Archieven: 2020-07-09

Toen, op 09 juli 1533: de molen van Stad Hardenberg.

Op 9 juli 1533 werd door de Stadhouder van het gewest Overijssel toestemming verleend aan de burgers van Hardenberg tot het oprichten van een windmolen, ter vervanging van een bestaande watermolen. Die oude watermolen kon in de winter niet gebruikt worden vanwege de vorst en ’s zomers was er te weinig water in de Vecht om de molen van stromend water te voorzien. Georg Schenck van Toutenburg verleende de toestemming. Hij was van 1528 tot 1540 stadhouder namens de Habsburgse Nederlanden.

Echter, die toestemming werd niet zonder slag of stoot gegeven, want ‘de jufferen en erfgenamen’ van het adellijk goed te Gramsbergen hadden bezwaar. Zij waren bang dat de Hardenberger molen concurrentie zou opleveren voor hun molen. De stadhouder wees het bezwaar af en zodoende konden de Hardenbergers aan de slag met de bouw van de molen die we nu kennen als ‘de Oelemölle op de Brink’. De tekst van het stadhouderlijk besluit luidde:

“9 juli 1533. In sake den Jufferen en erfgename van Gramsberge tege burgemeesters, schepene en rade en gemeene ingezetenen van Hardenberg, van een nieuwe windmolen welke die van Hardenberg wenschen op te richten, omdat zij (als zij zeggen) des zomers om de droogte en des winters om de vorst, hun watermolen niet gebruiken kunnen. Waarop de Stadhouder aan die van Hardenberg ‘den wind gegund heeft’ onverkort ’s Keizers en ieders recht, waartegen de juffers aangevoerd hebben, dat haar windmolen, die zij jarenlang bezaten, hierdoor werkelijk benadeeld wordt – is gewezen, dat die van Hardenberg den windmole mogen oprichten, doch niet tevens de watermole moge gebruiken en geen verbond of monopolie maken zulle, tot nadeel des molens der Juffers, op straf van verlies van de gegunde wind”.

De ‘stadseigendommelijke wind-koorn- en pelmolen’ werd in 1598 door de stad verkocht aan Gerhardt van Warmelo, de toenmalige drost van Salland. Diens erfgenamen verkochten hem vijftien jaar later aan jonkheer Sweder Schele toe Weleveld en Venebrugge. In 1664 werd de stad weer eigenaar toen ze de molen terug kon kopen van de erfgenamen Schele. Om de aankoop te financieren leenden ze duizend keizersguldens van burgemeester Harmen van Borne.

De molen met het daarbij behorende molenaarshuis en tuin ‘op en aan den Molenberg’ (de Brink) werd bijna twee eeuwen later, namelijk in 1852, door middel van een publieke veiling opnieuw verkocht door de stad Hardenberg. De nieuwe eigenaar werd Derk Jan Bruins. Hij had de molen voordien in pacht.

De Oelemölle zou nog een eeuw in particuliere handen blijven, totdat de gemeente Hardenberg in 1965 besloot de zwaar vervallen molen aan te kopen van brandstoffenhandelaar Jurrien Nijzink. Vervolgens werd meteen een begin gemaakt met de restauratie. In de raadsvergadering van 31 oktober 1967 werd besloten de oude stadskorenmolen voortaan officieel de naam ‘Oelemölle’ te geven. De restauratie was inmiddels volledig afgerond.

In het rietdek van de molen is door de rietdekkers het jaartal 1533 aangebracht, het jaar waarin de eerste molen op de Ulenbelt werd opgericht. Echter, de huidige Oelemölle is van veel later datum. De constructie is een stuk jonger. In één van de grote tandwielen komt bijv. het jaartal 1733 voor dat een stuk aannemelijker is…

Meer informatie over de Oelemölle leest u op onze website.


Toen, op 09 juli 1928: veiling boerderij Dubbeldam.

De historie van deze boerderij aan de Hardenbergerweg 37 begint in 1924. Toen liet jonkheer Adriaan Stoop uit Ommen haar bouwen door aannemer J. Meijer uit Heemse. Jonkheer Stoop had in Brucht nogal veel ‘woeste grond’ aangekocht om te gebruiken als jachtterrein. Hij had zich in 1923 in Ommen gevestigd en bewoonde daar het landhuis De Olde Vechte aan de Zeesserweg.

Stoop had bij de stichting de boerderij al een naam gegeven. Nog steeds staat de naam op de zijgevel, maar op een oude foto siert de naam de voorgevel. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet de naam zijn bedacht vanuit de herkomst van de heer Stoop: bij Dordrecht lag het plaatsje Dubbeldam, nu opgenomen als wijk van het zich uitbreidende Dordrecht. De naam van de boerderij moest de herinnering aan zijn geboortestad levend houden.

Slechts enkele jaren na de ingebruikname van de boerderij besloot jonkheer Stoop zijn bezittingen op de grens van Brucht en Oud-Bergentheim alweer van de hand te doen. Op maandag 9 juli 1928 vond de eindveiling plaats in café H. Mulder te Bergentheim. Echter de openbare verkoop, onder leiding van notaris Bloem uit Ommen, bracht kennelijk te weinig op. De verkoop ging niet door. Stoops bedrijfsleider M. Verkuil kon zijn werkzaamheden dus blijven verrichten op Dubbeldam. Twee jaar later verschenen opnieuw advertenties in lokale, regionale en landelijke kranten waarin de boerderij te koop werd aangeboden:

“Een kapitale vruchtbare boerenplaats met een ruim gebouwde boerenbehuizing van alle gemakken voorzien; waarin stalling voor 50 stuks rundvee, 6 paarden, een varkensschuur, wagenschuur, hooiberg, 2 gierkelders en een dubbele arbeiderswoning, met hierbij 31 bunder grasland en 3 bunder bouwland, voorts ca. 3 bunder eiken- en dennenbos, gelegen in Brucht.”

Op 5 januari 1931 vond de eindveiling plaats van ‘de pracht grasboerderij ‘Dubbeldam’ te Brucht’. De verkoop vond plaats in hotel Baving, onder leiding van notaris Schut. De ‘groote, ruime, nieuw gebouwde boerenbehuizing, wordende elektrisch verlicht en verder voorzien van alle gemakken, met groote schuur waarin stalling voor 50 stuks hoornvee’ ging onder de hamer. Het hoogst uitgebrachte bod bleek echter voor jonkheer Stoop opnieuw niet hoog genoeg. Toch wilde hij de bedrijfsactiviteiten op Dubbeldam beëindigen, want op 31 maart 1931 verscheen in het Leidsch Dagblad:

“Wegens algeheele opheffing van het bedrijf. Groote boeldag op boerderij ‘Dubbeldam’ Bergentheim. Verkoop 50 stuks stamboekvee. Notaris Schut te Heemse is voornemens woensdag 25 maart 1931 bij de boerenbehuizing Dubbeldam te Bergentheim, ten verzoeke van den hoogwelgeboren heer jonkheer A. Stoop te Ommen te verkoopen: de gunstig bekend staande stamboekstier ‘Bravo’, no. 10048 S, 4 volbloedstieren, 20 melkkoeien, 9 vaarzen, 5 pinken, 8 kalveren, 6 paarden enz.”

Na nog enkele pogingen tot verkoop werd in 1933/1934 de boerderij verkocht aan mevrouw Helena Johanna Savrij, vanaf 1936 weduwe van G. J. Droste, de chocoladefabrikant. Zij splitste het bedrijf in tweeën. Liet in 1934 een nieuwe boerderij bouwen door aannemer J.J. van den Berg uit Hardenberg. Boerderij Dubbeldam met 55 hectare werd verpacht aan de familie P. Dijkstra uit de omgeving van Lemmer, terwijl de familie Bouma ging boeren op de nieuwe boerderij (45 hectare) met de naam Helenahoeve (genoemd naar mevrouw Helena J. Droste-Savrij). In 1955 zou hoeve Dubbeldam eigendom van de familie P. Dijkstra worden. Na de heer Dijkstra ging in 1968 de boerderij over in handen van de familie H.E. Salomons. Het was toen nog een gemengd bedrijf en de heer Salomons, die van huis uit meer akkerbouwer was, vergrootte het aandeel akkerbouw tot ongeveer twee derde van het bedrijf. In wisselteelt verbouwde hij aardappelen, suikerbieten en granen.

In 1976 werd na de ruilverkaveling het bedrijf teruggebracht tot ongeveer dertig hectare en verkocht aan de familie R. Veltink en vervolgens in 1988 aan familie H.J. Bergink. De akkerbouw was inmiddels afgestoten, het was nu alleen nog een melkveehouderij. Sinds november 2000 oefent de familie G. van Walderveen er het boerenbedrijf uit. Stadsuitbreiding in de gemeente Bunnik bij
Utrecht was er de oorzaak van om naar iets anders om te zien en Dubbeldam was te koop. Merkwaardig dat ook deze familie ‘uit het westen’ behoefte voelde om de herinnering aan de plaats van herkomst levend te houden: naast de boerderij staat een bord met de namen ‘Werkhoven’ (de plaats waar hun oude boerderij stond).

(Met dank aan: K. Oosterkamp)


Toen, op 08 juli 1949: kamp Ommerweg.

barak kamp Ommerweg wordt kerk te Radewijk

Een heel kort berichtje deze keer, afkomstig uit het Sallands Volksblad van 8 juli 1949:
“We vernamen dat een barak uit het kamp Ommerweg is aangekocht als kerkgebouw voor Radewijk.”

Die barak was afkomstig uit het ‘kamp Ommerweg’, zoals de krant schreef. Daarmee werd bedoeld het voormalige kamp van de Arbeidsdienst, ‘Kamp Heemse’, ten noorden van de Ommerweg en tussen de huidige Bosweg en De Riet. Dat barakkenkamp was in 1941 gebouwd door de Rijksgebouwendienst. De barakken waren in april van dat jaar middels een binnenvaartschip verscheept en afgeleverd. Het waren ‘kant-en-klare’ bouwpakketten uit Duitsland. Hoewel het kamp op 1 juli nog niet helemaal gereed was, was het wel al in gebruik genomen.

Aanvankelijk had de N.A.D. (Nederlandsche Arbeids Dienst) nog een vrijwillig karakter, maar al in april 1942 was het gewijzigd in verplichte dienst. De jongemannen verrichtten bijvoorbeeld
ontginningswerkzaamheden, maar ook werden ze vanaf het moment dat de aardappeloogsttijd was aangebroken, daarbij ingezet. In een oud donkergroen legeruniform, met een schop over de schouder, marcheerden de jongemannen ’s ochtends vroeg in ganzenpas van het kamp naar de werkterreinen en ’s avonds keerden ze vermoeid weer terug in hun barakken.

Half maart 1943 was het ‘Kamp Heemse’ officieel omgedoopt in het ‘Kamp Johan Maurits graaf van Nassau-Siegen.’ Ruim een jaar later, in de zomer van 1944, werd het kamp opgeheven en de ‘bewoners’ werden overgeplaatst naar andere oorden.

Ook in Bergentheim was een kamp van de N.A.D. aangelegd op een terrein van de N.V. Veenderij Erven mr. I.A. van Roijen, gelegen aan de Stationsweg, ten zuiden van het stationsgebouw en ten westen van het postkantoor, op de zogenaamde ‘Ossenbroek’. Dat kamp droeg vanaf maart 1943 de naam ‘Kamp Joost van den Vondel’.

De barak die naar Radewijk werd gehaald, ging inderdaad dienst doen als kerkgebouw voor de hervormde gemeente. Het was geplaatst op een perceel grond dat was aangekocht van de weduwe H. Veldsink. Het heeft tot circa 1970 als zodanig gefunctioneerd. In dat jaar werd het huidige, stenen, kerkgebouw gerealiseerd.


Toen, op 08 juli 1785: emancipatie pur sang.

Het olieverfschilderij toont Clara van Riemsdijk-Stolte (1743-1825), en profil geschilderd. Het doek bevindt zich in de privé-collectie van een verre nazaat.

In inventarisnummer 53 van het Familiearchief Van Riemsdijk – Soeters wordt een bijzonder convenant bewaard dat op 8 juli 1785 werd gesloten tussen Jan Godefried Pruim en Clara van Riemsdijk-Stolte. Het stuk is bijzonder, omdat het – voor zover wij weten – het oudste document is dat betrekking heeft op Hardenberg en waarin een vrouw een belangrijke functie krijgt toegewezen, namelijk die van ‘ontvangersche’, oftewel schatkistbewaarder van de directe en indirecte belastingen.

De volledig getranscribeerde tekst:

“Alzoo door het overlijden van den verwalter Scholtus en ontvanger des Kerspels Hardenberg J. van Riemsdijk, deszelfs nagelatene weduwe tot het bedienen van het Schoutampt de procurator J.G. Pruim, door den heere Scholtus en ontvanger A.C. baron van Coeverden, wederom zijn aangesteld of gesubstitueerd; invoegen dat door dezelven, ingevolge eene onderling te makene schikking en conventie, aan welgemelden heer Scholtus Van Coeverden ook voortaan moet worden uitgekeerd, eene gelijke summa van zevenhonderd en vijfentwintig guldens jaarlijks, als door wijlen de verw. Scholtus en ontvanger Van Riemsdijk daarvan aan zijn Hoogwelgeb. pleeg uitgekeerd te worden, en, dat zij alle de overige opkomsten en profijten respectivelijk zullen blijven behouden.

Zoo is ’t, dat wij ondergetekenden tot wederzeggens toe met elkanderen zijn geconvenieerd en overeengekomen, dat de voorzeide uitkeering aan den heer Scholtus van zevenhonderd en vijfentwintig gulden ’s jaarlijks (waarvan het eerste jaar zal vervallen op den 9 junij 1700 zes en tachtig, en zoo vervolgens zoo lange wij deze ampten bedienen ’s jaarlijks continueren) door ons zal worden gefourneerd en bij elkanderen gebragt; dergestalt: dat ik Clara Stolte, weduwe Van Riemsdijk, de ontvangst op dezelfde voet zal waarnemen als door mijnen wijlen man, voor dat er een vast accoord van uitkeeringe gesloten was, geschied is; te weten, dat ik van de opkomsten en profijten der reëele landsmiddelen aan den heer Scholtus zal uitkeren drie-vijfde parten, en van die der personeele middelen de halfscheid. En, dat ik J.G. Pruim dan verder uit de opkomsten en profijten van het Schoutampt al de rest van de meergemelde zevenhonderd en vijfentwintig guldens, welke er aan de uitkeering van den ontvangst, door de vrouw weduwe Van Riemsdijk als voorzeid te doen, te kort komt, zal suppleren, en aan zijn HoogWelgeb. jaarlijks uitkeren; terwijl ik teffens mede tot mijnen laste neme om het officie-geld van het Schoutampt, en den op het Schoutampt ten profijte van den Heer van Heemse staande pandpenning, jaarlijks of voor den tijd dat ik het Schoutampt administrere, te zullen betalen.

Verbindende wij ondergetekenden respectivelijk of een yder voor zich ons hiertoe bij dezen; met belofte, om aan den heer Scholtus ten allen tijde, des requirerende, openinge te zullen geven van den staat des Schoutampts en des ontvangers. Belovende en aannemende ik C. Stolte, wed. Van Riemsdijk ook mede, om voor den ontvangst de nodige en vereischt wordende cautie te zullen stellen. En om aan den heer verw(alter) Scholtus Pruim alle jaaren in de maand van meij met de ontvangst-registers te doen blijken, hoeveel ik tot het op den 9 junij daaraanvolgende verschenen jaar uitkeeringe, ingevolge deze overeenkomste moet contribueren, opdat hij daarna zijne quota, of hoeveel daar als dan tot de meergemelde uitkeeringe voor hem te betaalen nog overblijft, fournere. Zullende wij ondergetekende onze respective aandeelen tot deze uitkeeringe, waarvoor wij ons ook mids dezen, een yder voor het zijne, ten behoeve van den heer Scholtus convenibel en aanspraaklijk stellen, – alle jaaren of zoo lange wij deze ampten respectivelijk administreren, voor den 9 junij van yder jaar bij elkanderen brengen, om ze aan den heer Scholtus te bezorgen.

In kennisse der waarheid, hebben wij hier van drie eensluidende acten gemaakt, een voor onzen heer principaal en een voor een yder van ons; en die met onze eigenhandige naamtekeningen bekrachtigd. Actum Hardenbergh, den 8 junij 1700 vijf en tachtig.

C. Stolte, wed. Van Riemsdijk
J.G. Pruim”

Het convenant betreft een overeenkomst tussen procureur (advocaat) Jan Godefried Pruim en Clara Stolte, de weduwe van de plaatsvervangende schout Jacobus van Riemsdijk. Pruim werd de opvolger van Van Riemsdijk. De verwalter scholtus (plaatsvervangend schout) was de zaakwaarnemer van de echte schout van Hardenberg. In die tijd was dat de heer Van Coeverden. Aan hem moest jaarlijks door de plaatsvervangend schout een bedrag van 725 gulden worden uitgekeerd. Uit de akte blijkt dat weduwe Clara van Riemsdijk-Stolte het werk van haar overleden man, voor wat betreft het innen van verschillende belastingen, mocht voortzetten. Het bedrag dat ze hiervoor jaarlijks aan Van Coeverden moest betalen, werd bepaald op drie-vijfde van de landelijke- en de helft van de te innen gemeentebelasting. De rest zou worden betaald door Pruim.


Toen, op 06 juli 1826: door de bliksem getroffen.

Bliksem
Bliksem


De Nederlandsche staatscourant van 10 juli 1826 meldde:
“Heemse, den 6 julij. Het op zaturdag den 1sten dezer op onderscheidene plaatsen hevigst gewoed hebbende onweder was ook ter dezer gemeente (het Ambt Hardenbergh) voor de bouwlieden M. Eschhuis te Diffelen en H.J. Hulsebosch te Rheezerveen, twee uren van elkanderen gelegene gehuchten, noodlottig, terwijl eene schaapstal des eerstgenoemden en twee van den laatstgemelden, door den bliksem getroffen, afbrandden.

Van de 72 stuks schapen, die zich in den eerstbedoelden stal bevonden, doodde de bliksem tevens 18 stuks, 2 slechts bleven ongeschonden, terwijl de overige 52 of door den bliksem of door den opgevolgden brand zoodanig zijn beschadigd, dat men vreest dat de bouwman alle dezelve zal verliezen. Zijnde bij den bouwman H.J. Hulsebosch echter, voor wien dit toeval door de belendheid van zijn woonhuis en schuur allernoodlottigst hadde kunnen worden, slechts 2 schapen gedood gevonden”.