Archieven: 2026-02-08

Toen, op 8 februari… Conflict tussen secretaris Krull en pachter Sierink (1723)

In het bewaard gebleven Statenarchief (toegang 0003.1.4), lezen we dat stadssecretaris Wilhelm Hendrik Krull uit Hardenberg zich op 15 augustus 1723 tot de Gedeputeerden van Ridderschap en Steden richtte in een poging om zijn naam te zuiveren. Hij beklaagde zich dat hij ten onrechte in verband werd gebracht met de pachterszaken van Herman Sierink, en dat er lasterlijke beschuldigingen over hem en zijn knecht Gerrit Herms zouden rondgaan.

De situatie kwam voort uit een incident op 8 februari waarbij Herman Sierink, die vaak dronken en agressief zou zijn, tijdens een bezoek aan Krulls huis de burgemeesters uitmaakte voor schelmen en daarna de knecht Gerrit Herms met een bierkroes in het gezicht sloeg. Volgens Krull was dit een brute en gevaarlijke daad: Herms viel van zijn stoel, en alleen door tussenkomst van anderen kon erger worden voorkomen. Krull benadrukte dat dit niet de eerste keer was dat Sierink zich op deze manier misdroeg; ook eerder sloeg hij iemand met een bierkroes na een woordenwisseling.

Hoewel Sierink beweerde dat Herms hem had uitgescholden, verklaarden meerdere getuigen dat zij dit nooit hebben gehoord. Wel hadden zij het gewelddadige slaan gezien. Toch was Herms volgens Krull ten onrechte in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot het betalen van kosten, terwijl Sierink de ware aanstichter was.

Daarnaast wees Krull erop dat de andere klachten van Sierink – bijvoorbeeld dat er schade zou zijn aangericht aan zijn hofje of huis – ongeloofwaardig zijn. Zo zou Sierink volgens omstanders dronken zijn eigen ramen hebben ingeslagen.

Krull besloot zijn brief met de oproep aan de Staten om rechtvaardig te oordelen, en verzekerde dat hij steeds naar waarheid verslag heeft gedaan…


Een transcriptie:
Edele mogende Heeren, de ordinaris gedeputeerden van ridderschap en steden, de staten van Overijssel et cetera. Mijnheren. Ik bevind dat mijn leedwezen zo uit de resolutie van uw edel mogende tot beintinne? Van de pachter Herman Sierink en andere pachters afgegeven, waarbij tegen gewoonte mijn naam bij de burgemeesteren wordt gevoegd, alsmede uit die aan mij gedane rapporten, dat ze bij de een of andere, zeer vuilaardig en gedenegreerd en verdacht gemaakt, alsof ik de pachter is, en alzo de ordonnantie van uw edel mogende contramineerde en tegen geen. Waarom dan uw edel mogende bij dezen hebben moeten voordragen, dat ik, die al over twee jaren een zeer pijnlijke en kwijnende ziekte ben onderhevig geweest, en die nergens minder plezier als in de ruzie scheppen, en die ook wel hebbe geleerd, dat men den keizer dat des keizers is, en vervolgens, dat men schattinge die men schattinge en tol die men tol schuldig is moet betalen, mij nergens minder als aan zo een boosaardige en vuile calange schuldig kenne vermits echter het voorgevallene ten onzen huize, tussen Herman Sierink en de knecht Gerrit Herms, de voorged. calange schijnt te hulp te komen, zo heb nodig geacht daarvan niets te zeggen, en hierbij voegen, de kopie van het rekwest waarbij Herman Sierink de knecht Gerrit Harms beklaagt, en welke van Herman Sierink onder zijn eigen hand geschreven aan de knecht bij insinuatie van het rekwest is overgegeven, uit voorschreven kopie zullen nu edele mogende datelijk zien, dat Herman Sierink aldaar ter neder stelt, dat hij als pachter van het hoofdgeld van den Hardenberg over den jare 1722 en dat hij onlangs is zich willende bezighouden, om gemelde pacht penningen aldaar te innen, onder andere naar verscheidene injurien en scheldwoorden geleden te hebben, eindelijk door eenen Gerrit Harmsen, zijnde de knecht van de secretaris Krull, nevens enige anderen zij op het lijf gevallen en geslagen. Ik kan niet mankeren uw edele te zeggen dat opgemelde klaagt zeer goddeloos en boosaardig van Herman Sierink is gesmeed en dat het de geraffineerste leugen is, die de boosaardigste mens geen consorentie en geweten hebbende, zouden kunnen praktiseren, om tegen alle liefde zijn even mens te beledigen en daar mede de gemoederen van uw mogende tegen iemand te verbeteren en gaande te maken en zo opgemelde vuile leugens de waarheid, waarheid waren, zo had de knecht Gerrit Herms verdiend dat hij tot afschrik van anderen werd gegeseld en uit het land gebannen.

De gedaagde Gerrit Herms onschuld manifesteert integendeel genoegzaam uit de condschappen, het eerst aan u edel mogende toegezonden bericht geanne acert?, zes zoek verder dat u edel mogende met patientie en zonder vooroordeel, van mij mogen onderricht worden, dat Herman Sierink op de achtste februari 1723 dronken zijnde aan ons huis is gekomen en aldaar destijds ook hebben gezeten Engbert Hagen en de stadsdienaar Jan Valkman, dat hij Herman Sierink naar dat een mengele bier had geëist ging zitten, en een weinig daarna segte, dat de burgemeesteren schelmen waren, om dat ze Berend Meijer, gewezen muller de ontvangst van de tol hadden gegeven, daar bij volgende, dat zij de ontvangst daarvan, aan oude burgers, als Engbert Hagen en Lukas Lamberts hadden moeten geven, dat eindelijk de diener siende, dat ik destijds zeer pijnlijk zijnde, verdriet in het aanhoren van dat schelden had, zei, dat hij mij en Engbert Hagen tot getuigen nam overheidsgelden van de burgemeesteren en de knecht Gerrit Herms, die een jarenlang, met de vader van Herman Sierink voor knecht heeft gewoond, en het naturel van Herman Sierink wel kennend als wetende hoe ondraaglijk Herman Sierink dronken zijnde voor een ieder in een gezelschap is, sprak hem ook over het schelden aan, omdat hij zag, dat mij het schelden en razen van Herman Sierink zeer verdroot, daar over harde woorden rezen, drinkende ondertussen Herman Sierink en de knecht separatelijk telkens is uit een mengelen, dat eindelijk Herman Sierink zonder dat de knecht Gerrit Herms of enige van het gezelschap, die niet wisten, of het gekijf en geraas ernst of gekscherend was de knecht Gerrit Herms met een mengelen vol bier? Dat hij van het vuur kreeg zodanig voor het aangezicht sloeg, dat de knecht daarvan, van de stoel viel, waar over een ieder en ik zeer werd gealtereert en Sierink die het wilde ontvluchten vastgehouden werd, ziet daar een barbarische daad, waarvan ik nog met een ijsinge en alteratie wordt aangedaan wanneer daar op denk, ik geef u edel mogende eens in bedenken, of de knecht die zo ellendig was getrakteerd en de heer fiscaal die destijds te Hardenberg was en die het gedrag en comportement van Herman Sierink kent, geen rechtmatige redenen hebben gehad, om haar rechtmatige actie deswegen coram competente judice te institueren, ten einde hij Herman Sierink vervolg van zo een cruelle en gruwelijke daad werd afgeschrikt, het is omtrent drie en vier jaar geleden, dat Herman Sierink ten huize van Lefert Derks een zeer fatsoenlijk persoon van Quakenbrugge, ik na enige woordenwisselingen, mede met een mengelen bier voor het gezicht sloeg, en daarop dadelijk de vlucht nam, hebben de zich daar over voornoemde persoon aan de burgemeesteren geadresseerd gehad, staat het dan nu niet te vrezen, dat Herman Sierink iemand ongestraft met een mengelen bier vermogende te slaan, in het vervolg in plaats van een mengelen niet een kanne zal gebruiken, en dan kan het hem wel gebeuren, dat tot Franeker, tussen twee studenten over de religie disputerende (discuteren de woordenboek) voor enige tijd is voorgevallen geweest, wanneer de ene de andere met een kanne doodsloeg.

Ik ondergeschrevene die altoos enpresent geweest verklaart voor u edel mogende dat ik de gedagte Middagmaal gerecolligeert, mij niet kan te binnenbrengen dat Gerrit Herms, Herman Sierink voor een pachter en schraper zou hebben gescholden, de Stadsdienaar Jan Valkman die altijd mede present is geweest, zegt mede zulks niet gehoord te hebben, gelijk uit zijn attestatie hier nevens gaande te zien, Berend Meijer en Egbert Meijer mede present, en het onmenselijke slaan hebben aangezien, des ondervraagd werden de cellen mede verklaren zulk zeggen niet gehoord te hebben. Hoe dat vervolgens Engbert hagen, die zelfs wat doof is daartoe gekomen is om zulks te zeggen kan niet weten, althans de onmenselijke feitelijkheid is klaar bewezen; dat bewijs van het schelden voor zo veel ik weet is niet voorgebracht, dat daartoe u rechte aannemelijk is, en nooit voortgebracht zal kunnen worden, nochtans heb ik van ter zijden vernomen dat Gerrit Herms in ongelijk is worden gesteld en gecondemneerd in de kosten van de leugenachtige aanbrenger Herman Sierink, en hem de vrijheid genomen om coram petente judice zijn zaak in rechte te kunnen vervolgen; hebbende wijders verstaan van enige andere klachten van Herman Sierink aan u edel mogende gedaan, zo dient dat ik niet heb gehoord dat hij schade aan zijn ijmen heeft geleden, zijn hofje van mij dikwijls voorbijgegaan wordende om open lucht te scheppen, vindt niets of weinig gedevaliseerd en hoe het zich met het inslaan van zijn glazen toedracht kan niet zeggen, maar wel dat gehoord heb, dat Herman Sierink voor enige tijd dronken zijnde, zijn glazen zelf heeft ingeslagen en daardoor van buiten in zijn huis is gekropen.

Ik heb dienstig geacht dit zou mijn verantwoording te zeggen en wijders te betuigen, dat ik wens, dat God de Heeren u edel mogende deliberatie en ten dienste van het gemeen, en de goede ingezetenen van dien moge dirigeren en zegenen, ik blijf we met diep respect. Edel mogende Heeren uw mogende zeer onderdanige dienaar Wilhelm Hendrik Krull, secretaris. Hardenberg de 15e augustus 1723.