Bijzondere presentatie van uniek historisch archief in Heemse
Zondag 7 juni a.s. staat niet alleen in het teken van de officiële presentatie van onze nieuwe uitgave “Kookboek van Clara Feyoena”. Eerder die middag vindt namelijk de presentatie plaats van de inventaris op het lang verloren gewaande archief van Havezate Heemse en Huize Welgelegen.
De heer Wim Hoogeland, archivaris van de Stichting Bentinck-Schoonheten te Raalte, heeft de afgelopen jaren dit voor onze regio zeer waardevolle archief bewerkt en geïnventariseerd. De oudste stukken dateren uit de vijftiende eeuw!
In zijn inleiding schrijft de heer Hoogeland: “Vele jaren leefden onderzoekers en geschiedvorsers in de veronderstelling dat het archief van de voormalige havezate Heemse in de oorlog van 1940-1945 verloren was gegaan. In 1945 schrijft de toenmalige Rijksarchivaris in Overijssel August Haga (1888-1970), aan de op dat moment nog waarnemend burgemeester van de gemeente Hardenberg mr. Johannes Albertus Mathijs van Oorschot (1893-1959), een brief met daarin het dringende verzoek om alles in het werk te stellen om te voorkomen dat het huisarchief Heemse wordt opgeruimd en deze in zijn geheel in het gemeentehuis te bezorgen. De heer Van Oorschot verkondigde stellig dat er geen huisarchief Heemse meer bestond; het is in de oorlog verloren gegaan. Hij werd op zijn woord geloofd”.
De inventaris op dit uitgebreide archief wordt in nauwe samenwerking met onze stichting gepresenteerd in Huize Welgelegen, het kantoor van Vechtstede Notarissen aan de Scholtensdijk in Heemse. Tijdens deze bijeenkomst zal de heer Hoogeland zijn werk officieel overhandigen aan barones Sirtema van Grovestins-Hasseley Kirchner, nazaat van de vroegere eigenaren van de Havezate Heemse en Huize Welgelegen.
De presentatie vindt plaats in aanwezigheid van genodigden.
Heeft u belangstelling voor een exemplaar van de bijna 100 pagina’s tellende inventaris? Mail ons: historischeprojecten@gmail.com
Inventarisnummer 159 betreft dit charter (oorkonde) anno 1473: Akte van belening door Johannes Blanckvoort, namens zijn moeder Wendelmoet, weduwe van Arent Blanckvoort, van Johan Gynkelman met het erf en goed Helhakinck (Hellekink), belast met een jaarlijkse rente van 18 mudden rogge, gelegen in de buurtschap Rheeze, kerspel Hardenberg.
Groot ongeschonden zegel in rode was, met het wapen van Pyrrhus Wilhelmus van Sytzama, de vader van ‘onze’ Clara Feyoena.
Op 5 mei 1740 behandelde Arnoud Voltelen als Schout van het Schoutambt Hardenberg een bijzondere zaak, namelijk omtrent een gewelddadig incident. De armenjager Willem Willems Magré, die beroepsmatig een dronken vreemdeling begeleidde richting de Zwolse Hessenweg, werd vanaf de herberg De Rustenberg in Heemse door Jan Hendrik Zweers, bijgenaamd de matroos, achtervolgd en op de Bulks-kamp in Heemse neergeslagen met een tuinstok. Meerdere dorpsbewoners verklaarden onder ede dat zij het gejammer van de armenjager hadden gehoord en hem op de grond hadden gezien, terwijl de matroos met de stok op hem insloeg. Sommigen hadden het geweld van nabij waargenomen, anderen hoorden vooral het geschreeuw of zagen de dader kort daarop terugkeren met de stok nog in de hand. Allen benadrukten dat Willem niets had misdaan en slechts zijn werk deed. Het getuigenverhoor werd zorgvuldig vastgelegd in de protocollen van het Schoutambt Hardenberg.
Een armenjager was iemand, voornamelijk in de 18e eeuw, die belast was met het wegjagen van arme mensen en zwervers, om te voorkomen dat zij ten laste van de gemeenschap zouden komen.
Een transcriptie: Heemse, den 28 maij 1740. Rigter Arnold Voltelen, keurnooten Gerrit Egbertsen en Derk Geertsen. Verhoort de getuigen Derk Creijnost, Albert Albertsen en Hendrik Egbertsen en dannogh Heemse, den 30 maij 1740 verhoort de getuige Fenna Jansen.
Interrogatoria om daar op uit naeme van de hoogwelgeboren gestrenge heere land-drost van Sallant onder eede na Landregte getuigenisse der waarheid af te vraegen: Derk Creijnost, Albert Albertsen en Hendrik Egbertsen.
Hoe oud is getuige? Getuige Derk Creijnost segt op den 1e artikel tusschen de 50 en 60 jaer out te wesen. Getuige Albert Albertsen segt in sijn 40ste jaar out te wesen. Getuige Hendrik Egbertsen segt in sijn 49 jaer out te wesen. Getuige Fenna Jansen segt in haar 51ste jaar out te wesen.
Heeft getuige gesien, dat op donderdag den 5den maij laastleden, Jan Hendrik Matroos of Seers gevolgt heeft de armejager Willem tot Reese wonende, van de herberg de Rustenberg tot op Gerrit Bulks-kamp en deselve aldaar deerlijk heeft geslagen van agteren met een tuinstake, dat aenstonds ter aarden is gevallen, wanneer aen gemelde armejager nogh verscheidene slagen gegeven heeft, sonder dat gemelte armejager hem ijets misdede of wedersloeg, maar besig was een dronken vreemdeling na de Zwolse Hesseweg te geleiden? Getuige Derk Creijnost segt op den 2e artikel wel gesien te hebben dat de armejager ter aarden lagh en jammerde en riep ‘O heere god’, maar niet heeft gesien dat Jan Hendrik Matroos hem heeft geslagen, en als de arme jager na sijn getuige huis vlugtede en gemelte Jan Hendrik Matroos of Sweers hem daar dreijgde te willen volgen om de armejager daar weer te slaan, hij getuige seijde sulks aldaar niet te sullen toestaan, en is sulks ook doen naegebleven. Getuige Albert Albertsen segt op den 2e artikel gesien te hebben dat Jan Hendrik Matroos of Sweers de armejager van aghteren op Gerrit Bulks-kamp is gevolght, en heeft niet gesien hij deselve van agteren heeft geslagen, maar wel dat de armejager ter aarden lagh en kreet, en dat hij hem doen nogh eenige slagen heeft gegeven, sijnde de armejager besig geweest een vreemt dronken man na de Swolse hessewegh te geleijden. Getuige Hendrik Egbertsen segt op den 2e artikel niet gesien te hebben dat Jan Hendrik Matroos de armejager sloeg, als sijnde in de domine Stolte Hof, maar wel aldaar het gekrijt en de slage gehoort te hebben, en dat hem de dominee daarna toe had gesonden om eens daarna te sien, dat hem doen Jan Hendrik matroos of Sweers was tegen gekomen, weer te rugge van de camp gaande, met een stok op sijn schouder. Getuige Fenna Jansen segt op den 2e atikel gesien te hebben dat Jan Hendrik matroos of Sweers op de gevraegde camp heeft vervolgt en geslagen de armejager Willem, sonder dat sij gesien heeft de armejager hun iets misdede, welke armejager aldaar een vreemt man wegbragt, en dat sij getuige gesien heeft Jan Hendrik matroos of Sweers weer omkomende met een stok of tuinstake waarmede hij het slaan gedaan had.
Wie hier omtrent praesent zijn geweest, en apparentelijk daarvan getuigen sullen kunnen? Getuige Derk Creijnost segt op den 3e artikel geene te weten. Getuige Albert Albertsen segt op den 3e artikel Fenna Jansen, hetselve wel gesien heeft, en weet anders geen. Getuige Hendrik Egbertsen segt op den 3e artikel die niet te weten. Getuige Fenna Jansen segt op den 3e artikel geen andere te weten als die reets getuigt hebben.
Nae voor afgegaene citatien hiertoe hebben de getuigen voornoemt na duidelijke voorlesinge en afvraginge onder solemnelen eede als na Lantregte op ijeder articul verklaart als daarbij staat gemelt, na dat alvoren van de straffe des maineeds wel waeren gewaarschouwt, voor mij Scholtus en keurnoten hiervoren genoemt. Hebbe dese also geteikt en gesegelt op dato als bovengemelt. Arnold Voltelen, Scholtus.
In het vroeg-achttiende-eeuws Gramsbergen speelde zich onderstaand geschil af tussen dienstbode Harmtje Willems en haar werkgever Derck Statius Schutstal (1693-1748).
Harmtje was een jonge dienstmeid die bijna een jaar trouw had gediend in het huishouden van Schutstal. Zij stond vroeg op, deed het werk dat van haar verwacht werd en meende daarmee haar plicht vervuld te hebben. Maar nog voor de maand mei aanbrak, en dus enkele weken voordat haar jaarcontract zou aflopen, kwam er onverwacht een einde aan haar dienst. Schutstal beschuldigde haar ervan in de kelder op eigen houtje wat foesel of genever (jenever) te hebben genomen, en zette haar de deur uit. Voor Harmtje voelde dit als een diep onrecht: niet alleen omdat de aantijging volgens haar onwaar was, maar vooral omdat zij na een jaar arbeid met lege handen dreigde te blijven staan.
Zij zocht eerst langs vreedzame weg naar een oplossing. Zij vroeg beleefd om haar loon, maar ving bot. Zij wendde zich tot de rechter, maar ook daar vond ze geen gehoor. Uiteindelijk greep ze naar het zware middel van beslaglegging: zij liet goederen van haar voormalige meester in beslag nemen, in de hoop zo haar verdiende geld en kledingstukken veilig te stellen. Schutstal reageerde furieus en probeerde het beslag ongeldig te laten verklaren. Daarmee lag de kwestie openlijk op tafel van richter Arnold Voltelen.
Figuratieve schets
Voor de rechter voerde Harmtje aan dat zij zonder recht en reden was weggejaagd, ja zelfs beledigd en met geweld bedreigd. Zij zei dat Schutstal haar een todde [een ontuchtige vrouw of snol] had genoemd en geprobeerd had haar met voeten onder haer gat te schoppen en te verjagen. Haar vertrek was dus geen vrije keuze geweest, maar een vernederende uitdrijving. Zij was bereid dit onder ede te bevestigen en hield vol dat haar loon en kleren – samen meer dan eenentwintig gulden waard – haar toekwamen.
Schutstal schilderde daarentegen een heel ander beeld. Volgens hem had Harmtje hem juist in de steek gelaten, zonder motief en zonder bericht. Daardoor was hij plots zonder dienstmeid komen te zitten. Hij beriep zich op het Landrecht van Overijssel, waarin stond dat een dienstbode die eigenmachtig de dienst verliet, geen aanspraak kon maken op loon. Niet híj, maar zij had de overeenkomst geschonden, zo betoogde hij, en dus hoefde hij niets te betalen.
Het hof luisterde naar beide partijen, maar het was moeilijk te onderscheiden waar de waarheid lag. Aan de ene kant stond een dienstmeid die zei verjaagd te zijn; aan de andere kant een heer die beweerde verlaten te zijn. Beiden spraken met grote overtuiging, maar tastbaar bewijs bleef uit. De rechters besloten de zaak niet onmiddellijk te beslechten, maar vier weken in beraad te houden.
En zo hing het lot van Harmtje’s loon, en wellicht ook haar eer, in de weegschaal van de rechtbank. Voor de een was het slechts een conflict over enkele guldens en wat kledingstukken, voor de ander de erkenning van een heel jaar arbeid en de vraag of men een dienstmeid zomaar zonder loon en met een trap de deur kon wijzen.
Precies vier weken later vond het proces tussen de dienstmeid Harmtje Willems en haar voormalige meester Statius Schutstal zijn vervolg. Na weken van beraad kwam de rechtbank opnieuw bijeen om zich uit te spreken. Harmtje, vergezeld door haar vader en haar procureur, had inmiddels de vereiste proceskosten betaald en drong erop aan dat ook Schutstal zijn deel zou voldoen. Zij hoopte dat, mocht hij wegblijven, het vonnis bij verstek in haar voordeel zou uitvallen.
Aan de zijde van Schutstal verscheen weliswaar zijn procureur Velthuis, maar de rechtbank liet hem niet toe zolang hij geen juiste volmacht kon overleggen. Zonder die bevoegdheid kon hij zijn cliënt niet vertegenwoordigen. Daarom werd Schutstal opnieuw gedagvaard. Omdat hij uitbleef, werd hij bij verstek veroordeeld en leek de zaak geheel in het voordeel van Harmtje te worden beslist.
Toch kreeg Schutstal nog één kans. Het gerecht bepaalde dat de kern van het geschil – de vraag of Harmtje vrijwillig was vertrokken of gedwongen werd – slechts kon worden beslecht door een eed. Indien Schutstal onder plechtige belofte tegenover God zou verklaren dat hij zijn dienstmeid niet had weggejaagd, maar dat zij uit eigen beweging het huis had verlaten, dan zou zijn verweer standhouden en de vordering van Harmtje worden afgewezen. Richter Arnold Voltelen merkte immers aan dat Harmtje haar beschuldiging niet overtuigend had bewezen, terwijl Schutstal de beschuldiging ontkende.
Op 5 juli verscheen Harmtjes voormalige werkgever Schutstal eindelijk zelf in de rechtszaal, opnieuw bijgestaan door zijn procureur. Harmtje en haar raadslieden waren eveneens aanwezig, en er werd scherp gelet op de naleving van de eerdere uitspraak. Na een discussie over de precieze proceskosten en vergoedingen – in totaal zes gulden en tien stuivers – werd dit bedrag door Schutstal betaald. Vervolgens legde hij, zoals het decreet vereiste, de plechtige eed af: dat hij zijn dienstmeid niet uit de woning of de dienst had gezet, maar dat zij vrijwillig en zonder reden was vertrokken.
Met die eed was de zaak in rechte beslist. Harmtje, die haar jaar loon en kledingstukken opeiste, moest zich neerleggen bij de uitspraak. Voor het gerecht gold voortaan dat niet zij was verjaagd, maar dat zij zelf de dienst verlaten had. Zo eindigde haar strijd met Schutstal, niet met de erkenning van haar arbeid en aanspraken, maar met de bevestiging van de macht van de eed – een laatste woord dat in de rechtspraktijk van die tijd zwaarder woog dan het ontbreken van bewijs.
Een transcriptie: Compareerd in desen Edelen Gerigte Harmpje Willems, geassisteert met haer vader en toegelaeten momber Willem Hendriks, voort met haer bediende procureur Marcelis Baerselman, met alle mogelijke kortheid voordragende hoe dat sij comparante omtrent een jaar bij den pandweerder heeft gewoond voor dienstmeijd, denselven eerlijck en trouw (gelijck een dienstbode verpligt) gediend; dat hij Statius Schutstal vijf weken voor meij, als wanneer het jaer geëxpireerd was, heft kunnen goetvinden tegens alle redelijckheid en billickheid haer pandeisscherse uijt haer huir te doen gaen en sulks onder een frivool praetext als of sij in de kelder buiten ordre ter quader trouwe eenige weinige foesel of genever soude hebben getapt, dat men aen dese sijde ter goeder trouwe is ontkennende; en ofschoons sij al iets had getapt om tot haer gesontheid te gebruicken, sulks geen redenen soude sijn een dienstmeid, sonder lhoon te betalen, uijt de huire te laeten gaen, en haer op alderhande wijse soeken te beschuldigen, om was het mogelijck haer suir verdiend lhoon daardoor te onthouden. En om hetselve te bekomen heeft sij tevergeefs alle minnelijcke en gerigtelijcke interpellatiën aangewend waerom sij vervolgens genootsaekt is geworden, de middelen regtens bij der hand te nemen, en haer gewesen heerschap daarvoor met pandinge aen te spreken, die sigh seer wederregtelijck heeft laten gelucken daer tegens te doen pandkeringe, waerom men denselven tegens huijden heeft doen citeren en ex dictis diendis nobilitecque supplendis concludento te contenderen.
Dat bij decreet of sententie van desen edelen gerigte sal worden verstaen een goede pandinge te zijn gedaen en daertegens een quade pantkeringe ondernomen, en dat den pandweerder vervolgens sal worden gecondemneert aen de pandeijsscherse te moeten betaelen sodanig lhoon als aen dese sijde bij pandinge is gevorderd geworden, te weten in gelde: – tien daelders of 15 gulden – twee hemden of 2 gulden – twee schorteldoeken of 1 gulden en 15 stuivers – een elle breetdoek of 10 cents – een paer schonen of 1 gulden en 8 stuivers – een paer muijlen of 1 gulden tesamen 21 guldens en 13 stuivers En dan beneffens gecondemneert in de kosten deser proceduire, voorts dat dese saeke als onder de 25 goudguldens sijnde, ingevolge Landregte en nieuwe reglement in sittende gerigte sal worden afgedaen.
Ex adverso is hierop erschenen Statius Schutstal, geadsisteert met procureur Jan Velthuis, met bevreemdinge te hebben gesien de ongefondeerde stellinge van de pandeisscherse of die van haere raede, waervan bij vorenstaende reces mentie word gemaekt, dat de panteisscherse niets ter wereld bewijst ook niet concluderende vervattende haere positien, onder eede te starken, weshalven de pantverweerder regtmatig bevoegt was om onder een blote ontkenninge te contenderen, tot cost en schadeloose absolutie, maar egter, om van dese fexsaturire pandprocedure fondamenteel ontslagen te sijn, neemt de comparant bij desen op en aan, voor een gerigtelijcke bekentenisse, namentlijk dese woorden bij vorenstaende reces ter neder gestelt, n.b. dat zij vijf weken voor meij uit de huire en dus buiten dienst van de comparant is weggegaen, maar weet haar wel te wagten, van te seggen dat de comparant haer heeft lieten weggaen. Gelijck ook waer en waeragtig niet is geschiet, maar dat sijs onder eenige reden ofte motiven is uit haere huire ende dienvolgens uit den dienst van de comparant is weggegaen en de comparant also verlegen gemaekt en buiten meid gelaten. Waerom de comprant ingevolge ons wwelgereguleerde Landregte p. 2, tit. 9, art. 20, welk duidelijk dicterende n.b. Zoo ook een dienstbode sonder oorsaeke uit den dienst ging, zoo is de heerschap of vrouwe wederom niet schuldig eenig loon te betalen van ’t geene hij in dat lopende jaer bereets mogt hebben verdiend etc. Ende vermits panteisserse zonder oorsaeke uit haeren dienst buiten tijt is weggegaen, zoo concludeerd de pantweerder dat van proceduire hem zo timeraer en wederregtelijk angedaen, in sittende gerigte kost en schadeloos moge werden geabsolveert, waertoe omni meliori modo is contenderende.
Ex adverso Harmtje Willems geassisteert als voren, en diend kortelijk op het antwoort van den pandweerder, dat hij komt te poseren en ter neder te stellen alsof de pandeisscherse uit haer eigen motive uit de huir soude sijn gegaen, daer hij immers in ’t minste niet van bewijst en daerom in judicando de minste reflectie mariteerd, soo verklaert sij comparante niet alleen (soo sulks gerequireerd wordt) met solemnelen eede te sterken dat den panweerder haar uijt haere huire heeft laten gaen, maar haer daer benevens nog voor een todde gescholden, en haer gepoogt met voeten onder haer gat te schoppen, dat sij is ontweken. Vervolgens men nu seer gaerne aen ’t oordeel van alle onpartijdigen overlaet of sij comparante niet genotsaekt is geweest haer te retireren en also haer huir moeten verlaten. Weshalven men alnogh persisteerd als bij desersijds recessus loco justificatie van pandinge is gedaen. Verwagtende hierover decreet onder dierbaer portest van kosten.
Hiertegens wederom erschenen Statius Schutstal, geadsisteert als voren, moetende zig al meerder verwonderen dat de panteijsscherse, ende dus aenleggerse, tegens alle regten wilde opleggen te bewijsen an de verwerende partije dat zij aanleggerse buiten oorsaeke uit haar dienst was weggegaen; dat is de comparant onmogelijck ende daerom niet min belaggelijck; als zijnde verwerende partie, nu zoude een verweerder bewijsen ofte contrabewijsen dat een ongefondeerden anlegger komt te poseren; dog de comparant agt niet meer de pijne waerdig zulke wederregtelijcke ende niet min dwase stellingen vorder te beantwoorden,, maar segt ter goeder trouwen dat zij pandeijsserse zonder de minste reden ofte oorsaeke haer huir en dienst heeft verlaten, concluderende deshalven als voren is gedaen ofte omni miliori modo hadde behoren te geschieden.
Het edele gerigte hout dese saeke vier weken in advijs om als dan alhier daer over te worden gedecreteert.
Vervolg, d.d. 28 juni 1728: Erschenen in desen Edelen Gerigte Harmpje Willems, geassisteert met haer vaeder Willem Hendriks als in desen haer toegelaeten momboir, en wijders met haer bediende procurator Baerselman, staende op huijden in termino wagten en waeren op de pronuntiatie soo desen Edelen Gerigte heden een maand in advijs heeft gehouden. Erleggende ten dien fine de volle advijs en sportul penningen ter somma van vijf guldens en acht stuivers, met versoek dat den pandweerder Statius Schutstal hiertoe mede moge worden aengeëijst en bij uitblijven van hem selfs ofte een genoegsaeme volmagtiger soo word gecontendeert dat dese saeke in contumaciam sal werden gepronuntieerd als na Landreght, onder verder protest van kosten.
Ex adverso compareert procureur Velthuis als bekende bediende van Statius Schutstal, staet eensgelijcks wagten en waeren op de pronuntiatie van decreet, nae dat mede de volle sportulen en advijs penningen ter somma van 5 guldens en 8 stuivers heeft erlegt etc.
Waertegens gecompareerd Harmpje Willems, geassisteert als voren, kunnende procurator Velthuis in desen niet admitteren voor en alleer sijn behoorlijcke qualificatie sal hebben vertoond en hier in judicio overgegeven, gelijck na ons wel gereguleerde Landreght en naeder reglement de anno 1719 verpligt zij, en bij sulken ontstentenisse soo persisteerd comparante bij haar vorige dat dese procedure in contumacien ten profijte van voorschreven Landreghte en reglement sal worden gepronuntieerd.
Sulks stellende pr. Velthuis qqua seght dat heden voor 4 weken met Statius Schutstal in desen Edele Gerigte is erschenen als wanneer dese saeke zijnde voldongen dat gemelte Schutstal hem comparant qqa. voor sijn bediende heeft aengenomen teste judicie, derhalven versoekende daervoor bij decreet erkent te werden onder protestatie van allen hinder en schaden etc.
Decreet: Vermits procureur J. Velthuis niet of geene qualificatie van St. Schutstal komt te vertonen, nog deselve bij het gerecesseerde van heden 4 weken voor desselfs bediende in ’t vervolg mede niet heeft verklaert, soo heeft hij daerom also niet kunnen worden geadmitteerd; weshalven de voornoemde S. Schutstal sal moeten worden aengeeijscht en niet compacerende sal dese voorschreven saeke ofte het decreet in contumaciam ten profijte als nae Lanregte worden gepronuntieerd.
Statius Schutstal hierop 1, 2, 3 a 4de mel over regt sijnde aengeëijst en niet comparerende ofte ijemant van hem behoorlijk gevolmagtigt, so is dezelve gecontumaceert, en vervolgens het decreet gepronuntieert, luidende als volgt.
Hardenberg, den 28 junij 1728. Righter Arnold Voltelen. Decreet: Het Edele Gerighte met ingetrocken advijs van de ondergetekende regtsgepromoveerde, hebbende geëxamineert parthijen wederzijtse vorenstaende gerecesseerde, en daer wel principalijck uit aengemerkt, dat de pandeijsscherse als aenleggerse haer geposeerde, dat de pandweerder haer buiten tijts en sonder reden heeft gedwongen te vertrecken, niet komt te proberen, en daertegens sulks bij deselve wort ontkent, en consenteert dat sij pandeijsscherse buiten tijt vertrocken is, sooheeft haer eijsch en conclusie in desen niet ontfanckelijck verklaert kunnen worden, in val de pandweerder sijn ontkentenisse met eede komt te sterken. Om welke dan ook bij desen verstaen word te sijn gedaen een kwade pandinge en daertegens een goede pandkeringe ondernomen, mits de pandweerder met solemnelen eede sal hebben te verklaren, de pandeijsscherse niet heeft doen verhuijsen of vertrekken, maar deselve vrijwillig en van selfs vertrocken is; condemnerende de pandeijscherse in de gerigts jura en advijsgelt, aldus bij mij ondergeschreven geadviseert binnen Zwol, den 20 junij 1728. Henr. Van Rijssen.
En vermits de pantweerder St. Schutstal alhier niet tegenswoordig is, en also den eed niet kan komen af te leggen ingevolge voorschreven gepronuntieerde decreet, so sal deselve daertoe worden gecieerd om deselve af te leggen tegens heden over 8 dagen.
Hardenberg, 5 julij 1728. Compareerde in desen Edelen Gerigte Statius Schutstal, geadsisteert met sijn bediende procureur J. Velthuis, seggende tegens heden geciteert te sijn uijt name en van wegen Harmpje Willems, staende dienvolgens wagten en waren op de comparitie van de citante en vervolgens om te zien haer eijsch en aensprake bij manquement van zulx offte non comparitie contenderende nae gedaene aeneijsinge tot kost en schadelose absolutie etc.
Waertegens gecompareert Harmpje Willems, geassisteerd met haer vaeder als haer toegelaetene momboir, voorts met haer bediende procurator Baerselman, staende op hijden in termino waghten en waeren dat Statius Schutstal ingevolge op erlegte sententie heden 8 daegen gepronuntieerd stiptelijk sal hebben te voldoen en met solemnelen ede tot God Almagtigh verklaeren dat hij sijn gewesener dienstmeid de comparante in desen niet heeft doen uijt haere huijre gaen, maar dat sij uijt haer eigen motive en sonder redenen is wegh gegaen, alles in conformite van de voorschreven sententie. Voorts staet hij mede waghten en waeren op het erleggen van de advijs penningen en Gerigts jura, soo heden 8 daegen sijn erlegt en wegens de contumacie heeft in den Gerigte gelaeten, mits gaeders het salaris van procurator Baerselmen en desselfs principalinne hun wegens voorscheven geobtineerde contumacie erhouden. Alles onder verder protest van kosten.
Statius Schutstal versoekt van het een en ander specificque begrotinge bij nalatigheid protesterende tegens alle kosten etc. Ex adverso procureur Baerselman q.q. diend dat de kosten begroot worden als eerstelijck soo de comparante heeft erlegt met de aeneisinge ad 5 guldens en 14 stuivers, pro comparitione 10 stuivers en voor verteringe 6 stuivers. Totaal 6 guldens en 10 stuivers.
Waarmede het versoek van de pandweerder voldaen sijnde, so sal men na eerlegging van deselve, en in cas van tegenspraeke tot gerigtelijcke taxatie afwacten om den gerequireerden eed te sien praesteren en afleggen, onder profijt van kosten. Nadat bovenstaende penningen ad 6 guldens en 10 stuivers waeren erlegt, so heeft Statius Schutstal den eedt ingevolge gepronuntieerde decreet gepraesteert en afgelegt.