Archieven: 2025-09-10

Van trouw beloven naar trouw ontlopen (1689)

In het jaar 1689 kwam voor het schoutengerecht van Hardenberg een twist aan het licht die menig ingezetene zal hebben beziggehouden. Aeltien Berents, moeder van een kind en zonder middelen van bestaan, klaagde jonkheer Roelof Samuel Schonecamp aan. Hij had haar naar eigen zeggen trouw beloofd, zowel tegenover haarzelf als haar familie, maar liet haar vervolgens in de steek.

Aeltien vroeg de schout om Schonecamp te dwingen zijn beloften na te komen. Schonecamp ontkende echter iedere verplichting. Volgens het landrecht moest Aeltien zekerheid stellen dat zij de proceskosten zou dragen. Omdat zij geen borg kon vinden, legde zij onder ede een verklaring af dat zij er alles aan had gedaan. Het gerecht aanvaardde die plechtige eed.

Toch bleef Schonecamp bij zijn standpunt. Hij stelde dat Aeltien geen enkel bewijs kon leveren en dat hij daarom vrijgesproken diende te worden. Toen Aeltien later, ondanks herhaalde oproepen, niet meer voor de rechtbank verscheen, verklaarde men haar in contumacie. Het vonnis viel daarmee in het voordeel van de jonkheer uit, en Aeltien bleef berooid achter.

Roelof Samuel Schonekamp (1667-1737) zou het jaar erop in Gramsbergen trouwen met Geertruid Jacobs Kamphuis. Met haar kreeg hij, wonend in Holtheme, zeker nog acht kinderen…

Fictieve illustratie

Een transcriptie:
Extract uit het prothocol van contentieuse gerichtshandelingen des Schoutampts Hardenbergh, gehouden by de Scholte Thomas Huete.

Lunae, 27 mey 1689. Righter Thomas Huete.
Nadien Jo(ncker) Schonecamp volgens genoeghsame gegevene ende versprokene trouw so wel oock aen die ouders als vrienden niet komt te achtervolgen maer alleen met beuselingen soukt op te houden en sy klaegerinne Aeltien Berents ondertusschen sonder enige levensmiddelen voor haer nogh haer kindt laet sitten, als wordt hier mede de heer Scholte neffens het Ed. Gerighte onderdanighst versoght en gebeden meergemelte klagerinne hier inne nae de form reghtens op het korste te verhelpen en meergemelte jr. Schonecamp daer toe aen te strenghen om syne genoeghsame gedane beloften met eer en trouwe te voldoen.

Hierop gecompareert Jo(nker) Schonecamp en weet haer klaegersche niet te wille en seght deselve magh haer beste doen ook praetendeert al eer hier inne verders gedaen wordt dat deselve hier voor den edelen gerighte borge magh stellen naer vereysch van ’t landregt. Ten respecte van de borgtoght desen ad 14 dagen uytgesteld.


Lunae 10 juny 1689.
Erschenen in desen Ed(ele) Gerighte pr(ocureur) Jan Hoeftman als lasthebbende van j(onkhee)r Roeloff Samuel Schonecamp, seggende heden termyn te syn dat Aeltjen Berents op haar gedaene aensprake volgens decreet heden 14 dagen soude hebben borge te stellen voor de kosten van ’t process en het gewysde te sullen voldoen so versoght comp(arant) qqa dat meergemelte Aeltjen Berents moge worden aangeëyscht en by faute van non comparitie contumacie ten profyte als nae Landr(egte).

Hierop gecomp(areert) Aeltjen Berents en praesenteert juratoire cautie te doen versoekende met sodane te mogen volstaen konnen nae Landr(egte). Pr(ocureur) Hoeftman versoekt hiervan copy, gelyk mede van d’aenspraeke en tyd ad drie weeken. ’t Welk geaccordeert.


Lunae, 1 july 1689.
Erschenen enz.
Eodem Iidem.
Erschenen j(onkhee)r Roeloff Samuel Schonecamp, zeggende dat het heden termyn zynde op welke Aeltjen Berents cautie nae lant(rechte) als zynde een uitheemsche zoude moeten stellen, hij comp(arant) wel bevoeght zoude zyn om daar op te blyven insisteren; doch alsoo zy Aeltjen Berents aangenomen heeft juratoire te cavere, en hij comp(aran)t zo ras doenlyk van deze saeke een eynde zoukt te maken, zal hy zigh daar mede vernoegen, en staat dan daar op te wachten, dat de aanleggersche met eede verklaare, dat sy haer beste gedaan heeft om een borge te becomen doch geen heeft konnen vinden, en dan voorts, dat sy in de kosten gecondemneert wordende, die sal voldoen en voorts het gewysde van desen ed(elen) gerighte nakomen en met geen ander reght te sullen spreeken zo als dit Lantreghtens is, by verweygeringe contenderende tot kost en schadelose absolutie.

Hierop gecomp(areer)t Aeltjen Berents en heeft by hanttastinge in eedes plaetze het geposeerde in desen aangenomen.

Dese juratoire cautie gepraesteert zynde heeft de ged. jr. Schonecamp vorders tot antwoord voor gedraegen dat hy de positie van de aanleggersche by haer aanspraeke gedaen en waer op haar eysch gefundeert zoude zyn ter goeder trouwen ontkend en vermits d’aanleggersche dan niet het minste is bewysende, en het bekenden reghtens is, quod actore non probante reus absolvatur, soo contendeerde comp(aran)t tot kosten en schadeloose absolutie.

Hierop gecomp(areer)t Aeltjen Berents, versoekt copy deses en tyt tot d’eerste regtdagh na den bouw. Quod conceditur.


Lunae, 2 sept. 1869.
Erschenen dr. Nuis in qualiteit als volm(agtige)r van j(onkhee)r Schonecamp seggende dat het heden termyn is op welke Aeltjen Berents moeste hebben te dienen van replycq tegens sodanigh andtwoord als op den 1 july tegens deselve ten prothocolle gestelt is, waarom comp(aran)t qqa versoghte dat deselve moghte worden aengeëyscht, en by non comparitie, en ingevolghe Langreghte van verder schryven versteken verklaert moge worden.

Aeltjen Berents 1, 2, 3 maal aangeëyscht en niet gecompareert zynde, is dezelve nae Lantregt gecontumaceert en den comp(aran)t daar en boven het versoghte in desen geaccordeert.


Toen, op 2 maart… Bezoek van de Erfprins van Oranje aan Hardenberg tijdens de blokkade van Coevorden (1814)

In het vroege voorjaar van 1814, kort na de verdrijving van de Fransen uit het grootste deel van Nederland, maar terwijl de vesting Coevorden nog in vijandelijke handen was, bracht Zijne Doorluchtige Hoogheid Willem Frederik George Lodewijk, Erfprins van Oranje (de latere koning Willem II) een inspectiebezoek aan Hardenberg en omgeving.

Op 2 maart arriveerde de prins in de namiddag vanuit Delden via Ootmarsum. Bij de stadspoort werd hij verwelkomd door kolonel Queysen, bevelhebber van de troepen die de blokkade van Coevorden uitvoerden, en door burgemeester Antoni van Riemsdijk namens het stadsbestuur. Burgercompagnieën stonden opgesteld langs de straten en brachten onder klokgelui en gejuich hun militaire eerbewijzen. Het volk begroette de vorst met luidkeelse kreten van “Hoezee!” en “Vivat Oranje!”.

Voor het huis van de burgemeester ontving de prins de plaatselijke autoriteiten; militairen, bestuurders, geestelijken en enkele notabelen. Hij toonde zich welwillend en complimenteerde de Hardenbergse schutterijen voor hun discipline en keurige uitrusting. Vervolgens reisde hij door naar het Huis Heemse, het buitenverblijf van jonkheer Jacob van Foreest, dat hem voor de nacht als verblijf werd aangeboden. ’s Avonds waren zowel Hardenberg als Heemse feestelijk verlicht, terwijl de bevolking uitbundig haar trouw aan Oranje en het vaderland liet blijken.

De volgende ochtend, 3 maart 1814, nam de prins afscheid van zijn gastheer en vervolgde hij, begeleid door burgerwachten en lokale gezagsdragers, te paard zijn weg richting de Groote Scheer bij Coevorden om de blokkade van de Franse vesting met eigen ogen te aanschouwen.

Dit bezoek paste in de bredere tocht van de Erfprins langs de noordelijke en oostelijke gewesten, waar hij zich liet zien als vertegenwoordiger van het herstelde Huis van Oranje, de band met het volk versterkte en de laatste stappen in de bevrijding van Nederland van Franse overheersing van nabij volgde.


Schilderij van een jonge erfprins van Oranje, drie jaar later vervaardigd door Karel Pieter Verhulst.

Onderstaand verslag werd gepubliceerd in de Departementale courant van de monden van de Yssel van 8 maart 1814:
Hardenbergh, den 4 maart. Ook deze stad en gemeente genooten eergisteren de eer den Doorluchtigen Oudsten zoon van onzen geliefden Souverein in haar midden te begroeten, daar Z.D.H. den heer Erfprins van Oranje, vergezeld van hoogstdeszelfs adjudant, den heer graaf van Limburg Styrum, op hoogstdeszelfs tour ter inspectie van de nog in ’s vijands handen zijnde vestingen dezer landen, alhier te dien dage, des achtermiddaags om vier uren, van Delden over Ootmarssum arriveerde. Z.D.H. werd buiten de stad door den heer colonel Queysen, commandeerende de blokkade der vesting Coevorden, en den heer burgemeester Van Riemsdyk geäccompagneerd door eene commissie uit den raad der gemeente, gecomplimenteerd, en het behaagde Z.D.H. de aan hoogstdenzelven gehoudene discoursen minzaamst te beantwoorden. Aan de barrière genaderd zijnde, vond Z.D.H. aldaar eene eerewagt uit de gewapende burger compagnien, gecommandeerd door de heeren kapitein Scherff en 2de luitenant Huurink, en voorts ter weerzijden der straat de compagnien zelve, aan het hoofd hebbende derzelver respective officieren, en haie geschaard en hoogstdezelve onder het slaan der rom de militaire honneurs bewijzende, terwijlj een algemeen en levendig gejuich van Hoezee! en Vivat Oranje, gepaard met het gelui der klokken van Hardenbergh en Heemse, de lucht deed weergalmen.

De koets van Z.D.H. hield voor het huis van den heer burgemeester stil, en het behaagde Hoogstdenzelven aan hetzelve af te stappen en aldaar audientie te verleenen aan de militaire, civiele, justitieele en kerkelijke authoriteiten en beambten, zoo als ook aan eenige particulieren; waarna Z.D.H., na inmiddels ook de gemelde compagnien voorbij hetzelfde huis te hebben zien defileeren en hoogstdeszelfs genoegen over derzelver goede houding, manoeuvres en propreteit der wapenrustingen aan de heeren colonel Queysen en kapitein Ansoms, deze laatste belast met derzelver organisatie, te hebben betuigd, wederom in het rijtuig stapte en onder het herhaald paradeeren der gewapende magt en vreugde gejuich der menigte naar het Huis te Heemse in deze gemeente, toebehorende aan den heer baron Van Foreest tot Petten, vertrok, hetwelk door den heer burgemeester tot hoogstdeszelfs nachtverblijf was bestemd. Op het Huis te Heemse gekomen zijnde, vond Z.D.H. aldaar wederom ter weerzijden der stoep de voormelde eerewagt geschaard, alsmede de heeren burger officieren Hoenderken en Pruim, als dienstdoende ordonnans officieren bij hoogstdenzelven. Uit het gemeentehuis, het huis van den heer burgemeester en van den heer Baron van Foreest waren Oranje Vlaggen uitgestoken; des avonds was de stad en het dorp Heemse geïllumineert, en de menigte hield niet op tot laat in de nacht de ondubbelzinnige blijken van hunne gehechtheid aan Vaderland en Oranje te geven.

Den volgenden morgen om 9 uur nam Z.D.H. een minzaamst afscheid van den heer Baron van Foreest en familie, bedankte vriendelijkst voor het genotene onthaal en vertrok, onder paradeering der meergemelde eerewagt en der gewapende burgercompagnien, het herhaald vreugdegejuich des volks en het gelui der klokken, vergezeld van hoogstdeszelfs heer adjudant en den heer burgemeester, te paard naar de Groote Scheer voor Coevorden, wordende daar na toe mede begeleid door den heer gemeenteraad Santman, den heer Vrederegter Pruim en eenige jonge lieden te paard.


Toen, op 1 februari… Van Riemsdijk veroordeeld voor gewapend verzet (1848)

Op 1 februari 1848 werd door de arrondissementsrechtbank in Deventer een zaak behandeld contra zaakwaarnemer Jacobus van Riemsdijk (1796-1859) uit Hardenberg. Van Riemsdijk was echter zelf niet verschenen. Het Openbaar Ministerie beschuldigde hem van gewelddadig verzet tegen een deurwaarder, die belast was met de uitvoering van een rechterlijk vonnis.

Op 4 september van het voorgaande jaar had deurwaarder J.C. Weenink de opdracht gekregen om Van Riemsdijks woning in Hardenberg, dat werd gehuurd van schipper Baarslag, te ontruimen. Samen met twee getuigen begaf hij zich naar het huis. Toen hij het vonnis voorlas, reageerde Van Riemsdijk onmiddellijk fel: hij verklaarde dat hij zijn huis niet zou verlaten en dreigde met geweld als men hem daartoe zou dwingen. Deurwaarder Weenink zette desondanks door en nam twee stoelen om buiten te brengen. Op dat moment trok Van Riemsdijk een ontbloot sabel, die hij dreigend boven het hoofd van de deurwaarder hief. Vervolgens richtte hij ook nog een pistool op hem. De deurwaarder, bevreesd voor zijn leven, zag zich genoodzaakt de woning te verlaten. Toen een van de getuigen achterbleef, werd ook hij door Van Riemsdijk aangegrepen en met dezelfde wapens bedreigd. Hierdoor moest de hele ontruiming worden afgebroken.

De rechtbank achtte op grond van getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen dat Van Riemsdijk zich met wapens had verzet tegen een deurwaarder en diens getuige in de uitoefening van hun ambt. Dit werd aangemerkt als een wanbedrijf, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Hoewel de officier zes maanden celstraf had geëist, veroordeelde de rechtbank Van Riemsdijk bij verstek tot acht maanden gevangenisstraf. Bovendien moest hij de proceskosten van ruim 62 gulden betalen. Het vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting op 1 februari 1848.

Eerste pagina van het correctionele vonnis anno 1848.

Een transcriptie:
Tusschen den Officier bij de Regtbank waarnemende het Ministerie Publiek, en Jacobus van Riemsdijk, oud een en vijftig jaar, zaakwaarnemer, geboren en woonachtig te Hardenberg, beklaagde, niet verschijnende. De arrondissementsregtbank te Deventer, provincie Overijssel, gehoord hebbende de voordragt van den substituut-officier, houdende dat de beklaagde zich zoude hebben schuldig gemaakt aan geweldadigen wederstand tegen eenen deurwaarder in de uitoefening zijner functiën werkzaam. Gezien de dagvaarding aan den beklaagde beteekend. Gelezen het bevelschrift, waarbij de beklaagde naar deze regtbank is verwezen, alsmede het proces-verbaal van aangave. Gehoord de getuigen door het Ministerie Publiek opgeroepen. Gehoord het requisitoir van den substituut-officier der regtbank, houdende dat de beklaagde zoude worden veroordeeld tot eene gevangenis van zes maanden, overwegende met betrekking tot de daadzaken, dat uit de verklaring der beëedigde getuigen wettig en overtuigend is bewezen dat de deurwaarder bij het Kantongeregt van Ommen, J.C. Weenink, last ontvangen hebbende om uit kracht van een vonnis van den regter in dat kanton den beklaagde deszelfs huis in de Stad Hardenberg te doen ontruimen, zich op den vierden september des vorige jaars verzeld met de twee hem toegevoegde getuigen derwaarts heeft begeven. Dat de beklaagde dien deurwaarder al dadelijk bij zijne komst en onder het voorlezen van dat vonnis in zijn functien heeft verhinderd door te zeggen dat hij dat huis niet wilde verlaten en dat zoo men hem daartoe wilde noodzaken, hij geweld zoude gebruiken. Dat de deurwaarder vervolgens twee stoelen opgenomen hebbende om die buiten de deur te brengen en alzoo een begin met de uitvoering van zijnen last te maken, de beklaagde eenen ontbloten sabel in eene dreigende houding boven het hoofd van den deurwaarder heeft opgegeven, en daarna een pistool op denzelven heeft aangelegd, zoodat deze uit vrees voor zijn leven de woning heeft verlaten. Waarna de beklaagde eenen der getuigen die nog in het vertrek gebleven was, heeft aangegrepen en alsmede met sabel en pistool gedreijgd ten gevolge van welk alles de executie heeft moeten worden gestaakt.

Verklaart den beklaagde schuldig aan geweldigden wederstand met wapenen jegens eenen deurwaarder en deszelfs getuige in de uitoefening hunner functiën. Overwegende met betrekking tot het vijt dat de voorzeide daar is een wanbedrijf, waartegen voorzien is bij art. 209, gevoegd bij artikel 212 van het Wetboek van het Strafrecht. Regt doende in het eerste ressort verleent verstek tegen den beklaagde Jacobus van Riemsdijk en veroordeelt denzelven tot eene gevangenis van acht maanden. Veroordeelt den beklaagde daarenboven bij lijfdsdwang om aan het Rijk te vergoeden de kosten door deze procedure veroorzaakt, begroot op eene som van twee en zestig gulden, drie en twintig en eene halve cent. Gelast dat het vonnis zal worden uitgevoerd op de vordering van den officier der regtbank. Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken in de teregtzitting van den eersten february 1800 acht en veertig door de heeren Nilant Bauwer.