Archieven: 2020-05-31

Toen, op 31 mei 1952: de onderaardse gangen.

ongeveer de plaats van oude stadhuis voor 1805
Op deze plek stond tot het begin van de 19de eeuw het stadhuis. Het stond recht tegenover de nu herbouwde stadsmuur (vanaf de Voorstraat gezien achter de kerktoren).

De Drie Dorpen van 31 mei 1952 meldde:
“Het oude gebouwtje tegenover smederij Schuurman is gesloopt. Er is een nieuwe ruimte gekomen op dit oude historische plekje, waardoor het aanzien van dit terrein in de toekomst wel zal worden verbeterd. ’t Is in goede handen. Maar de afbraak leverde nog wel een verrassing op voor de oningewijden. De oude muren gingen gemakkelijk genoeg omver. De door en door verteerde balken die we zagen, maakten het eigenlijk onbegrijpelijk dat het gebouw zo lang stand kon houden, maar daaronder, bij de fundering vonden de opruimers een gaaf betonwerk, dat bleek te zijn een afsluiting tot een kelderruimte, opgetrokken uit de eenvoudige brokken oer, hecht gemetseld met doodgewoon leem, die zeker honderden jaren in deze staat totaal vergeten heeft bestaan.

Een wijnkelder. Toen we daar met enkele anderen het interessante werk stonden te bekijken, was er een fijnproever die veronderstelde dat het wel een wijnkelder zou zijn geweest. Maar dat was niet het geval. Een onzer historievorsers verzekerde ons dat men dergelijke kelders onder tal van vloeren in de oude stad aantreft, heel vaak zonder dat de bewoners dat zelf weten. Uit de tijd van de vroegere burchtheren: Otto van der Lippe, Jan van Arkel – om de meest bekende maar te noemen, moeten deze werken dateren. Ze boden plaats aan meerdere mannen en pasten uitnemend in het toenmalige verdedigingsstelsel der stad. Al deze putten (als we ze zo mogen noemen), zijn onderling weer verbonden met anderen en vandaar kon men zich heel gemakkelijk over een zeer uitgebreid terrein ongezien verplaatsen en verschansen.”

Het oude pand, wat in het kader van de stadsvernieuwing werd afgebroken, was het voormalige schoenmakershuisje van Antoni (Toone) Santman (bijgenaamd: Nappie of Napoleon) tegenover de stadsmuur. Het pandje is te zien op de foto. Het werd aan de achterzijde volledig overschaduwd door het hoge pand van de familie Bruins. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft op dezelfde locatie vroeger het stadhuis gestaan, voordat in 1805 een nieuw raadhuis aan de Voorstraat in gebruik genomen werd. Mogelijk is de in het krantenartikel genoemde wijnkelder de vroegere gevangenisruimte geweest…

Meer over de geschiedenis van deze locatie, op onze website sectie A-164:


Toen, op 22 mei 2007: sloopvergunning carillon.

De voormalige carillontoren aan het Stephanusplein heeft van 1963 tot 2009 het stadsbeeld van Hardenberg gesierd.

Op 22 mei 2007 verleende de gemeente Hardenberg zichzelf een sloopvergunning, benodigd om zowel het gemeentehuis als de carillontoren te kunnen afbreken. De sloop was nodig om ruimte te creëren voor de bouw van een nieuw raadhuis. Ruim veertig jaren lang hebben beide dienst gedaan.

De bouw van de carillontoren is onlosmakelijk verbonden met de bouw van een nieuw raadhuis voor de gemeente Hardenberg. Het voormalige gemeentehuis in Heemse, nabij het huidige Rustenbergerplein, was te klein geworden. Daarom besloot men een groter bestuurscentrum in de stad te bouwen. Het gemeentehuis en de precies vijfentwintig meter hoge klokkentoren waren ontworpen door de Zwolse architect H. Mastenbroek. Hij kreeg al in 1950 opdracht van het gemeentebestuur om een nieuw bestuurscentrum te ontwikkelen. In 1958 was er voor het eerst sprake van een bij het nieuwe gemeentehuis te bouwen ’toren’. Die zou ook benut kunnen worden voor droging van brandspuitslangen. Zover kwam het echter niet. Aanvankelijk zou de klokkentoren alleen, zoals het woord al zegt, een klok bevatten. Het moest een wijzerplaat worden met een verlichte tijdsaanduiding. Voor de toren en de aanleg van een deels er omheen gelegen vijver, stelde de gemeenteraad een krediet van 105.000 gulden beschikbaar. Timmer- en aannemersbedrijf Gebr. Dijkhuis uit Hardenberg werd bij aanbesteding het bouwen van gemeentehuis, politiebureau én klokkentoren gegund.

Op initiatief van de afdeling Hardenberg van de Federatie Vrijwillige Vrouwelijke Hulpverlening werd een inzameling gehouden om de bevolking in staat te stellen aan het gemeentebestuur, ter gelegenheid van de opening van het nieuwe raadhuis, een carillon aan te bieden. De presidente van de afdeling, mevrouw C. de Goede-Mom, was de echtgenote van de toenmalige burgemeester van Hardenberg, Jacobus Hendrik de Goede. Inwoners van Lutten wensten echter geen geld te geven zolang zij nog verstoken bleven van een goede riolering. Hun credo luidde: “Zolang Lutten nog schijt op de ton, betalen wij niet voor het carillon!”

Het carillon werd geleverd door Van Bergen’s Carillon-, torenluidklokken- en torenuurwerkenfabriek uit Heiligerlee. Het bestond uit dertien klokken, waarvan de grootste een diameter van 40 centimeter had en de kleinste 20 centimeter. De eerste vier verzen die gespeeld werden, waren: Gelukkig is het land; O Heer, die daar des Hemels tenten spreidt; Hollands vlag, gij zijt mijn glorie en Wilt heden nu treden. In november 1963 werden sinterklaasliedjes ten hore gebracht als: Zie ginds komt de stoomboot, Hoor wie klopt daar kinderen en O, kom er eens kijken en rond de kerstdagen speelden de liederen: Stille nacht en Nu zijt wellekome.

Het plaatselijk comité ‘4 mei herdenking Hardenberg-Heemse’ kreeg in 1965 toestemming van het gemeentebestuur om aan de klokkentoren een bronzen gedenkplaat te bevestigen met de tekst ’10 mei 1940 – 5 mei 1945 Hardenberg … opdat wij hen niet vergeten’. Onder de plaat werd een vitrine geplaatst. Daarin werd een opengeslagen boek gelegd, met vermelding van de namen van alle gevallen slachtoffers van de oorlog en bezetting uit de gemeente Hardenberg in de jaren 1940-1945. De bronzen plaat en de vitrine werden rechts naast de deur en onder de luifel aangebracht.

Twintig jaar later werd de eerste gedenkplaat vervangen door een bronzen exemplaar waarin de namen van de circa 120 omgekomen verzetsstrijders en andere oorlogsslachtoffers werden gegraveerd. Eind 2000 kreeg de firma Sillen & Co. uit Swalmen opdracht om andermaal een nieuwe bronzen gedenkplaat te maken.

Op 19 oktober 2009 viel de klokkentoren ter aarde… https://youtu.be/1zJ1NdmpmLY


Toen, op 22 mei 1964: noaberschop in Baalder.

0522_schuur verplaatsen

Het Noord-Oosten van 22 mei 1964 meldde:
Noaberschop. Met vereende krachten werd een schuur verplaatst. ‘Een verversing hoort erbij’, zeiden de beide grootvaders.

De landbouwer J.P. Hutten in Baalder wilde zijn ‘borgschuur’ verplaatsen. Dat is een naar oude bouwtrant uit hout opgetrokken bergschuur, waar men vroeger meestal hooi in borg. Het is een houten geraamte met een strodak, dat het in het landschap heel goed doet. Onder het houten gebintwerk plaatst men een stenen fundering, zodat deze schuren lange tijd dienst kunnen doen. De schuur, die nog in goede staat verkeerde, moest verplaatst worden omdat mn p de plaats waar de schuur tot nog toe stond een nieuw huis wilde bouwen. Daarom vroeg men zaterdagmorgen de hulp van de buren en die kwamen in een groot aantal.

burenhulp

Het oude spreekwoord ‘vele handen maken licht werk’ werd toen welsprekend bevestigd, want heel de Baalderbevolking pakte op commando even aan en toen duurde het maar korte tijd of de schuur werd keurig op haar nieuwe plaats aangebracht. Café Mulder zorgde ervoor dat er een verversing ter plaatse kwam en de beide grootvaders, H. Hutten (die reeds 81 jaar is) en H. Ekkelenkamp (die 84 reeds passeerde) kwamen nog even met vreugde kennis nemen van de resultaten van de gewaardeerde burenhulp.


Toen, op 21 mei 1857: boekweitbrand geblust door werklui uit De Krim en Sebastopol.

0529_veenbranders
Door het in afbranden van de boekweit werden woeste gronden in cultuur gebracht.

De Rotterdamsche courant van 27 mei 1857 meldde:
“Den 21 dezer verkeerde de boven Anerveen in de gemeente Gramsbergen aan het kanaal, zijtak no. VIII der Dedemsvaart, nieuw aangelegde buurt De Krim in groot gevaar. Het in de boekweitveenen ontstoken vuur, dat wegens de sterke droogte niet kon gebluscht worden, bereikte eene der keeten, die weldra eene prooi der vlammen werd, terwijl het scheen dat nog een 40tal tot deze buurt behoorende keeten datzelfde lot zou ondergaan. Wijl er dien dag niet gewerkt werd, bevonden zich daar een aantal werklieden uit Sebastopol, eene andere buurt aan dit kanaal, die dadelijk alle mogelijke hulp verleenden om het vuur in zijnen loop te stuiten. Gelukkig liep ook te regten tijde de wind om, en deze buurt bleef van verder onheil verschoond”.

In de Amersfoortsche Courant van 29 mei 1857 lezen we:
“Uit Gramsbergen wordt gemeld dat de bewoners van het, aan het kanaal boven Anerveen, nieuw aangelegde dorp De Krim in den grootsten angst waren. Niet het vuur der westersche mogendheden, maar wel dat der veenbranders joeg hun dien schrik aan. Gelukkig, dat de bewoners van Sebastopol den nood der Krimmenaren bemerkten en hen dadelijk te hulp kwamen. Met vereende krachten werd de voortgang van het vuur gestuit, waartoe het draaijen van den wind ook veel toebragt, anders ware welligt het gansche dorp, uit een veertigtal keeten bestaande, eene prooi der vlammen geworden; terwijl er nu slechts eene keet verloren is gegaan. Dezelve was niet tegen brandschade verzekerd, doch de inboedel is gered”.


Toen, op 19 mei 1551: het oude markeboek van Collendoorn.

“Dit is het Marckenboek van Heimse únde Collendooren soe als dat selve in Anno 1551 Bij den samptlicken Erffgenamen
aengenomen van Heimse únde Collendooren van Articulen tot articulen bewilleget únde Eintlicken ingegaen hebben omme dat ’t selvige tot walvaert der Erffgenamen únde Ingeseten van Heemse ende Collendooren toe voldoen
únde naer toe volgen.

Vrij vertaald:
Dit is het markeboek van Heemse en Collendoorn zoals het anno 1551 door de gezamenlijke erfgenamen van Heemse en Collendoorn is aangenomen en van artikel tot artikel is goedgekeurd, met als doel dat dit de erfgenamen en ingezetenen van Heemse en Collendoorn welvaart zal brengen.

De eerste inschrijving van het oude markeboek dateert van dinsdag 19 mei, oftewel: “Anno 1551 des Dincxsedages nae Pincxsteren”.