Herkent u nog een of meerdere van deze ‘eerste bewoners’? We horen het graag… We zien o.a.: Danny van den Heuvel, Arend Jan Veurink, Harold van Galen, Corina Keuken, Rianne Prins en Ineke Bakker.
Op 29 november 2000 werden de eerste woningen in de nieuwe uitbreidingswijk Marslanden officieel in gebruik genomen. De foto’s zijn indertijd digitaal gemaakt en dat is nu ook goed te zien. De kwaliteit houdt veel te wensen over. Toch is zo’n momentopname een markering in de geschiedenis.
De oudste plannen voor bebouwing van de vroegere Hardenberger en Heemser marsgronden dateren al uit 1970. In het gemeentearchief worden dossiers bewaard waaruit blijkt dat men tien jaren bezig is geweest met het plan om dat gebied te gaan ontwikkelen voor woningbouw. Uiteindelijk zag men ervan af, omdat de bodemgesteldheid te wensen over liet.
Voor het eerst naar binnen…
Vervolgens besloot het gemeentebestuur om niet aan de overzijde van de rijksweg, maar ten oosten van de stad nieuwbouw te realiseren. Daartoe werd het woningbouwplan Baalder in ontwikkeling gebracht. Toen dat was ‘volgebouwd’, ging Baalderveld op de schop en vervolgens – de geschiedenis herhaalt zich – kwam een uitbreiding aan de overzijde van de rijksweg weer in beeld.
Nieuwe ontwikkelingen zorgden ervoor dat het gebied ‘op de Marsch’ nu wel bouw- en woonrijp kon worden gemaakt. De gemeente deed het echter niet (meer) in eigen beheer. Ze liet het over aan projectontwikkelaars Marslanden BV, waarmee in 1997 een exploitatieovereenkomst was gesloten.
Nieuwbouwwoningen…
Vanaf dat moment werd hard gewerkt om fase 1 van het nieuwe woningbouwplan te ontwikkelen. In juni 2000 werden de straatnamen vastgesteld: Blanckvoortallee, van Raesfeltallee, van Rechterenallee, Schotlaan, Loorlaan, Veldsinklaan, van Laarstraat, Guillaume van der Graftstraat en de Schans.
De eerste sleutel wordt overhandigd.
Rechts: wethouder Wendt.
Reactie van Gerrit Hakkers uit Collendoorn (een vroegere ‘uitgekochte’ bewoner van dit gebied): Volgens mij is de man op de foto bij Egbert Wendt de directeur van Marslanden b.v. (ontwikkelingsmaatschappij) de heer Herman Koopman.
Sleutels van de nieuwe woningen, bezorgd per helikopter…
Reactie Roel Gritter (die tevens bovenstaande drie foto’s meestuurde): Volgens mij werd de gemeente door het provinciebestuur verplicht de plannen voor Marslanden in de ijskast te zetten en moest men eerst Baalder en later Baalderveld bebouwen. Toen die twee wijken vol waren, moest alsnog de N34 worden overgestoken. De sleutels voor de eerste woningen werden per helikopter aangeleverd, waarna wethouder Egbert Wendt ze aan de eerste bewoners overhandigde.
Burgemeester Antoni van Riemsdijk van de gemeente Ambt Hardenberg rapporteerde aan de commissaris van de koning over een uitzonderlijk zware orkaan die op 29 november 1836 over zijn gemeente raasde. De storm begon in de namiddag tussen twee en drie uur, bereikte zijn hoogtepunt rond zes uur en bedaarde pas tegen acht uur. De wind kwam uit zuidwestelijke richting en draaide naar het noordwesten. Volgens metingen in Groningen bereikte het weerglas een uitzonderlijk hoge stand, wat de kracht van de storm onderstreepte.
Ondanks de hevigheid van de orkaan waren er geen mensenlevens verloren gegaan en bleef het verlies aan vee beperkt tot enkele schapen die onder ingestorte schaapskooien bedolven raakten. De burgemeester benadrukte dat niemand zich een storm van deze omvang kon herinneren, zelfs niet in vergelijking met eerdere stormen in 1800 en 1833.
De materiële schade was echter enorm. In vrijwel alle buurtschappen leden woningen en schuren dakschade: dakpannen werden weggeblazen, delen van het dakwerk stortten in, soms met gebint en al. In totaal werden minstens vijf woningen volledig of grotendeels verwoest, waaronder die van Albert Rökker en Hendrikkien Vesper in Sibculo, Gerrit Schutte en Hendrikjen Nijenhuis in Rheezerveen, Gerrit Stroeve en Johanna van den Berg in Baalder, Frans Berendsen en Jan Hendrik Rensing in Slagharen onder Lutten. Daarnaast werden tientallen schaapskooien, vaak van eenvoudige bouw, volledig verwoest. Alleen al in Lutten werden er 27 met de grond gelijk gemaakt. Dit leidde niet alleen tot verlies van dieren, maar ook tot een acuut tekort aan stalruimte en mestproductie, wat de landbouw ernstig verstoorde.
Ook grotere gebouwen en eigendommen van vooraanstaande inwoners werden zwaar getroffen. Jonkheer Jacob van Foreest van Heemse verloor het dak van een van zijn bouwhuizen, waarvan ook het muurwerk deels instortte. Een andere schoorsteen werd afgerukt en meerdere ramen sneuvelden. Zijn andere gebouwen, waaronder schuren en schaapskooien, liepen eveneens aanzienlijke schade op. De heer Berend Venebrugge aan de Veenebrugge zag het dak en een deel van het muurwerk van zijn nieuwgebouwde woonhuis uit 1834 verdwijnen. Zijn herberg aan de Möllinksvaart verloor de voorgevel en een deel van het dak.
Openbare gebouwen bleven niet gespaard. De kerktoren van Heemse verloor zijn kruis, het leien dak raakte beschadigd, en de kerk zelf verloor een groot aantal dakpannen. Ook de pastorie en het kostershuis liepen schade op. Alle tien scholen in de gemeente hadden dakschade, waaronder de pas in Diffelen gebouwde school waarvan de schoorsteen werd afgerukt. De korenmolen van Roelof Bouwhuis op de Haar in Heemse raakte beschadigd aan het hekwerk en de kap werd deels verplaatst door de wind, maar herstelde zich wonderlijk genoeg vanzelf bij het draaien.
Naast de schade aan gebouwen en vee was er ook veel verlies aan opgeslagen landbouwproducten. Hooibergen, strohopen en graanmijten werden door de wind omvergeblazen en verspreid over het veld. Door het gebrek aan bouwmaterialen en arbeidskrachten konden herstelwerkzaamheden nauwelijks op gang komen, wat de schade aan graan en veevoer verder vergrootte.
In het Heemserbos werden ongeveer zestig bomen ontworteld of gebroken. Hoewel deze schade niet werd meegenomen in de totale schatting, werd erkend dat het verlies van deze bomen vooral esthetisch en praktisch van belang was voor de betreffende plantages.
De totale schade aan gebouwen, vee, landbouwproducten en roerende goederen werd door de burgemeester voorzichtig geschat op meer dan 7.000 gulden. Veel inwoners verkeerden in grote nood, vooral zij die hun woningen volledig verloren en afhankelijk waren van steun uit het Fonds van kwade posten.
Groninger courant, 2 december 1836
Een transcriptie van de brief aan de Gouverneur van Overijssel, 1 december 1836: Ingevolge van en ter voldoening aan de bepalingen dienaangaande bij art. 85 van het Reglement op het Bestuur ten platten lande in de Provincie, vastgesteld bij ’s Konings Besluit van den 23 juli 1825, heb ik de eer U door deze te informeeren, dat hoe hevig ook de orcaan van eergisteren mede ter dezer gemeente van des achtermiddags tusschen 2 en 3 tot des avonds tusschen 7 en 8 uren gewoed hebbe, en welke schade ook aan onderscheidene, ja zeker aan alle gebouwen ter dezelve veroorzaakt, daarbij of daaronder niemand van derzelver ingezetenen is omgekomen en dat het verlies van vee zich ook enkel bepaald heeft tot een klein getal schapen, bij eenige schaaphouders onder hunne ingestortene schaapskooijen bedolven. Zo verre mij tot hiertoe in mijne uitgestrekte gemeente bekend, zijn ter dezelve slechts drie bouwmans- of arbeiderswoningen als geheel of grotelijks vernield te beschouwen, waarvan eene ter buurtschap Sibculo, eene ter buurtschap Rheeze en eene ter buurtschap Baalder, waaromtrent ik morgen of overmorgen aan U hoop te kunnen adresseeren de daarbij gevorderde stukken ten einde derzelver armoedige of behoeftige ingezetenen ter derzelver herstelling te kunnen doen deelen in de onderstandsverdeeling uit het Fonds van kwade posten, vallende de verdere schaden of verliezen geleden hebbende (voor zo verre mij tot hiertoe bekend) niet in de cathegorie van onder de deelgenoten aan hetzelve fonds gerangschikt te kunnen of mogen worden.
Er is voorzeker geen woning of schuur ter gemeente die geene grotere of kleindere dakschaden heeft geleden, en welke zo bij gebrek aan materialen als aan handen voor derzelver spoedig herstel, bij de aanhoudende regens in eene landbouwende gemeente als deze, van den nadeeligsten invloed komt te zijn op den ingezamelden voorraad van granen en fouragien, gelijk ook alle objecten van dien aard in bergen, hoopen of mijten bijeengezameld, en veelal ook door den hevigen wind omver gewaaid en verstrood, in het algemeen den ingezetenen geen geringe verdere nadeelen zullen komen aan te brengen.
De grootste schaden en verliezen zijn ongetwijfeld geleden geworden bij jonkheer J. van Foreest van Heemse te Heemse, van wiens buitengoed aldaar het eene bouwhuis geheel en al van zijn dak is beroofd geworden met instorting tevens van een gedeelte van het muurwerk, terwijl het andere, ofschoon niet even zeer, ontdekt, doch zooveel aan het muuwerk heeft geleden dat ook eenen gedeeltelijken herbouw zal behoeven; zijnde van het huis zelve ook eene der schoorsteenen afgewaaid en enkele glasramen aan hetzelve ook niet zonder groote beschadiging gebleeven, hebbende voorts deze Heer aan onderscheidene huizen en getimmertens aanmerkelijke schaden, speciaal ook aan meerdere schuuren en schaapskooijen, van welke veele zijn ingestort.
Ook heeft de heer B. Venebrugge Cz aan de Veenebrugge aanmerkelijke verliezen te betreuren, zijnde van zijn anno 1834 nieuw gebouwd woonhuis aan de Venebrugge het grootst gedeelte van het dak met eenen schoorsten en een aanzienlijk gedeelte muuwerks afgeslagen; terwijl ook van zijne nieuwe herberg aan de Mollinksvaart te Bergentheim de voorgevel tot op de glasramen met een gedeelte des daks ter neder is gewaaid, hebbende andere ingezetenen ter gemeente, waaronder de bouwman J.H. Eschhuis (Eshuis) te Diffelen ook grote schaden aan hunne woningen enz., even als ook veele uitwonende eigenaren aan hunne ter gemeente gelegene erven en gronden, heerschende er in dezelve bij de vernieling van zo veele schaapskooijen, wier aantal men wel op meer dan twintig stuks mag rekenen, waarlijk gebrek aan geschikte stalling voor dit vhee en waardoor dan tevens al dadelijk ook een groot gebrek aan mestwinning komt te worden gevoerd. Eene der koornmolen ter gemeente de nieuwe van R. Bouwhuis te Heemse, heeft schaden aan haar hekwerk geleden. Ook bleek het na den orcaan mede dat derzelver kap eenigermate op zijde was gewaaid, doch heeft zich dit laatste gebrek bij derzelver omdraaijing als het ware van zelfs hersteld. Van den kerktoren te Heemse is het kruis afgewaaid, de kerk heeft een verbazend aantal pannen verloren, zoals ook de pastorie en het kostershuis; terwijl er geene van de 10 scholen ter gemeente is die geene dakschade heeft geleden, en is hierbij aan den ten vorigen jare te Diffelen nieuws gebouwde mede de schoorsteen afgewaaid.
Er is niemand onder de ingezetenen der gemeente die het woeden van eenen gelijken orcaan heugt; houdende eenparig denzelven voor heviger dan de op den 9en november 1800 en 31en december 1833 ook deze gemeente geteisterd hebbende, zoals dan ook kenbaar uit het aantal ter gemeente ontwortelde, af- en ter neer gewaaide boomen; doch houdt men het intusschen in het algemeen er voor dat onder den orcaan even weinig donder of blixem als aardbeweging zullen waargenomen zijn.
Een transcriptie van de brief aan de Gouverneur van Overijssel, 9 december 1836: Ons wel geworden zijnde deszelfs aanschrijving van den 30en der vorige maand, met relatie tot den den dag te voren gewoed hebbenden orkaan, deszelfs uitwerkselen en gevolgen ter gemeente, den aard en het bedrag der daardoor geledene schaden, de daarbij plaats gevonden hebbende bijzondere voorvallen, de watershoogten, windstreeken, standen der weerglazen en al wat daaromtrent van eenig aanbelang of opmerkenswaardig zoude kunnen beschouwd worden, zo hebben wi jde eer, nadat nu alle omstandigheden dienaangaande aan ons zijn bekend geworden, Uw Excellentie daaromtrent onder eerbiedige relatie tot hetgeen ten dezen opzichte reeds aan U gecommuniceerd door mijn heer den burgemeester dezer gemeente bij dezes missive van den 1en dezer en ten vervolge dezelve te informeeren.
Dat door den betrekkelijken orkaan, behalven de bouwmans- of arbeiderswoningen van Albert Rokker te Sibculo, Gerrit Schutte te Rheezerveen, Gerrit Stroeve te Baalder, mede in het bijzonder vernield bij de missive aan u van den heer burgemeester der gemeente van den 3en dezer en de daarbij gevoegde processen-verbaal, nog verder ter gemeente zijn omver gewaaid de woonhuizen van Frans Berendsen en Jan Hendrik Rensing te Slagharen onder Lutten, doch dat de verdere door denzelven vast over het algemeen bij de ingezetenen, bij den eenen in mindere bij den anderen in meerdere maate, geledene schadens in alle de onderscheidene buurtschappen of wijken der gemeente zich speciaal komen te bepalen tot de dakken der woningen en schuuren, waarvan meerdere of mindere gedeeltens dak, grootere of kleinder getal pannen, bij meerderen met en bij anderen zonder gebind- of spoorwerk zijn af- en weggewaaid of ter nedergestort; mitsgaders tot de schaapskooijen over het algemeen, als wezende, behalven dat van den heer C.W. Sloet tot Twenijenhuizen c.s. op het erve Vassen te Lutten voormeld, van mindere echten bouw, en waarvan een aantal van 27, waaronder ook dat van voornoemden heer, geheel zijn ter aarde gestrekt en in elkanderen gevallen, zonder dat echter daardoor meer dan een tiental dezer dieren, die meestal met hunne herders te velde waren en door deze niet dan na het afneemen van den wind, gedurende welken zich in digte en niet te bewegene drommen waren tezamengeschuild, stalwaards konden worden gedreeven, zijn omgekomen; hebbende de orkaan voorts aan geen ander vee eenig nadeel toegebragt even als ook geen menschen daaronder gekwest zijn geraakt of hun leven hebben verloren.
Dat de grootste en aanmerkelijkste schaden mede aan muurwerk hunner gebouwen, stallen of schuuren, gedeeltelijk af-, omgewaaid en ingestort, zoals door mijn heer de burgemeester reeds bij zijne eerstgemelde missive zijn gezegd zijn geleden bij jonkheer J. van Foreest van Heemse te Heemse en B. Venebrugge C.z. te Venebrugge; en welke dan bij deze, evenals bij veele andere ingezetenen nog aanmerkelijk komen te worden vermeerderd door verderf aan graanen en fouragien uit hoofde van de onmogelijkheid om spoedig tot derzelver herstel en digting van het af- en omgewaaide te geraken zo bij gebrek aan veele materialen daartoe, als ook aan een voldoend getal arbeidslieden; lijdende ook veele ingezetenen aanmerkelijke schadens aan hunne buitenstaande en omvergewaaide of van derzelver dekking beroofde hooij-, stroo- en braanbergen of zogenaamde mijten van deze producten.
Dat wij vermeenen de als voormeld bij de onderscheidene eigenaren en ingezetenen ter gemeente, waaronder de gemeente zelve voor hare schoolgebouwen en de kerktoren van Heemse, waarvan het kruis is afgewaaid en het lijen-dak beschadigd, en de kerkelijke hervormde gemeente van dien naam voor derzelve kerkgebouw, pastorie en kostershuis, geledene schaden gerustelijk bij deze te mogen begrooten op een bedrag van meer dan f. 7000,- waaronder een groot getal om tot derzelver herstelling te komen grootelijks gebukt gaan, en ook bij de totale ruine van schaapskooijen nog aanmerkelijk daarenboven zullen komen te lijden, door de omstandigheid dat daardoor voor een tijd lang buiten staat zijn gesteld hunne zo nodige mestwenning voor te zetten.
Dat verder de voorzeide schaden door ons niet mede is begroot geworden, die van een 60 tal, speciaal in het bosch van Heemse ontwortelde, omvergewaaide of verbroken boomen, omdat dezelve toch altijd waarde hebben behouden en derzelver verlies slechts van eenige consideratie te achten is voor zo verre derzelver verwijdering eenige bijzondere plantagie is ontzierende; wezende intusschen onder de voormelde schaade-begrooting mede begrepen die aan eenige roerende goederen, speciaal aan granen, door derzelver door elkanderen waaijing en verstrooijing over het veld geleden.
… wezende de windstreek voor, onder en bij het bedaren van den storm zuid-westelijk west ten noordwesten en tekenende het weerglas van J.M. Pagani te Groningen als hoogste standpunt (hetwelk waargenomen werd) eenige streepen boven de 27« duimen, en hebbende de orkaan beginnen te woeden tusschen 2 en 3 uren van den nademiddag, terwijl omstreeks 6 uur op het hevigst was en tusschen 7 en 8 uren bedaarde…
In het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg is een zgn. interrogatoria (gerechtelijk verhoor) bewaard gebleven dat op 23 november 1752 werd afgenomen ten overstaan van de plaatsvervangend schout Jacobus van Riemsdijk (toegang 0055.2.1). Het handelde om de zaak van Fennegien Jans uit Ane, die beweerde zwanger te zijn geraakt van Jan van der Haar, werkzaam als koetsier op de havezate Heemse. Meerdere getuigen werden onder ede gehoord.
Albert Schutten (47) en Berent op ’t Vrijlink (34), beiden uit Ane Zij verklaarden dat zij door Fennegiens vader naar de koetsier waren gestuurd om hem te vragen wat zijn bedoeling met Fenne was. De koetsier had gezegd dat hij haar niet wilde verloochenen of voor “hoer” uitmaken. Wel gaf hij aan dat hij twee getuigen had die konden bevestigen dat Fenne al vóór mei zwanger was, en dat hij zich daarom terughoudend opstelde. Hij verklaarde dat hij pas vanaf mei in dienst was van het Huis Heemse. Tegenover anderen had hij ook gezegd dat hij de zaak graag netjes wilde oplossen.
Richelt, hovenier op Huis Heemse (70) Hij had in Hardenberg horen zeggen dat Fenne moest bevallen, maar wist niet van wie. Thuis sprak hij met de koetsier over de zwangerschap. Toen hij schertsend zei dat hij Berend zou plagen met deze kwestie, reageerde de koetsier dat Richelt daar niet mee moest spotten: het was namelijk zijn (de koetsiers) schuld, en hij wenste dat Fenne er met een goede schik vanaf zou komen.
Albert Warmelink, koster te Heemse (28) Hij vertelde dat de koetsier zelf had toegegeven liever niet gewild te hebben dat Fenne’s zwangerschap bekend werd zolang de vrouwe van het Huis Heemse nog leefde, omdat zij ziek was. Ook zei de koetsier volgens hem: “Nu heb ik het zelf veroorzaakt, de natuur gaat boven de leer.”
Geertien Hendrix, dienstmeid op Huis Heemse (20) Zij wist niet van gesprekken over Fenne’s zwangerschap tijdens een wijnavond na het overlijden van mevrouw. Wel verklaarde ze dat de koetsier haar gevraagd had hoe lang Fenne al geen menstruatie meer had gehad. Zij antwoordde dat dit al vóór mei het geval was. Over verdere betrokkenheid van de koetsier wist ze niets te zeggen.
(figuratieve schets, ChatGPT)
De getuigen bevestigen dat:
Fennegien Jans inderdaad zwanger was.
De koetsier Jan van der Haar erkende dat hij verantwoordelijk was, maar tegelijk probeerde te suggereren dat zij al eerder zwanger was geweest.
Hij aangaf de zaak netjes te willen afhandelen, maar wilde niet dat het te vroeg bekend werd, vooral niet bij de zieke vrouwe van Heemse.
Hij liet vallen dat “de natuur boven de leer gaat”, waarmee hij leek te erkennen dat hij zijn lusten niet had beheerst.
Kortom: de verklaringen wijzen erop dat de koetsier schuld bekende, maar de precieze tijdlijn en de vraag of Fenne al vóór mei zwanger was, bleven een punt van discussie.
De bij het getuigenverhoor gemelde ‘vrouw van Heemse’ die ziek lag en overleed, betrof Jacoba Hendrietta Arnolde van Uterwijk, de weduwe van Evert Elbert Antony baron van Raesfelt en de schoonmoeder van Clara Feyoena van Raesfelt-van Sytzama.
De volledige transcriptie luidt: Hardenberg, den 23 novemb. 1752. Verwalter Scholtus J. van Riemsdijk. Keurnooten: burgemeester D.J. Rustenberg en Everhardus Kramer.
Interrogatoria om daer op ter gerigtelijke instantie van Fennegien Jans, na voorgegane wettige citatie en erinneringe van de sware straffe des meineeds, onder eede te verhoren, de navolgende personen, als Schutten Albert en Berent op ’t Vrijlink, beide te Ane. Den hovenier Richelt en de meid Geertien Hendrix, beide van den Huize Heemse, en dan nog Albert Wermink, coster te Heemse.
1. Getuigen, alle ouderdom en verwantschap af te vragen. Getuige Albert Schutten getuigd op art. 1 ongeveer 47 jaer oud, en niet verwant te zijn. Berent op ’t Vrijlink getuigd ongeveer 34 jaer oud en niet verwant te zijn. De hovenier Richelt verklaerd ongeveer 70 jaer oud te sijn, en niet verwant. Alb. Wermink, coster te Heemse, verklaerd in het 28ste jaer oud, en niet verwant te zijn. Getuige Geertien Hendrix verklaerd in haar 20ste jaer oud, en niet verwant te zijn.
2. Getuigen Schutten Albert en Berent Vrijlink af te vragen of zij getuigen niet voor omtrent drie weken door de vader van Fennegien Jans van Ane sijn gesonden na ’t Huis Heemse om den coetsier Jan van der Haar af te vragen hoe hij het met sijn dogter Fennigjen in den sin had, terwijl sij van hem coetsier beswangerd was. Schutten Alb. getuigd op art. 2 desen articul vollenkomen de waerheid te sijn. Getuige Berend op ’t Vrijlink verklaerd desen articul vollenkomen de waerheid te zijn.
3. Wat heeft hij coetsier destijds aan uwlieden geantwoord, sulx na waerheid en (so veel mogelijk) van woord tot woord te noemen. Is getuige ook niet bekend dat hij coetsier te Wijhe gesegt heeft dese saek met Fenne wel te willen afmaken? Op art. 3 verklaerd getuige Schutten Albert dat hij Jan van der Haer tegens haer had geantwoord, ik wilse niet versweren en ook voor geen hoere uitschreeuwen, en dat hij twee getuigen hadde dat zij voor maij al zwanger was geweest, en daerom hield hij sig te rugge, en haer tot maij ter goeder regte stond, en verklaerd getuige verders dat hij coetsier tot Wijhe gesegt heeft dese saek met Fenne wel gaern te willen afmaken. Op art. 3 getuigd Berent op ’t Vrijlink dat de coetsier tegens haer had geseid, ik, wilse niet versweren en ook voor geen hoere uitschreeuwen, en dat hem geseid was dat sij voor maij al zo geweest is, en daer wel getuigen van had op het Huis te Heemse, en dat hij ook niet wilde gaen lopen, maer praesenteerde sig van nu af aen tot maij toe als een eerlijk man ter regte; en verklaerde getuige van ’t verdere gevraegde in desen art. niet te weten, omdat daer niet is present geweest.
4. Meester Richelt hovenier op Heemse af te vragen of hij voor eene tijd lang geleden niet in den Hardenberg of elders had horen seggen dat de meid Fenne van den koetsier Jan van der Haar in de kraam moeste. Op art. 4 getuigd de hovenier Richeld dat hij in den Hardenberg ten huize van Jan Hend. Boerrigter wel heeft horen seggen dat de meid Fenne kramen moest, maar niet van wie sij kramen moeste.
5. Is getuige mr. Richeld thuis komende, daerop niet met hem coetsier in het bouwhuis geweest, en met hem over dese zwangerschap discours gehad? Op art. 5 verklaerd getuige mr. Richeld de hovenier, dezen art. de waerheid te zijn.
6. En heeft getuige destijds niet tegens J. van der Haar, wanneer in dat discours was, gesegt wagt daer moet ik Berend eens met plagen? Op art. 6 verklaerd getuige de hovenier Richeld, dat hij tegens Jan in dat discours hadde gezeid of heeft Berent daer doende geweest.
7. Maer heeft Jan van der Haar uw getuige daer op niet gesegt, dat gij Berend daer mede niet soudet plagen, maer dat het sijn schuld was, en dat hij wel wenste dat Fenne met goed schik daer van daen was? Op art. 7 verklaerd getuige Richeld de hovenier desen articul in allen delen volkomen de waerheid te zijn.
8. Wat weet getuige nu meerder van dese saek (so gevraegt als ongevraegd) te seggen, sulkx te noemen. Op art. 8. verklaerd getuige Richeld de hovenier, van dese saek verder niet te weten.
9. Getuige Albert Warmelink, coster te Heemse, af te vragen of niet uit den eigen mond van Jan van der Haar, coetsier op Heemse, gehoord heeft, en selfs tegens hem getuige gesegd, dat hij niet geerne gehad hadde dat het zwanger zijn van Fenne bij leven van mevrouw soude uitkomen. Op art. 9 verklaerd getuige Alb. Warmelink, coster te Heemse, dat hij getuige an Jan heeft gevraegd, hoe hij met Fenne stond, en terselver tijd door Jan van der Haer daer op is geantwoord, dat hij niet graeg wilde hebben dat het bij ’t leven van mevrouw soude uitkomen, dewijl dat mevrouw er so lag.
10. Maer heeft hij Jan, coetsier op datselfde pas ook niet tegen getuige gesegt ik heb het selfs uitgebragt, en dat de natuur was boven de leer gegaen? Op art. 10 verklaerd getuige Albert Warmelink, coster te Heemse, dat Jan coetsier op dat selfde pas mede gesegd hadde, nu hebbe ik het selfs eerst uitgebragt, de natuur gaet boven de leer.
11. Wat weet getuige (so gevraegd als ongevraegd) hier meerder van? Op art. 11 verklaerd getuige Alb. Warmelink hier van met sekerheid niets verders te kunnen seggen.
12. Getuige Geertien Hendrix af te vragen, of haer niet bekend is, dat Jan van der Haar, op enen avond en na dode van mevrouw de eere gehad heeft van met enige glasen wijn beschonken te worden, en is getuige daer niet praesent geweest? Op art. 12 getuigd Geertien Hendrix van ’t gevraegde in desen art. niet te weten.
13. Heeft zij getuige in dat geselschap als doen niet horen spreken dat de meid Fenne van Jan van der Haer beswangerd ware? Getuige Geertien Hendrix verklaerd op art. 13 van ’t gevraegde in desen articul mede niets te ween.
14. Weet sig getuige ook te erinneren dat Jan van der Haar aen haar gevraegt heeft, hoe lange is Fenne al niet geweest so als ’t behoord, of om meer duits te spreken, wanneer heeft sij de laestemael de stonden gehad? Op art. 14 getuigd Geertien Hendrix, het gevraegde in desen de waerheid te zijn, en door haer getuige daer op is geandwoord, dat sij Fennegien, al voor maij niet was geweest so als sij behoorde te wesen.
15. En heeft hij coetsier aen uw getuige niet gesegt wanneer Fenne eerder zwanger was als van meij, dat hij het dan niet gedaen had, want hij om maij eerst daer was gekomen? Op art. 15 getuigd Geertien Hendrix van het gevraegde in desen articul niets te weten.
Dat dese vorenstaende articulen na voorgaende wettige citatie, ter preventie van de voorn. keurnoten aen de getuigen, nadat sij den eed daer toe staende hadden afgelegd, en wel de hovenier Richeld, volgens het Paepsche Formulier; na serieuse waerschouwinge van de zwre straffe des meineeds, duidelijk sijn voorgelesen, en door haer daer op is geantwoord, so als bij jeder articul staat gemeld, certificere en verklare ik verwalter scholtus voornoemd, met dese mijne onderteikeninge, en opdrukkinge mijnes cachets. Actum Hardenberg, den 23 november 1752. J. van Riemsdijk.
Via een zeer gewaardeerd contact van een van onze bestuursleden is het gelukt om een professionele boekenscanner op de kop te tikken; gratis en voor niets! De scanner is vanwege de levensduur ‘afgeschreven’, maar gaat ons hopelijk helpen om nog vele waardevolle archiefstukken te digitaliseren.
Het grootste voordeel van een boekenscanner, ten opzichte van een reguliere flatbedscanner, is dat boeken en grootformaat archiefstukken ‘van bovenaf’ kunnen worden gedigitaliseerd. Dit voorkomt beschadiging van de originelen. Een ander voordeel is dat softwarematige correctie van de boekcurve wordt toegepast,
Half december hopen we de machine op te kunnen halen, zodat we er met ingang van 2026 mee aan de slag kunnen. We zitten te denken aan het digitaliseren van: – de bevolkingsregisters van Ambt en Stad Hardenberg – diaconieboeken van de hervormde kerk in Heemse – registers van resoluties van de magistraat van stad Hardenberg – etc.
Gemeente Hardenberg is bezig met het opstellen van een bomenbeleidsplan. Onder meer de Stichting Bomenridders Hardenberg helpt daarbij. Onze Stichting Historische Projecten reikt de helpende hand. Onderdeel van het op te stellen bomenbeleidsplan is het inventariseren van bijzondere bomen. Daarbij kun je denken aan herdenkingsbomen, markebomen, grensbomen, houtwallen of bomen die een oude weg of route aangeven. Kortom bomen die de moeite waard zijn om te behouden. Ter gelegenheid van Open Monumentendag in 1999 gaf gemeente Hardenberg een boekje uit met enkele monumenten. In het boekje staat ook een lijst van geregistreerde monumentale bomen.
Onderstaande (verouderde) lijst moet worden aangevuld met bomen en houtwallen die behouden moeten blijven. De lijst dateert nog van voor de gemeentelijke herindeling. Zodoende ontbreken de monumentale bomen op het grondgebied van de voormalige gemeenten Avereest en Gramsbergen.
Helpt u mee? Reageer via onderstaand formulier en gebruik a.u.b. zoveel mogelijk een duidelijke omschrijving van de houtopstanden en de locatie, zoals gebruikt in de lijst.
nr.
omschrijving
locatie
1
lindeboom (1750-1800)
Heemse; in tuin tussen Rheezerweg en Oude Rheezerweg