Archieven: 2020-06-16

Toen, op 16 juni 1702: Heer van Gramsbergen gedood.

Heer van Gramsbergen gesneuveld

Een van de oudste kranten van ons land, de Amsterdamse Courant, schreef op 17 juni 1702:
“In ’t leger voor Keyserswaerd. Verleden vrijdagavond ten 8 uuren begon men de generale storm op de Contrescharp, die twee uuren duurde, met een geweldig vuur, soo van ’t kanon, de musquettery, mortieren, handgranaten, het werpen van steenen, en alles wat beschadigen kon; en eyndelyk quamen wy tot over de Glacis, vattende post tegen de pallissaden der Contrescharpen van de stad, alwaer wy nu begraven leggen. Saterdag nademiddag van 2 tot 4 uuren was het stilstand van wapenen, om de dooden te begraven; in welken tyd Monsr. de Blainville met veele officieren op de wallen quam, en tot de onse sprak, seggende nog op ’t laetst, ‘vertrekt Messieurs, de tyd naderd’, waerop kort daerna weder van onse batteryen geschooten, en sulks door die van binnen beantwoord wierd. Tusschen vrydag en saterdag brak Monsr. de Tallard met sijn corps soo schielyk op, dat hy het hospitael, nevens veele paerden en bagagie agter liet. Men heeft in de storm de volgende dooden en gequetsten bekomen: Hollandsche, hoofd-officieren, 3 dood en 10 gequetst. Capiteyns, 6 dood en 32 gequetst. Luytenants 5 dood en 53 gequetst. Vendrigs 9 dood en 33 gequetst. Serjanten 29 dood en 59 gequetst. Gemeene 435 dood en 1252 gequetst.

Van de Pruyssische een hoofd-officier dood, 5 gequetst, minder-officieren 18 dood en 99 gequetst, gemeene 108 dood en 680 gequetst, voorts 5 ingenieurs dood en 5 gequetst.

Sondag ’s morgens quamen 3000 en eenige honderd Hessen in ons leger, maer hebben tot nog toe geen dienst gedaen; een gelyk getal te paerd van die natie staer tot Mulheym. Verleden nacht is de Heer van Gramsbergen, commandeerende het regiment Van Dedem, doodelijk gequetst: onze mineurs arbeyden nog gestadig. In de attaque hebben de vyanden 4 mynen laten springen. De overste Marault is aen sijne wonden overleden. De regimenten van Portmore, Stratnavet en Nassau Walon zyn genoegsaem buyten postuur. Monsr. Velton, swager van La Croix en een van onse partygangers heeft Sons ingenomen, dog 50 of 60 Franschen die er in waren, zyn op ’t kasteel geweeken, dies is uyt Dusseldorp kanon derwaerds gesonden.”

Dit verslag van het strijdgewoel in 1702 vermeld het sneuvelen van Eustachius (Statius) van Aeswijn, heer van Gramsbergen. Drie maanden voor het overlijden van Van Asewijn was koning-stadhouder Willem III kinderloos gestorven. Niet veel later hadden Engeland en de Nederlanden de oorlog verklaard aan Frankrijk en Spanje: de Spaanse Successieoorlog. Statius was commandant in het regiment van generaal Van Dedem en in de strijd raakte hij zo verwond dat hij aan de gevolgen ervan overleed…


Toen, op 15 juni 1945: Pullen teruggekeerd uit gevangenschap.

0615_Jan Hendrik Pullen

Op 15 juni 1945 schreef het Sallands Volksblad:

“Collendoorn. Ook de heer Pullen, die na het dalen van een piloot bij zijn woning, anderhalf jaar geleden werd gearresteerd, is uit Duitsland in den kring der zijnen teruggekeerd. Dinsdagavond, juist op zijn verjaardag, werd hem een serenade gebracht door Hardenbergs muziekvereenigingen. Ook onze hartelijke gelukwensch met uw terugkomst, Pullen!”

Dezelfde krant schreef bijna een jaar later, op 17 mei:
“Dinsdagmiddag werd onder grote belangstelling het stoffelijk overschot van J.H. Pullen uit Collendoorn ten grave gedragen naar het kerkhof alhier. Pullen, ook buitendien wel bekend, had zich vooral in den bezettingstijd bekendheid verworven door het feit, dat hij, in verband met het bij zijn woning neerdalen van een Amerikaanse piloot, ongeveer anderhalf jaar heeft vastgezeten. Als zeer merkwaardig feit zij hierbij vermeld dat op zijn sterfdag ook degene, die hem indertijd in zo grote moeilijkheden heeft gebracht, om het leven is gekomen bij een ontvluchtingspoging (van Papen, kampcommandant Arbeidsdienst). Op het graf werd het woord gevoerd door de heer Meilink namens het bestuur der Hervormde school en door ds. Groenewoud namens den kerkenraad, waarvan de overledene lid was.”

En op 12 juli 1946 schreef de krant:
“Eerbewijs. Aan wijlen den heer Pullen is postuum een oorkonde gezonden als uiting van waardering voor bewezen diensten aan een geallieerde piloot. Men herinnert zich het geval, dat nogal deining veroorzaakt heeft. Pullen heeft er voor gevangen gezeten in Duitsland. Enige tijd na zijn bevrijding is hij plotseling overleden, op denzelfden dag als de man, die hem aanbracht en bij een poging tot ontvluchting werd neergeschoten.”

Jan Hendrik Pullen (1890-1946) woonde te Collendoorn L-44a (nu Allemansweg 1). Hij was gehuwd met Hendrikje Hutten.


Toen, op 14 juni 1956: graven van Duitse soldaten geruimd.

Het Salland’s Volksblad van 15 juni 1956 meldde:
“Gisteren zijn de stoffelijke overschotten van een aantal Duitse militairen, die begraven lagen op het kerkhof te Heemse, opgegraven en naar Duitsland vervoerd. Dit gebeuren roept de herinnering wakker aan een drama, dat zich in de dagen der bevrijding afspeelde. Hardenberg was bevrijd en ook de bevolking van Heemse stak reeds de vlaggen uit. Maar… daar zwierven nog Duitsers rond, die op een gegeven ogenblik hulp gingen halen uit Ommen.

Terwijl de inwoners van het dorp zich angstig schuil hielden voor de dingen die komen zouden, werd de commandopost te Hardenberg gewaarschuwd. Juist toen een bus vol Duitsers de Ommerweg kwam afrijden, naderde van de Haar een tank uit de richting Gramsbergen. Toen uit de bus een schot werd gelost, opende de tank het vuur en schoot de bus in flarden. “

De 11 slachtoffers:
– Hermann Kionka uit Tangermunde (geb. 29-06-1906)
– Heinrich Sackmann uit Hildesheim (geb. 14-07-1906), Unteroffizier
– Fritz Ottilie uit Benzingerode (geb. 19-03-1904), Obergefreiter
– Otto Erdmann uit Reuthen a/d Oder (geb. 25-09-1899), Gefreiter
– Fritz Wedel uit Hamburg (geb. 07-09-1902), Obergefreiter
– Bruno Arnold uit Erlbach (geb. 04-06-1897), Unteroffizier
– Paul Streek uit Gr. Schwarszsee (geb. 25-08-1898), Unteroffizier
– Johann Josef of Joseph uit Müllendorf (geb. 03-09-1900), Obergefreiter
– Richard Ströbert uit Püssenheim (geb. 08-04-1905), Unteroffizier
– Otto Rieckhof uit Gustrow (geb. 10-07-1900), Feldwebel
– Karl Heinz Otto (verdere gegevens ontbreken)

Dit drama gebeurde op 6 april 1945. De gesneuvelden werden begraven in een massagraf, in uniform en zoals gezegd, elf jaar later, opgegraven. De gesneuvelde Duitsers werden echter niet, zoals de krant schrijft, naar Duitsland vervoerd, maar overgebracht naar de militaire begraafplaats (Kriegsgräberstätte) in Ysselsteyn, in de provincie Limburg dicht bij de Duitse grens. De begraafplaats is de enige Duitse soldatenbegraafplaats in heel Nederland. Hier liggen 85 gesneuvelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog en bijna 32.000 gesneuvelden uit de Tweede Wereldoorlog.


Toen, op 13 juni 1708: collecte voor slachtoffers van de grote brand.

Op 13 juni 1708 besloot het bestuur van de stad Hardenberg tot het houden van een grootschalige collecte na de desastreuze brand van 8 mei:

“Dewijl het God Almaghtigh belieft heeft het stedeken Hardenbergh op dingsdagh den 8 meij deses jaars met een sware ongeluckige brand te besoecken, waardoor dit stedeken ten eenemael geruineert en in die assche geleght is, niets overgebleven als kercke en schole nevens nogh 3 a vier kleijne woningen staende buijten den kringh van Hardenbergh, en alsoo wij bevinden dat onse borgers en ingesetenen niet in staat sijn om hare geledene schade te repareren, ten sij deselve door de mildadighed van goede en vrome Christenen met eenigh onderstant worden onderschraaght; soo sijn door burgermeesteren en raad hiertoe gecommitteert, gelijck wij commiteren bij desen de edele scholtis Johan Molckenbour en burgermeester Voltelen om nae die provintie van Hollant te reijsen, en haar te addresseren aan haar edele groot achtbare de heeren magistraten van die steden off verder bij die staten van dieselve provintie om opt aller onderdanighst van haar edele groot mogende te versoecken een collecte tot opbouw van dese plaetse, en word goedertierentlijck versoght, dat alle het geene door de mildadigheid en mededragentheijt van onse nabuiren ons mede gedeelt moghte worden in dit collectboeckkien magh geteijckent worden, om het ontfangene door onse voorgemelde collecteurs hier te konnen doen blijcken: god wil alle mildadige Christenen voor alle diergelijcke ongevallen bewaren, haar segenen en in alles voorspoedigh maecken. In oirkonde der waerheijd hebben wij burgermeesteren en raad dese met onse stadts kleijn segel (dewijl het grote al mede in onse verbrande raethuijs is verloren gegaan) door die subscriptie van onsen praesiderende burgermeester nevens die van onsen secretaris doen bekragtigen. Actum Hardenbergh den 13en junij Ao 1700 en aght”.


Toen, op 13 juni 1881: emigrante Jennigjen Stegeman.

0613_Jennigjen_Stegeman

Deze oude carte-de-visite werd op 13 juni 1881 door de postbode afgegeven bij een boerderij in Heemse. Op de achterzijde lazen we dat het afkomstig was uit Michigan. Het is een foto van Jennigjen Stegeman. Zij was op 27 april 1821 in Rheeze geboren en in 1846 met haar ouders geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Zij overleed op 27 oktober 1902 in Allegan, Michigan. Ze is twee keer getrouwd geweest. Eerst in 1852 met Hendrick Jans Hulst en na diens overlijden hertrouwde ze in 1857 met Jacob de Frel.