Archieven: 2026-03-28

Toen, op 28 maart… Het testament van Slingenberg (1729)

Op 28 maart 1729 kwamen de drie kinderen van het overleden echtpaar Slingenberg uit Den Velde bijeen voor het gericht te Heemse. Het waren Evert en Teunis Slingenberg en hun zuster Jennegien, gehuwd met oud-burgemeester Jan Smit. Zij verschenen gezamenlijk voor richter Arnold Voltelen om het testament van hun overleden ouders, Harmen Roelofs Slingenberg en Margrita Jansen Slingenberg, te laten openen en officieel te laten registreren. Het zorgvuldig verzegelde document, dat al bijna twintig jaar veilig was bewaard, werd door het gericht onderzocht. Het bleek onaangetast, keurig verzegeld met het cachet (zegel in was) van oud-rentmeester Gerhardt van Riemsdijk, en het bleek in alles rechtsgeldig.

Het testament voerde de aanwezigen terug naar de zomer van 1710, toen Harmen en Margrita nog in leven waren. In Hardenberg hadden zij, in gezonde staat van lichaam en geest, hun laatste wil laten vastleggen door de toenmalige richter Johan Molckenbour. Hun zorgen waren die van alle stervelingen: de kortheid van het leven en de zekerheid van de dood. Zij gaven elkaar de belofte dat de langstlevende vrijelijk over al hun goederen zou mogen beschikken, zonder verantwoording te hoeven afleggen. Maar zij wilden ook zekerheid bieden voor hun kinderen en verwanten.

Daarom werd Evert Berends Slingenberg, de zoon uit het eerste huwelijk van Margrita met Berend Wesseler, tot universeel erfgenaam benoemd. Hij kreeg het erve de Slingenberg en alle verdere goederen toebedeeld, maar onder strikte voorwaarden: hij moest zijn halfbroer Teunis in huis nemen, hem verzorgen in gezondheid en ziekte, hem jaarlijks een kleine toelage uitkeren en voor zijn voordeel een kudde van twintig schapen onderhouden. Mocht het samenleven onhoudbaar blijken, dan diende hij Teunis jaarlijks vijftig gulden uit te betalen, totdat ook diens leven een einde zou vinden. Daarnaast werd aan dochter Jennegien een bruidschat van honderdvijftig carolusguldens en een behoorlijke uitzet toegewezen, gelijk aan wat haar zuster Berentien al eerder bij haar huwelijk had ontvangen.

Zo had het echtpaar, weloverwogen en met getuigen, hun uiterste wil bekrachtigd. Hun woorden werden met lakzegels verzegeld en in bewaring gegeven, opdat hun nalatenschap eerlijk verdeeld en hun wensen gerespecteerd zouden worden. En zo, bijna twintig jaar later, werden hun stemmen opnieuw gehoord in Huize Welgelegen te Heemse, alwaar de richter woonde en werkte, toen hun kinderen het testament lieten openen en de laatste wil van hun ouders openbaar werd gemaakt.


Figuratieve schets

Een transcriptie:
Heemse den 28 martij 1729. Righter Arnold Voltelen. Keurn(ooten): Egbert Evertsen en Hendrik Evertsen, koster alhier. Erschenen in desen Ed(elen) Gerigte Evert Slingenberg, Teunis Slingenberg en Jennegien Slingenbergh, huisvrouw van de outb(urge)m(eeste)r Jan Smit, bij absentie van haer man in desen met haer voors(chreven) broeder Teunis Slingenbergh als momber geassisteert wesende, te samen voor son en nagelaten kinders van wijlen Harmen Roelofs Slingenbergh en Margrita Jansen Slingenberg, in leven eheluiden, en exhibeerden een besloten francijnen couvert, waerin dat besloten is haer gem(elde) ouders testament ofte uiterste wille, versoekende hetselve moge worden gevisiteert en van desen Ed(elen) Gerigte als nae Lantregte geopent, gepronuntieert en behoorlijk geprothocolleert, welke voorschr(even) versoek in deliberatie sijnde genomen soo is ’t selve geaccordeert en daerop nae behoren het voorn(oemde) testament nauwkeurighlijck sijnde gevisiteert, so is bevonden hetselve in allen delen te weesen ongecancelleert en nog in ’t geheel en wel toegemaekt en besegelt, sonder de minste openinge, en is bevonden het opschrift daervan te luiden, van woort tot woort als volget:

Ick Johan Molkenbour, bij commissie van hoger overigheid indertijt Scholtus van den Herdenbergh, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere mits desen dat voor mij en keurnoten als waeren de h(ee)r advocaat Jan Doornik en Berent Jansen, personelijk sijn gecompareert en erschenen Hermen Roelofs Slingenbergh en Margrieta Jansen Slingenbergh, eghteluiden, sijnde sij Margrieta Jansen geadsisteert met mons(igneu)r Gerhardt van Riemsdijk, in desen haer verkorene en van den Gerighte toegelaetene momber, sijnde gesont van lichaem, oordeel, verstant en memorie, soveel men uitterlijck konde bemerken, en exhibeerden aen mij Righter dit gesloten instrument waerin sij comparanten bij handtastinge verklaerden geschreven te sijn haer testament ofte uitterste vrije wille, en door haer eijgenhandig onderteikent, en op versoek van testateur en testatrice door voorgenoemde Gerhardt van Riemsdijk met sijn cachet versegelt, t’welk sij comp(aran)ten beijde begeerden dat in alles onverbrekelijck aghtervolgt moghte worden t’sij als testament, codicill, gifte ter saeke des doots ofte soo als best sal kunnen bestaen. In oirconde der waerheid hebbe ick Righter in praesentie van bovengenoemde keurnoten dit testament op versoek van beijde in desen edelen gerighte gecompareerde comparanten geapprobeert, gerightelijck versegelt, en selfshandig onderteikent. Actum Hardenbergh den 30 junij seventienhondert en tijn.

Sijnde verders t’selve met een francijnen couvert omsloten en met twee signetten en een groot uithangend zegel gedruckt in groenen wassche toegemaekt. Soo is gemelte couvert geopent, waerin nog lagh een besloten couvert waerop stonden gedruckt drie signetten van wijlen de rentm(eeste)r Gerr. van Riemsdijk, en ’t testament daerwesende uitgehaelt soo is hetselve in praesentie van voors(chreven) parsonen gelesen, luidende het voorschr(even) testament van woort tot woort als volgt:

Wij Hermen Roelofs Slingenbergh ende Margrieta Jansen Slingenbergh, eheluiden, in overdenckinge gekomen sijnde van de cortheid deses levens, de sekerheid des doots en de onsekerheid van de uijre derselver, hebben alvorens onse zielen in de genadige handen Gods en Zalighmaker Jesu Christi bevelende, ende onse lichamen de aerde, op volgende wijse van onse tijdelijcke goederen willen disponeren, hebbende noijt eenige dispositie voor desen gemaekt. Eerstelijck dan betughtigen wij beijde eheluiden, bij afsterven van eene de langstlevende, in alle onse goederen, roerende en onroerende, en alles t’geene onder den naeme van eijgendom genoemt sou cunnen worden, omme deselve niet allene tughtwijse te gebruiken, nemaer des nootwesende in ouderdom of ander voorvallende ongemacken aen te tasten en haer daarvan te bedienen, sonder gehouden te wesen staet en inventaris aen jemant over te geven. Voorts soo stellen wij Evert Berens, mijn testatricen voorsoon, nae onsen beijder doot als erffelinck van de woninge Slingenbergh voor so veele onse regt daeraen is, alsmede tot eenige en universele erfgenaem van alle onse na te laetene goederen, roerende en onroerende, van wat natuire en waer ter plaetse gelegen, mits dat hij sijn halve broer Tonis geduirende den tijt dat sij bij malkanderen t’samen wonen bij gesontheid en cranckheid sal verplegen in cost, klederen en linnen, en daerenboven alle jaeren ses gulden voor sijn pleisier en tot sijnen voordeele jaarlijx houden twintigh schapen des somers op de weijde en s’winters int voer, dies sal hij Tonnies voornoemt nae sijn vermogen des huijses beste helpen bevorderen, en in gevalle onvermoetelijck onder haer eenige onlusten moghten komen te rijsen, sodanigh dat Tonnis van sijn broer Evert op een ander wilde gaen wonen, sal in sulk een geval Evert off sijne erfgenamen alle jaer promptelijck aen Tonnis uijtkeren en betalen vijftigh gulden, welke nae sijnen doode sullen ten einde gelopen, en also wedrom aent erfhuis vervallen weesen. Alsmede dat insgelijks aen onse doghter Jennegien sal worden uitgekeert en in goeden gankbaaren gelde betaelt een hondertvijftigh caroli guldens en behoorlijcke uijtsettinge, so en als haer zalige suster Berentien sijnde met Henrik Grimmerink getrouwt geweest heeft mede gekregen. Dit alles verklaren wij onse volcomene wille en sinsere meininge en voorbedagten raade te weesen, begerende dat alles tgeene hijr inne ter neder gestelt is volkomen effect sortere, hetsij als testament, codicil, gifte ter saeke des doots off onder de levende of eenigh ander instrument ten cragtigsten hijr toe dienende, alwaert schoon de gewoonlijcke solemniteiten van regten en gewoonten hierin niet mogten weesen geobserveert, welke sullen gehouden worden als of deselve van woorden tot woorden hijr inne waeren begrepen. Aldus gedaen ende gepasseert binnen Gramsberge ter presentie van de heer G. van Riemsdijk, mijn testatricen te deeser saeke voor soo verre nodigh gecoren mombor, welke beneffens ons testator en testatrice deese getekent hebbende met sijn opgedruckt pitzier bevestigt heeft, in den jaere 1710 den 28 junij.


Vrijwillig rechterlijk archief Schoutambt Hardenberg

Grafzerk Johanna Judith barones van Sytzama-Blanckvoort

Op deze foto zien we maar liefst zeven grafzerken in de Witte of Lambertuskerk in Heemse. Zes van de zeven zijn vervaardigd uit zandsteen (lichte kleur). De zevende is gemaakt van blauw hardsteen. Die ligt vooraan op deze foto. De zerk toont twee prachtige, grote alliantiewapens, nl. boven dat van Blanckvoort (een leeuw) en Van Hemert (drie leeuwenkoppen) en daaronder dat van Van Sytzama en Blanckvoort.

Sinds de restauratie van de Witte- of Lambertuskerk in 2025/2026 worden de oude grafzerken weer getoond.

Het betreft de bewaard gebleven grafzerk van Johanna Judith Blanckvoort, weduwe van Pico Galenus baron van Sytzama én grootmoeder van dichteres Clara Feyoena van Raesfelt-van Sytzama.

Johanna Judith is in 1669 geboren in Deventer en trouwde op haar achttiende, in 1687, met Pico Galenus baron van Sytzama. Hun ondertrouwinschrijving is bewaard gebleven in het oudste trouwboek van de kerk te Heemse. De adellijke jongedame was erfdochter van de Hofstede, de Blankenhemert en de Collendoorn. Ze stierf op 70-jarige leeftijd op de Blankenhemert te Heemserveen en werd enkele dagen later begraven in de kerk te Heemse.

In het randschrift lezen we: DE HOOG WELGEBOREN VROUWE JOHANNA JUDITH BARONESSE VAN BLANKVOORT DOUAIRIèRE VAN WIJLEN DE HOOGWELGEB. GESTRENGE HEER PICCO GALENUS BARON VAN SYTZAMA IN LEVEN HEER TOE BESLINGA. OVERLEDEN DEN 1sten DECEMBER 1739.

Verder is de zerk gesierd met de familiewapens van de zestien kwartieren van Johanna Judith, namelijk: Blanckvoort, Van Hemert, Reyger, Van Reenen, Clant, Schroyestein, Ten Indijk, Knijf, Clant, Coenders, Ten Indijk, Ter Bruggen, Doornick, De Goyer, Broeckhuysen en Ten Water.

In het Fries Museum in Leeuwarden wordt een portretschilderij van Johanna Judith bewaard, dat eigendom is van de Stichting Van Sytzama-Colenbrander.

Collectie: Stichting Van Sytzama-Colenbrander; in bruikleen bij Fries Museum, Leeuwarden.

Toen, op 23 maart… Pachter Wolbink verliest zijn oogst, of toch niet? (1733)

Op 23 maart 1733 begon een rechtszaak voor het schoutengericht van Hardenberg tussen Gerrit Hendriks Wolbink te Ane en Hendrik Berents op ’t Wilpshaar te Lutten.

Vijf jaar eerder had Wolbink van Jan Alberts op ’t Wilpshaar, inmiddels overleden, enkele veenakkers gepacht tegen betaling in natura en een dag maaien per jaar. Hij gebruikte deze grond zonder problemen zolang Jan Alberts leefde. Nadat de weduwe van Jan Alberts op ’t Wilpshaar was hertrouwd met Hendrik Berents, eigende deze zich echter de gewassen toe: in de herfst had hij niet alleen de aren, maar ook het ingezaaide zaad laten weghalen. Wolbink kon slechts een deel van zijn boekweit zelf redden en naar huis brengen. De rest hield Hendrik achter, en naar Wolbinks zeggen zou hij die zelfs hebben laten dorsen en opgebruiken, als hij het hem niet bij de rechter had laten verbieden. Omdat minnelijke verzoeken niets opleverden, spande Wolbink als arme man, die van zijn arbeid voor vrouw en kinderen moest leven, een proces aan. Hij eiste de boekweit terug of de waarde ervan, door hem op dertig gulden geschat, plus de proceskosten.

Hendrik verscheen niet op de eerste zitting in maart en werd daarom in gebreke gesteld en opnieuw gedagvaard. In april voerde hij aan dat hij ziek was geweest en vroeg hij uitstel, terwijl hij de contumaciekosten wel wilde betalen. Hij verdedigde zich met het argument dat hij het land mét de veenakkers had gehuurd en dat hij de boekweit had weggehaald in opdracht van de markenrigter, omdat Wolbink het veen zou moeten laten liggen. Wolbink wees dit tegenargument af: hij had immers het recht tot inzaai en gebruik gepacht, en de markenrigter had daar geen zeggenschap over. Volgens hem moest Hendrik persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden.

Het gerecht stelde de zaak in beraad en besloot na vier weken, in mei, tot een uitspraak. Omdat Hendrik bij die gelegenheid opnieuw niet voldeed aan de verplichtingen en niet verscheen, werd het vonnis in zijn afwezigheid uitgesproken. Hij werd veroordeeld tot het terugbetalen van de volle waarde van de oogst en tot vergoeding van de proceskosten, alles overeenkomstig het geldend Landrecht van Overijssel.

Figuratieve schets…

Een transcriptie:
Hardenbergh, den 23 meert 1733. Compareerd in desen Edele Gerigte Gerrit Wolbink in desen geassisteert met procurator Baerselman, welke hij mits desen voor sijn bediende erkent. Voordragende ongeveer voor vijf jaeren onder anderen van wijlen Jan Alberts op ’t Wilpshaar te Lutten hebbe gehuird en in pagt gehad vijf veeneackers tot uijtsaijens toe, waervoor hij tot pagt jaerlijks soude geven de derde gast, en alle jaer een dagh grasmaijen. Welke veenakker dencomparant ook gerust en sonder eenige bespieringe heeft gebruikt en besaijt, en so langh den overleden Jan Alberts geleeft heeft. Ende nu eenen Hendrik Berents, weder an de weduwe hertrouwd sijnde, sig niet tegens alle regt heeft ontsien, in den voorleden herfst niet alleen van de voornoemde veenackers de gerve maar ook het gehele saet soo daerop verbout was, behalven de gerve seven vijme en sestien gasten boekweit uitmaekende. Welke den comparant suijver daervan konde en moste trecken van het veene weg te haelen en nae sijn huijs te Lutten gebraght. Dat hij hendrik Berents sig mede niet ontsien heeft deselve boekweite tot nu toe te behouden, en sekerlijk deselve al soude hebben laten dorschen en geconsumeerd indien hij comparant sulks niet gerigtelijk an hem had laeten interdiceren en verbieden. Dat hij comparant alle minnelijke interpellatiën heeft gedaan, dat sijne verboude boekweijte en voor soo verre hem daarvan is toekomende zijnde seven vijme en sestien gasten, wederom mogte bekomen, als een arm man zijnde, en sijn kost met de handen voor sijn vrou en kinderen moet winnen, dog alles te vergeefs, waerom hij ten uittersten genootdrongen is geworden, den voornoemden Hendrik Berents op ’t Wilpshaer op huijden te doen citeren en ex dictis dicendis nobiliter supplendis omni meliori modo te concluderen. Dat de gedaegde bij decreet of sententie van desen Edelen Gerigte sal worden gecondemneert om de weggehaelde boekweite aen den comparant wederom te sullen moeten restitueren of de waerde van dien, welke bij desen tenminsten begrood word op dertig guldens, en daer benevens gedoemt in de kosten en dit een saek onder de 25 goudguldens zijnde, deselven in sittende gerigte mag worden afgedaan. Met versoek dat de gedaegde daertoe moge worden aengeëist en bij non comparatie bedingende contumacie (*) en twede citatie als nae Landregte en ’t reglement etc., sullenende wesen den eersten regtdagh na Paesschen.

Hendrik Berents op het Wilpshaer behoorlijk sijnde aengeëijst en selfs ofte niemand sijnent wegen gecompareert sijnde, so wort de versogte contumacie (*) en 2de citatie als na Lantregte geaccordeert.

* Contumacie betekent: weerspannigheid of koppige weigering van een persoon om te verschijnen voor een rechtbank na een dagvaarding, wat neerkomt op een vorm van minachting voor het gezag van de rechterlijke instelling.


Een transcriptie:
Hardenbergh, den 13 april 1733. Compareerd Gerrit Wolbink, geassisteerd met sijn bediende procureur Baerselman, hebbende tegens huiden voord e twede mael doen citeren Hendrik Berentsen op het Wilpshaer van Lutten, so staet hij comparant voor afwagten en waeren op de purge van de contumacie den 23 meert 1733 tegens hem gedecerneerd, bedragende voor de comparitie van de procureur 10 stuivers, voor verteringe betaelt 3 stuivers, voor ’t instellen van ’t reces of aensprake en deselve te munderen 1 gulden en 4 stuivers, jura judicië 12 stuivers, aeneijsinge 6 stuijvers. Tesamen 2 guldens en 15 stuijvers. Voorts tot handelinge tegens desersijds ingediende aensprake, versoekende daartoe aeneijsinge en bij non comparitie ofte faute van reële handelinge so word gecontendeerd, dat deselve contumax sal worden verklaart onder protest van kosten.

Waerop gecompareerd Hendrik Berents op het Wilpshaer te Lutten, seggende op den 23 meert laestleden siek te sijn geweest, dat daerom alhier niet heeft kunnen komen en also niet tot versmadinge van desen Edelen Gerigte sijn uitgebleven, aennemende de contumaciële kosten als na regte te sullen betalen, versoekende van ’t gehandelde tegens hem copie en tijt van vier weken, onder protest van kosten.

Ex adverso Gerrit Wolbink, geassisteert als voren, sal sig uijt toegeeflijkheidshalven laeten vergenoegen met de aenneminge der contumaciële kosten, maar protesteerd tegens het versogte uitstel van een maend terwijl dit een kleine saek onder de 25 goudguldens monterende in sittende gerigte moet worden voldongen, waertoe men aen dese sijde is concluderende en verwagt daerover decreet.

Ex adverso segt Hendrik Roelofs dat hij de boekweijte op de gesworens ofte de markenrigters last heeft weggehaelt en dat hij an den aenlegger heeft gesegt gehad dat hij het vene soude moeten laten leggen, en dat hij sijn plaetse heeft gehuirt met de daertoe horende veenen, versoekende verders nogmaels copie en vier weken uitstel.

Waertegens Gerrit Wolbink doed voordragen dat de gedaegde selfs bekent de boekweijte te hebben weghgehaeld, en sulks quasi uijt ordre van de markenrigter, welke hier in geenen dele te stade kan komen, om dat den aenlegger niet met de markenrigter maar met de gedaegde in desen te doen heeft, en uijt dien hoofde daar ook voor moet responderen. Ende aenbelangende dat hij gedaegde den aanlegger het veene soude hebben opgesegt om te laten leggen, sulks kan hiermede niet in consideratie komen ter oorsaeke den aenlegger het veene tot uijtsaijens toe heeft gepaght, en vervolgens daer geen magt toe had om hetselve te kunnen opseggen. Weshalven word gepersisteerd, so als bij desersijds conclusie is ter neder gestelt, en versoekt hierover decreet onder nogmaeligen eisch van kosten.

Decreet:
Het Edele Gerigte houd dese saeke in advijs om hierover op heden en vier weken met advijs van een regtsgepromoveerde te decreteren, so als bevonden sal worden te behoren.


Een transcriptie
Hardenbergh, den 11 meij 1733. Compareerd in desen Edele Gerighte Gerrit Wolbink geassisteerd met sijn bediende procureur Baerselman en staet op huiden ingevolge decreet van heden 4 weken en daerop gevolgde citatie wagten en waeren op de pronuntiatie van het decreet als doen in advijs gehouden, met versoek dat de gedaegde Hendrik Wilpshaer hiertoe mede moge worden aengeëijst en bij uijtblijven dat hetselve in contumaciam moge worden geopend en gepronuntieerd. Erleggende ten dien fine de advijs en sportulen mitsgaeders de gerigtsjura ter somma van 10 guldens en 10 stuivers met verdren eisch van kosten.

Hendrik Wilpshaer sijnde aengeëijst ende advijs en sportul penningen niet erleggende volgens citatie, so is het voorschreven advis in contumaciam geopent en gepronuntieert, en gemelte Hendrik Wilpshaer gecondemneert tot refusie van het volle oordeelgelt volgens Langregt p. 1, tit. 10, art. 10.


Toen, op 18 maart… Oude chirurgijn gestorven (1804)

Op 18 maart 1804 overleed Christoffel Wubben in Heemse. Zijn weduwe, Adriana Henrika Ebbinge liet vervolgens deze rouwadvertentie afdrukken in de Opregte Haarlemse courant. Daaruit maken we op dat de oud-chirurgijn stierf aan een hevige borst-pleuris.

Opregte Haarlemse Courant

Dokter Wubben werd de donderdag daaropvolgend begraven in de kerk te Heemse, op het koor tegen den bank van den huize Welgelegen, mijn oom Crull behorende, zoals zijn zoon Frederik Allard later schreef. Oom Crull was niemand minder dan Gerrit Jan Crull, echtgenoot van Hillegonda Ebbinge. Zij hadden het huis Welgelegen in 1791 gekocht. Bij het huis hoorde volgens de verkoopakte een graf en een kerkbank.


Donateurs van onze stichting.

financiële hulp


Dankzij de financiële bijdragen van onze donateurs worden we in staat gesteld de geschiedenis van de regio Hardenberg-Gramsbergen voor u vast te leggen. Dat doen we door middel van publicaties in boekvorm, maar ook op onze website.

Recent is het gelukt om nog een beperkt aantal exemplaren te bemachtigen van het door ons in 2015 vervaardigde boek ‘Hardenberg op de kaart’. Heeft u belangstelling voor een exemplaar? Mail ons dan: historischeprojecten@gmail.com

Elke nieuwe donateur ontvangt een exemplaar als welkomstgeschenk! Het boek telt 240 pagina’s en belicht de geschiedenis van stad Hardenberg in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het is ruim voorzien van prachtige prentbriefkaarten en oude foto’s en geografische kaarten. Wilt u donateur worden? Kijk dan even hier.

Dankzij jullie bijdragen kunnen wij ons mooie werk blijven doen. Met uw donatie doen we onderzoek in oude archieven, vergoeden we (deels) onze reiskosten, maar ook ‘kopen’ we daarvoor serverruimte voor onze website.