In een proces-verbaal, gedateerd 1 oktober 1738, legt de onderscholte van Hardenberg, Marten Schutte, onder ede zijn getuigenis af tegenover richter Arnold Voltelen. Het verhoor vond plaats op verzoek van Jan van Munster, Jan Rustenbergh en andere participanten van de verpachte accijnzen op brandewijn en gebrande wateren binnen het kerspel en de stad Hardenberg. Schutte verklaarde ongeveer 32 jaar oud te zijn en niet verwant aan de betrokkenen.
Hij bevestigde dat hij op donderdag 25 september door de pachters was verzocht hen te vergezellen bij een peiling (nader onderzoek) op de Mariënberg, in het huis van Teunis Berg, en dat zij daarna eveneens samen bij Tonnis van den Bergh waren geweest. Vervolgens vroegen de pachters hem mee te gaan naar het huis van Jan Lamberts in Bergentheim. Volgens Schutte was dit bezoek niet bedoeld om een huiszoeking te doen, maar omdat Rustenbergh daar een klockien of horologie wilde kopen. In zijn aanwezigheid werd dit zakhorloge inderdaad gekocht voor zesentwintig gulden.
Tijdens het verblijf vroeg Jan van Munster aan Lamberts of hij ook jenever in huis had. Deze antwoordde aanvankelijk ontkennend. Toen zij echter reeds op het punt stonden te vertrekken, herhaalde Van Munster de vraag: “weet gij dat wel?”, waarop Lamberts bevestigend antwoordde. Van Munster verklaarde toen dat hij het huis wilde visiteren. Schutte herinnerde zich niet dat Lamberts daar nadrukkelijk toestemming voor gaf met de woorden “dat doet, dat mag ik wel lijden”, maar hij stelde wel dat Lamberts geen tegenstand bood.
In de keuken haalde Van Munster vervolgens uit een kastje een flesje tevoorschijn, afgesloten met een propje hooi. Er werd een kleine hoeveelheid in een theekopje gegoten, waarvan Schutte zelf moest proeven. Hij bevestigde dat het genever betrof. Toen aan Lamberts werd gevraagd waar de drank vandaan kwam, verklaarde deze dat hij die van zijn zwager had gekregen. Op doorvragen van Schutte verduidelijkte hij dat het afkomstig was van zijn broer, woonachtig op de Welle. De onderscholte voegde hieraan toe dat hij zeer goed wist dat in de Welle een branderij bestond.
Daarop namen de pachters de fles in beslag en gaven deze in de bewaring van Schutte, die haar samen met hen overbracht naar Heemse. Daar werd de fles aan richter Voltelen overgedragen, die haar verzegelde. Hoewel Schutte niet zeker wist of Voltelen de inhoud toen al had onderzocht, verklaarde hij dat de fles later in het gericht geopend was. Zowel de richter als de keurnoten hadden de drank geroken en als jenever herkend, waarna de fles opnieuw met het cachet van de richter werd verzegeld en in diens bewaring bleef.
Schutte besloot zijn getuigenis met de solemnele eed, na te zijn gewezen op de straf van meineed naar landsrecht, waarmee zijn verklaring officieel werd bekrachtigd. Het document eindigde met de handtekening en het zegel van richter Arnold Voltelen.
Een transcriptie: Heemse, den 1. october 1738. Rigter Arnold Voltelen. Interrogatoria waarop ter instantie van Jan van Munster, Jan Rustenbergh en verdre participanten van de gepaghte accijnsen over de brandewijn en gebrande wateren over het carspel en stadt Hardenbergh nae voorgaende citatie onder eede sal worden verhoort en afgevraaght Marten Schutte, onderscholtus van den Hardenbergh. Erschenen de onderscholte Marten Schutte, als daartoe alvorens geciteert sijnde, en heeft op ijeder articul gedeponeert, als bij deselve staat geannoteert.
Getuigen ouderdom en verwantschap af te vraegen. Getuige Marten Schutte voornoemt, segt op den 1e artikel ongeveer in sijn 32 jaar out te sijn, en niet verwandt te wesen.
Of sij Jan van Munster en Jan Rustenbergh op donderdagh den 25 september deses jaars 1738 hem Marten Schutte niet hebben gerequireert en in qualiteit als onderscholte met haar genomen om te gaan peilen? Getuige voornoemt segt op den 2e artikel ja, dat de pagters hem hebben versogt om met haar te gaan peilen op den Merrienberg ten huise van Teunis Berg.
Of sij alsoo te saemen eerst en vooraf niet hebben gepeild op den Marrienberg ten huijse van Tonnis van den Bergh? Getuige voornoemt segt op den 3e artikel van ja.
Of sij pagters hem onderscholtus wijders niet hebben gerequireerd met haar te gaan nae het huijs van Jan Lamberts, wonende in de bourschap Bergentheim? Getuige voornoemt segt op den 4e artikel dat de pagters hem hebben gevraegt om eens mede an het huis van Jan Lamberts te gaan, omdat Jan Rustenberg van hem Jan Lamberts een klockien of horologie woude kopen, maar niet om te visiteren, als hebbende daar niet van gesegt of om gevraegt.
En aldaar tesamen gekomen sijnde, zij pagters voornoemde Jan Lamberts niet hebben onderhouden met een discours over een klokje of horologie om hetselve van hem te kopen? Getuige voornoemt segt op den 5e artikel dat Jan Rustenbergh van Jan Lamberts in sijn praesentie een klockien of horologie alsdoen heeft gekoft voor 26 guldens.
Of sij pagters of wel Jan van Munster daar nae aan voornoemde Jan Lamberts niet vroegh hebt ghij geen genever in huis, en waarop hij aan hem andwoorde van neen ick heb niets in huis. Getuige voornoemt segt op den 6e artikel van ja, dat Jan van Munster hem hadde gevraegt of ook genever in huis hadde, en hij geantwoort van neen.
Of hij Jan van Munster niet wijder vroegh weet ghij dat wel en of hij verders daarop niet seide dan moeten wij eens visiteren, en waarop dikgemelte Jan Lamberts heeft geantwoord dat doet, dat magh ick wel lijden. Getuige voornoemt segt op den 7e artikel dat se tesamen al op de deele waeren geweest om weg te gaan, als wanneer Jan van Munster an Jan Lambertsen ’t gevraegde weder vrieg weet ghij dat wel, waarop Jan Lamberts seijde van ja, en hij daarop seijde dan sal ick het eens visiteren, sonder dat hij getuige segt te weten gehoort te hebben dat Jan Lamberts soude hebben gesegt dat doet, dat magh ik wel lijden.
Of sij paghters daarop eerst niet een vlesse van de kast kregen die ledigh was, en daarnae in de kast of spinde sogten, en daaruijt kregen een boutelje of vles daar een propje van hoij op sat, sonder eenige oppositie of tegensprake van hem Jan Lamberts? Getuige voornoemt segt op den 8e artikel dat wanneer sij pagters de gemelte leege vlesse in de keuken van de kaste souden hebben gekregen, niet te hebben gesien, als wesende als doen nog op de deele, en verders na de keuken gegaan sijnde, heeft gesien dat Jan van Munster een vlesse uit een kastje of spinde kreeg daar een propje hoij op was, en weet niet dat Jan Lamberts daartegens eenige oppositie dede.
Of sij de vles niet hebben geopent, en daarvan iets gegoten in een theekopje en hem onderscholtus laeten proeven, wat het voor drank was, en of niet bevonden heeft genever te zijn? Getuige voornoemt segt op den 9e artikel van ja.
Of hem Jan Lamberts daarop niet wierd gevraegt waar en van wie hebt ghij dese genever gekregen, of hij daarop niet antwoorde van mijn swaeger? Getuige voornoemt segt op den 10e artikel van ja.
Of hij onderscholtus hem daarop niet vraegde wat voor zwaeger, en of hij Jan Lamberts daarop niet antwoorde en duijdelijk seide ick hebse gekregen van mijn broeder van de Welle? Getuige voornoemt segt op den 11e artikel van ja.
Of hem onderscholte niet seer wel bewust zij dat Jan Lamberts sijn broeder op de Welle wonende, niet is gelegen in de graefschap Benthem, en aldaar genever stookt of brand? Getuige voornoemt segt op den 12e artikel van ja.
Of sij paghters daarop niet seiden dan moeten wij dese vles met genever mede nemen en deselve in bewaeringe van hem onderscholtes gaven? Getuige voornoemt segt op den 13e artikel van ja.
Of sij tesamen daar niet mede sijn gegaan nae Heemse bij de heere Scholtus Arnold Voltelen en de becomene vles aan deselve overgegeven? Getuige voornoemt segt op den 14e artikel van ja.
Of de heere Scholtus Voltelen die vlesse niet heeft gevisiteert, genever daarin bevonden, deselve mijn cachet verzegelt en alsoo onder zijn weledele bewaeringe genomen, en nogh berustende zij? Zoo niet, dat deselve vlesse met genever door de heer Scholtus alnogh magh gevisiteert worden, en sulks nae bevindinge bij desen te verklaren. Getuige voornoemt segt op den 15e artikel niet te weten, deselve vlesse door de scholtus Voltelen is gevisiteert, wanneer als doen deselve is bezegelt, maar is deselve als nu in den gerighte geopent en van gemelde Scholtus en beide keurnoten geroken genever te sijn, en voort weer met gemelde Scholtus cachet bezegelt en in bewaring gemelde Scholtus verbleven.
Waarmede de getuige voornoemt nae dat hem de straffe des maineeds als nae Landregte was voorgehouden, met solemnelen eede sijn voorschreven depositiën heeft gestarket. Op dato als boven oirconde mijn handt en zegel. Scholtus Arnold Voltelen.
Op 3 januari 1727 diende Judith Jansen Sloot, geboren in het stadje Hardenberg, een verzoekschrift in bij de drost van Salland. Zij verklaarde dat ze als meid had gewoond bij jonker Van Langen op het goed Veltinckvelt in het kerspel Hardenberg. Daar verbleef destijds ook een andere jonker, Pier Galenus van Sytzama, een oud-luitenant. Deze had haar met mooie woorden verleid en vleeschelijk met haar geconverseert. Ongeveer zes à zeven weken geleden was ze op het landgoed den Blankenhemert in Heemserveen bevallen van een kind.
Toen ze dit kind in Hardenberg wilde laten dopen, werd dat pertinent geweigerd door ds. Cuperus. Hij vond dat de doop moest worden verricht door de predikant van Heemse, omdat het kind op Blankenhemert was geboren, dat kerkelijk onder Heemse viel. De predikant van Heemse weigerde echter ook en vond dat het dooprecht toekwam aan de predikant van Hardenberg. Daarbij speelde mee dat jonker Van Sytzama al vijf kinderen in Heemse had laten dopen, waarbij aanzienlijke giften waren gedaan aan de armenkas van die gemeente.
Fragment van de inschrijving in het Register van straf- en boetrechtelijke zaken van het Drostambt Salland (toegang 0032, inv.nr. 57).
Transcriptie: 1727, den 3 jan. Heeft Judith Jansen Sloot, geboortich in stedeke dere Hardenberch bij requeste sich beklaecht hoe dat sij gewoont hebbende bij eenen jonckheer Van Langen wonachtich op ’t goet Veltincksvelt genaemt, gelegen in ’t Carspel van den Hardenberg, aldaer destijts mede in kost was gegaen eenen jonckheer Pier Galenus van Sitsema, zijnde oudt lieutenant, dat die haer door schoone woorden hadde geseduceert en vleeslick hadde met hem geconverseert, en voor omtrent ses en seven weecken geleden in ’t craembedt was bevallen, doch dat de praedikant Cuperus geweijgert hadde hetselve te dopen, sustinerende sulx te moeten geschieden van de praedikant van Heemse, omdat een kint geboren zijnde op Blankenhemert gelegen onder Heemse doch dat de predikant van Heemse sustineerde instineerde sulcks te moeten geschieden van de praedikant van den Hardenberg. Mitsgaders omdat de heer van Sitzema vijf kinderen hadde laten dopen tot Heemse en daer van considerabele giften waren gekomen in de armkiste van Heemse.
In de Registers van straf- en boetrechtelijke zaken van het drostambt Salland vinden we een opmerkelijke zaak. Het speelde zich af op 22 juli 1719.
Op 1 augustus 1719 kwam Hendrick Jansen, wonende bij Warse Vlierman en gesworen schutter te Ane, bij de drost klagen over een incident dat plaatsvond op zaterdag 22 juli. Een scheper van Jan Monnickenmeijer uit Lutten dreef zijn schapen in de marke van Ane, en Hendrick Jansen had deze schapen geschut. Hendrick had de schapen in beslag genomen, omdat de schaapherder de regels van de marke Ane en Anevelde had overtreden. De scheper van Monnickenmeijer had hem gevraagd de schapen even los te laten, zodat hij naar huis kon gaan om geld te halen om de geschutte schapen weer los te maken. Hendrick Jansen stemde daarmee in.
Fragment: … dat de scheper van Monnekemeijer hem daerop met de schuppe door de hoet een gat in de kop hadde geslagen…
Kort daarna keerde de scheper terug, geassisteerd door Jan Monnickenmeijer, diens zoon en dochter. Jan Monnickenmeijer sprak toen harde woorden tot Hendrick Jansen: hij mocht de schapen niet mede nemen, al springt ghij booms hoochte. Toen hij vervolgens naar Monnickenmeijer toeging om te vragen of hij de schapen niet langer mocht schutten, sloeg de scheper van Monnickenmeijer hem met de schuppe door de hoet een gat in de kop, soodanich dat hij beduivelt wierdt en ter aerden neder sijchde. Hendricks verwonding was door de chirurgijn Boerrigter bevestigd.
Toen hij weer bij bewustzijn kwam, was hij opgestaan en had hij de schaapherder vastgehouden. Daarop sloeg Jan Monnickenmeijer hem met een dikke stok seer deerlick, zodat Hendrick Jansen om genade moest vragen en het geweld niet langer kon verdragen. Hendrick Jansen verklaarde dit alles onder ede.
Transcriptie: 1719, den 1 aug. Is Hendrick Jansen wonende bij Warse Vlierman, gesworen schutter tot Aene, aan mij alhier komen klagen hoe dat op saturdach den 22 julij laestleden sij gebeurt dat, seecker scheper van eenen Jan Monnickenmeijer, sijnde een provintiaal meijer uit de boerschap Lutten, sijne schapen drijvende in de marckte van Aene, hij deselve hadde geschuttet. Dat de scheper daerop hem comparant gebeden hadde hij mocht de schapen soo lange laten gaen dat hij na huis ginch om gelt te halen om de geschuttede schapen te lossen. Dat hij comparant daerop de scheper hebbende laten gaen hij scheper een weijnich tijts daerna weder terugh was gekomen, geassisteert met Jan Monnekemeijer, Jan Monnekemeijers soon en sijn dochter. Dat Jan Monnekemeijer daerop tegens hem comparant hadde gesecht nu sult ghij de schapen niet mede nemen al springt ghij booms hoochte. Dat hij Monnekemeijer daerop met een hont die hij bij sich hadde aen hem comparant de schapen hadde onthiet, dat hij comparant daerop nae Jan Monnekemeijer was toegegaen en aan deselve hadde gevraecht hoe het dan was of hij niet langer schapen mocht schutten. Dat de scheper van Monnekemeijer hem daerop met de schuppe door de hoet een gat in de kop hadde geslagen (welck gat ingevolge de gichte van de chirurgijn Boerrichter kenbaer is bevonden) soodanich dat hij beduivelt wierdt en ter aerden neder sijchde. Dat hij weder bij sich selfs komende weder was opgestaen en de scheper hadde vast gehouden, dat daerop de Monnekemeijer hem comparant met een dicke stock seer deerlick hadde geslagen, soodanich dat hij om genade biedt en niet meer lijden konde. Presenterende het voorschreven alles met eede te verklaren, seggende verder dat doenmaels als het voorschrevene gebeurt is als doen niet verre van daer in ’t velt was geweest de scheper van Poest, woonachtigh tot Lutten, genaemt Lucas Jans. Aldus voor mij ondergeschreven gepasseert op den huise Almelo op dato als boven.
In het jaar 1792 diende voor het hoog-adellijk landdrostengericht van Salland een slepend huwelijksgeschil tussen Jonas Israël, een bejaarde joodse koopman uit Hardenberg, en zijn echtgenote Judica Philip Brommet. Jonas, die met haar veertig jaar eerder in gemeenschap van goederen in Amsterdam was getrouwd en met wie hij twaalf kinderen had, klaagde dat zijn vrouw hem moedwillig verlaten had. Wat ooit een langdurig en redelijk harmonieus huwelijk leek, was verworden tot ruzie en verwijten. Volgens Jonas zocht Judica geduirig woorden om hem tot toorn te verwekken en had zij zelfs eens geprobeerd hem te doden, ware het niet dat een huisgenoot haar tegenhield.
Daarna volgden financiële problemen. Judica kocht goederen buiten zijn weten om, liet rekeningen onbetaald, en dwong Jonas tot borgstellingen. In 1788 vertrok zij met zijn toestemming naar Amsterdam, zogenaamd om haar moeder te bezoeken. Hij deed haar nog vriendelijk uitgeleide, tot buiten den Hardenberg, in de verwachting dat zij na drie weken terug zou keren en honderd gulden zou sturen om schulden te voldoen. Maar zij kwam niet terug. Tot zijn uiterste verwondering en ontroering vernam Jonas dat zijn vrouw zich in Coevorden gevestigd had en sindsdien van hem gescheiden leefde, terwijl zij volgens hem zijn geld verteerde.
Bewijsstuk D: verklaring dat Jonas Israël en Judica Philip Bromet op 23 mei 1751 door de schepenen van de stad Amsterdam in de ‘egten staat zyn bevestigt’.
Omdat zij zich bleef onttrekken aan haar plichten, verzocht Jonas de rechtbank haar tot terugkeer te veroordelen. Landdrost Derk baron Bentinck vaardigde hiertoe een officiële dagvaarding uit: Ik, Derk baron Bentinck, heer van Diepenheim … doe uw Judica Philip Brommet … hiermeede te weeten hoe dat uw man Jonas Israel van mij versogt heeft een dag van regten te bepalen … So is het dat ik … uw Judica Philip Brommet bij desen citere, lade en dagvaarde om … te compareren. Hoewel deze oproep haar in Coevorden persoonlijk door de gerichtsdienaar werd betekend, verscheen zij niet.
Drie maal werd zij daarop gecontumacieerd, telkens bij verstek. Getuigen uit Hardenberg bevestigden intussen dat Jonas zijn vrouw nooit mishandeld had en dat Judica vrijwillig, zelfs vriendelijk, van huis was gegaan, maar nooit terugkeerde. Jonas betoogde dat hij, op hoge leeftijd, met zijn kinderen moest sukkelen, om van den eenen dag tot den anderen de kost te winnen, terwijl zijn vrouw elders een rustig leven leidde.
Zo voltrok zich een tragische strijd: een oude koopman die zijn huwelijk met juridische middelen wilde redden, tegenover een vrouw die, ondanks herhaalde oproepingen en smeekbeden, in stilte en afwezigheid koos voor een leven buiten zijn bereik. De protocollen tonen een man die nog steeds aandrong op samenwoning, maar een echtgenote die onherroepelijk afstand had genomen.
De processtukken zijn bewaard gebleven in het archief van de drost van Salland, wat wordt bewaard door Collectie Overijssel (toegang 0032, inv.nr 36).
Jonas Israël (bijgenaamd Bromet) woonde ten tijde van de algemene volkstelling van 1795 in de Achterstraat te Hardenberg en overleed aldaar op 29 mei 1796, althans dat blijkt uit zijn bewaard gebleven grafsteen op het Jeudenbargie.
We weten niet hoe lang het heeft geduurd voor Judica eindelijk terugkeerde naar Hardenberg, maar ze overleed op 86-jarige leeftijd, op 18 september 1816 in de Voorstraat, ten huize van haar zoon Philip Jonasz. Bromet.
Overlijdensakte van Judica (Giertjen) Bromet, weduwe van Jonasz Israel te Hardenberg.
Een transcriptie: Acta prothocollaria, gehouden bij den Hoog Adelijken Landdrosten Gerichte van Salland, in matrimoniële zaaken tusschen Jonas Israel, aanlegger ter eenen, en Judica Philip Bromet, de huisvrouw van den aanlegger, gedaagde ten andere zijde. Raalte, den 26. maart 1792. Coram, den hoogwelgeboren gestrengen heer D. baron Bentinck tot Diepenheim, landdrost van Salland. Erscheenen in deezen hoogad(ellijke) landdrosten gerigte Jonas Israel, joodsch coopman, woonagtig te Hardenberg, geadsisteert met dr. J.S. Hoekman en pr. J.H. Overmers, dewelke hij comp(aran)t zo te samen als ieder afzonderlijk tot zijne bed(ien)den, in deezen onder de gewoone clausulen regtens, en voorts met magt van substitutie ten vollen uit, einde toe qualificeert bij desen, en diend op heeden ingevolge afgegaane weet, citatie, eisch en aanspraake, met de annexe documenten sub A, B.C. en Patet priomo, op en tegens de ged(aagd)e, zijne huisvrouw Judica Philip Brommet. Waarom de comp(aran)t dan staat te wagten op de comparitie van gem(elde) zijne huisvrouw, als mede op de landcedelijke handelinge van dezelve, bij faute van dien, na voorgaande aaneischinge, geduigende tot contumacie, salva punga als na landregte. Cum expensis.
Decreet: Judica Philip Brommet aangeëischt en zij nog niemand haarent wegen gecompareerd zijnde, zo word dezelve gecontumacieerd, salva punga als na Landregte.
Raalte, den 16 april 1792. Coram den hoogwelgebooren gestrengen heer D. baron Bentinck tot Diepenheim, landdrost van Salland. Erscheenen in deezen hoogad(elijken) landdrosten gerigte dr. J.S. Hoekman en pr(ocureur) J.H. Overmers, bekende bed(ien)den van Jonas Israel, zeggene op heeden termijn te zijn, vermits de ingevallende Paaschferie, dat deszelfs huisvrouw Judica Philip Brommet zig zoude kunnen zuiveren van de contumacie heeden drie weeken teegens haar gedecreteerd, en dat de comp(arant)ten q(ualitate) q(ua) dan op die zuiveringe met betalinge der contumaciële kosten, en landcedelijke handelinge staan te wagten en waaren, bij faute van dien gedingende, na voorgaande aaneisching, tot verstek van alle declinatoire en dilatoire expceptien, en dat een tweede wette zal worden geaccordeert tegen de vier weeksten dag als na Landregte.
Decreet: Judica Philip Brommet en zij of niemand haarent wegen gecompareerd zijnde, zo word dezelve andermaal gecontumacieerd, van alle declinatoire en dilatoire exceptien verstooken verklaard en een tweede citatie tegens heden en vier weeken geaccordeerd, als na Landrechte.
Raalte, den 14. maij 1792. Coram den hoogwelgebooren gestrengen heer D. Baron Bentinck tot Diepenheim, landdrost van Salland. Erscheenen in deezen hoogad(elijken) landdrosten gerigte dr. J.S. Hoekman en pr. J.H. Overmers, bekende bed(ien)den van Jonas Israel, zeggende heeden en vier weeken voor de tweede maal contumacie gebotineert te hebben teegens deszelfs huisvrouw Judica Philip Brommet, met een tweede citatie teegens heeden. Dat deeze tweede citatie ook behoorlijk aan gem(elde) Judica Philip Brommet geëxploicteerd zijnde,u uti sub Patet 2de, de comp(aran)ten q;p; overzulks staan te wagten en wharen op de comparitie en te doene punge van meergem(elde) Judica Philip Brommet met erlegginge der contumaciële kosten, bij faute van het een of ander gedingende, na voorgaande aaneischinge, voor de derde maal tot contumacie in de zaake ten principaale, en dat de comp(aran)ten q.q. mogen worden geadmitteerd om te dienen van intendit si et quando velint als na landregte. Zulks stellende ad decetum cum expensis.
Decreet: Judica Philip Brommet aangeëischt en zij nog iemand haarentwegen gecompareerd zijnde, zo word dezelve voor de derde maal gecontumaciëerd in de zaka ten principaalen, en den aanlegger geadmitteerd om te mogen dienen van intendit si et quando velit, ten fine en effecte als na landregte.
Raalte, den 4. junij 1792. Coram den hoogwelgebooren gestrengen heer D. baron Bentinck tot Diepenheim, landdroste van Salland. Erscheenen in deezen hoogad(elijken) vierschaar dr. J.S. Hoekman en pr. J.H. Overmers, als bed(iend)en van Jonas Israël en exhibeeren, ingevolge decreet van admissie van den 14. maij laatstleeden, intendit cum documentatis sub patet 2de en D, op en teegens zijne huisvrouwe, en vermits hier mede dese contumaciële proceduire voldongen is, verzoeken de comp(aran)ten q.p., dat als nu door deezen hoogad(elijke) landdrosten gerigte een termijn van sluiten moge worden gesteld, en daartoe de prtohocollaria vervaardigd. Cum expensis.
Decreet: Het termijn van sluiten word gesteld op heden en vijf weeken, tegen welke tijd de prothocollaria zullen worden vervaardigd. Concordatum prothocollo.
Prothocollaria no. 1: Eisch en aanspraake voor Jonas Israel, aanlegger, tegen zijne huisvrouw Judica Philip Brommet, gedaagde. Hoogwelgebooren gestrenge heer, mijn heer, D. baron Bentinck, heer tot Diepenheim, landdrost van Salland etc. etc. etc. !
Om te obtineeren den eisch en conclusie ten einde deezes te neemen,
zo doet den aanlegger onder imploratie van alle salutaire en gedienstige beneficien rechtens, die ooit eenig aanlegger in gelijken cas, als het onderhavige kunnen te staade komen, en speciaal protestatie van zich tot geen onnoodig ofte overtollig bewijs te willen hebben geëngageerd, voordraagen.
dat de aanlegger voor ongeveer veertig jaaren in gemeenschap van goederen op het stadhuis te Amsterdam getrouwd zijnde aan de gedaagde, zijne huisvrouw, Judica Philip Broomet.
dezelve met gemelde zijne huisvrouw in de dertig jaaren wel heeft kunnen leeven, blijkens de kondschap hier nevens gaande sub A.
en bij dezelve twaalf kinderen geprocrëerd.
dan dat zij voor eenige jaaren geduirig woorden met den aanlegger gezogt heeft.
om, war het mogelijk, hem tot toorn te verwekken.
en dezelve haar als dan uit het huis mogte jaagen
dog dat den aanlegger zich altijd heeft bezeten,
en dus haar kwaadaardig en snood vooneemen niet kunnende bereiken,
heeft zij op een tijd met den aanlegger rusie gezogt, en zoude hem als toen zijn leevensligt hebben uitgeblaazen,
zo eene J.H. Zweers, die in des aanleggers huis was ingekoomen, haar de handen niet begreepen had, waarvan men bij onvermoedelijke infiriatie, ’t bewijs in bedingt
dat de gedaagde vervolgens ziende hierdoor nog geen vat op den aanlegger te kunnen krijgen
de zaak op eenen anderen boeg gewend heeft,
en vervolgens verscheiden winkelwaaren buiten voorkennis van den aanlegger gekogt, en dezelve onbetaald gelaaten heeft,
dat den aanlegger benevens zijne huisvrouw daar op vrijwillig verwin, ten profijte van eene J.H. Zweers, voor eene somma van driehonderd en zeventien guldens gepasseerd heeft
heerkomende wegens die gekogte en geborgde waaren
dat de gedaagde zig, een korten tijd, veinzende van humeur veranderd te zijn
in de maand augustus 1788, met toestemming van den aanlegger, naar Amsterdam vertrokken is, om haar moeder aan te spreeken,
en, indien zij in drie weeken niet weder terug kwam, als dan honderd guldens zoude overzenden, om eenige schulden daarmede af te doen
en bij haar retour weder vijftig guldens mede brengen, dewelke dan verscheenn waren
dat den aanlegger zijne huisvrouw des tijdes tot buiten den Hardenberg uitgeleide gedaan heeft
en zij van elkanderen in het vriendelijke gescheiden zijn, blijkens onder onze stukken sub A,
dan dat den aanlegger nog het eene nog het andere ontvangen heeft
en, naa verloop van die drie weeken, met de uiterste verwondering en ontroering heeft vernoomen
dat zijne huisvrouw, in plaats van zig weder bij den aanlegger te vervoegen,
om haare huishouding, als een deugdzaam moeder des huisgezins betaamd, waar te neemen,
naar Coeverden op een clandestine wijze is gaan woonen, en tot heden aldaar afzonderlijk van den aanlegger blijft leeven,
en den aanlegger alleen voor de schulden laat zitten.
Dat den aanlegger, die reeds een hoogen ouderdom van zeventig jaaren bereikt heeft, nu met zijn huisgezin moet sukkelen,
om van den eenen dag tot den anderen de kost te winnen.
En zijne huisvrouw aldaar een gerust leven leid, en zijn geld mede verteerd.
Dat den aanlegger van den beginne af aan wel bevoegd geweest was, om, uit hoofde van malitiëuse desertie tegens zijne vrouw tot echtscheiding te procedeeren,
hij egter verkoomen heeft zulks na te laaten, in die billijke verwagting
dat zij, van haar wangedrag overtuigd, tot haaren pligt zoude wederkeeren.
Dan dat thans het tegendeel consteerd, en den aanlegger de gedaagde nog, ten allen overvloede, bij een gerichtelijke memorie op den 8 maart des afgewekenen jaars 1791 heeft gesinueerd,
om binnen veertien dagen na insinuatie, zig weder in haare huishouding te begeeven, en elkanderen dezelve te helpen bestieren, uti sub B.
Dog dat de gedaagde daarvan evenwel is gebleeven in gebreeke, en dezelve onbeantwoord heeft gelaaten.
Dat den aanlegger niet langer vermeind heeft te kunnen en mogen stille zitten,
dezelve zig op den 16. januarij deezes jaars bij rqueste aan deezen hoogadelijken landdrosten gerichte geadresseerd heeft.
Dat de gedaagde tegens zekere rechtdag bij weethe mogte worden geciteerd, om te aanhoren al zodane eisch en conclusie, als den aanlegger zoude neemen, uti sub C.
Welk termijn door deezen hoogadelijken gerichte dan op heden is gesteld, en de wheete daarvan afgegaan, en debite aan de gedaagde geëxploicteerd uti sub patet primo.
Hier mede dan gediend houdende van aanspraake.
Zo concludeerd den aanlegger ex dictis dicendis nobilitenque supplendis omni meliori modo. Dat de gedaagde bij vonnis van deezen hoogadelijken landdrosten gerichte zal worden gecondemneerd om zig ten allen eersten weder ten cohabitatie en samenleeving, overeenkomstig haare verpligting bij den aanlegger te vervoegen, met eisch van kosten.
Copia Hardenbergh, den 19 maart 1792. Vraagartikelen, om daarop ter instantie van Jonas Israël, na voorgaande wettige citatie, en erinneringe van de zware straffe des meineeds onder eede te horen: 1. Jan Hermen Zweers 2. desselfs ehevrow Geziena Bedeker 3. Aleide Woelders, weduwe wijlen Willem Hendrik Likkel.
Ouderdom en verwantschap te vragen? De tweede getuige Gezina Bedeker, ehevrouw van Jan Harmen Sweers verklaart ruim achtenveertig jaaren oud, en aan den producent niet verwant te zijn. De derde getuige Aleida Woelders, weduwe van wijlen Willem Hendrik Likkel, verklaart ruim vijfendertig jaaren oud en aan den producent niet verwant te zijn.
Eerste en tweede getuige alleen te vragen en te horen op art. 2, 3, 4, 5, en 6 Zijn getuigen geen buren van den producent Jonas Israel, en wonen zij niet in een en dezelfde straat en dat wel schuins tegens malkanderen over, en hoe lange hebben getuigen daar wel gewoond? De tweede getuige verklaart dat zij naburen zijn van Jonas Israëlsz, ook in een en dezelfde straat wonen, schuins tegen elkanderen over, en, dat zij getuige in haar woonhuis geboren is en altoos gewoont heeft.
En hoe lange jaren heeft Jonas Israel daar in getuigen buurte wel gewoond, en hebben getuigen in al dien tijd niet veel in het huis van Jonas Israel verkeerd en wel thoen Jonas Israel en zijn vrouw nog zamen woonden? De tweede getuige verklaart dat Jonas Israëlsz zo lange getuige heugt daar in de buurte gewoond heeft, en, dat zij getuige in al dien tijd veel in het woonhuis van Jonas Israëlsz verkeerd heeft toen hij en zijn vrouw nog te zaamen woonden.
Hebben getuigen in al dien tijd wel ooit gesien of vernomen dat Jonas Israel zijn vrouw Judica Philips Brommet kwalijk heeft gehandeld, het zij met haar te stoten, te schoppen of te slaan. De tweede getuige verklaart dat zij in al dien tijd nooit gezien noch vernomen heeft dat Jonas Israëlsz zijne vrouw Judica Philips Brommet kwalijk gehandeld heeft, hetzij met haar te stoten, te schoppen of te slaan.
Heeft gemelde zijne ehevrouw Judica Philips Brommet hem producent voor drie of nu ongeveer vier jaaren niet verlaaten? De tweede getuige verklaart dat gemelde zijne vrouw Judica Philips Brommet hem producent voor ongeveer drie of vier jaaren verlaten heeft, of toen van hier naar Amsterdam vertrokken is.
En is sij thoen niet in het vriendelijke van hem vertrokken, onder voorgeven dat zij na Amsterdam ging om haar familie te besoeken, en onder belofte zoo zij niet binnen veertien dagen weer kwam dan aan getuigen een zomma geld te zenden tot betalinge van schulden, en is zij in plaats van aan haar belofte te voldoen niet tot nu toe weggebleven, en woond zij thans niet te Coeverden? De tweede getuige verklaart dat gemelde Judica Philips Brommet toen in het vriendelijke van hem producent vertrokken is, onder voorgeven dat zij naar Amsterdam ging om haare familie te bezoeken; dat zij toen ook aan getuigen beloofd heeft, dat zij van Amsterdam zeker geld aan hun verschuldigd wilde zenden, en dat zij bij haare wederkomste ook aan hun wilde betalinge doen op een daar en boven aan hun verschuldigd capitaal; doch dat zij aan die belofte tot noch toe niet voldaan heeft; en dat zij ook tot noch toe van hier wech gebleven is, en tans woont te Coeverden.
Op dese en de volgende artikelen de derde getuige alleen te vragen en te horen
Is getuige hier in den Hardenberg niet getogen, geboren en opgevoed, en welk in de buurte van den producent, en hoeveel jaren heeft den producent daar al gewoond? De derde getuige verklaart alhier ter stede geboren en opgevoed te zijn, en wel in de buurte van den producent Jonas Israëlsz; en dat Jonas Israëlsz zo lang haar getuige heugt in deszelfs woonhuis al gewoont heeft.
En heeft getuige van haar kindsche jaren af aan niet veel verkeerd in het huis van Jonas Israel, en is dus aan getuige het voorgevallene tusschen hem en zijn vrouw niet zeer wel bekend? De derde getuige verklaart: dat zij van haare kindsche jaaren af aan veel verkeerd heeft in het woonhuis van Jonas Israëlsz, en, dat zij dus wel eenigermaaten weet hoe dat Jonas Israëlsz en zijne vrouw Judica Philips Brommet onderling tezaamen leefden.
Heeft getuige met wijlen haren eheman niet in een en hetselfde huis met producent gewoond, zoo als tegenwoordig ook doet? De derde getuige verklaart dat zij met wijlen haaren eheman in een en hetzelfde huis met Jonas Israëlsz gewoond heeft, en dat zij daar tans ook weêr woont.
Heeft getuige wel ooit in al dien tijd, zoo lang getuige heugen mag, gezien of vernomen dat den producent zijne huisvrouw thoen zij nog te zamen huis hielden, kwalijk heeft gehandeld met haar te stoten, te schoppen of te slaan? De derde getuige verklaart dat zij nooit in al dien tijd, zo lange getuige heugt, gezien noch vernomen heeft dat den producent Jonas Israëlsz zijne huisvrouw Judica Philips Brommet, toen zij nog te zaamen huis hielden, met haar te schoppen, te stoten of te slaan kwalijk heeft gehandeld.
Is zij in den jare 1788 nu bijna vier jaaren geleden, niet in het vriendelijke van hem vertrokken na Amsterdam, onder voorgeven van voor een week of wat, voor plaizier haar famielie te bezoeken. De derde getuige verklaart dat deze vrouw Judica Philips Brommet nu voor omtrent vier jaaren geleden, in het vriendelijke van den producent Jonas Israëlsz vertrokken is naar Amsterdam, onder voorgeven van voor een week of wat voor plaisier aldaar haare familie te willen bezoeken.
Ja heeft den producent haar selfs met zijn beide dogters niet uit geconvooijeerd na den Rustenberg daar een wagen was daar zij mede zoude vertrekken en is zij tot nu toe niet uitgebleven, ja woond zij tegenswoordig nog niet te Coeverden? De derde getuige verklaart dat den producent Jonas Israëlsz met zijne beide dochters haar toen nog tot den Rustenberg uitgeleide gedaan heeft, alwaar een Hasseler wagen was waarmede zij zoude vertrekken, en dat zij tot nu toe uitgebleven is, en tegenwoordig te Coeverden woont.
Is getuige niet gekomen ten huise van Jonas Israel dat die een brief zat te lezen kort daarna als zijn vrouw na Amsterdam vertrokken was, en zeide hij thoen niet tegen getuige dat is een brief daarin worde ik gewaarschouwd dat mijn vrouws broer hier ten eersten zal komen en zien met mij te accorderen om van mijn vrouw afstand te doen, en is haar broeder die zelfde week ook niet hier gekomen en voegde producent daar nog niet bij nu krijge ik geen geld en mijn wijf ben ik ook kwijt? De derde getuige verklaart dat zij getuige kort nadat de vrouw van Jonas Israëlsz van hier vertrokken is, is gekomen ten woonhuize van denzelven Jonas Israëlsz, terwijl die een brief te lezen zat, dat den producent Jonas Israëlsz toen tegen getuige gezegd heeft, dat is een brief waarin ik gewaarschouwd worde, dat mijn vrouws broêr hier ten eersten zal komen en zien met mij te accorderen om van mijn vrouw afstand te doen, voegende hij ‘er nog bij: Goddomie nu krijge ik geen geld, en geen wijf weêr. Wetende getuige ook nog zeer wel, dat de broêr van gemelde Judica Philips Brommet hier kort daarna ook gekomen is geweest, en zo zij meent des anderen daags ’s avonds.
Wij burgemeesteren, schepenen en raaden der stad Hardenbergh, doen kond en certificeren dat na voorgaande wettige citatie, persoonlijk in onzen gerichte gecompareerd zijn, Gezina Bedeker, ehevrouw van Jan Harmen Sweers en Aleida Woelders, weduwe van Willem Hendrik Likkel (zijnde Jan Harmen Sweers ten zijnen woonhuize wel mede geciteerd, doch absent zijnde niet mede gecompareerd), dewelke, na voorhoudinge van de zwaare meineeds straffe, onder solemneelen eede, op yder der voorenstaande artikelen hebben verklaard en gedeponeerd als daarbij staat uitgedrukt. Des t’oirkonde is deze met onzes stadszegel en des secretaris subscriptie bekrachtigd. Actum Hardenbergh den 19 maart 1700 twee en negentig.
B. Memorie voor de gerigtsdienaar van Coeverden Om na geoptineerde en verkregen consent ter instantie van Jonas Israel, joods coopman ten Hardenberg, sig te vervoegen bij desselfs ehevrou Judica Philip Brommet, en aan deselve minnelijk hoewel niet min gerigtelijk voor te houden. Hoe dat sij geïnsinueerde heeft kunnen goedvinden om in de maand aug(us)t(us) des jaars 1788 van hem insinuant af te gaan, onder voorgeven om voor plaisier na Amsterdam te reisen om haar familie te besoeken, en wel met belofte om voort een somma van eenhonderd guldens weer terug te senden tot afdoeninge van schulden, dog tot de grootste verwonderinge van den insinuant sij geïnsinueerde heeft kunnen goedvinden de gementioneerde eenhonderd guldens niet over te senden, en dat nog groter verwonderinge aan sijde van den insinuant koomt te baren is, dat sij geïnsinueerde sonder enige de minste reden daartoe te hebben kan goedvinden haar tot nu toe van hem te verwijderen, en haar in Coeverden met de woon neer te setten en daar niet alleen haar geïnsinueerdens maar ook des insinuants geld, als sijnde tesamen wettig en in gemeenschap van goederen getrouwd te verteren, welk alles thog ten enenmale is strijdende tegen alle reden en regte. Ja wat meer is heeft sij geïnsinueerde voor haar vertrek van den Hardenberg en dus uit haar huishoudinge die thog iedereen verpligt is voor te staan, goedgevonden om met en beneffens haren eheman, insinuant in desen, vrijwillig verwin te passeren ten behoeve en profijte van Jan Hermen Zweers, en dat wel voor ene summa van driehonderd en seventien gulden, welke schuld alnog is openstaande, alsmede de door geïnsinueerde na die tijd nog gehaalde en geborgde winkelwaren die men soo dese saak onvermoedelijk verder mogte komen te lopen specificq sal opgeven, voor welk alles sij den insinuant alleen laat sitten, daar sij geïnsinueerde ondertusschen dat den insinuant moet sukkelen om door de wereld te geraken een goed en onbekrompen leven is leggende, hetwelk thog ten enen male tens het gesond oordeel en verstand van een ieder die enig beseff heeft koomt te strijden. Ja, temeer dewijle sij geïnsinueerde voor haar vertrek uit den Hardenberg en dus uit haar huis bovendien aan den schuldeischer J.H. Zweers en aan den insinuant belooft heeft de hiervoren gemelte somma te sullen voldoen en betalen, of soo sij die niet konde betalen dat dan haar broeder die voor haar soude betalen, van welk een en ander tot dusverre niets gevallen of gebeurd is, door thog die men eindelijk zijn geld wil en ook moet voldaan hebben. Hetwelk thog alles staaltjes sijn die uw geïnsinueerde ten enenmale moetten overtuigen van uwen gansch verkeerden handel omtrent uwen eheman tot dusverre gepleegt, temeer als gij geïnsinueerde eens in overweeginge neemt dat de schuldvorderaars thog eindelijk eens haar betalinge willen hebben, en dewijle het welk uw seer wel bekend is, voor den insinuant dewijle gij de opkomsten die niet alleen uw maar ook uwen eheman mede toekomen alleen verteerd, voor hem onmogelijk is te voldoen. Om welke en andere redenen den insinuant voor en aleer tot sterke middelen regtens over te gaan, te rade is geworden uw geïnsinueerde bij desen te sommeren om binnen den tijd van veertien dagen na insinuatie deses uw met onse kinders in uwe huishoudinge die gij geïnsinueerden opsettelijk verlaten hebt te sisteren, ten einde die soo als een brave eerlijke vrouw betaamd waar te nemen, en deselve met en beneffens den insinuant te regeren en te administreren, en dus tesamen te leven soo als egtelieden betaamd, waarbij men dit voor het tegenwoordige sal laten berusten, in dat vast vertrouwen dat gij geïnsinueerde wel weer van uwen verkeerden weg terug sult keren, dog bij faute van dien sal men genoodsaakt sijn sodane middelen regtens te gebruiken als men dan sal oordelen te behoren en nodig te wesen. Versoekende men hier exploict overgave van een dubbeld deser, en wel pertinent relaas om te strekken als na regten onder dierbaar protest van hier door niets nadeligs te willen hebben gestendigt, alsmede onder protest van kosten, soo bereeds geleden en aangewend of die men onverhoopt nog mogte genoodsakt sijn aan te wenden.
Binnen en vorenstaande insinuatie heb ik ondergetekende met permissie van den heer Scholtes geëxploiteert an Judica Philip Brommet, ehevrouw van den joods coopman Jonas Israel van den Hardenberg en het dubbelt deses overgelegt. Actum Coevorden, den 8 meert 1791. H. ter Poorten, gerigtsdienaar.
Patet primo Ik Derk baron Bentinck, heer van Diepenheim etc. etc. etc., landdroste van Sallandt, doe uw Judica Philip Brommet, sig tans te Coeverden ophoudende, hiermeede te weeten hoe dat uw man Jonas Israel, van mij versogt heeft een dag van regten te bepalen waarop hij tegen uw konde dienen van eisch en conclusie, uit hoofde van moetwillige verlating, en dat gij daartoe bij wethe mogte worden geciteert; hetwelk ik amptshalven niet hebbe kunnen verweijgeren; so is het dat ik landdroste voornoemt uw Judica Philip Brommet bij desen citere, lade en dagvaarde om op maandag den sesentwintigsten maart aanstaande, ’s morgens bij klimmenden sonne in het hoogadelijke landdrosten gerigte van Sallandt te compareren, sullende gehouden worden ten huise van de castelein Van Berkum tenover de kerk te Raalte, ten einde om voorseijde eisch te aanhooren en daartegen te handelen, na regte en rade, met inthimatie, dat in cas van uitblijven ik op aanhouden van de erschijnende partije sal laaten wedervaren, wat regtens is. Wordende derhalven de rigter of magistraat uwer tegenswoordig verblijf versogt om desen voor gebeur te willen doen exploicteren, met overgave van een dubbelt en daarvan te relateren, gelijk ik reciproque in gelijken gevalle des versogt wordende, niet sal verweijgeren, om daartoe de nodige ordres te verleenen. Actum op den Huise Schoonheten, den 20 febr. 1792.
Deze is door mij ondergeschreven gerichtsdienaer, na bekoomen permissie van de Scholtus Kymmell, wettig aan Judica Philip Brommet op haar dam geëxploicteerd en het dubbeld deses aan haar in persoon overhandigd, des mijne vertekeninge in Coevorden den 28 febr. 1792. H. ter Poorten, gerigtsdienaar.
Op het feest van de Opdracht van de Heilige Maagd Maria (2 februari) anno 1240 schonk de Utrechtse bisschop Otto III de zgn. novale tienden te Heemse en Nijenstede aan het kapittel van Deventer ten behoeve van herbouw van de afgebrande kerk aldaar. De oorkonde is bewaard gebleven en is geschreven in latijn. De hertaalde tekst luidt:
In de naam van de Heer, amen. Ik, Otto, door Gods genade verkozen bisschop van Utrecht, wil aan alle gelovigen van Christus, nu en in de toekomst, voor altijd bekendmaken dat wij, gezien de nood en de beproeving van de deken en het kapittel van Deventer, en bewogen door vaderlijke zorg om het beklagenswaardige verlies en de verwoesting door brand van die kerk en het leed van haar mensen, hebben besloten om hen te ondersteunen. Opdat het kapittel met meer vrijheid en kracht zou kunnen werken aan het herstel van die kerk, en opdat zij voor de vele kosten die zij hiervoor al uit eigen middelen hebben gemaakt ook enige vergoeding zouden ontvangen, hebben wij – na raadpleging van onze prelaten en dienaren – alle tienden van nieuw ontgonnen land vanaf Randerzijl (riviertje bij bij Rande, ten noorden van Deventer) stroomafwaarts, binnen de gehele rechtsmacht van Salland, en binnen de grenzen van Vechta bij de parochies Ommen, Heemse en Nijenstede, die sinds de tijd van onze verkiezing zijn ontstaan en bebouwd, en die in onze tijd nog bebouwd en vruchtbaar gemaakt kunnen worden, voor altijd aan hen geschonken. Dit geldt voor alle bossen, venen, moerassen, weiden en alle andere gebieden die binnen de genoemde grenzen liggen.
Deze tienden behoren voortaan toe aan het gebruik van de deken en het kapittel en worden het eigendom van de kerk van Deventer, tot heil van onze ziel en die van onze voorgangers. Van deze nieuwe tienden van de ontgonnen en nog te ontginnen gronden zal een derde deel gaan naar de deken, vanwege zijn geringe inkomsten, terwijl de overige twee delen door de andere kanunniken in gelijke mate worden ontvangen, ten behoeve van het verstrekken van wit brood aan de broeders. Wij bepalen bovendien dat uit de eerder genoemde tienden bij onze jaarlijkse gedachtenis twintig schellingen zullen worden uitgekeerd aan de aanwezige kanunniken, en bij de jaargetijden (gedachtenisdagen) van onze oom en voorganger, heer Otto, gekozen bisschop van Utrecht, vijf schellingen, en bij die van zijn broer, heer Ludovicus, grootproost van Utrecht, eveneens vijf schellingen. En opdat dit vast en blijvend geldig zal blijven, hebben wij dit document bekrachtigd met ons eigen zegel en met de zegels van de kerken van Utrecht. Dit is gebeurd te Deventer in het jaar 1240, op het feest van de Opdracht van de Heilige Maagd Maria (2 februari).
Gedeelte uit het zgn. Charterboek van de hertogen van Gelderland en de graven van Zutphen.
De oorspronkelijke tekst in latijn: In nomine domini amen. Otto, dei gratia Trajectensis Electus, universis Christi fidelibus praesentibus & futuris in perpetuum notum effe cupimus, quod visa necessitate & tribulationi Decani & Capituli in Daventria, moti passione paterna propter ipsius Ecclesiae miserabile damnum & incendium, personarumque detrimentum, ut id Capitulum liberius ejusdem Ecclesiae reparation: efficacem adhiberet operam & laborem, & pro impensis, quas ad hoc opus multipliciter fecit de suis propriis stipendiis, aliquam saltem fentiret retributionem, de consilio Praelatorum & Ministerialium nostorum contulimus omnes decimas Novalium a Randerziele inferius per omnes terminos & per totam jurisdictionem Sallandia, & in terminis Vechtae per Parochias Ommen, Heymiss, & Nieustede, quae ab electionis nostrae tempore exortae sunt & excultae, temporibusque nostris excoli poterunt & provenire, & deinceps in perpetuum in nemoribus, venis, paludibus, pascuis, & omnibus allis quibuscumque locis, sitis in terminis antedictis, ad usus praedictorum Decani & Capituli, & in proprietatem ipsius Ecclesiae Daventriensis in animae nostrae & nostrorum remedium praedecessorum, ita ut tertia pars ex his novis decimis cultis, & in perpetuum excolendis, cedat ad Decanum propter ipsius redituum tenuitatem, duas vero partes alii Canonici aequali percipiant portione, ad albos panes Fratribus ministrandos. Statuimus etiam, ut de Decima jam dicta in anniversario nostro viginti solidi, & in anniversario Ayunculi & Praedecessoris nostri Domini Ottonis, Electi Trajectensis, quinque Solidi, & Fratris sui Domini Ludowici, Majoris Praepositi Trajectensis, quinque Solidi Canonicis praesentibus exhibeantur. Ut autem haec rata maneant & perpetua vigeant firmitate, praesentem cedulam nostro sigillo communivimus & Ecclesiarum Trajectensium sigillis fecimus communiri. Acta sunt haec Daventriae Anno MCC XL in die purificationis Beatae Maria Virginis.