Oude foto van het erve Hesselink, daterend van vóór 1891.
Op 12 december 1820 hield notaris Antoni van Riemsdijk een boedelinventarisatie op den Huize Heemse, no. 56, te Heemse, op verzoek van de hoogwelgeboren heer jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, weduwnaar en boedelhouder van wijlen de hoogwelgeboren vrouwe Maria Clara gravinne van Rechteren, lid van de Ridderschap dezer provincie en breedgeërfde, domiciliërende op den Huize Heemse, zo voor zichzelven uit hoofde der gemeenschap van goederen tusschen zijn hoogwelgeborene en deszelfs wijlen ehevrouwe bestaan hebbende en als derzelver mede-erfgenaam voor een-vierde gedeelte haarer nalatenschap en als vruchtgebruiker van een ander vierde gedeelte derzelve, krachtens haar testamentaire dispositie op den 2 februari 1813 gepasseerd, als in naam en kwaliteit van vader en wettigen voogd van Willem Jan Petrus van Foreest, student in de rechten aan de Hooge School te Utrecht, oud 20 jaaren, Nannette van Foreest, oud 15 jaaren, Christina Louisa van Foreest, oud 13 jaaren, Theodora Sophia van Foreest (oud 9 jaaren) en Christina Ebella Cornelia van Foreest (oud 7 jaaren), deszelfs minderjarige kinderen. Tot de vele onroerende goederen behoorde het erve ’t Hesselink, te Heemse gelegen, ten oosten van en aan Spaanschkamp gelegen en bestaande in deszelfs behuizinge, schuur en schapenschot, numero 47. Het erf werd op dat moment bemeijerd (gepacht) door Geertjen Jansen, de weduwe van Hendrik Hesselink (aktenr. 240).
’t Hesselink, gefotografeerd door ds. E.J. Loor, 6 november 1962.
Op de oudste kadastrale kaart (1832) komt het Hesselink in Heemse voor onder sectie B-709 op legger 101 t.n.v. jonkheer Jacob van Foreest van Heemse.
Fragment van de oudste kadastrale minuutkaart, anno 1832.
In 1840 werd ’t Hesselink geveild door notaris Swam te Gramsbergen. Hij deed dat in opdracht van Gerrit Jan Schrotenboer uit Heemserveen die dat als gevolmachtigde deed van Karel Frederik Christiaan Buchner (medicinae doctor te Kampen, echtgenoot van jonkvrouwe Christina Ebella Cornelia van Foreest van Heemse) en van jonkvrouwe Christina Louisa van Foreest van Heemse (echtgenote van Francois Henri Corneille baron van Heeckeren van Brandsenburg), renteniers, wonende op ’t buitengoed Nieuweroord te Utrecht. De veiling vond plaats in de herberg van Jan Odink Derkszoon op de Brink in Heemse.
Het Hesselink was voor de helft eigendom geworden van Buchner bij akte van scheiding en deling, verleden voor notaris Jan Meijlink te Kampen, d.d. 18 februari 1840. Jonkvrouwe van Foreest van Heemse was eigenaresse van de andere helft geworden bij akte van liquidatie, scheiding en verdeling van de nalatenschap van haar moeder Maria Clara gravin van Rechteren, echtgenote van jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, d.d. 1, 7, 10 en 13 september 1834 in onderhandse vorm gepasseerd.
Bron: HCO, archief notaris W. Swam te Gramsbergen, inv.nr. 1550, aktenr. 902).
Het Hesselink verbleef bij deze veiling aan de hoogste bieder, landbouwer Gerrit Warnderink te Heemse, voor f. 1575,-
Boerderij op ’t Hesselink. De man met de hoed is Herman Heinrich Weitkamp (1869-1948).
Het Hesselink, gefotografeerd door ds. E.J. Loor, op 13 januari 1968.
Boerderij Hesselink (fotograaf ds. E.J. Loor te Heemse).
Aan de Afterkampweg 1 te Heemserveen staat een gemoderniseerde woonboerderij. Dit woonerf kent een lange geschiedenis. Deze boerderij droeg vanouds de naam ‘t Aeftinck. De eerste keer dat we dit erve in oude documenten tegenkomen is in 1395. De naam was toen wel iets anders, namelijk Avekong, maar het is hetzelfde erve. Dit boerenerve werd in 1427 Avekijng genoemd en vervolgens heet het in de zestiende eeuw Aeftink. De grond bij de boerderij werd al snel de Aeftinkkamp genoemd. Een ‘kamp’ was een stuk droog (en dus hoger) land dat bij een of meer boerderijen hoorde. De naam Aeftinkkamp vinden we, zij het verbasterd, nog terug in de straatnaam ‘Afterkampweg’. Deze weg zelf is al eeuwen oud.
Het erve Aeftink is lange tijd eigendom geweest van de adellijke heren van Gramsbergen. Die woonden in het kasteel dat daar stond. De boeren die op het Aeftink woonden pachtten de boerderij van deze heren. Bijna alle Heemser erven behoorden toe aan adel of aan een klooster. Uit 1520 rest ons een lijst met daarop de twaalf middeleeuwse Heemser erven en hun bezitters:
Kromhof behoorde toe aan het klooster te Sibculo
Hulsebosch aan klooster ‘de Heilige Geest’ te Zwolle
Volkerink aan het klooster Sibculo
Aernink aan Johan Blanckvoort, heer van Heemse en Collendoorn
Veldsink aan het klooster Sibculo
Oostendorp aan hemzelf
Warmink aan de kinderen van Oostendorp
Oostmannink aan Herman van der Lippe
Aeftink aan de heer van Gramsbergen
Reinink aan Johan van Ittersum
Hesselink aan heer Sweer Alanssen te Zwolle
Bolks aan de schout van Hardenberg
Van deze twaalf erven zijn er nog maar drie concreet aan te wijzen, te weten: het Aernink (later het Luggers genoemd) aan de Frits de Zwerverlaan 2, het Hesselink aan de Rheezerweg 2 en het Aeftink dus. De boerderij ’t Aeftink lag op de grens van het dorp Heemse met het Heemser veld. De indeling van het landschap in het Vechtdal was aldus: rivier – zandhoogte – veld – moeras/veengebied. Het in cultuur brengen van het Vechtdal gebeurde ook in deze volgorde. Op de zandhoogten werden essen gevormd met bewoning, daarna werd het achterliggende veld in cultuur gebracht en tenslotte werd het veen grootschalig ontgonnen. Het ontginnen van het Heemser veen gebeurde in de negentiende eeuw. De grens tussen het Heemser veld en het Heemser veen liep ongeveer daar waar nu de Rheezerveenseweg loopt. Echter, juist op die grens ontstond iets van een woonkern die de naam Heemserveen kreeg, zodat langzamerhand zowel het Heemser veld als het Heemser veen, gezamenlijk aangeduid werden met ‘het Heemserveen’.
De binding tussen het Aeftink en het dorp Heemse werd door deze ontwikkelingen steeds minder. De laatste twee eeuwen werd de boerderij steeds vaker tot Heemserveen gerekend. En na de aanleg van de weg N34 (halverwege de twintigste eeuw), werd de afscheiding van Heemse definitief. Voortaan was alles ten westen van de N34 Heemserveen. Zo kan het gebeuren dat een van de oudste erven van het dorp Heemse, gelegen nabij het Heemser veld, nu tot Heemserveen gerekend wordt…
Via verkoop of vererving komt de boerderij van het Aeftink begin negentiende eeuw in eigendom van jonkheer Jacob van Foreest, de heer van Heemse en Collendoorn. Hij bezat bijna alle gronden in Heemse en Collendoorn. In deze tijd wordt de boerderij ook wel het Kampmans genoemd. Deze naam is waarschijnlijk weer een afgeleide van de Aeftinkkamp. De boerderij werd door de jonkheer verpacht.
Op 12 december 1820 hield notaris Antoni van Riemsdijk een boedelinventarisatie op den Huize Heemse, no. 56, te Heemse, op verzoek van de hoogwelgeboren heer jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, weduwnaar en boedelhouder van wijlen de hoogwelgeboren vrouwe Maria Clara gravinne van Rechteren, lid van de Ridderschap dezer provincie en breedgeërfde, domiciliërende op den Huize Heemse, zo voor zichzelven uit hoofde der gemeenschap van goederen tusschen zijn hoogwelgeborene en deszelfs wijlen ehevrouwe bestaan hebbende en als derzelver mede-erfgenaam voor een-vierde gedeelte haarer nalatenschap en als vruchtgebruiker van een ander vierde gedeelte derzelve, krachtens haar testamentaire dispositie op den 2 februari 1813 gepasseerd, als in naam en kwaliteit van vader en wettigen voogd van Willem Jan Petrus van Foreest, student in de rechten aan de Hooge School te Utrecht, oud 20 jaaren, Nannette van Foreest, oud 15 jaaren, Christina Louisa van Foreest, oud 13 jaaren, Theodora Sophia van Foreest (oud 9 jaaren) en Christina Ebella Cornelia van Foreest (oud 7 jaaren), deszelfs minderjarige kinderen. Tot de vele onroerende goederen behoorde de katerstede het Kampmans, liggende te Heemse, ten noordwesten van dit dorp aan gemeene veld gelegen en bestaande uit deszelfs behuizinge numero 35. De katerstede werd toen gepacht door Jan Hendrik Pullen en echtgenote Hillegien Hakkers (aktenr. 240, scan 16).
In 1822 was Pullen nog pachter. Dit weten we doordat in dat jaar bij deze Jan Hendrik 17 stuks vuile mans-, vrouwen- en kinderhemden gestolen zijn en hij daar aangifte van gedaan heeft. Die aangifte is bewaard gebleven in het gemeentearchief.
In 1832 wordt het kadaster ingesteld en wordt de eerste kadastrale atlaskaart van Hardenberg en omgeving gemaakt. Hierop zien we het erve Aeftink c.q. Kampmans goed liggen en ook de naam Kampmans staat erbij geschreven. Na Jacob van Foreest werd ene Klaas Olthuis, een veenbaas, de nieuwe eigenaar van de boerderij. Hij verpachtte de boerderij een tijdlang aan ene Jan Valkman. In 1869 wordt Hendrik Welleweerd, landbouwer te Wielen, eigenaar van het Kampmans. Of hij er ook gewoond heeft, is niet bekend. De boerderij kreeg in 1869 overigens het huisnummer A-96.
In 1898 werd de boerderij verbouwd en in 1902 werd hij verkocht aan een van de erfgenamen van Hendrik Welleweerd. In maart 1921 werd de boerderij opnieuw verkocht onder auspiciën van notaris Zwamborn te Heemse door het echtpaar Schuldink-Welleweerd. Het Salland’s Volksblad meldde op 1 april dat de boerenplaats bij Nijenstede was verkocht aan de fam. G.J. Schuurhuis uit Holtheme. Zij stichtten daar een nieuw boerenbedrijf, waarbij het ‘woonperceel’ werd onderverdeeld in huis, schuur en erf. In 1927 vond er volgens de kadastrale boeken herbouw plaats. In 1946 werd er grond van en rond de boerderij in de ruilverkaveling gebracht. De zoon van Gerrit Jan Schuurhuis, Roelof, heeft de boerderij voortgezet. In 1955 werd de bestaande schuur vervangen door een nieuwe grote houten kapschuur.
In 1964 werd het woongedeelte van de boerderij grotendeels vervangen door nieuwbouw. De deel en de ruimte van de stallen bleven vrijwel onaangetast. De laatste decennia herbergde de boerderij geen boerenbedrijf meer. De fam. E. Schuurhuis woonde er. De familie Schuurhuis heeft de boerderij ruim tachtig jaren bewoond. Rond 2005 verkochten zij het aan de fam. Tettero.
Met dank aan dhr. A.C.A. Pullen voor zijn redactionele bijdrage voor dit artikel.
Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.
Kadastrale geschiedenis Legger 101/261: Sectie B-563. Huis en erf. Eigendom van jkhr. Jacob van Foreest van Heemse. In 1843 verkoop. Over op: Legger 270/13: Eigendom van veenbaas Klaas Olthuis en echtgenote Wichertje van Enk. Zij waren op 7 mei 1835 getrouwd in Gramsbergen. In 1855 vernieuwing artikelen. Over op: Legger 1311/3: Eigendom van Wichertje Olthuis-van Enk en vervolgens van Jan Valkman en verdere erfgenamen van het echtpaar Olthuis. In 1868 verkoop. Over op: Legger 2822/1: Eigendom van Hendrik Welleweerd en Fennigjen Bouwhuis (zie hulpregister no. 4 hypotheken, deel 213, nr. 96). Zij waren op 15 mei 1869 getrouwd in Heemse. Huisnr. A-96.
Fragment van kadastrale minuutkaart, anno 1880.
In 1898 verbouwd. Over op: Legger 2822/29: Huis, schuur en erf. In 1921 verkoop door dochter Jennigje Welleweerd en Gerrit Willem Schuldink. Over op: Legger 8553/3: Eigendom van Gerrit Jan Schuurhuis en echtgenote Geertruida van den Berg (zie register van overschrijving hypotheken, deel 665, nr. 19). Zij waren op 8 december 1905 getrouwd in Gramsbergen. In 1922 stichting. Over op: Legger 8553/21: Huis, schuren en erf. In 1927 herbouw. Over op: Legger 8553/22: In 1946 opgegaan in de ruilverkaveling. Over op:
Kadastrale veldwerkkaart na ruilverkaveling, anno 1946.
Legger 8553/26: Nieuwe sectie O-95. Boerderij, bouw- en weiland. In 1947 stichting zomerhuisje op deel van ’t perceel. Over op:
Fragment van kadastrale veldwerkkaart, anno 1948.
Legger 8553/29: Twee huizen, erf, bouw- en weiland. Sectie O-751. In 1956 boedelscheiding. Over op: Legger 12813/3: Eigendom van Roelof Schuurhuis en echtgenote Egberdina Jantina Schuurman. In 1956 stichting. Over op: Legger 12813/4: Huis, schuren, erf, bouw- en weiland. In 1965 splitsing c.s. Over op: Legger 12813/5: In 1966 verkoop gedeelte van perceel. Over op:
Kadastrale hulpkaart, anno 1966.
Legger 12813/6: Nieuwe sectie O-978. In 1982 vereniging van percelen. Over op: Legger 12813/8: Nieuwe sectie O-2326 aan de Afterkampweg 1.
Prentbriefkaart naar een foto van C. Sanders Szn. te Coevorden. Aan de overzijde van de viersprong ’t erve Hesselink (met dank aan J. Woertel-van der Veen, Radewijk).
Schout J.G. Pruim verleed op 19 maart 1798 een transportakte op verzoek van de heer A.W. van Pallandt tot Eerde als gevolmachtigde van de erfgenamen van wijlen de douairière G.C.E.E. du Tour, geboren van Bellinckhave, waarbij hij den tins (de tiende, ter waarde van jaarlijks twee oord zilver), gaande uit het erve Hesselink op den Mariënberg, over te dragen aan Jan Hesselink en echtgenote Fennegien Egbertdink, woonachtig op ’t erve Hesselink. Jan en Fennegien waren op 10 december 1779 getrouwd in de kerk te Hardenberg. Jan was geboren in Beerze en Fennegien op de Hofstede in Collendoorn.
Op de oudste kadastrale kaart van 1832 is ’t Hesselink eigendom van landbouwer Gerrit Jan Hesselink en echtgenote Jannigjen Schöttink. Het erf is geregistreerd op legger nr. 143 in sectie H nr. 270.
Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.
Legger 143/11: Sectie H-270. Huis en erf. In 1861 boedelscheiding. Over op: Legger 906/20: Eigendom van Jan Hesselink en Willemiena Timmerman. Zij zijn op 23 juni 1843 getrouwd te Heemse. In 1868 afgebrand…
De twintigste juni 1868 is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de buurtschap Mariënberg. De Overijsselsche Courant meldde vier dagen later: Ambt Hardenberg, 21 junij. Gisteren morgen omstreeks tien uur ontstond er op den Mariënberg in deze gemeente een hevige brand, waardoor vier woonhuizen, vier schuren, een schapenhok en een hooiberg de prooi der vlammen werden, en vier koeijen, vier kalveren, vijf varkens en een paard zijn omgekomen. Ook het grootste gedeelte der inboedels werd door het vuur vernield, alsmede eene aanzienlijke hoeveelheid gedorscht koren en ongeveer 27.000 ponden nieuw gewonnen hooi. De gebouwen waren alle en de inboedels met uitzondering van een, tegen brandschade verzekerd. De oorzaak is niet bekend.
Burgemeester H.N. van Roijen schreef op 21 juni aan de Commissaris van de Koning: Ik heb de eer u mede te deelen dat er gisteren voormiddag te 10 uren ongeveer brand is uitgebroken ten huize van G.J. Lenters of ten huize van Gerrit Jan Bokking, beide landbouwers, wonende in het gehucht Mariënberg, huizen die elkander belenden. Toen de brand ontdekt werd, stonden die beide perceelen in volle vlam. Het vuur deelde zich mede aan eene schuur van genoemde Lenters, en vervolgens aan eene schuur van Jan Hesselink, aan diens hooiberg, woonhuis, afzonderlijk staande schuur en schapenhok, en vervolgens aan het woonhuis en schuur van Jan Snel, in het geheel zijn er derhalve te Mariënberg verbrand vier woonhuizen, vier schuren, een hooiberg en een schapenhok, zoodat het geheele gehucht eene prooi der vlammen is geworden. Het gehucht ligt op circa anderhalf uur afstand van Heemse. Des namiddags te een ure kreeg ik berigt van de brand en toen ik ter plaatse kwam, lag alles reeds in asch. De landbouwer G.J. Lenters was afwezig en heeft diens huisvrouw niets van den inboedel en het vee dat zich in het huis bevond, kunnen redden. Vier koeijen, drie kalveren en drie varkens kwamen in het huis van Lenters om. In het huis van Bokking bevond zich een oud paard dat, niet op kunnende staan, mede verbrand is. Ten nadeele van Jan Hesselink zijn verbrand een kalf en twee varkens, alsmede bijna den geheelen inboedel, alsook eene nog al aanzienlijke hoeveelheid gedorscht koren en ongeveer 27.000 ponden nieuw gewonnen hooi. De molenaar J. Snel heeft zijne geheelen inboedel kunnen redden. De gebouwen en inboedels zijn alle tegen brandschade verzekerd, met uitzondering van den inboedel van Hesselink, evenwel niet in evenredigheid.
Kadastrale hulpkaart, anno 1868. Alle opstallen zijn geamoveerd na de grote brand…
Kadastrale minuutkaart, anno 1869. De drie boerderijen zijn herrezen, maar niet op dezelfde locatie. ’t Hesselink werd meer oostelijk herbouwd.
Legger 906/51: Nieuwe sectie H-993. Huis, twee schuren, erf en stookhut. Huisnr. C-43. In 1878 stichting. Over op:
Kadastrale minuutkaart, anno 1878.
Kadastrale minuutkaart, anno 1880.
Fragment van kadastrale minuutkaart, anno 1880.
Legger 3819/1: Nieuwe sectie H-1225. Huis, schuren en erf. Eigendom van Willemina Timmermans, weduwe van Jan Hesselink. In 1896 afgaand legaat. Over op: Legger 5412/34: Eigendom van Willem Timmerman en Aaltje Iemhoff. In 1896 boedelscheiding. Over op: Legger 5414/9: Eigendom van Aaltje Iemhoff, echtgenote van Arend Brünger te Duits Wielen. In 1913 verkoop en redres. Over op:
Kadastrale hulpkaart, anno 1913.
Kadastrale hulpkaart, anno 1913.
Legger 5414/55: Nieuwe sectie H-2420. Huis, schuur, kookhuis en erf. In 1914 overboeking. Over op:
In ’t Salland’s Volksblad van 12 juni 1914 werd het kapitale boerenerve Hesselink te Mariënberg te huur aangeboden door eigenaar A. Brunger te Hardenberg. Voor inlichtingen kon men terecht bij Willem Timmerman te Mariënberg.
Waarschijnlijk werd ’t Hesselink vanaf 1915 verpacht aan Albert Hulzebosch en Willemina Nijzink. Zij verhuisden op de 7e april vanuit de gemeente Gramsbergen naar Mariënberg. Albert en Willemina waren op 14 juni 1907 getrouwd te Gramsbergen. Ze hadden drie kinderen: Jennegien, Jan Hendrik en Gerrit die in de gemeente Gramsbergen geboren zijn.
Albert Hulzebosch (1877-1949) en Willemina Nijzink (1880-1938).
Reproductie van een prentbriefkaart met rechts ’t Hesselink, ca. 1915.
Prentbriefkaart van de Viersprong te Mariënberg met de grote boerderij op ’t voormalige erve Hesselink (met dank aan J. Woertel-van der Veen te Radewijk).
Prentbriefkaart van ’t Hesselink, niet in Beerzerveld (zoals het opschrift luidt), maar in Mariënberg (met dank aan J. Woertel-van der Veen te Radewijk).
(Collectie Hofstede)
Legger 6970/32: Eigendom van Arend Brünger, landbouwer te Wilsum (later te stad Hardenberg). In 1926 bijbouw. Over op:
Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1930.
Legger 6970/59: Huis, kookhuis, schuur en erf. In 1933 stichting. Over op: Legger 6970/68: In 1936 sloping, redres kaart en grootte. Over op:
Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1936.
Legger 6970/74: Nieuwe sectie H-3035. Huis, schuren en erf te Mariënberg C-28. In 1938 successie. Over op: Legger 10667/23: Eigendom van Aaltin of Aaltje Iemhoff, weduwe van Arend Brunger en consorten. In 1941 bekend als Mariënberg C-28. In 1942 verkoop. Over op:
Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1942.
Distributie-stamkaart van Jan Hofstede (geb. 26-10-1905).
Jan Hofstede (1905-1978)
Jennegien Hulzebosch (1908-1980)
De grote boerderij van de familie Weitkamp op ’t Hesselink, gepacht en bewoond door de familie Hofstede.
De monumentale boerderij aan de Hardenbergerweg in Mariënberg.
Legger 10667/34: Nieuwe sectie H-3300. Huis, schuur en erf. In 1958 wijzigde het adres in Hardenbergerweg 1 te Mariënberg. In 1970 boedelscheiding. Over op: Legger 15349/7: Eigendom van Johan Weitkamp en echtgenote Wilhelmina Johanna Nijmeijer te Hardenberg. In 1972 wijzigde het adres in Hardenbergerweg 2. In 1980 opgenomen in ruilverkaveling. Op 25 januari 1990 is de boerderij door storm verwoest, vervolgens afgebroken en niet herbouwd…
De ravage na de storm (Fotograaf: J. Woertel, Radewijk).
Op 3 mei 1730 werd een boedelscheiding geregistreerd door schout Voltelen. De erfgenamen van Lamberts Harms van den Mariënberg lieten de overeenkomst vastleggen die men als familie onderling was overeengekomen. Onderdeel van de boedel was het halve erve Woestkamp te Bergentheim. Dat ging over in handen van de ongehuwde Jan Lamberts van de Marriënbergh.
Op 8 november 1734 verscheen Arent Hannes op ’t Wuestkamp (echtgenoot van Aaltje Lamberts Jentingen) voor richter Arnold Voltelen om via de juridische weg varkenshandelaar en herbergier Pauwel Norink uit Heemse zo ver te krijgen dat hij eindelijk zijn schuld zou voldoen voor de aan hem geleverde varkens.
In het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg vinden we deze akte, gedateerd 28 juni 1785: Ik J.G. Pruim, van weegens hooger overheid verw. Scholtus des kerspels Hardenbergh cum annexis, doe kond en certificere dat voor mij en keurnooten, die waren de heeren A. de Munnik en bmr. F. Bussemaker, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn Hendrik Lamberts Wijgmink, pro se en als vader en voogd zijner minderjaarige dochter Eva Wijgmink; voorts deszelfs kinderen Harmen Wijgmink en Jennegien Mollink, echtelieden, Hendrik Wijgmink, Albert Wijmink en Janna Bouwhuis, ehelieden, en Geert Slimmen en Hillegien Wijgmink, ehelieden, als tezaamen kinderen en erfgenaamen van wijlen Hillegien Marjenbergs, door voorn. Hendr. Lamberts Wijgmink bij haar in echte verwekt; en verklaarden zij comparanten, bij dezen, voor eene summa van koopspenningen die den eersten met den laatsten van dien aan hun ten genoegen zijn voldaan en betaald, in de bestendigste forma landrechtens te transporteren en in vollen eigendom over te dragen, aan Jan Hendrik Egbertdink en deszelfs huisvrouw Berendiena Leemgraven, ehelieden, en Jan Hesselink en deszelfs huisvrouw Fennegien Egbertdink, ehelieden, hun comparanten aandeel in het erve Weuskamp te Bergentheim, zoo en in diervoegen als hetzelve tans bij Gerrit Weuskamp word bemeijerd, met alle zijne ap- en dependentiën, rechten en gerechtigheden, lusten en lasten; met den geheelen Russchen-kamp, gelegen bij het huis van Derk Jan Meijerink en het daaromstaande akkermaalshout, het Haar-maatje, gelegen in de Bruchter markte, zijnde mandeelig met Hermannus Jansen, een stukje land gelegen te Brucht naast het land van Lambert Hekman aan de eene, en aan de andere zijde naast het veld, het lange stukke op het Loo gelegen, zijnde ongeveer een mudde lands; den Krommen Hoek op het Loo, mede gelegen naast het voorige, een half mudde zaaijland, mede op het Loo gelegen, naast het land van Jacob Lijsen, zestien eiken boomen staande bij het huis en erve Lamberts te Bergentheim, eenen boom bij het hekke en twee om den hoek van de schuure aldaar mede staande, een gaardentje bij het huis van Hermannus Jansen; voorts de halfscheid van den Weustkamps-kamp met de daaromstaande bosch-hegge, waarvan de wederhelft behoord aan meergem. Hermannus Jansen; alsmede het land bij Weuskamp in gebruik, als het hooijland bij Mas-brugge aan de beeke gelegen, en dan nog een vierde van een volle waare in de markte van Bergentheim binnen en buiten, en dan nog een vierde van een volle waare in het Bergentheimer veene. Des ten oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voorn. deze benevens de comparanten getekend, met mijn zegel bekrachtigd, en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelve geene zegels en hadden, op derzelver verzoek, met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum Hardenbergh den 28 junij 1700 vijfentachtig.
Uit bovenvermelde akte blijkt dat het Woestkamps te Bergentheim in 1785 bemeijerd (gepacht) werd door Gerrit Weustkamp, maar dat het eigendom was van Hendrik Lamberts Wiegmink en zijn kinderen. Hendrik Wiegmink was in 1753 te Hardenberg getrouwd met Hilligje Hendriks Mariënberg. Het aandeel in ’t erve Woestkamp was verkocht aan het echtpaar Jan Hendrik Egberink en Berendina Leemgraven enerzijds en aan het echtpaar Fennegien Egberink en Jan Hesselink anderzijds.
Op de oudste kadastrale kaart van 1832 is ’t Wuestkamp of Weustkamp gesitueerd in de zgn. ‘Roet en Mast Esch’ en eigendom van Gerrit Jan Hesselink en echtgenote Jannigjen Schöttink en mede-eigenaren. Het is geregistreerd op legger nr. 144 als sectie H-106.
Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.
Notaris Antoni van Riemsdijk verleed op 17 juli 1838 twee testamentaire disposities op verzoek van Johanna Ekenhorst en echtgenote van Jan Willem Koning, landbouwers, wonend op het erfjen het Wuestkamps te Bergentheim. Zij benoemden elkaar daarin over en weer tot universeel erfgenaam (aktenr. 1302 en 1303). Johanna Ekenhorst was afkomstig uit Laarwold bij Emlichheim. Ze was op 19 augustus 1837 te Heemse getrouwd met Jan Willem Koning uit Bergentheim.
Legger 144/2: Sectie H-106. Huis en erf. In 1861 boedelscheiding. Over op: Legger 1862/2: Eigendom van Willem Hesselink te Duits Wielen (en mede-eigenaar). In 1862 verkoop. Over op: Legger 655/7: Eigendom van Jan Willem Koning en echtgenote Johanna Koning, landbouwers te Bergentheim. Zij waren op 19 augustus 1837 getrouwd te Heemse. Huisnr. C-16. Huis, erf en drie schuren.
Fragment van kadastrale minuutkaart, anno 1880.
In 1887 bekrachtiging testament. Over op: Legger 4696/3: Eigendom van Hendrik Habers, landbouwer te Ane. In 1905 stichting. Over op: Legger 4696/40: In 1906 bijbouw en vereniging. Over op:
Kadastrale hulpkaart, juni 1906.
Legger 4696/42: Nieuwe sectie H-1823. Huis, schuren en bouwland op de Roet- en Mast Esch. In 1911 boedelscheiding. Over op: Legger 7083/20: Eigendom van Christiaan Jan Willem Waterink en Berendina Grotemarsink. In 1930 successie. Over op: Legger 9765/17: Eigendom van Hermannus Antonie Dijk en Gerrit Jan Scholten (ieder voor de helft). In 1931 boedelscheiding. Over op: Legger 9771/19: Eigendom van Hermannus Antonie Dijk (geb. 25-07-1899) te Bergentheim, C-8. In 1942 inwendige verbouwing. Over op: Legger 9771/31: In 1954 sloping. Over op: Legger 9771/34: In 1960 bijbouw. Over op: Legger 9771/36: Huis, schuren, bouw- en grasland. In 1968 stichting. Over op: Legger 9771/40: Eigendom van Hermannus Antonie Dijk en Christina Waterink aan de Brinkweg 3.
16-02-1464: Derk van Reedze verklaart verkocht te hebben aan Derk van der Wiel een rente van 8 mud winterrogge (Zwolse maat) uit zijn erf Herspinck in ’t kerspel Heemse in de buurtschap Redze gelegen (vermeld bij ’t Klooster Sibculo).
1496: Klooster Sibculo bezit ’t erve en goed Heerspinck
1520: Hendrik (van Reedze) Heerschapinck dienstman van de bisschop (ridder, dus geen pachtbetaling)
1558: Boedelscheiding tussen Hendrik Derkszoon van Reedse en zijn vrouw Griete enerzijds, en zuster Anna van Reedse anderzijds. Van goederen van zaliger vader en moeder. Afstand van ’t gehele erve en goed genoemd Heersping in de gerichte van Hardenberg, mark en buurtschap Rheedse. Omdat Hendrick geen zegel heeft hangt Hermen van Bergentheim zijn zegel aan deze brief.
1601: Een erve genompt Herspinck toebehorende Steven Blanckevort ende wort gebrucket door Johan Herspinck die vorklart van 13 mudde landes en nog 3 dagwerk platland. Hij geeft de garve en 6 daler en 15 stuyvers.
1659: Wordt Geert Wolters Heerspinck genoemd. Hij was echtgenoot van Wendela Splijtelof.
1668: Wolter Heerspinck te Rheese. Schadegevallen door de oorlog.
1675: Wendela Splijtloff wordt als tante genoemd. Waarschijnlijk is Geert Heerspinck haar nagelaten man of zoon.
16-05-1687: Contentieus archief, ’t erve Heersminck te Rheeze (Philibert en Alard Blanckvoort).
17-10-1692: Is Geertien de weduwe van Harmen Welink, hertrouwd (reeds eerder) met Jan Heersmink te Rheeze.
03-12-1712: Evert Jan Vastenouw voor zichzelf en vrouw Catharina Lindenhovius, hypotheek wegens schuld aan Jan van Muiden en aan de hopman Egbert Ridder.
In het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg is deze overdracht geregistreerd op 11 maart 1720: Ik Joan Molkenbour, wegens de hoogheit indertijd Scholtus van de Hardenbergh doe te weten dat voor mij in den gerigte erschenen sijn proc. Arnolt Voltelen als gevolmagtigde van Evert Jan Vastenouw en desselfs huisvrouwe Catrina Theodora Lindenhovius, tutore marito, volgens procuratie voor de magistraat der stat Zwol gepasseert den 1 meert des jaars 1720 in desen edele gerigte vertoont, gelesen en van weerden erkent, verklarende voor een somme van penningen ten noege voldaan en betaalt voor gedagte sine principalen verkoft, gecedeert en overgedragen in name en van wegen deselve doende in en vermits desen het erve ende goet Heerspink in desen karspele, boertschap Rese gelegen, aan de edele burgemeester Jan van Muiden, voor de ene helfte en Jan Henriks Heerspink voor de andere helfte, welke andere helfte dan noch aan geseide burgemeester van Muijden sal …. etc.
In het zgn. register van de 50e penning van verkopingen en collaterale successiën vinden we op 28 oktober 1727: De heer dr. Thomas van Muijden doen bekentmaeken dat op den 20 october van de weduwe en kinders wijlen Jan Heerspink tot Reese in koop bij transport hadde overgenomen desselfs anpart van ’t erve Heerspink aldaer ad 750 gulden.
Vervolgens bevat datzelfde archief deze akte, gedateerd 3 november 1739: Voor Rigter Arnold Voltelen, keurnoten Hendrik Otten en Albert Albertsen, sijn gecompareert Hendrik Everts Schutte, koster alhier, en Harmen Vincke, wonende mede alhier, om nevens mij op de instantie van de heer dr. Thomas van Muijden, scholtus van de stad Swolle en Swollerkarspel, onder eede te taxeren sijn weledele twaelf dagwerken hoijlant gemeenlijk het Beerser of Voorheerslag genoemt, gelegen in de Meene onder de buirschap Ane, benevens dannog het halve erve Heerspink gelegen in de buirschap Reese en door Jan Heerspink als meijer wordende bewoont en gebruickt, bij sijn weledele voor eenige jaeren aengekoft geweest; so verklaren deselve na haere beste wetenschap de gemelte twee parcelen onder solmnelen eede te hebben getaxeert tesamen op eene somma van drieduisent eenhondert carolyguldens. Wijders verklare ik Scholtus voornoemt op den eed bij mijn aenstellinge als Scholtus van dit Schouwtampt gedaan, de voorschreven taxatie mede na mijn beste wetenschap te hebben gedaan. En hebben dese also geteikent, actum Heemse als boven. Certificeere ik ondergeschreven Scholtus van den Hardenbergh etc, dat bovenstaande allodiale goederen bij de heer Scholtus van Zwolle Tomas van Muijden aangekoft, door dezelve niet beswaart zijn, actum Heemse als boven.
Dertien dagen later werd deze hypotheekakte geregistreerd, d.d. 16 november 1739: Ick Arnold Voltelen, wegens haar edele mogende ridderschap en steden de staten van Overijssel, Scholtus van den Hardenbergh etc., doe cond en certificeere dat voor mij en keurnoten als waeren proc. Alb. van Riemsdijk en Seijne Hendriksen, in den gerigte erschenen is de edele B.G. Kramer, secretaris tot den Hardenbergh, in qualiteit als volmagtiger van de heer Tomas van Muijden, Scholtus van Zwolle, en Zwollerkarspel, nevens desselfs eheliefste vrouw Aleida Maria Assing, volgens volmagt voor de weledele hoogachtbare heeren van de Magistraat der stad Zwolle, tot het doen van dese saeke specialijk op den comparant op den 8e deser maant november behoorlijk gepasseert en onder des stadszegel uitgegaan, en alhier gelesen. En heeft de comparant uit kragte van deselve volmagt, namens sijne gemelte principalen, verklaart en wel ten aensien van de voorschreven vrouw constituante mede onder renunciatie van het vellejaensche raadsbesluit en authentica si qua mulier, willende dat vrouwens zig door andere niet mogen verbinden voor 8804-16-4 zijnde 3/4 parten van 11739-14-14 verpondinge en contributie met 1/4 verhoginge peerden en reliqua met 1/2 verhoginge hoornegelt en gezaaij, zonder verhoginge, zo bij sijns voornoemde heer constituant gemanieert en jaarlijks over het Schoutampt van Zwolle worden ontfangen, ter requisitie van haar edel mogende de ordinaris heeren gedeputeerden deser provintie, ende ten profijte der goedsheeren van welgemelde carspel, bij desen boven en behalven een generaal verband van sijns voorschreven principalen parsonen en goederen specialijk te verbinden en te verhypothiseren, sulks doende kragt deses, haar twaalf dagwerk hoijland in de Meene, onder de bourschap Ane gelegen, ’t Beerser of Voorsterslag gemenelijk genaamt, beneffens de halfscheid van het erve Heerspink in den carspele van den Hardenberg, bourschap Reese gelegen, bij Jan Heerspink bemeijert, zijnde vrij allodiael goed zonder eenig opleggende beswaar, tesamen ingevolge daarvan op den derden november 1739 bij eede gedane gerigtelijke taxatie tot Heemse door Hendrik Everts Schutte, custos, en Hermen Vink, begroot op 3100 gulden. In oirconde der waarheid hebbe ik Scholtus voornoemt, desen benvens de comparanten q.q. beteikent en bezegelt. Actum Hardenbergh, den 16 november 1739.
Op 25 september 1772 werd de hypotheek van 16 november 1739 geroyeerd en ‘geknipt’ vanwege de algehele afbetaling van de schuld.
Conditiën en Voorwaarden, waarop de Heeren Erfgenamen en Goeds Heeren van Rhese, ingevolge een eenparig genomen resolutie van den 15 julij 1767, voornemens sijn om op heden den 8 october 1767 den tot hier toe genomen Rhesermarsch onder malkanderen te verdelen”.
De Rheezermarsch werd verdeeld in elf delen: – voor Heerspink of Heersmink, dat een whaere heeft, een deel.
In het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg vinden we deze huwelijksvoorwaarden, gedateerd 9 april 1791: Ik G.J. Crull, van wegens hoger overheid verwalter Scholtus van den Hardenberg, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificeere dat voor mij en keurnooten die waren burgemeester F. Bussemaker en Gerrit Veurink, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn de hier ondergetekende persoonen dewelke verklaarden een wettig huwelijk gesloten en gededingt te hebben tusschen Hannes Harms Wolbink als bruidegom ter eener, en Jennegien Gerrits Heerspink als bruid ter andere zijde, zijnde zij bruid ter dezer zake geadsisteerd met Derk Scholten als haren gekoozenen en geadmitteerden mombaar, en zulks op conditien en voorwaarden hierna beschreven: Ten eersten verklaarden Gerrit Jan Heerspink en deszelfs ehevrouw Geertien Derks dat na doode van haar beide het erve en goed Heerspink onder ’t Schoutambt van den Hardenbergh, boerschap Rheese gelegen, zal vervallen op bruidegom en bruid of op de langstlevende van dien, volgens daartoe verkregen octrooy en consent van de leenkamer des huizes Almelo. Ten anderen verklaarde Gerrit Jan Heerspink en deszelfs ehevrouw Geertjen Derks met deszelfs vader en moeder Jan Heerspink en deszelfs ehevrouw Geesjen Harms, de halve regering aan haar vier te houden en de halve regering en administratie voort aan den bruidegom en bruid over te geven, dog bij overlijden van een van bovengemelde vier, zal de halve regering op de langstlevende vallen, en na doode van bovengemelde vier, zal den gehelen boedel en goederen vervallen op bruidegom en bruid, of op de langstlevende van dien. Ten derden is geconditioneerd en verklaard van de vier boven gemelde oude lieden en bruidegom en bruid, dat aan de drie zusters van bruidegom en bruid, met name Fennegien, Geertien en Janna Heerspink, uit den gemelden boedel moet worden uitgekeerd aan ieder een summa van tweehonderd carolyguldens, een bedde met zijn toebehoor, bestaande in twee bedden, met kussens en puel, met vier lakens en zes kussenslopen, een zwart kleed met zijn toebehoor en damasten rok, een vuuren kaste en een dregtig beest off vijffendertig gulden aan geld, zo zij het verkiezen, indien zij het bedde met zijn toebehoor nodig hebben, zullen zij het zelve kunnen krijgen, dog het andere dat haar uit den boedel gemaakt is, zullen zij niet eerder kunnen krijgen als zij komen te trouwen off over tien jaren de intresse daarvan. Verders zullen gemelde zusters van de bruid, zo lange zij ongetrouwd blijven, bij ziekte of ongemak in haar ouderlijke huis moeten worden onderhouden en verzorgd, maar daarvoor zal hare erfportie hier aan huis moeten blijven. En eindelijk is geconditioneerd zo de vader en moeder van de bruidegom en bruid, bij andere erfenisse mogten komen te erven, zo zal dat zelve na doode van haar beide in egaale portien op haar vier dogters vervallen. Welk voorenstaande alzo geconditioneerd en gecontracteerd zijnde, willende en begerende zij gezamentlijk comparanten, bruidegom en bruid, en verdere vrienden en dedingslieden, dat hetzelve alzo stiptelijk zal worden nagekomen en achtervolgd. Des ten oirkonde hebbe ik verwalter Scholtus voornoemd, deze benevens de bruidegom en bruid en verdere vrienden en dedingslieden getekend en gezegeld, en alzo zijlieden geen zegels en hadden, zo heb deze op haar verzoek met mijn klein zegel voor haar mede gezegeld. Actum Hardenbergh, den 9 april 1791.
Huwelijksvoorwaarden, d.d. 20-05-1796: Ik J.G. Pruim, Scholtus des kerspels Hardenbergh, cum annexis, doe kond en certificeere dat voor mij en keurnooten die waren M. Bruins en H. Lotterman, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn de hier ondergetekenden, dewelke verklaarden een wettig huwelijk gededingd en gesloten te hebben tusschen Hannes Hermsen Wolbink, weduwenaar van Jennegien Heersmink, als bruidegom ter eenre -, en Geertjen Leefherts, jongedochter als bruid ter andere zijde; zijnde zij bruid geadsisteerd met haaren vader Leefhert Jansz, als haaren gekozenen en geadmitteerden mombaar, ende zulks op navolgende conditiën.
Eerstelijk verklaarde den bruidegom voorzeid, en met hem Hendrik Schutte en Albert Wolbink, als voogden over de minderjarige kinderen Derk Wolbink en Hermen Wolbink, door voorzeide Hannes Hermsen Wolbink bij gemelde Jennegien Heersmink in echte verwekt, met elkanderen geconvenieerd en overeengekomen te zijn dat den voorzeide bruidegom aan de gemelde zijne twee voorkinderen, voor en in voldoeninge van dezelve kinderen hun aanbestorvene nalatenschap van de voorzeide hunne moeder Jennegien Heersmink, zal uitkeren en betaalen als volgd: In contant geld eene summa van eenhonderd en vijftig guldens aan yder, welke den bruidegom van stonden aan, tot de effective voldoeninge toe, zal verrenten tegens drie procento in ’t jaar. Voorts aan yder derzelven, ter gelegener en bekwaamer tijd en wanneer zij in staat zijn zullen die behoorlijk te kunnen bewaaren en gebruiken, een zilvere zakhorologie, twee paar zilvere gespen op de schoenen en aan de broek, ter waarde van veertien guldens, yder twee paar, een kerkboek met zilvere kreppen, een damasten borstrok met zilveren knoopen, en een eikene kleerkiste. Voorts der kinderen moeder haare nagelatene linnen en wullen klederen tot derzelver lijf behoord hebbende, dewelke ten profijte van dezelve kinderen publijcq en als naar landrechte zullen worden verkocht. Zullende ook het door den kinderen moeder nagelatene zilverwerk tot derzelver lijve hebben behoord, door dezelve kinderen geprofiteerd en genoten worden, zodra dezelven in staat en bevoegd zijn daarover te kunnen disponeeren. Ten anderen is geconditioneerd door de gezamelijke contrahenten dat wanneer onverhooptelijk eene der voorzeide voorkinderen van den bruidegom, gedurende deszelfs minderjarigheid ongetrouwd en kinderloos kwame te overlijden, alsdan de opgemelde aan hem bewezene eenhonderd en vijftig guldens en daarop dan verlopene en bij denzelven te goede zijnde interessen, alsmede diens aandeel in de te provenieerene penningen van de te verkopen linnen en wullen klederen zijnes voorzeide wijlen moeder, en het aandeel in diens nagelaten zilverwerk tot derzelver lijve behoord hebbende, alleen in vollen eigenodm bij de langstlevende van die beide des bruidegoms zoons zal geprofiteerd en genoten worden. Zullende nochtans in dat onverhoopte geval het overige aan die eerststervende hiervooren bewezene, hetzij denzelven zulks ontvangen, of nog te goede heeft, voor den bruidegom in dezen, of tot des huizes beste verblijven. Ten derden verklaarde de bruid, geadsisteerd met haaren voorzeiden mombaar, bij dezen de twee voorkinderen van haaren bruidegom, met namen Derk Wolbink en Hermen Wolbink, door gemelde haaren bruidegom bij Jennegien Heersmink in echte verwekt, te adopteren en als haare eigene kinderen aan te nemen, met dien effecte dat dezelve kinderen, even of zij uit haar zelven gebooren en nagelaten waren, bij haare aflijvigheid van haare nalatenschap erfgenaam zijn zullen; en wel bij aldien uit haar geen kind of kinderen gebooren en nagelaten worden, eenig en universeel, – en zo kind of kinderen uit haar gebooren en nagelaten worden, met dat of die in gelijke portie of portiën, hoofd voor hoofd. Ten vierden verklaarde de bruidegom Hannes Hermsen Wolbink, bij dezen de voorzeide zijne bruid Geertjen Leefherts, zo en alsnaar landrechte te beloven af te staan en te geven zoodanig aandeel in zijn goederen als eene zijner voorzeide voorkinderen namaals daarin zoude gehad hebben ingevalle deze dispositie niet geschied ware. Waarover, ten opzichte der leengoederen, de nodige approbatie zal worden verzocht, daar het behoord. En ten vijfden is geconditioneerd dat bruidegom en bruid in dezen, aan des bruidegoms schoonouders Gerrit Jan Heersmink en Geertjen Derks, ’s jaarlijks voor derzelver particulier gebruik geven zullen, gedurende derzelver leven lang, en bij vooroverlijden aan de langstlevende van beide, een summa van vijf guldens. Eindelijks en ten zesden is geconditioneerd dat wanneer de bruidegom binnen twintig jaaren na dato dezes kwame te overlijden, de bruid voor expiratie van die twintig jaaren wederom op het erve Heersmink te Reeze op alsdan behoorlijke aan te gaane conditien zal mogen hertrouwen; doch dien tijd verloopen zijnde en dezelve hertrouwen willende, zal zij in dat geval gehouden zijn het gemelde erve te moeten ontruimen en verlaten. Zullende wijders ook eene der voorzeide twee zoons van den bruidegom, ten keuze van bruidegom en bruid in dezen wie van beide zij zulks liefst opdragen, op het gemelde erve Heersmink introuwen mogen, op alsdan te beramene voorwaarden. Welk voorenstaande alzoo geconditioneerd en gecontracteerd zijnde, willen en begeeren bruidegom en bruid, de vader en mombaar van de bruid, de bruidegoms voorzeide schoonouders, de mombaaren zijner gemelde twee kinderen, en verdere aanwezende vrienden of dedingslieden, dat hetzelve in allen deele stiptelijk zal worden nagekomen, onderhouden en achtervolgd. Des ten oirkonde hebbe ik Scholtus voornoemd deze nevens de comparanten getekend, met mijn zegel bekrachtigd en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelven geene zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum Heemse, den 20 meij 1796.
Huwelijksvoorwaarden, d.d. 19-02-1803: Ik J.G. Pruim, Scholtus des Kerspels Hardenbergh, cum annexis, doe kond en certificeere dat voor mij en keurnooten die waren Jasper Zweers en Marten Bruins, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn, de hier ondergetekenden, dewelke verklaarden een wettig huwelijk gededingd en gesloten te hebben, tusschen Hannes Wolbink, laatst weduwenaar van wijlen Geertjen Leefherts, bruidegom ter eenre -, en Aleida Gerrits, jongedochter als bruid ter andere zijde, zijnde zij bruid ter dezere zaake geadsisteerd met Jan Gerrits, haar broeder, als haren ter deezer zaak gekozenen en geadmitteerden mombaar. Ende zulks op conditien en voorwaarden hierna beschreven. Eerstelijk verklaarde den bruidegom Hannes Wolbink, en met hem Hendrik Schutte en Albert Wolbink, voogden over Derk- en Hermen Wolbink, door de eerstgemelde bij wijlen Jennechien Heersmink in echte verwekt, met elkanderen geconvenieerd en overeengekomen te zijn dat gemelde bruidegom aan de voorzeide zijne twee voorkinderen zal uitkeeren voor en in voldoening van derzelver nu aanbestorvene nalatneschap van haare voorzeide wijlen stiefmoeder Geertjen Leefherts te zaamen eenhonderd guldens, uit te keren als dezelven vijfentwintig jaaren oud zijn of eerder komen te trouwen. Ten anderen verklaarde de bruid Aleijda Gerrits, geadsisteerd als vooren, bij dezen de voorzeide voorkinderen van haaren bruidegom te adopteren en als haare eigene kinderen aan te nemen; met dien effecte dat dezelve kinderen evenals of zij uit haar zelven gebooren waren, bij haare aflijvigheid van haare nalatenschap erfgenaamen zijn zullen; en wel bij aldien uit haar geen kind of kinderen geboren en nagelaten worden, eenig en universeel, en zo kind of kinderen uit haar verwekt en nagelaten worden, met dat of die, in gelijke portie of portiën, hoofd voor hoofd. Ten derden verklaarde de bruidegom Hannes Wolbink bij dezen de voorzeide zijne bruid Aleijda Gerrits, zo en als naar landrechte te beloven af te staan en te geven, zoodanig aandeel in zijn goederen, als eene zijner gemelte voorkinderen, daarin zoude gehadt hebben ingevalle deze dispositie niet ware geschiedt. En eindelijks is geconditioneerd dat wanneer den bruidegom binnen twintig jaaren na dat dezes kwame te overlijden, de bruid voor expiratie van deeze twintig jaaren wederom op ’t erve Heersmink te Reeze zal mogen introuwen, op alsdan behoorlijk aan te gaane conditien, doch dien tijd verlopen zijnde, en dezelve wederom willende hertrouwen, zal zij het voornoemde erve verlaten moeten. Blijvende overigens het bij de huwelijkse voorwaarden van gemelde Hannes Wolbink en Geertjen Leefherts van den 20e meij 1796 geconditioneerde en versprokene, in kracht en waarde. Welk voorenstaande alzo geconditioneerd en gecontracteerd zijn, willen en begeeren bruidegom en bruid en verdere aanwezende vrienden of dedingslieden, dat al het zelve alzo in allen deele zal worden nagekomen, onderhouden en achtervolgd; ofschoon ook alle solemniteiten van rechten daarbij niet waren geobserveerd. Des ten oirkonde hebbe ik Scholtus voornoemd deze benevens de comparanten getekend, met mijn zegel bekrachtigd en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelve geene zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum Heemse, den 19 februari 1803.
Op 7 maart 1826 hield notaris Antoni van Riemsdijk een openbare verkoop van roerende goederen op ’t erve Heersmink in Rheeze. Hij deed dat op verzoek van Aleida Gerrits, weduwe van Hannes Heersmink (aktenr. 533, scan 250).
In de Overijsselsche courant van 31 augustus 1827 werd de openbare verkoop van ’t Heersmink aangekondigd en wel op verzoek van Aleida Gerrits, de weduwe van Hannes Heersmink. Genoemde Hannes was geboren in Lutten op het erve Wolbink en was in eerste huwelijk getrouwd geweest met Jennegien Heersmink, maar na haar overlijden hertrouwd met Aleida. Uit het eerste huwelijk waren twee zoons geboren: Derk (1792) en Hermen (1794). Uit Hannes’ tweede huwelijk was zoon Jan (1812) geboren.
Notaris Antoni van Riemsdijk hanteerde de veilinghamer op 3 september 1827. Het ging om het erve het Heersmink met de daarbij horende katerstede (later ’t Hulsebosch genaamd). Het erve Heersmink bestond uit het woonhuis no. 25 met deszelfs grond en wheere, staande op het erve het Heersmink te Rheeze, ten oosten van en aan den gemeenen weg, met de halfscheid van den daartoe en aangelegenen gaarden en ging als eerste kavel in veiling. De bijbehorende katerstede lag agter aan den Groten Esch, bestaande uit deszelfs behuizinge numero 0, met deszelfs grond en wheere en werd als derde kavel in veiling gebracht. Het eerste perceel, het Heersmink, werd ingezet door Hermen Heersmink, jager op den Huize Heemse te Heemse, mede-verkoper en mede-eigenaar voor één-zesde gedeelte, voor een bedrag van 1100 gulden. Het derde kavel werd ingezet door Hendrik Timmerman, landbouwer te Rheeze, voor 727 gulden. Een week later, op 10 september, vond de definitieve veiling en toewijzing plaats. Gerrit Doezeman, landbouwer te Rheeze, bood 105 gulden meer voor het Heersmink en Hermannus Hesselink, landbouwer te Heemse, bood 98 gulden meer voor de katerstede. Vervolgens werd bij afslag 1208 gulden geboden door Gerrit Doezeman op ’t erve Heersmink. Hermannus Hesselink bood 825 gulden voor de katerstede, uit naam van Arend Marsman, boerenknecht te Heemse. Gerrit Doezeman en Egbert Dunnewind, beide landbouwers te Rheeze, boden vervolgens in compagnie 2004 gulden voor de combinatie van kavels 1 en 2 (waaronder ’t erve Heersmink). Het derde kavel (de katerstede) werd gegund aan Arend Marsman voor ’t geboden bedrag ad 825 gulden (aktenr. 670, scan 54).
Bij de aanvang van het kadaster, anno 1832, werd het erve Heersmink geregistreerd als sectie K-579 op legger 80 ten name van landbouwer Gerrit Doezeman en echtgenote Geertjen Hannink. Zij waren op 21 mei 1813 te Hardenberg getrouwd.
Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.
Legger 80/25: Sectie K-579. Huis en erf met schuur en schaapsschot. Eigendom van Gerrit Doezeman en Geertjen Hannink. Vervolgens vererfde de huisplaats op zoon Egbertus Doezeman en echtgenote Zwaantjen Brandt. Zij zijn op 8 mei 1840 getrouwd te Heemse. Huisnr. G-12. In 1901 verbouw en vereniging van percelen. Over op: Legger 80/55: Nieuwe sectie K-1697. Huis, schuur, kookhuis, erf en bouwland. In 1911 boedelscheiding. Over op: Legger 5539/34: Eigendom van landbouwer Gerrit Doezeman en echtgenote Evertjen Hannink. Zij zijn op 18 februari 1875 getrouwd te Heemse. In 1913 verkoop. Over op: Legger 7341/32: Eigendom van Hendrik Jan Doezeman en echtgenote Hendrika Gerrits. Zij zijn op 6 november 1903 getrouwd te Heemse. Bezitters van het recht van gebruik en bewoning waren Gerrit Doezeman en echtgenote Evertjen Hannink. In 1913 redresberekening. Over op:
Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1913 (Sectie K-1884).
Legger 7341/41: Nieuwe sectie K-1884. Huis, schuur, kookhuis en bouwland. In 1916 successie. Over op: Legger 6971/37: Eigendom van landbouwer Hendrik Jan Doezeman.
Op 20 mei 1932 werd hun boerderij volledig door brand verwoest. De Vechtstreek schreef een dag later:
Rheeze. Donderdagmorgen brak brand uit in de boerenbehuizing van den landbouwer H.J. Doezeman te Rheeze. De eigenaar was met zijn zoon naar het land, terwijl zijn echtgenote en zijn kinderen binnenshuis bezig waren werkzaamheden te verrichten. Door omwonenden werd om ongeveer tien uur de brand het eerst opgemerkt. Deze gingen onmiddellijk waarschuwen, doch het mocht niet baten het vuur meester te worden. In een ogenblik was alles één vlammenzee. Aan redden viel niet te denken. Drie varkens en een aan de stierhouderij Rheeze toebehorende en bij Doezeman gestationeerde stier werden een prooi der vlammen. Van het huisraad werd niets gered. De vonken sloegen van daar over naar de belendende schuur van den landbouwer A. Veurink, doch door nat houden wist men deze te behouden. Toch kon niet worden belet dat een verder gelegen schuur van Veurink werd aangetast en het duurde dan ook niet lang of deze was tot aan den grond toe afgebrand. Een varken, een partij hooi en wat stro ging hier verloren. Burgemeester Weitkamp was spoedig ter plaatse en gaf aanwijzingen betreffende het bluswerk. Met gierketels werd het water aangevoerd en ten slotte gelukte het de smeulende massa te doven. Naar wij vernemen had Doezeman huis en inboedel verzekerd bij de Onderlinge Boeren-Brandwaarborg Mij. te Zwolle. Oorzaak van den brand is onbekend.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 21 mei 1932.
Dankzij de uitgekeerde verzekeringspenningen kon Doezeman nog datzelfde jaar een nieuwe boerderij laten bouwen. De gemeente Ambt Hardenberg had de vergunning verleend voor ‘herbouw boerderij na brand’.