ten Brinke. De molen kon vanaf 1925 op motorkracht draaien. In oktober 1932 woei één van de wieken van de molen, waarna de eigenaar besloot de andere ook te verwijderen. De molen bleef in gebruik tot 1945, waarna het verval intrad.
In 1973 kocht rietdekker/molenbouwer Kleinjan uit Den Ham de molen, met de bedoeling deze in Den Ham te herbouwen. Echter Kleinjan kreeg geen bouwvergunning en besloot de molen weer van de hand te doen. De achtkante stellingmolen uit Brucht werd in 1991 herbouwd bij Hollum op Ameland, heet nu ‘De Verwachting’ en is aangewezen als gemeentelijk monument.


Toen, op 10 april 1891: Peereboom benoemd tot geneesheer.

De landelijke krant ‘Het Nieuws van den Dag’ van 10 april 1891 meldde dat :

peereboom1

te Stad…

peereboom2

…en later ook te Ambt Hardenberg

In juni 1891 zou Peereboom ook worden benoemd tot gemeentegeneesheer van de veel grotere gemeente Ambt Hardenberg. Op 27 augustus van datzelfde jaar trouwde Pieter Willem Peereboom te Wormerveer met Rebecca Cornelia Schoute. In de huwelijksakte staat vermeld dat Peereboom daar geboren was, maar als arts woonde en werkte te Stad Hardenberg.
Echter, een aantal jaren later zien we dat hij alweer werkzaam is in Haarlem. In april 1894 woonde het echtpaar in de hoofdstad van Noord-Holland en in oktober 1896 liet de arts een advertentie plaatsen waarin hij kenbaar maakte praktijk te houden aan de Nieuwe Gracht 33 in Haarlem, speciaal voor huidziekten.
In 1916 herdacht Peereboom zijn 25-jarig jubileum als geneesheer. In juli 1889 had hij aan de Universiteit van Amsterdam met goed gevolg het theoretisch geneeskundig examen afgelegd en in maart 1891 was hij door de ‘geneeskundige staatscommissie’ aldaar bevorderd tot arts. Peereboom overleed op 13 augustus 1920 te Haarlem, op slechts 55-jarige leeftijd.
Hieruit kunnen we opmaken dat hij bij zijn benoeming tot gemeentegeneesheer in Stad Hardenberg een nog onervaren huisarts was. Zeer waarschijnlijk was het zelfs zijn allereerste praktijk…