Archieven: 2020-07-15

Toen, op 15 juli 1929: de Eltem komt.

In de raadsvergadering van 15 juli 1929 besloot de gemeente Stad Hardenberg tot de verhuur van drie klaslokalen van de voormalige openbare lagere school aan de Wilhelminastraat aan de N.V. Leeuwarder Textielmaatschappij (Eltem). Voor slechts 200 gulden per jaar kon de vennootschap in Hardenberg deze ruimten huren. Het zou de aftrap vormen voor een snel groeiende en bloeiende bedrijfstak in Hardenberg. Eltem werd werkgever van een groot aantal jongedames en heren.

In dezelfde vergadering besloot de raad om een bouwterrein van 30 are, gelegen aan de verbindingsweg tussen station en Bruchterweg (de Burgemeester Schuitestraat) kosteloos beschikbaar te stellen, waarop de Eltem fabrieksgebouwen kon stichten.

Een deel van de reeds bestaande confectiefabriek in Almelo werd vervolgens overgebracht naar stad Hardenberg. Eind oktober 1929 werkten er al dertig meisjes en bleken de drie schoollokalen al te klein. De bouw van het nieuwe fabrieksgebouw aan de Schuitestraat werd voortvarend opgepakt, zodat het op 22 april 1930 in gebruik genomen kon worden. In 1949 werkten er dagelijks zo’n 160 werknemers aan de lopende band…


Toen, op 13 juli 1889: noodkreet uit Amsterdam.


Dit prachtige, bijna fonetisch geschreven, briefje wordt nog altijd bewaard in de serie ingekomen stukken van het jaar 1889 in het archief van de voormalige gemeente Ambt Hardenberg:

“Amsterdam, 13 julij. Waarde heeren of bürgermeester en kommezaaris van den herdenberg ik kom u is vriendelijk te verzoekken om eenne zaak als de noot aan breekt of gij ook een ermen knaap ok nog regt wilt doen ik kom is te [ver]tellen dat nog eennig slaavenhandel bestont, maar nu wil ik u is vriendelijk verzoekken of gij mij nog regt wilt doen. Ik ben hier aant werk maar die mensschen die meenen dat zij ook doen kunnen wat zij willen. Ik tref het zoodat hier zijn duijtzersen en ook nog een bestoor die de hoer speelen met een vrou en die willen met gewelt dat ik die zal hebben. Nu dat wil ik niet. Nu ligt die bestoor daar te scheelen mij het zwart te boek en beschee mij en broeders van mij en mijn heele vermielie en daar woont ook een boer die maakt het nog slegter, die heeft handen geel aan een tooverheks gegeven en dat hat heft mij hast leeven gekost.

Die mensschen leggen gewelt daar op toe om mij als slaafe in te pikken maar nu verzoek de heeren als mij een van die hee moogen met gewelt moogen krij dan mogt gij mij helpen. Want ik zal mij en mien en mijn heele vermielie laaten bescheelen van de bestoor en van die duitzers die weggeloopen zijn uit duitlant van zoo een roomszen klap en zoo een sleyttend boer. Zoo wil ik de heeren of burgermeester vriendellijk verzoeken kommezaaris heer Bolks.

Jan Keus, geebooren amt herdenberg, in Raadewijk, zoon van wielen Keus en Hendrikje Hankamp.”

Jan Keus was inderdaad geboren in Radewijk en wel op 17 maart 1849. Zijn vader, Wilent Keus was afkomstig uit Den Ham, maar zijn moeder, Hendrikjen Hankamp, was Radewijkse van geboorte. Wat de precieze strekking van het lastig te begrijpen briefje precies is, is ons nog altijd niet helemaal duidelijk. Kennelijk was Jan in ’t nauw gekomen terwijl hij werk had gevonden in Amsterdam. Hij zocht zijn toevlucht bij de burgemeester en wethouder van Ambt Hardenberg, maar of die hem wel hebben kunnen helpen?

Het archief bevat geen antwoord op Jans brief. Jan stierf ongehuwd in ‘s-Gravenhage op 11 oktober 1902. Hij had geen beroep en was volgens het register van overlijden een zoon van Willy Keus en Hendrikje Ankamp.


Toen, op 13 juli 1928: de erfenis Groote Balderhaar ten Velde

Het Sallands Volksblad van 13 juli 1928 meldde:
“Hardenberg. Zondagmorgen na de godsdienstoefening maakte ds. Verrij aan de gemeente bekend dat de diaconie der gereformeerde kerk alhier universeel erfgenaam was geworden van de nalatenschap van wijlen den heer J.G. Groote Balderhaar ten Velde. Deze erfenis, waarvan de waarde nog niet nauwkeurig bekend is, bedraagt vermoedelijk na aftrek van de successiebelasting en andere onkosten de som van f. 40.000,-.

Een vierde deel van dit bedrag wordt terstond uitgekeerd. Van het overblijvende drie-vierde deel moet de rente worden uitbetaald aan de huishoudster van den overledene, tot aan haar dood toe.”

Op hoge leeftijd had Joannes Gerardus Groote Balderhaar ten Velde – hij was al 85 – zijn testament voor de zoveelste keer laten wijzigen. Hij was door het overlijden van zijn nakomelingen alleen achter gebleven. Notaris A.O. Dammes te Soest verleed de akte op 4 april 1927 en op 16 mei 1928 vulde hij dat nog eens aan. Daarin liet hij vastleggen dat hij wilde worden begraven in Stad Hardenberg. Joannes overleed anderhalve maand later, op 3 juli. Vier dagen daarna werd hij bijgezet in de grafkelder die hij zelf, ruim veertig jaar eerder, had laten bouwen op het oude kerkhof Nijenstede aan de Stationsstraat.

Balderhaar ten Velde

Uit archivalia in het kerkarchief blijkt dat het stoffelijk overschot met een lijkauto van Amersfoort naar Hardenberg is gebracht en dat daarvoor – inclusief de inzet van twee aansprekers en vier uitzetters en een fooi voor de chauffeur – ruim 150 gulden in rekening werd gebracht. In Hardenberg was Hendrik Jan Otten de aanzegger. Hij verkondigde het overlijden bij vrienden en bekenden en zorgde ervoor dat alles voor de begrafenis geregeld werd. De doodgraver rekende tien gulden voor zijn inspanningen en de dragers van de kist ontvingen dertig gulden. Een metselaar werd ingeschakeld voor het openen, schoonmaken en sluiten van de grafkelder. D.A. Lambrechts leverde de kist van eerste klas eikenhout, voorzien van zwaar koper beslag. De leverancier stuurde daarvoor een nota van 135 gulden, maar dat was inclusief een fooi voor de twee timmerlieden die het zware werk hadden verricht. Op de kist was voor vijftien gulden een koperen naamplaat bevestigd. Joannes Gerardus vond zijn laatste rustplaats naast zijn vrouw, zijn zoons, schoondochter en aangetrouwde oom en tante.

In Johannes’ laatste testament had hij een ‘Koninklijke gift’ vermaakt aan de armen van de gereformeerde kerk te Hardenberg. Met dat geld kon de kerk vele decennialang lang haar leden financieel ondersteunen, hetzij door laagrentende hypotheken te verstrekken, hetzij door het verlenen van periodieke onderstand. Het kerkbestuur besloot kort na de ontvangst van het legaat tot het instellen van het zgn. ‘Groote Balderhaar ten Velde Fonds’. Op 9 juli 1929 werd op voorstel van ds. G. Verrij een commissie benoemd die de instructie en regeling moest opmaken voor de administrateur voor het beheer en de administratie van het fonds. Die commissieleden waren de heren Breukelman, Goris, Olthof en Weitkamp. De voorzitter van de diaconie, schoenmaker Philippus Hendrik Goris, werd benoemd tot de eerste administrateur.

nota

Meer informatie over Groote Balderhaar ten Velde leest u in deze speciale bijdrage.


Toen, op 11 juli 1776: over het recht van ‘dooweg’.

Dit briefje is geschreven op 11 juli 1776 door ds. Willem Stolte te Heemse, in opdracht van Derk Assen aldaar:

Ik ondergetekende bekenne hier mede, dat ik den Heer van Heemse verzogt hebbe, dat het lijk van Hendrik Vinke volgens regt niet over mijn land, maar door de steege gedragen mogte worden; vermits ‘er bijna rijpe rogge opstond; en dat zijn Hoogwelgeb(oren) Gestr(enge) mij zulks voor dese keer heeft toegestaan ongepraejudiceert zijn regt. Heemse, den 11 julij 1776.

“Het lijk van Hendrik Vinke” betrof de overleden Hendrik Everts Vinke. Hij was op 69-jarige leeftijd gestorven op ’t erve Reinink te Heemse.

Meer informatie vind u op onze website in de rubriek ‘Oude huisplaatsen’.


Toen, op 10 juli 1802: de oudste bouwaanvraag.


In de bijzondere collectie archiefstukken, afkomstig van de families van Riemsdijk en Soeters, genummerd 212.1 in het Historisch Centrum Overijssel, wordt in inventarisnummer 54 de oudst bekende bouwaanvraag bewaard die betrekking heeft op Hardenberg.

Het dossier bevat een brief gedateerd 10 juli 1802, gericht aan het Intermediair administratief gemeentebestuur der Stad Hardenbergh:

“Geeven met verschuldig respect te kennen Willem Middendorp en ehevrouwe Henderkien van der Heijde, hoe dat zij req(uiran)ten hunne tegenswoordige wooning alhier ter steede met 1 meij 1803 zullende moeten verlaaten, zich genooddrongen vinden en teevens geresolveert zijn, om, indien de daartoe benodigde plaats door UL(ieden) mochte worden geaccordeerd, op den sloot aan het Oost-einde deezer stad, naast het huis van C. Stolte, wed. Van Riemsdijk, een nieuw woonhuis te doen optimmeren. Alwaarom dan req(uiran)ten te rade wijn geworden UL(ieden) door deezen te verzoeken, dat door UL(ieden) ter plaatse voorz(eid) de tot aanbouw van opgem(eld) woonhuis benoodigde grond aan req(uiran)ten moge worden aangeweezen en vergund. Ofte etc., ’t welk doende. J. van Riemsdijk, dr. q.q.”

De brief was geschreven door Jacobus van Riemsdijk in opdracht van het echtpaar Willem Middendorp en Hendrikje van der Heide. Zij moesten kennelijk hun gehuurde woning verlaten en hadden een mooi plekje opgezocht aan het einde van de bebouwing, aan het Oosteinde van de stad. Het verzoek werd door het stadsbestuur ingewilligd, met dien verstande dat:

“’t Verzoek ten requeste gedaan, wort geaccordeerdt, mits de requestranten met 1 meij dezes jaar ’t te bouwene woonhuis zullen hebben volbouwd, in dezelve rooijing en richting als ’t woonhuis van vrouwe C. Stolte, wed. J. van Riemsdijk, waar toe zij de tijdelijke regering bij ’t leggen der fondamenten ter plaatse zullen hebben te convoceeren, voorts zullen zij de voor- en oostzijde des huizes met steen moeten opmetzelen, en van ’t woonhuis van de wed. Van Riemsdijk moeten afblijven op de distantie van agt voeten om te strekken tot een gemeenen gang; terwijl zij verders verplicht zullen zijn hier ’s jaarlijks te betaalen ’t gewoone schoorsteengeld. Ita actum in senatu binnen Hardenbergh op de 5 janu. 1803. G. Nijman. Ant. van Riemsdijk, secretaris.”

Meer informatie vind u op onze website in de rubriek ‘Oude huisplaatsen’.