Archieven: 2020-05-16

Toen, op 16 mei 1881: brand in de turffabriek.

De Opregte Steenwijker courant meldde precies een week later:

“Tengevolge van stormachtig weder en het onvoorzichtig omgaan met het veenbranden ontstond er maandagmiddag in het Sibculosche veen onder Ambt Hardenberg, brand in de turf, waardoor de aldaar staande turf-briquetfabriek van den heer Beintema in brand geraakte en geheel afbrandde. Een groote hoeveelheid steenkolen, vet, molm en vier vaten petroleum werden tevens de prooi der vlammen. Ook uit Lutten wordt gemeld, dal aldaar waarschijnlijk ten gevolge van veenbrand, een boerenhuis in de asch is gelegd.


Toen, op 15 mei 1903: echtpaar Ekkelenkamp-Ter Wijlen.

Op 15 mei 1903 werd in het gemeentehuis te Heemse het huwelijk voltrokken tussen Hendrik Ekkelenkamp uit Baalder en Jantje ter Wijlen uit Brucht. Hun trouwboekje is bewaard gebleven.

Op 15 mei 1963 vierde het echtpaar het diamanten huwelijksfeest. Speciaal voor die gelegenheid reisde burgemeester De Goede met z’n vrouw naar hun boerderijtje H-24, op de vroegere katerstede Weveralberts in Baalder.

Hendrik Ekkelenkamp overleed op 85-jarige leeftijd, op 24 juni 1966. Jantje was maar liefst 100 jaar oud, toen ze stierf op 15 juli 1979.

Meer informatie over ’t Weveralberts, en meer foto’s van de familie, leest u op onze website:


Toen, op 15 mei 1935: Lubbekop gestorven.

0515_Lubbelinkhof
Arend en zijn tweelingzus Elisabeth zijn geboren op 24 februari 1858 te Dedemsvaart, gemeente Avereest als kinderen van Hendrik Lubbelinkhof en Margje Bosman. Arend is op 77-jarige leeftijd overleden te Stad Hardenberg, maar officieel wonende te Ambt Hardenberg.

Op 15 mei 1935 overleed Hardenbergs bekendste zwerver / landloper: Arend Lubbelinkhof, bijgenaamd ‘Lubbekop’. De lokale krant De Vechtstreek van 18 mei 1935 stelde een korte necrologie op:

“Een zwervers einde. In den ouderdom van ruim 77 jaren is woensdagmorgen in het ziekenhuis te Hardenberg overleden Arend Lublinkhof, die bijna zijn gehele leven zwervende heeft doorgebracht. Als ‘Lubbekop’ was hij algemeen bekend, hier en in wijde omgeving. We hebben hem gekend als forse jonge kerel, met vervaarlijke knevel, al lopende met zijn stok manoeuvrerende. Vroeger verbleef hij veel in den Vrouwenhoek; later had hij op verschillende plaatsen zijn ‘vast adres’, waar hij in schuur of hooiberg de nacht doorbracht. Als de politie of de rijksambtenaren ergens uit het veld rook zagen opstijgen, wisten ze dat Lubbelinkhof bezig was, daar zijn aardappels te koken. Menigeen had deernis met den ouden man, als hij daar bij koud en guur weer voorbij trok, een zak op den rug, vergezeld van zijn levensgezel, zijn trouwen hond, die ’s nachts aan zijn voeteneind lag ter verwarming van zijn baas, die de laatste bete broods met hem deelde. Het dier was oud en der dagen zat geworden, stram van reumatiek; nog niet lang geleden eindigde zijn leven; de opvolger heeft niet lang zijn diensten behoeven te bewijzen. Voor enige tijd werd Lubbelinkhof ziek; dank zij de goede zorgen van burgemeester Weitkamp werd hij in ’t ziekenhuis te Hardenberg opgenomen. Daar werd hij gereinigd en liefdevol verpleegd; daar knapte hij op. De drang naar ’t nomadenleven dreef hem weer de wijde velden in. Is de overgang te groot geweest? Wie zal ’t zeggen? Dezer dagen werd hij in de gemeente Vriezenveen doodziek aan den weg aangetroffen. Hij gaf den wens te kennen, weer naar ’t ziekenhuis te Hardenberg gebracht te worden. Daar werd hij voor de tweede maal opgenomen; daar ondervond hij weer voortreffelijke verpleging. Kort voor zijn dood overtoog bij ’t zien der zusters, een glimlach zijn gelaat. Het in weer en wind geharde lichaam was niet bestand tegen de heftige longontsteking. Het einde was spoedig daar. Gelukkig daar, te Heemse wordt hij begraven”.

Arend Lubbelinkhof was geboren op 24 februari 1858 te Dedemsvaart, als zoon van schipper en winkelier Hendrik Lubbelinkhof en Margje Bosman. Arend bleef ongehuwd.

Een aantal dagen na zijn overlijden werd dit gedicht van Hendrik van Laar afgedrukt in de Gramsberger Courant:

Iets dat ons bijzonder trof,
is dat de arme Lubbelinkhof
die jaren heeft gezworven,
des nachts vertoefde in d’open schuur,
en ’s winters nooit genoot van ’t vuur,
stok-oud, nu is gestorven.

Wij kenden hem ruim vijftig jaar
als altijd stille bedelaar,
die nimmer iets kwam vragen,
doch in de open deur bleef staan;
wat men hem gaf, nam hij dan aan,
om ’t met zich mee te dragen.

Zoo liep hij met zijn trouwen hond,
soms zwaar beladen, sukk’lend rond.
Bleef hier en daar eens rusten;
nam dan zijn potje, zwart als roet,
kookt’ eten, deed zich flink te goed,
en at naar hartelusten.

Ook at zijn trouwe Juno mee;
en deelde met hem ’t wel en ’t wee,
volgd’hem steeds op zijn schreden,
al was het buiten nat en koud,
ze leefden als het wild in ’t woud,
steeds met den tijd tevreden.

Totdat de oudedag eens kwam
en beiden – even stijf en stram –
als ’t waar’ door ’t leven kropen.
De macht, gewapend met ’t geweer,
lei d’ ouden Juno knallend neer,
want ’t beest kon niet meer loopen.

Dat d’arme grijsaard met zijn stok
hier tegen in het harnas trok,
laat zich allicht verklaren.
Hij mopperde steeds in zijn baard;
mijn hond was ’t leven nog wel waard,
al telde hij vele jaren.

Maar ach, zijn makker was nu dood,
wie deelde nu met hem het brood?
Wie sliep nu aan zijn voeten?
Wie maakte nu zijn leden warm?
Wie maakte nu des nachts alarm,
als hij iets vreemds ontmoette?

Dit bleef den ouden man tot troost;
’t zij waar door hem soms werd verpoosd
bij zijn van ouds bekenden
genoot hij steeds vrij onderdak,
kreeg warme koffie en tabak,
dat steunde hem in d’ellende.

Totdat hij eindelijk niet meer kon
en – naar het scheen – de zomerzon
voor hem niet meer zou schijnen.
Gelukkig, in het ziekenhuis
verlichtte men zijn droevig kruis,
verdoofde men zijn pijnen.

Als ’t ware op een bed van eer
legt hij zijn matte lichaam neer.
’t Is nu gedaan met ’t zwerven.
Als hij dit alles overweegt
en ziet hoe lief men hem verpleegt,
zucht hij: ‘k zal weldra sterven.

Hierin heeft hij zich niet vergist:
hij stierf en werd aldaar gekist
en niet als d’arme slaven
of als een hond stil weggedaan,
maar eerbaar hoewel zonder traan
toch als een mensch begraven.

’t Bestuur van ’t Röpcke Zweersgesticht
heeft hier een prachtig werk verricht,
dat zij heeft opgenomen
een arm patiënt, die niets bezat,
dan ’t geen hij in zijn buidel had,
en toch mocht binnenkomen.


Toen, op 12 mei 1874: viering koningsdag.

Op 12 mei 1874 vierde men Koningsdag in Hardenberg, getuige onderstaand krantenbericht in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 8 april.

Ook hier wenscht men den dag van 12 Mei a.s. feestelijk te vieren. Voor het geschenk aan Z.M. en het kinder- en volksfeest enz. worden reeds de noodige gelden ingezameld. De feest-commissie bestaat uit de hh. C.J. van Riemsdijk, burgem., eere-voorz.; W. Callenbach, voorz.; Veenstra, secr.; Nederdracht, thes.; S. Bromet, Nummerdor en H.J. Sierink.

Toen, op 08 mei 1833: havezate Venebrugge door brand verwoest.

De Overijsselsche Courant van 17 mei 1833 schreef:
“Heemse, den 9 mei.
In den laten avond van gisteren en ten afgeloopen nacht is ten gronds toe afgebrand het woonhuis van B. Veenebrugge Cz. aan de Veenebrug in de gemeente het Ambt Hardenberg; zijnde behalven de geheele daarin aanwezige ruime inboedel des voormelden eigenaars, zijne gereedschappen voor de huishouding en boerderij, de voorraad van leeftogt en voeding voor menschen en vee, daarin ook nog zes stuks kalveren omgekomen, als mede ook tevens al het lijfstoebehooren der dienstboden verbrand.

De brand, waarvan men de eigenlijke oorzaak niet weet aan te geven, schijnt binnen ’s huis te zijn ontstaan omstreeks 11 uren des avonds op het oogenblik, dat, behalve de huisvrouw, al de te huis zijnde huisgenooten reeds te bed en slapende waren, wachtende zij op de te huiskomst van derzelver voorzeiden echtgenoot en oudsten zoon, die juist bij het begin van den brand van Sibculo kwamen te huis rijden en daar door nog in de gelegenheid waren, derzelver verdere vee aan denzelven te ontvoeren, doch overigens van derzelver verder in het gebouw aanwezige bezittingen niets vermogten te redden, als staande momentelijk en op eens in ligte laaije vlam, grootelijks begunstigd wordende door het riet en stroodak des gebouws: en hebbende zich alzoo de vlijt en de waakzaamheid van de overige bewoners der Veenebrug, mitsgaders van de aldaar gestationneerde rijksbeambten en eenige dadelijk uit de nabijheid ter hulp toegesnelde personen alleen moeten en met vrucht kunnen bepalen tot de wering der vlammen van het belende woonhuis van B. Schutte, mede, zoo en als de nabij staande schuren en schaapskooijen, met riet en stroo gedekt, zijnde derzelver onvermoeide pogingen, opvolgende gesterkt door een uit de stad Hardenberg aangevoerde brandspuit en de toesnelling der ingezetenen van de buurtschap Brucht met hunne brandhaken en een aantal water emmers, mitsgaders begunstigd door den zich leggenden wind, dan ook ten dezen gelukt en alzoo alle verder onheil te voorgekomen.”

Nog in hetzelfde jaar werd op dezelfde plek een nieuwe boerderij gebouwd, gefundeerd op veldkeien. In de achtergevel herinneren twee stenen aan de bouw. Ze hebben als inscriptie: ‘gebouwd’ en ‘int jaar 1833’.

Op de foto is de grote boerderij van de havezate Venebrugge te zien. Opmerkelijk is de ‘knik’ in het dak, halverwege het pand. De achtergevel is dertien meter hoog, terwijl de voorgevel nog ruim een meter hoger is. Men zou daaruit kunnen opmaken dat het voorhuis van oudere datum is, maar de krant van 1833 geeft daarover volstrekte duidelijkheid: ‘het is ten gronde toe afgebrand’.

Rechts op de foto staat de boerderij van Berend Schutte die in 1833, zoals we lazen, met vereende krachten gespaard bleef. Het is echter decennia geleden afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe schuur.

Nog veel meer informatie over de voormalige havezate leest u op onze website: