Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur van Ambt Hardenberg

1 januari t/m 30 juni 1833

Nr. 1      Heemse, den 1e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Ten vervolge van mijne berichten daaromtrent van den 25e, 26e
en 27e der vorige maand nr. 597, 602 en 603 en in voldoening aan
het ten slotte bepaalde bij deszelfs aanschrijving van den 29e november
l.l., 1e afd. nr. 6759/4707, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze
te informeren dat ook gisteren (den avond voor nieuwjaarsdag), niet met de klokken
in den kerktoren van Heemse is geluid of gebeijerdt geworden. De burgemeester
der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 2      Heemse, den 2e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Ten vervolge van mijne berichten daaromtrent van den 25e, 26e
en 27e der vorige maand nr. 597, 602 en 603 en in voldoening aan
het ten slotte bepaalde bij deszelfs aanschrijving van den 29e november
l.l., 1e afd. nr. 6759/4707, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze
te informeren dat ook gisteren (nieuwjaarsdag) niet met de klokken in den kerktoren
van Heemse is geluid of gebeijerdt geworden. De burgemeester der gemeente Ambt
Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 3      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

In overeenkomste van Uw Excellentie’s Besluit van den 9e mei 1831,
1e afd. nr. 695 (prov.blad nr. 78) voldoende aan het Gouvernements
Besluit van den 13e juni 1821, zo heb ik de eer Uw Excellentie bij
deezen gehoorzaamst te informeren dat van de nationale militie geen deserteurs
of enige nalatige dienstplichtigen ter dezer gemeente zijn ontdekt geworden.
Waarmede zich Uwe Excellentie gehoorzaamst is aanbevelende. De burgemeester
der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 4      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 11e juli 1817,
heb ik de eer Uw Excellentie hiermede te berichten dat gedurende het laatst
verlopene kwartaal des vorigen jaars geene onvoorziene rampen, deeze gemeente
ofte eenige derzelver ingezetenen getroffen hebben. De burgemeester der gemeente
Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 5      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Naar aanleiding van art. 14 van het Koninklijk Besluit van den 18e
april 1818 heb ik de eer bij deze te berichten dat gedurende het 4e
kwartaal des afgelopenen jaars geene vaccinatien in de gemeente plaats gehad
hebben; zijnde er echter ook geene spooren van natuurlijke kinderziekte ontdekt
geworden. De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie,
A. Kampherbeek.

Nr. 6      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan de Commissie
van Geneeskundig onderzoek en toevoorzicht van de Provincie Overijssel, residerende
te Zwolle:

Ofschoon gedurende het 4e kwartaal des afgelopenen jaars geene vaccinatien
in de gemeente mogen zijn te werk gesteld geworden, zo heb ik echter gemeend
U daaromtrend bij deze naar aanleiding van het Koninklijk Besluit van den 18e
april 1818 te moeten informeeren, met de vermelding tevens dat intusschen ook
geene spooren van natuurlijke kinderziekte in dezelve zijn ontdekt geworden.
De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A.
Kampherbeek.

Nr. 7      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Ter voldoening van het gouvernementsbesluit van den 24e augustus
1827 heb ik de eer bij deze te overzenden de daarbij gerekwireerde tabelle van
sterfte ter dezer gemeente ten jaare 1832. De burgemeester der gemeente Ambt
Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 8      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan den heer Commissaris
van Policie der Stad Deventer:

Ik heb de eer U hiernevens te retourneeren de mij bij deszelfs missive van
den 29e der vorige maand overgemaakte bril met een glas in zilver
gemonteerd en theelepeltje van hetzelve metaal, met het proces-verbaal van niet
erkenning derzelve objecten door jonkheer Jacob van Foreest van Heemse te Heemse
in de gemeente als ten zijnen huize in den nacht van den 24/25 september l.l.
gestolen; terwijl het mij tevens leed doet nu ook wederom niets alhier te hebben
mogen ontwaren nopens eenige der door U bedoelde in de maand september l.l.
bij mevrouw de weduwe Kok of andere personen binnen Uwe stad gestolene goederen.
De burgemeester der gemeente Ambt Hardenberg.

Nr. 9      Heemse, den 3e januari 1833, brief aan den heer Ontvanger
der Rechten van successie en van overgang door overlijden in het ressort Ommen,
te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari
1818 overzende ik U bij dezen de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene
maand december 1832, – voegende hierbij ingevolge besluiten van Z.e. den heer
Gouverneur der Provincie van den 14e januari en 7e maart
des vorigen jaars, het certificaat van overmogen betrekkelijk de erfgenamen
van Petertje van de Beek, in de voorlaatste maand overleden, en onder de dooden
op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente Ambt
Hardenberg, bij deszelfs indispostitie, A. Kampherbeek.

Nr. 10    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan den heer Officier
bij de Regtbank te Deventer:

Ik heb de eer bij deze aan U te overzenden een door mij op heeden opgemaakt
proces-verbaal van mishandeling op den 1e deezer (nieuwjaarsdag)
aan de gebroeders Jan Herm en Jan Hendrik Rensing, beide landbouwers wonende
te Slagharen in de gemeente, bij het woonhuis van Hendrik Keuken,  bakker onder
Rheezerveen aan de Dedemsvaart in de gemeente, zullende zijn aangedaan door
Jan Welmers, bakkersknecht en Hendrik Mulder, arbeider beide aldaar wonende,
mitsgaders door Koop Kuunder, arbeider wonend aan dezelve Vaart onder de gemeente
Zuidwolde in de provincie Drenthe. U verzoekende om, zo wel door de indispositie
van mijn heer de burgemeester als door de veele werkzaamheden ter secretarie
der gemeente, met het nader verhoor der getuigen bij het proces-verbaal genoemd,
wel het Vredegerecht dezes kantons te willen belasten. Bij indispositie van
de burgemeester, de 1e assessor bij het bestuur der gemeente het
Ambt Hardenbergh, A. Kampherbeek.

Nr. 11    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 85 van het Reglement op het Bestuur ten plattenlande
der provincie, vastgesteld bij Zijner Majesteits Besluit van den 23e
juli 1825, nr. 132, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze, door overzending
van een afschrift van het daaromtrend door mij op heeden opgemaakte en overeenkomstig
het gouvernementsbesluit van den 4e december 1818, in overeenstemming
met het slot van opgemelden reglementairen artikel, bij mijne missive van heden
nr. 10 (waarvan ook een afschrift hierbij) aan mijn heer den Officier bij de
Rechtbank te Deventer ingezondene proces-verbaal, gehoorzaamst te informeeren
van eene op den 1e deezer (nieuwjaarsdag) onder Rheezerveen aan de
Dedemsvaart in de gemeente plaats zullende gehad hebbende mishandeling aan de
gebroeders Jan Herm en Jan Hendrik Rensing, landbouwers te Slagharen in de gemeente,
zullende zijn aangedaan door de daarbij genoemde Jan Welmers en Hendrik Mulder,
aan dezelve Vaart onder Rheezerveen, mitsgaders Koop Kuunder, aldaar onder de
gemeente Zuidwolde. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 12    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde
Staaten der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het sub 2 bepaalde bij derzelver besluit van den 27e
juni des vorigen jaars, hebben wij de eer, U bij deze gehoorzaamst te berigten
dat deeze gemeente blijvende sustineeren tot hiertoe geene persoonen in een
der koloniale gestichten der Maatschappij van Weldadigheid ten haaren laste
te zijn hebbende of te regt voor rekening der gemeente aldaar opgenomen te zijn
geworden, dan alzo ook deeze gemeente geene betalingen aan het rijk voor derzelver
onderstand enz. zijn gedaan. Verblijvende hiermede onderdanigst. Het gemeentebestuur
der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij indispositie van de burgemeester, A.
Kampherbeek, assesor. In kennisse van mij J. Odink Dz., loco secret.

Nr. 13    Heemse, den 4e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de gouvernementsbesluiten van den 26e september
1818 etc. etc. heb ik de eer hierbij aan Uwe Excellentie te doen toekomen den
door mij opgemaakten staat der geboorte, huwelijken en sterfte in deeze gemeente
gedurende den afgelopenen jaare 1832. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek,
assessor.

Nr. 14    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan den heer lieutenant
colonel, commandant der vesting Coevorden:

Door den Raad van Administratie van het 2e bataillon der 1e
afdeling mobile schutterij van Overijssel, bij deszelfs missive van den 23e
der vorige maand, nr. 230, aan mij onder anderen overgemaakt geworden zijnde
den inliggenden staat, van kleding, wapening en uitrustingstukken van Jan Nijkamp,
schutter uit de gemeente, en dienende in de 5e kompagnie van het
voormelde battaillon, ziek zijnde en zich in de garnizoensziekenzaal der vesting
Coevorden bevindende, ten einde ingevolge magtiging van het Departement van
Oorlog d.d. 7e te voren, nr. 109, dezelve effecten door hem bij de
hoofd administratie van het depot der 12e afdeling infanterie te
Doesburg moeten worden ingeleverd en hij daarna uit den dienst ontslagen, zo
heb ik de eer denzelven staat bij deze aan U te overzenden, met verzoek om denzelven
wel aan den betrokkenen te willen doen ter hand stellen. De burgemeester der
gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 15    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Voor den persoon van Kornelius Visker (den onderwerpe uitgemaakt hebbende mijner
missive van Uw Excellentie van den 5e januari des vorigen jaars,
nr. 13 en waartoe ten dezen zo veel nodig eerbiedige relatie) zoon van Frederik
Bruins – en van Wieke Kornelius, loteling voor de nationale militie ter dezer
gemeente van de klasse van 1832, en door den Militieraad in deszelfs 2e
zitting op den 6e april van dat jaar voor een jaar van den dienst
bij dezelve militie vrijgesteld, van het Departement van Coloniën een certificaat
behoevende dat denzelven nog werkelijk onder de koloniale troepen is dienende,
ten einde daarop van opgemelden raad in deszelfs bevoorstaande 1e
zitting gelijke vrijstelling voor de ligting van den lopenden jaare voor denzelven
te erlangen, zo neem de vrijheid Uwe Excellentie bij deze te verzoeken mij even
als ten afgelopenen jaare, door deszelfs intermediair wel dezelve certificatie
in tijds te willen doen toekomen. Verblijvende hiertoe onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie A. Kampherbeek,
assessor.

Nr. 16    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan den Raad van
Administratie der 8e afdeling infanterie in guarnisoen te Groningen:

Voor den persoon van Albert Beltman, zoon van Jan Hendrik Beltman en van Jennigjen
Alberts, loteling voor de nationale militie ter dezer gemeente van de klasse
van 1830 en door de Militieraad in deszelfs vroegere zittingen voor een jaar
vrijgesteld van den dienst, een attest behoevende, dat Derk Flierman, als plaatsvervanger
voor deszelfs broeder Evert Beltman, loteling van dezelve militie, ligting van
den jaare 1827, in de gemeente Gramsbergen, als fuselier (nr. 15430 op het stamboek)
is diende bij het depot bataillon der 8e afdeling infanterie, zo
verzoeke U mij, zo spoedig mogelijk, zodanig attest, in overeenstemming met
art. 28 der wet van den 27e april 1820, ingerigt naar het voorschrift
van die van den 8e januari 1817, wel te willen doen toekomen. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A.
Kampherbeek, assessor.

Nr. 17    Heemse, den 7e januari 1833, brief aan den Raad van
Administratie van het 4e battaillon artillerie nationale militie
te ’s-Hertogenbosch:

Voor den persoon van Rudolph Nijmeijer, zoon van Albert Nijmeijer en van Jennechien
Nijmeijer, ingeschreevene voor de nationale militie der dezer gemeente in de
klasse van den jaare 1831 en als zodanig noch in betrekking tot de ligting voor
dezelve militie van den lopenden jaare 1833, een attest behoevende, dat Jan
Hendriks, zoon van Jan Hendriks en van Geesjen Hendriksen, loteling van de voormelde
militie, ter dezer gemeente van de klasse van 1825, nr. 16, als nummerverwisselaar
voor deszelfs broeder Hendrik Nijmeijer, loteling van dezelve militie, ligting
van den jaare 1827 in deze gemeente, als kannonnier (nr. 2666) is dienende bij
het 4e battaillon artillerie nationale militie, zo verzoeke U mij,
zo spoedig mogelijk, zodanig attest, in overeenstemming met art. 28 der wet
van den 27e april 1820, ingerigt naar het voorschrift van die van
den 8e januari 1817, wel te willen doen toekomen. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek,
assessor.

Nr. 18    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Zo ontvange Uwe Excelentie’s compel ter herinnering aan deszelfs besluit van
den 27e der vorige maand, 1e afd., nr. 7278/5041, en wegens
de niet voldoening aan het daaromtrent sub 2 bepaalde, bij deze, uithofode mijner
persoonlijke ongesteldheid Uw Excellentie’s verschoning vragende, zo heb ik
de eer bij deze gehoorzaamst te berigten dat reeds op den 2e dezer
door mij is daargesteld geworden de daarbij bedoelde commissie uit het plaatselijk
bestuur, belast met de werkzaamheden bij art. 4 en 5 der wet van den 19e
december 1832, en hebbende daartoe alstoen benoemd de heeren A. Kampherbeek,
1e assessor, en J. Odink, mitsgaders jonkheer Jacob van Foreest van
Heemse, leden van den raad, onder toevoeging aan dezelve als geneeskundige van
den heer Frans Willem van Riemsdijk, medicinae doctor enz. ter Steede Hardenbergh.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 19    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan den Raad van
Administratie der 7e afdeling infanterie in guarnisoen te Zwolle:

De menigvuldige benodigde attesten en certificaten zo van praesentie bij hunne
korpsen als van volbragten dienst en overlijden bij dezelve, voor de ligting
der nationale militie van den lopenden jaare ten einde daarop vrijstelling van
den dienst voor de belanghebbenden te erlangen, hebben mij doen besluiten, in
steede van die, zo als tot hiertoe bij eene afzonderlijke missive aan te vragen,
alle dezelve, voor zo verre tot de 7e afdeling infanterie zijn gehorende,
op eenen staat, volgens bijgaanden te voeren, U verzoekende mij wel voor de
daarop voorkomende dertiental lotelingen zo spoedig mogelijk de vereischte attesten
enz. te doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij
deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 20    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan den heer commanderenden
officier van het 2e battaillon der 1e afdeling mobile
Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd in het voormalig Staats Vlaanderen,
provincie Zeeland:

Ten einde daarop overeenkomstig de wet van den 29e november 1830,
staatsblad nr. 84, voor de belanghebbenden, behorende tot de ligting der nationale
militie van deezen jaare, vrijstelling van dienst te erlangen, verzoek ik U
mij wel zo spoedig mogelijk te willen doen toekomen de attestaten of certificaten
van dienst of wel van overlijden in denzelven, van het elftal schutters van
den eersten ban uit de gemeente, vermeld en aangewezen op den nevensgaanden
staat. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie,
A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 21    Heemse, den 8e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 22 der wet op de nationale militie van den 8e
januari 1817, staatsblad nr. 1, en ingevolge de bepalingen bij art. 14 van het
gouvernementsbesluit van den 3e december 1825, geïnhereerd bij Uw
besluit van den 3e der vorige maand, hebben wij de eer bij dezen
aan U te overzenden een bij het bestuur dezer gemeente, sub dato den 4e
dezer, ingeleverd verzoekschrift van Gerrit Hutten en vrouwe Wibbigjen Jansen,
landbouwers te Bergentheim in de gemeente, houdende verzoek om daarbij aangevoerde
redenen, tot ontslag uit den dienst van haren zoon Jan Herm Hutten (door het
overlijden zijner zuster enige zoon en tevens enigst kind geworden), loteling
voor de nationale militie der klasse van den jaare 1830 ter dezer gemeente,
en thans dienende als fuselier bij het 1e battaillon der 7e
afdeling infanterie. En ofschoon de wet tot de onderhavige vrijstelling of ontslag
uit den dienst geen rechtstreekse aanleiding geeft, hebben wij echter vermeend
ingevolge en naar aanleiding van Uw besluit van den 22e der vorige
maand, waarbij geïnhereerd wordt, dat van den 13e december 1831,
het verzoek niet te kunnen of mogen afwijzen. Ons voorts ten dezen onderdanigst
refererende tot de bijgevoegde rekweste en bijlagen, mitsgaders den staat in
duplo, waarop ter voldoening aan art. 9 van het gouvernementsbesluit van den
9e december 1818 de bij dezelve rekweste gedaane aanvrage of verzoek
hebben overgebragt, zo neemen wij tevens de vrijheid ons hiermeede Uwe Excellentie
eerbiedigst aan te bevelen. Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh,
bij deszelfs indispositie A. Kampherbeek, assessor. In kennisse van mij, J.
Odink D.z., loco secretaris.

Nr. 22    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Janna Vos, zonder beroep, te Brucht,
weduwe ten zijnen tweeden huwelijk van wijlen Berend Nijzink aldaar, hebbende
geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, bij deszelfs indispositie,
A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 23    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Evert Schutte, schaapherder te Venebrugge,
zoon van Berend Schutte en vrouwe Evertje Nijman aldaar; hebbende geene minderjarige
erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier
van den burgerlijken staat, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 24    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Evertjen Vrijlink, landbouwersche
te Lutten, weduwe van wijlen Arend Willems, in leven landbouwer te Stegeren;
hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, bij deszelfs indispositie,
A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 25    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 23e april 1822,
betrekkelijk het getal der individuele personen die in den loop van den jaare
1832 van buiten deze provincie in dezelve hun verblijf zijn komen te vestigen,
of uit dezelve na andere plaatsen buiten de provincie in hetzelve jaar zijn
verhuist, – heb ik de eer bij dezen Uwe Excellentie gehoorzaamst te berichten:

  1. Dat alzo hun verblijf ter dezer gemeente zijn komen te vestigen:
    1. in of onder de buurtschap Sibculo:

         
het huisgezin van Geert Huisman, hebbende 5 (twee mannelijke en drie
vrouwelijke) zielen, en komende van Uelsen, graafschap Bentheim, koninkrijk
Hanover;

         
het  huisgezin van Herm Stegink, hebbende 4 (twee mannelijke en twee
vrouwelijke) zielen, en komende van Uelsen voormeld;

    1. in of onder de buurtschap Rheeze:

         
het huisgezin van Geert Scholte, hebbende 2 (een mannelijke en een vrouwelijke)
zielen, en komende van Osnabrück, koninkrijk Hanover)

         
het huisgezin van Jan Hermsz. Kok, hebbende 4 (twee mannelijke en twee
vrouwelijke) zielen en komende van het Hoogeveen, provincie Drenthe

         
het huisgezin van Arend Koops, hebbende 5 (twee mannelijke en drie vrouwelijke)
zielen, en komende van het Hoogeveen voorzeid

         
het huisgezin van Geesje Berghuis, bestaande uit eene (vrouwelijke) ziel,
en komende van Nijmegen, provincie Gelderland

         
het huisgezin van Albert Roseboom, hebbende 6 (vier mannelijke en twee
vrouwelijke) zielen, en komende laatstelijk van Emmelenkamp, graafschap Bentheim,
koninkrijk Hanover

         
het huisgezin van Jan Klaasz Bakker, hebbende 8 (vijf mannelijke en drie
vrouwelijke) zielen, en komende van Ruinerwold, provincie Drenthe

         
het huisgezin van Reinder de Jonge, hebbende 3 (twee mannelijke en een
vrouwelijke) zielen, en komende van ’t Hoogeveen, meergemeld

         
het huisgezin van Hendrik Hendriks Prins, hebbende 6 (drie mannelijke
en drie vrouwelijke) zielen, en komende van Zuidwolde, provincie Drenthe

         
het huisgezin van Mannes Wilkes, hebbende 3 (een mannelijke en twee vrouwelijke)
zielen, en komende van Heek, Ambt Ahousen, graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover

    1. in of onder het dorp Heemse:

         
het huisgezin van Seine ter Wijlen, hebbende 2 (een mannelijke en een
vrouwelijke) zielen, en komende van Wijlen (Wielen), graafschap Bentheim, koninkrijk
Hanover

    1. in of onder de buurtschap Collendoorn:

         
het huisgezin van den heer Derk Hesselink Nap, hebbende 3 (twee mannelijke
en 1 vrouwelijke) zielen, en komende van Coevorden, provincie Drenthe

    1. in of onder de buurtschap Lutten:

         
het huisgezin van Jan Meijer, hebbende 4 (twee mannelijke en twee vrouwelijke)
zielen, en komende van Lingen, graafschap Bentheim, koninkrijk Hanover

  1. Dat alzo uit deze provincie naar andere plaatsen buiten dezelve zijn verhuist:
    1. uit de buurtschap Collendoorn:

         
het huisgezin van Jan Hendrik Hekhuis, hebbende 2 (een mannelijke en
een vrouwelijke) zielen, en zijnde vertrokken naar Wilsum, in de graafschap
Bentheim, koninkrijk Hanover

Waarmede zich Uwe Excellentie gehoorzaamst is aanbevelende. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek,
assessor.

Nr. 26    Heemse, den 10e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen in het gouvernementsbesluit van de 16e
mei 1820, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deze ter berichten, dat zich geene
geneeskunstoefenaren in deze gemeente zijn bevindende, maar dat alle, de onderscheidene
takken dezer kunstwetenschap (mede voor deeze gemeente) uitoefenende personen,
zijn gevestigd in de door derzelver ligging als de kom dezer gemeente te considerende,
Stad Hardenbergh. Verblijvende hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 27    Heemse, den 11e januari 1833, brief aan de weleerwaardige
heeren Lubbartus Bosch en Hendrik Wineke, respective predicanten bij de Hervormden
te Hardenbergh en Heemse:

Wij hebben de eer U bij deze te doen toekomen eene bij ons ontvangene advertentie,
de dato den 26e der vorige maand, aan de ingezetenen der provincie,
van eene zich te Zwolle in dezelve onder het voorzitterschap van Zijne Excellentie,
den heer Gouverneur, gevestigd hebbende commissie, voor de inzameling van bijdragen
voor de verminkten en voor de nagelatene hulpbehoevende betrekkingen van de
in den strijd ter verdediging van het kasteel van Antwerpen en onderhorige forten,
mitsgaders bij Zijner Majesteits Zeemagt op de Schelde, dezer dagen gesneuvelden,
met verzoek den inhoud derzelve wel op aanstaande zondag bij gelegendheid der
voordemiddagse godsdienstoefeningen, van de predikstoelen ter kennisse van derzelver
respectieve hoorderen te willen brengen en dezelve daarbij te adverteeren, dat
ter rechtmatige gemoetkoming ook van zijde dezer gemeente tot dezelve bijdragen
in den loop der eerstkomende week, aan te vangen met maandag den 14e
en te eindigen met zaterdag den 20e dezer, in dezelve van onzentwegen
eene collecte langs de huizen in beslootene bussen zal plaats hebben voor den
ontvangst ten dien einde aan zodane giften, als ten dezen door een ieder der
ingezetenen, het zij mannen en vaders, vrouwen en moeders, mitsgaders andere
op zich zelven bestaande persoonen, kinderen en dienstbooden, zal kunnen en
behoren te worden afgezonderd, en waartoe wij, in aanmerking genomen het echt
vaderlandsch gevoel der gezamentlijke oud-nederlanders en het geluk dat deze
gemeente heeft mogen te beurtvallen, van geene hunner eigene strijders ten dezen
gesneuveld of verminkt te zien, vertrouwen ten dezen geenen aandrang te behoeven
buiten dien die U wel ten dezen naar den geest van den godsdienst, die wij belijden,
zullen gelieven ter harte te neemen, zullende zodane bijdragen, welker ontvangst
de opgemelde collectebussen mogen zijn ongeschikt, dan ook gedurende de opgemelde
collecte dagen door de goede ingezetenen ter secretarie der gemeente kunnen
in behoren te worden overgebragt om aldaar ook dankbaar tot voorschreeven weldadig
einde in ontvangst te worden genomen. Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt
Hardenbergh, A. Kampherbeek, loco-burgemeester. In kennisse van mij, J. Odink
D.z., loco-secretaris.

Nr. 28    Heemse, den 12e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Tot hiertoe nog niet ontvangen hebbende de bij mijne missive van den 13e
der vorige maand, nr. 576, opgegevene benodigde gedrukte stukken ten dienste
der nationale militie voor de ligting van den lopenden jaare, zo neeme de vrijheid
Uwe Excellentie bij deeze te verzoeken, mij de daarbij genoemde stukken, speciaal
wat betreft de inlegvellen voor het inschrijvingsregister en der alphabetische
lijst, zo spoedig doenlijk te doen geworden. Verblijvende hiermeede gehoorzaamst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie,
A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 29    Heemse, den 12e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik neem de vrijheid Uwe Excellentie bij deze, door overzending der daaromtrend
bij mij ontvangene missive van mijn heer den burgemeester der gemeente Zuidwolde,
provincie Drenthe, van dato gisteren, nr. 1519, cum adjunctis in originali,
te informeren, van art. 56 der wet van den 8e januari 1817, dat de
daarbij bedoelde persoon van Hendrik Frederiks Mulder, sedert 3 jaaren van uit
of onder de gemeente het Ambt Ommen ter deze aan de Dedemsvaart zijnde komen
wonen, nu met zijne ouders alsnog wonende en thans vallende in de termen der
nationale militie, ligting van den lopenden jaare 1833, niet ter dezer gemeente,
maar in die van Zuidwolde, voor dezelve militie zoude behoren te worden ingeschreven,
met verzoek onder retour derzelve stukken van Uwe Excellentie’s zo spoedig mogelijke
decisie daaromtrent, als ten dezen met welgemelden heer burgemeester van contiaire
opinie zijnde, gemerkt de geconcerneerde, bij zijne ouders ter dezer gemeente
te huis zijnde, ofschoon dan ook gedeeltelijk met dezelve wordende gesubsidieerd
door de diaconie der hervormden te Zuidwolde, geenszins te considereeren is
als te vallen in de termen van de 3e alinea van voorschreeven wetsartikel
maar wel degelijk in die der eerste zinsnede van deszelfs 1e alinea,
in verband beschouwd tot art. 19 derzelve wet. Verblijvende onderdanigst. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A.
Kampherbeek, assessor.

Nr. 30    Heemse, den 12e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij Uwe Excellentie’s apostillaire dispositie van den 7e dezer,
nr. 93, in onze handen ten fine van rapport voor op den 15e dezer,
gesteld geworden zijnde de hierbij teruggaande missive van Uwe Excellentie van
Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaaken, d.d. 2e bevorens, nr.
125, met den daarbij gevoegden staat van mutatiën in het personeel der van het
Gouvernement overgenomen bedelaars over de maand november 1832 in de provincie,
voerende onder nr. 2465 den persoon van H. de Jager, den 8e dier
maand overleden, en wiens domicilie van onderstand deze gemeente zoude zijn,
zo hebben wij de eer daartoe na kennisneeming van dezelve stukken onder retour
derzelve, bij deze te doen dienen. Dat de betrokkene persoon dezelfde is, als
met anderen bedoeld bij onze missive aan Uwe Excellentie ten gevolge van deszelfs
besluit van den 30e der maand te voren, nr. 2414/1808, van den 9e
mei des vorigen jaars nr. 263, mitsgaders die van den 15e september
aanvolgende, nr. 436, ten gevolge van Uw Excellentie’s apostillaire dispositie
van den 30e augustus te voren, nr. 4747 op de dezelve specteerende
missive aan Uw Excellentie van welgemelden heer Minister van den 25e
te voren, nr. 186, cum adjuncto, tot beide welke ten dezen eerbiedige relatie.
Dat bij dezelve onze missive dan aangetoond geworden zijnde, dat weliswaar de
vader der betrokkenen (Jan de Jager) zich met denzelven geboren te Sleen in
de provincie Drenthe, en zijn toenmalige verdere familie ten jaare 1827 metterwoon
is gekomen ter neder slaan (laatstelijk van uit de gemeente Dalen in dezelfde
provincie) ter dezer gemeente onder de buurtschap en marke Lutten, tot aan en
met den jaare 1831, wanneer dezelve wederom heeft verlaten en uit dezelve na
het Hoogeveen, ook in dezelfde provincie Drenthe, is verhuisd, zonder gedurende
het voorzeide tijdvak alle de hem ter dezer gemeente opgelegde, bij de eerstgenoemde
derzelve onze missives vermeld, belastingen te hebben beetaald, en na de bepalingen
ten dezen bij de wet van den 28e november 1818, geenen grond hoegenaamd
kon bestaan om deze gemeente te houden voor het eigentlijk onderstandsdomicilie
deszelven, als of ook ingevolge de bepalingen derzelve wet te zoeken zijnde
ter plaats zijner geboorte, of, als nog minderjarig wezende, dat van zijnen
vader volgende, en alzo eigentlijk op te spooren ter eerstgemelde gemeente of
plaatsen in de provincie Drenthe meergemeld, of ter ook bij onze eerstbedoelde
voorschreevene missive aangegevene gemeenten Haaren of Pieters-zijl in de provincie
Groningen, ofte eindelijk in die van Drachten, provincie Frielsnad, als de geboorteplaats
van Jan de Jager, de vader. Dat het geen van de als voorzeid aan denzelven Jan
de Jager in de gemeente opgelegde belastingen (Uw Excellentie gelieve ten dezen
onze eerstegemelde vorenbedoelde missive van den 9e mei des vorigen
jaars nader in te zien) nog is betaald geworden, zulks toevallig door des betrokkenens
halven-broeder Roelof de Jager heeft plaats gehad, maar geentzints het gevolg
heeft mogen zijn van de daartoe aan denzelven door den ontvanger der gemeente,
ingevolge de bepalingen der wet van den 29e april 1819, gerichte
waarschuwingen, sommatiën en resommatiën: ten gevolge dat zijne onvoldane belastingskwota’s
van 1830 en 1831 denzelven ontvangen door ons voor die jaaren als oninvorderbaar
hebben moeten worden en zijn geleden. Dat alzo ten dezen voor deeze gemeente
blijvende reclameeren het effect der letterlijke bepalingen bij art. 3 der wet
voorschreeven van den 28e november 1818, mij billijk durven hopen
ten dezen niet verder omtrend het onderhoud aan den betrokkenen en zijne familie
te zullen worden bemoeilijkt, maar deze gemeente, die na drie jaaren van mislukken
oogst ten gevolge van inundatiën en nachtvorst (anno 1829, 1830 en 1831) buiten
dien niet in staat is de kosten daarvan te dragen, daarvan geredelijk te zien
ontheven; dezelve daartoe dan Uw Excellentie’s protectie ten zeersten aanbevelende
en voorts gehoorzaamst verblijvende. Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt
Hardenbergh, A. Kampherbeek, loco-burgemeester. In kennisse van mij, J. Odink
Dz., loco-secretaris.

Nr. 31    Heemse, den 14e januari 1833, brief aan den heer plaatselijken
of guarnisoens kommandant te Kampen:

Door den raad van administratie van het 2e battaillon der 1e
afdeling mobile schutterij, bij deszelfs missive van den 5e dezer,
nr. 260, aan mij overgemaakt geworden zijnde, den in liggenden staat van kleeding,
wapening, en uitrustingstukken van A. van den Kamp, schutter uit de gemeente
en dienende in de 5e kompagnie van het voormelde battaillon, ziek
zijnde met verlof in de gemeente ter herstelling zijner gezondheid, vervolgens
ten zelfden einde naar de guarnisoensziekenzaal te Coevorden opgezonden en van
daar naar ’s Rijks Hospitaal te kampen geëvacueerd, ten einde ingevolge magtiging
van het departement van oorlog dezelve effecten door hem bij de hoofd administratie
aan het depot der 12e afdeling infanterie te Doesburg, moeten worden
ingeleverd en hij dienna uit den dienst ontslagen, zo heb ik de eer denzelven
staat bij deze aan U als belast met het opzicht over het hospitaal voorschreven,
te overzenden, met verzoek om denzelven wel aan den betrokkenen te willen doen
ter hand stellen, hem te doen gelasten zich ten voren bedoelden einde naar Doesburg
voormeld, op marsch te begeven en daartoe van de gevorderde order te doen voorzien.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie,
J. Odink Dz., assessor.

Nr. 32    Heemse, den 15e januari 1833, brief aan den heer agent
van den algemeenen rijkskassier te Zwolle:

Ik heb de eer U in overeenkomste van het besluit van Z.E. den heer Gouverneur
der provincie van den 8e februari 1832, volgens bijgaande borderel
van storting te overzenden eene somma van f. 5,04 voor twaalf stuks attestatien
de vita voor pensioenen, met verzoek mij daarvoor wel deszelfs kwitantie van
storting te overzenden. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij
deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 33    Heemse, den 16e januari 1833, brief aan de Rechtbank
van Eersten Aanleg, zitting houdende te Deventer:

Ter voldoening aan art. 43 van het burgerlijk wetboek, heb ik de eer hiernevens
te overzenden eene der dubbelde afschriften der onderscheidene registers van
de acten van den burgerlijken staat dezer gemeente voor den afgelopenen jaare
1832, zijnde dat der huwelijksacten gemunieerd met alle de daartoe betrekkelijke
stukken, sub 1 tot en met nr. 19, terwijl voorts achter elk derzelve registers
door mij is opgemaakt een alphabetisch register; voegende ook ter voldoening
aan art. 63 van het voorzeide wetboek, hierbij het bij mij in den voormelden
jaare gehouden register van huwelijksafkondigingen. Waarmede zich U eerbiedingst
is aanbevelende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 35    Heemse, den 17e januari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninklijk Besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Lummechien Salomons, zonder beroep
te Rheezerveen, dochtertje van Hendrik Salomons en vrouwe Hilligjen Aaje Koning,
landbouwers aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijke staat, bij deszelfs
indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 36    Heemse, den 18e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, te Zwolle:

Ter voldoening aan deszelfs besluit van den 28e der vorige maand,
hebben wij de eer bij deeze aan uwe Excellentie te overzenden eenen staat bevattende
de manschappen tot den landstorm in de gemeente, ingerigt volgens het bij hetzelve
Uw Excellentie’s besluit gevoegde model, tevens onder toevoeging in voldoening
aan het bepaalde bij sub 3 van hetzelve van twee staaten aanwijzende de personen
tot welke geoordeeld worden geschikt te zijn om tot officieren en onderofficieren
bij denzelven te worden benoemd. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek,
assessor.

Nr. 37    Heemse, den 18e januari 1833, brief aan den heer burgemeester
der gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe:

Na bij mijne missive van den 12e dezer, nr. 29, ter kennise van
Z.E. den heer Gouverneur dezer provincie te hebben gebragt de Uwe van den 7e
en 11e dezer, nr. 1516 en 1519, cum adjunctis, betreffende den persoon
van Hendrik Frederiks Mulder, bijgenaamd Kui, ter dezer gemeente onder Rheezerveen
aan de Dedemsvaart bij zijne ouders inwonende, doch met dezelve van wegens de
diaconie der hervormden Uwer gemeente onderstand genietende, en onder deze omstandigheid
thans vallende in de termen der nationale militie, ligting van den lopenden
jaare, en van dezelve Zijne Excellentie het welmeenen te hebben geimploreerd
nopens Uw sustenue, dat de bedoelde persoon, ondanks zijne inwoning bij zijne
ouders ter dezer gemeente, uit hoofde zijner betrekking voorschreeven tot de
diaconie voornoemd der Uwe in dezelve, en niet in deeze, voor welgemelde militie
zoude behoren te worden ingeschreeven, zo heb ik de eer U bij deze te informeren
van het met deszelfs voorzeide sustenue overeenkomend gevoelen ten deezen van
opgedagten heer Gouverneur, mij gemanifesteerd bij deszelfs missive van den
16e dezer, nr. 281/201, zullende alzo de betrokkene ter dezer gemeente
niet op de inschrijvingsregisters worden gevoerd, maar daartoe na Uwe gemeente
worden verweezen en hij daartoe dan van onzentwegen worden belast met de dadelijke
overbrenging dezer aan U. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
bij deszelfs indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 38    Heemse, den 18e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het besluit van heeren Gedeputeerde Staten der provincie Overijssel,
van den 8e februari jl., in overeenkomste der bepalingen daaromtrend
bij art. 70 van het reglement op het bestuur ten platen lande der provincie,
vastgesteld bij ’s Konings Besluit van den 23e juli 1825, heb ik
de eer bij deze aan U te overzenden een afschrift van het proces-verbaal van
opneming der kas van den ontvanger der gemeente, door mij en heeren assessoren
bewerkstelligd. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, bij deszelfs
indispositie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 39    Heemse, den 21e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb wel ontvangen Uwe Excellentie’s besluit van den 15e dezer,
met eenen bijgevoegden nominativen staat der lotelingen, welke in vroegere jaaren
eene provisioneele vrijstelling bekomen hebbende, dit jaar voor de militieraad,
bij deszelfs eerste zitting, zullen moeten verschijnen, om hun voortdurend regt
op vrijstelling te bewijzen, dan op denzelven staat niet voorkomende de persoon
van Gerard Jan Waterink, loteling ter dezer gemeente der klasse van 1832, en
hebbende bij de loting getrokken het dienstpligtig numero 20, die ten afgelopenen
jaare door de militieraad bij deszelfs 2e zitting volgens de daarvan
op de alphabetische lijst gevonden wordende aantekeningsplaats voor een jaar
is vrijgesteld, zo heb ik, ofschoon vermoedende, dat, ten gevolge van een mij
bekend gebrek aan een zijner schouders, ten gevolge eener verzuimde luxatie,
door den militieraad finaal van den dienst zal kunnen zijn vrijgesteld, in plaats
van slechts voor een jaar, ten gevolge van het voor hem ingezonden attest als
oudste broodwinnende zoon zijner moeder weduwe, en dat alzo ten dezen een abuis
kon hebben plaats gehad in de overschrijving der decisie van den militieraad
omtrend hem op het alphabetisch register voormeld, – vermeend Uwe Excellentie
van deeze omstandigheid te moeten informeeren, met eerbiedige aanvrage, of denzelven
al dan niet door mij aan het eind van het inschrijvingsregister en alphabetische
lijst voor de ligting van den lopende jaare zal moeten worden geplaatst; imploreerende
hieromtrend Uwe Excellentie’s zo spoedig mogelijke reschriptie en verblijvende
daartoe gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 40    Heemse, den 21e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Te zijner tijd wel ontvangen hebbende Uwe Excellentie’s missive van den 26e
der vorige maand met de daarbij gevoegde uitnodiging aan Overijssel’s ingezetenen
van wegens de te Zwolle onder Uwe Excellentie’s voorzitterschap zich gevestigd
hebbende commissie voor den ontvangst en aanwending van bijdragen uit de gemeentens
voor de verminkten en nagelatene hulpbehoevende betrekkingen onzer dappere strijders
op het kasteel van Antwerpen en onderhorige forten, mitgsgaders bij ’s Lands
Zeemagt op de Schelde, en het is dien ten gevolge dat ik de eer heb bij deze
aan Uwe Excellentie voor welgemelde commissie volgens aan den voet dezer vermelde
specificatie te overzenden de summa van negen en dertig guldens, zes en zestig
en een halve centen, tot voorschreeven vaderlands- en menslievend doel door
mij bij de ingezetenen der gemeente gedaan inzamelen. Specificatie: 2 daalders,
6 guldens, 59 kwart-guldens, 1/8 Zeeuwsche Rijksdaalder, 153 dubbeltjes, 5 stuivers
en 4 centen. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh.

Nr. 41    Heemse, den 21e januari 1833, brief aan de administratie
van de diaconie der hervormden te Heemse:

Onder relatie tot den inhoud mijner missive van den 18e januari
1830, betrekkelijk de executie van het besluit van Z.M. den Koning van den 17e
augustus 1827, nr. 123, ter mijner kennisse gebragt en bij dezelve mijne missive
aan Ulieden, wat de betreffende poincten aangaat breedvoerig ontvoudt, inviteere
ik Ulieden bij dezen om mij voor of uiterlijk op den 29e deezer te
willen doen toekomen eenen nominatieven staat der kinderen onder Ulieden administratie,
thans vallende in de termen on maar de etablissementen der Maatschappij van
Weldadigheid te worden opgezonden, ingerigt naar het hierbij gevoegde model
sub. A. Ulieden voorts tevens even als bij de mijne van den 20e januari
1832, nr. 51, bij dezen ten gevolge van het daarbij vermelde besluit van Z.E.
den heer Gouverneur der Provincie van den 13e december 1831, informeerende
dat de Maatschappij van Weldadigheid zich ook bereid heeft verklaard om ook
invalide (bejaarde) persoonen, waarvan de plaatsing verlangd mogt worden, in
dezelve koloniën op te nemen, omtrend de plaats en de wijze van derzelver verpleging
voor als nog ten minsten, geen anderen weg, dan voor de oviergen was aangenomen,
zoude volgen, zo verzoeke Ulieden, zo en inaal dezer opneming in dezelve koloniën
mog worden verlangd, mij ook voor of uiterlijk op voorschreeven tijdstip daaromtrend
eenen nominativen staat te doen toekomen, ingerigt naar het hierbij gevoegde
model sub B, Ulieden omtrend dezer plaatsing intusschen bemerkende, dat deze
personen niet voor de enkele vestigings-kosten zullen kunnen worden gecoloniseerd,
maar dat voor ieder invalide individu, ingevolge de beaplingen bij de 3e
alinea van het 19e art. van voorschreven Zijner Majesteits Besluit,
die de krachten of geschiktheid tot kolonialen arbeid geheel of grotendeels
ontbreeken, ’s jaarlijks, geheel of gedeeltelijk ongeschikten door elkanderen
gerekend, zullen moeten worden betaald f. 52,50 met uitzondering van door blindheid
aangedanen of met eenig ander ongeneeslijk gebrek of kwaal behebt, waardoor
voor altijd en ten eenen maale, tot eenigen kolonialen arbeid mogen buiten staat
zijn, als voor welke ’s jaarlijks f. 65,- zullen moeten worden besteed, terwijl
krankzinnigen niet zullen aangenomen worden, en zij, die na derzelver opneming,
in krankzinnigheid mogen vervallen, zullen kunnen worden teruggezonden. Zullende
zo en indien ook geen vorenbedoelde kinderen ofte invalide personen zich onder
Ulieden administratie mogen bevinden, des niettemin voor het voorschreeven tijdstip
des Ulieden negatif bericht bij ons worden te gemoet gezien, ten einde alzo
te worden in staat gesteld ten dezen te kunnen voldoen aan de besluiten betrekkelijk
den onderhavigen onderwerpe, zo van de heeren Gedeputeerde Staten der Provincie
van den 23e october 1827, als van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie
van den 13e december 1831 voormeld. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh.

Nr. 42    Heemse, den 22e januari 1833, brief aan heeren Gedeputeerde
Staten der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Naar aanleiding der bepalingen sub 2 bij Uw Edel Groot Achtbaarens Besluit
van den 23e januari 1830, betrekkelijk het jaarlijks voor 1 februari
door de gemeentebesturen te doen verslag van de klagten, welke gedurende het
afgelopen jaar mogten zijn ontstaan over de wijze waarop de vergunde diensten
der openbare middelen van vervoer te lande zijn vervuld en van het daaraan gegeven
gevolg, heb ik de eer bij dezen te berigten dat geene zodanige diensten vallende
in de termen van Zijner Majesteits Besluit van den 24e november 1829,
ter dezer gemeente zijn bestaande. Bevelende zich hiermede gehoorzaamst. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 43    Heemse, den 25e januari 1833, brief aan den heer burgemeester
der gemeente Wierden:

Ik accuseere bij deze den ontvangst Uwer missive van den 19e dezer,
nr. 37, door het intermediair van mijn heer den burgemeester der Stad Hardenbergh
en heb de eer U tevens te informeren dat de daarbij bedoelde Jan de Wilde, ten
dezer gemeente voor de nationale militie, ligting van den lopenden jaare, is
ingeschreven geworden. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 44    Heemse, den 25e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen daaromtrend bij deszelfs aanschrijving van
den 4e april 1832, nr. 517, heb ik de eer U bij deeze te informeeren
dat tot en met heeden geene inschrijvingen ter secretarie der gemeente zijn
gedaan in de daarbij bedoelde provinciale geldleeningen ten behove van den straatweg
van Zwolle over Heino, Raalte, Wierden, Almelo en Borne, na Hengelo. Verblijvende
gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 45    Heemse, den 28e januari 1833, brief aan den heer lieutenant
kolonel kommanderende het depot van het regiment ligte dragonders nr. 4, in
guarnisoen te Zalt Bommel:

Mijn heer de burgemeester van de Stad Hardenbergh, mij ter hand gesteld hebbende,
Uw missive van den 25e dezer, nr. 41, met het daarbij gevoegde signalement
van den daarbij genoemden Lambertus Schotkamp, dragonder bij de depot kompagnie
van het regiment nr. 4 en sederd den 21e te voren van hetzelve vermist,
zo heb ik denzelven persoon op heeden ten huize zijner ouders ter dezer gemeente,
waartoe is gehorende, doen nasporen en den vermisten aldaar ten huize zijner
ouders voorgevonden. Ik zal den betrokkenen persoon, die vertrouwe met geen
eigentlijk oogmerk van desertie, maar slechts van bezoek zijner familie (waartoe
geen verlof zoude hebben kunnen bekomen), naar herwaards, te zijn getogen, op
morgen aan mijn heer den kommandant der naastbijgelegene vesting Koeverden overzenden,
en is deeze alleen dienende ter verwittiging van U van het gebeurde ter zo mogelijke
verzagting van zijn lot als zulks even als zijne ouders door derzelver gedrag
allezints meriteerende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 46    Heemse, den 28e januari 1833, brief aan den heere lieutenant
kolonel plaatselijken kommandant der vesting Coevorden:

Ingevolge de bepalingen bij art. 7  van Zijner Majesteits Besluit van den 25e
juni 1814, heb ik de eer bij deeze in staat van arrest aan U te overzenden den
op den 21e dezer bij zijn korps te Zalt-Bommel vermisten dragonder
bij de depot kompagnie van het regiment ligte dragonders nr. 4, Lambertus Schotkamp,
op gisteren in de gemeente voorgevonden. U verzoekende aan den overbrenger dezes,
Derk Jan Jansen, dienaar van policie en veldwachter dezer gemeente, wel deszelfs
reçu van overname ter hand te stellen. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh.

Nr. 47    Heemse, den 29e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van
den 17e dezer, nr. 7325, in onze handen, ten fine van berigt en consideratien
te stellen, de hierbij teruggaande rekweste door Frederik Jansen, schoolonderwijzer
aan de Dedemsvaart onder de gemeente het Ambt Ommen, in dato den 29e
october des vorigen jaars aan Uwe Excellentie gepraesenteerd en  houdende verzoek
om van zijne gemeente, mitsgaders aan deze en die van Avereest, op den voet
bij de rekweste gemeld te mogen repeteeren de door hem in het 3e
kwartaal deszelven jaars hebbende moeten verzuimd worden schoolgelden uithoofde
der tijdelijke sluiting zijner school op order van mijn heer den burgemeester
der eerstgemelde gemeente en de bestemming van zijn school-locaal tot eene zieken-zaal
voor cholera-zieken, zo hebben wij de eer, meede na examinatie en overweging
van den inhoud en der motiven van de met dezelve rekweste ontvangene en meede
hierbij teruggaande bijlagen, bij deze daartoe te doen dienen. Dat wij ons ten
dezen allezints zijn conformeerende met de opinie en gevoelens van den raad
der gemeente het Ambt Ommen, gemanifesteerd bij deszelfs deliberatien van den
27e december l.l. en alzo eerbiedigst bij deze zijn opineerende voor
de van de handwijzing der onderwerpelijke rekweste, speciaal meede en omdat
de school van den rekwestrant in geene directe relatie tot deze gemeente is
staande en het geen hij, bij nog heerschend gebrek eener school aan of omtrend
de Dedemsvaart onder deze gemeente, van uit dezelve wegens bij hem ter school
gaande kinderen is genietende, voor hem slechts eene winst is, waarop met geenen
grond, en in geen geval hoegenaamd bij gemis, eene vordering tot schadeloosstelling
kan te werk stellen, hebbende de rekwestrant des ten dezen geen eigentlijk verlies,
maar slechts of hoogstens eene winstderving ondergaan. Dat de onderwerpelijke
school aan de Dedemsvaart, al waare dezelve ook niet door mijn heer de burgemeester
der gemeente het Ambt Ommen expresselijk voor cholera-ziekenzaal aldaar bestemd
geworden, toen evenswel, bij het werkelijk aanwezen der ziekte aldaar, zoude
hebben moeten zijn gesloten geworden, achtervolgens de bepalingen sub 4 bij
Uwe Excellentie’s Besluit van den 30e juli 1832, kabinet nr. 180.
Dat de gemeentens en speciaal ook deze, althans voor dit moment te behoeftig
zijn om bij de veele aangewende kosten van voorziening bij het onstaat van cholera,
ook nog die van eenige schadeloosstelling als de onderwerpelijke ter zaake dezer
ziekte (voor welke misschien de rekwestrant zo gelukkig door het sluiten zijner
school is bewaard gebleven) te dragen en welkers vordering dan ook nog te zeer
in  het oog loopt, als andertzints zullende komen te worden geleden door eenen
schoolonderwijzer, die zo ruimschoots boven andere schoolonderwijzers van ’s
Lands wegen is bezoldigd, en, bij niet geringe emolumenten, ook nog eene vrije
woning etc. geniet. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der
gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A.
Kampherbeek, assessor, loco-secret.

Nr. 48    Heemse, den 30e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van art. 6 van Uw Excellentie’s besluit van den 3e december
des vorigen jaars, nr. 4760, inhaererende de bepalingen daaromtrend bij art.
7 van dat van den 3e december 1825, nr. 700, heb ik de eer bij deze,
in voldoening aan art. 9 der wet van den 27e april 1820, aan U te
overzenden het inschrijvingsregister voor de nationale militie ter dezer gemeente,
ligting van den lopenden jaare 1833, tevens met de daaruit door mij geformeerde
alphabetische lijst. Bevelende zich hiermede Uwe Excellentie gehoorzaamst. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 49    Heemse, den 30e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij dezen te overzenden de bewijzen van voortdurende vrijstelling
van dienst bij de nationale militie, voor Gerrit Seinen, Geert Mulder, Evert
Gerrits, Albert Beltman, Hendrik Broekroelofs, Jan Bosman, Gradus Kolthof, Hendrik
Bouwhuis, Roelof Nijmeijer, Jan Nuis, Derk Otten, Egbertus Doezeman, Rudolf
Geertman, Egbertus Odink, Kornelius Visker, Hendrik Vrijlink, Jan Hermen van
den Kamp en Jan Ekkelenkamp, tot hiertoe voor een jaar vrijgestelde lotelingen
ter dezer gemeente van de klassen van 1829, 1830, 1831 en 1832, en als zodanig
door mij aan het eind der alphabetische lijst, ligting van den lopenden jaare
1833 hebbende moeten worden gebragt, zijnde deeze stukken sub 1 tot 18 door
mij gevoerd op den daarvan hierbijgaanden inventaris. Bevelende zich hiermeede
Uw Excellentie onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 50    Heemse, den 30e januari 1833, brief aan heeren Gedeputeerde
Staten der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge der daartoe betrekkelijke van wegen de diaconie administratie der
hervormden te Heemse, d.d. 28e dezer, bij mij ontvangene missive
in antwoord op mijne aanschrijving daaromtrend, in overeenkomste zo van Uw besluit
van den 27e october 1827, als van dat van Z.E. den heer Gouverneur
der Provincie van den 13e december 1831, aan dezelve in dato 21e
dezer nr. 41, heb ik de eer U bij deze, ten gevolge derzelve besluiten gehoorzaamst
te informeeren dat zich onder dezelve administratie in de gemeente niet alleen
geene kinderen zijn bevindende, vallende in de termen van, in overeenkomste
der bepalingen bij Zijner Majesteits Besluit van den 17e augustus
1827, naar de etablissementen der Maatschappij van Weldadigheid te worden opgezonden,
maar ook geene invalide (bejaarde) personen, waaromtrend men, ten gevolge van
voorschreven besluit, de opneeming in dezelve is verlangende. Beveldne zich
hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 51    Heemse, den 31e januari 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deeze gehoorzaamst te informeeren dat in deeze maand ter
zaake van contraventien wegens het niet gebruiken der nieuwe maten en gewigten,
geene proces-verbalen door de daartoe gelaste beambten zijn opgemaakt en aan
de justitie verzonden, zijnde er tevens ook geene klagten bij mij ingekomen
ter zaake van derzelver bestaande invoering. Bevelende zich hiermede gehoorzaamst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 52    Heemse, den 31e januari 1833, brief aan de griffie
van het provinciaal gouvernement van Overijssel, te Zwolle:

Ik overzende U hiernevens de somma van f. 54,44 volgens specificatie aan den
voet dezes, in voldoening der kosten van de registers voor den burgerlijken
staat over den lopenden jaare 1833. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.
Specificatie: 20 Zeeuwsche Rijksdaalders, 1 goud-gulden, 1 gulden en 4 centen.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur
van Ambt Hardenberg,
beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende
den 26e augustus 1833.

Nr. 54    Heemse, den 1e februari 1833, brief aan den heere regter
ter instructie in het arrondissement Deventer, te Deventer:

Mijne nasporingen ten gevolge van Uw missive van den 27e der vorige
maand, omtrend den daarbij bedoelden, bij mijn proces-verbaal van den 4e
dezer, als een der voornaamste uitvoerders der op den 1e te voren
aangedaane mishandelingen aan de gebroeders Rensink uit deze gemeente, aangegevenen,
Koop Kunder, mij voor resultaat opgeleverd heebende dat dezelve zederd den afgelopenen
zomer, hebbende vroeger bij eenen broeder te Giethoorn in deze provincie verkeerd,
zich alnog werkelijk is onthoudende, of althans in den loop der vorige maand
nog onthoudende was, aan de woonsteede zijner ouders, staande en gelegen in
de gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe aan de zogenaamde Reest-A (de scheiding
tusschen dezelve gemeente en deze) en wel even boven of ten noorden dezelve
A aan het zuidwestelijkste punt van dezerzijdsch marke Lutten aan of omtrend
dat naar dezelve uit de zogenaamde Lutterbeek in deze gemeente is ontspringende;
liggende voorts aldaar over de meergemelde A aan eene aldaar op Zuidwoldsch
territoir gegravene grift of vaart in de richting na den zogenaamden Braamberg
even of op zeer korten afstand agter of noordwaarts de woning van Hendrik Salomons,
ingezetenen dezer gemeente, onder Rheezerveen tusschen dezelve A en de Dedemsvaart
wonende. Mogelijk echter heeft de bedoelde persoon op dit moment de woonsteede
zijner ouders, uit hoofde zijner misdrijf, verlaten en houd dezelve zich dan
thans waarschijnlijk wederom bij zijnen broeder in de gemeente Giethoorn voorschreeven
op; hebbende men intusschen mij denzelven onder geenen anderen naam kunnen kenbaar
maken, maar alleen weten te zeggen, dat een persoon van in de 20 jaren zoude
zijn, hebbende eene middelbaare lengte, tamelijk gezet en sterk, mitsgaders
van een gezond en vlug voorkomen, zullende uit de provincie Vriesland met zijne
ouders afkomstig zijn; – welligt van de Overijsselsche grenzen dier Provincie
in de nabijheid van Kuinre of Kuinder, en van daar mogelijk den bijnaam van
Kuunder voerende, ofschoon onder eenen anderen ter secretarie der gemeente Zuidwolde
bekend. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 55    Heemse, den 1e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan het bepaalde sub 4 bij deszelfs besluit van den 16e
der vorige maand, 1e afd., nr. 175/205, betreffende de uitvoering
der wet van den 31e december 1832, omtrend de personen die zich aan
de verpligtingen tot de mobile schutterij onttrekken of zich daarvan reeds werkelijk
onttrokken hebben, heb ik de eer U bij deeze gehoorzaamst te berigten dat zich
ten gevolge derzelve bij mij geene zodanige personen zijn komen aangeven, en
speciaal ook niet de bij mijne missives van den 15e en 29e
october des vorigen jaars nr. 493 en 511, bedoelde Hendrikus Hekman, voortvlugtige
dienstpligtig schutter uit de gemeente, en behorende tot het contingent van
den jaare 1832. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh.

Nr. 56    Heemse, den 2e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U naar aanleiding van art. 39 der wet van den 8e januari
1817 te informeren dat ondanks de daartoe van wegen het bestuur der gemeente
in dato den 20e december l.l. gedane oproeping, zich in dezelve niemand
heeft aangeboden om voor dezelve als vrijwilliger, in de tegenswoordige ligting
der nationale militie te dienen. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 57    Heemse, den 4e februari 1833, brief aan den raad van
administratie van het 2e battaillon der 1e afdeling mobile
Overijsselsche Schutterij te Hulst in de provincie Zeeland:

Door Z.E. den heer gouverneur der provincie bij deszelfs missive van den 14e
der vorige maand, 1e afd. nr. 240/173 aan mij geadresseerd geworden
zijnde eenen nominativen staat (opgemaakt bij de generaale directie van oorlog
te ’s-Gravenhage in dato den 19e december bevorens) van schutters
uit de gemeente die wegens ligchaamsgebreken uit den dienst wierden ontslagen,
waarop voorkomende Hendrik van der Veen, dienende in de 5e kompagnie
van Uw battaillon  en zich op dit moment noch te Kampen (werwaards van Koeverden
in der tijd is geëvacueerd geworden) in het hospitaal bevindende en tot hiertoe
te vergeefsch uitgezien hebbende op den ontvangst van Uw van den staat der wapenen,
kleedings- en equipementsstukken door denzelven bij het depot der 12e
afdeeling infanterie te Doesburg af te leveren, ten einde dienna aldaar zijn
werkelijk ontslag te ontvangen; zo diend deze om U van deeze omstandigheid te
informeeren,met verzoek van mij wel ten spoedigsten den bedoelden staat voor
denzelven te doen geworden, ten einde dienna zijn vertrek van Kampen na Doesburg
ten einde voorschreeven te gelijk met de bekoming zijner acte van ontslag te
kunne uitwerken. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 58    Heemse, den 4e februari 1833, brief aan den heer ontvanger
der rechten van zegel registratie enz., te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari
1818 overzende ik U bij deze de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene
maand januari, voegende hierbij ingevolge besluiten van Z.E. den heer gouverneur
der provincie van den 14e januari en 7e maart des vorigen
jaars, de memorie van aangifte wegens de nalatenschap van Gerritdina Spijker,
mitsgaders een certificaat van onvermogen betrekkelijk de erfgenamen van Berendina
Kampman, in de voor laatste maand overleden, en onder de dooden op de sterflijst
van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 60    Heemse, den 5e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij koninglijk besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie der gemeente aangifte
is gedaan van het sterfgeval van Zwaantjen Arends, landbouwersche te Diffelen,
echtgenote van Willem Schutte, landbouwer aldaar, hebbende minderjarige erfgenamen
nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den
burgerlijken staat.

Nr. 61    Heemse, den 9e februari 1833, brief aan den heere auditeur
militair in de provincie Gelderland, te Arnhem:

Mijn heer de burgemeester der Stad Hardenbergh mij ter hand gesteld hebbende
de bij hem ontvangene missive van U, de dato den 6e dezer, nr. 63,
betreffende den daarbij genoemden dragonder Lambertus Schotkamp uit deze gemeente
en dezelve ten gevolge heden ondervraagd hebbende den meede daarbij vermelden
buurman zijner ouders Derk Lubbers, arbeider, wonende in de gemeente Zuidwolde,
provincie Drenthe, welken daartoe bij mij hadde verzocht, zo heeft dezelve verklaard
dat, beide dezelve ouders niet kunnende schrijven, hij op derzelver verzoek
ten afgelopenen jaare successive twee breiven voor dezelven aan hunnen zoon,
den opgedagten Lambertus Schotkamp, hadde geschreeven, de eerste slechts ten
onderwerpe gehad hebbende de overmaking van twee guldens aan geld en de laatste
eene gelijke overmaking van drie guldens en houdende tevens de vermelding dat
zijne moeder aan de cholera was lijdende; zich overigens de epoque dezer brievenschrijving
niet juist meer herinnerende doch omtrend die van den laatsten wel weetende
,dat dezelve voor in het afgelopen najaar heeft plaats gehad, en dat daarbij
door hem niets is gerept van eenig aanzoek ter overkomste van denzelven Lambertus
Schotkamp. Intusschen mij ter secretarie der gemeente meede blijkende, dat de
moeder van den onderwerpelijken Lambertus Schotkamp reeds op den 14e
september des vorigen jaars door de bedoelde ziekte, waarvan gelukkig hersteld,
is aangetast geworden, zo heb ik gemeend U daarvan bij deeze te moeten informeeren,
even als van de omstandigheid dat zijne arrestatie ten huize zijner ouders door
den dienaar van policie en veldwachter dezer gemeente, D.J. Jansen heeft plaats
gehad, ten gevolge van en na den ontvangst bij mij eener missive in dato den
23e januari l.l., nr. 41, van den chef van zijn korps, mij zijne
vermissing uit zijn kwartier te Zalt-Bommel op den 21e te voren vermeldende
en hem ter zijner naspooring signalerende. Intusschen wil ik zeer gaarne geloven
dat de betrokkene alleen naar herwaards is overgekomen, met het eenvoudig voorneemen
tot een kort en tijdelijk bezoek zijner ouders, waartoe zeide, ondanks zijne
herhaalde aanzoeken geen verlof te hebben kunnen bekomen en geentzints met het
eigentlijke oogmerk van desertie, immers de bedoelde dienaar van policie en
veldwachter der gemeente vond hem ook ten huize zijner ouders, hij verborg of
ontkende zijne situatie niet, volgde denzelven dadelijk en gewillig herwaards
en had hij zijne bij zich hebbende kledings- en equipementsstukken, mitsgaders
wapen, behoorlijk gepoetst en schoongemaakt om daarmeede zo als hij zeide, den
volgenden dag zijn korps te rejoigneeren en geene voorbeelden van desertie van
oudhoevige ingezetenen der gemeente waaronder de betrokkene kennende, deed het
mij bij zijne arrestatie waarlijk leed van geene termen bij de wet te vinden
om, ter te voorkoming zijner vervolging als deserteur, hem rechtstreeks naar
zijn korps wederom te kunnen opzenden, waagende al zo gerustelijk voor den onderwerpelijken
persoon de meest mogelijke clementie in zijne omstandigheden te emploreeren.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 62    Heemse, den 9e februari 1833, brief aan den here Major,
commanderende het 2e battaillon der 1e afdeling mobile
Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd te Hulst enz in de provincie Zeeland:

Zederd den 6e dezer bevind zich met eenen verlofpas van U, in dato
den 1e dezer, in de gemeente Lubbert Hamberg, wegens dezelve in de
5e kompagnie van Uw battaillon bij de 1e afdeling mobile
Overijsselsche Schutterij dienende, voor wien de vader Egbert Hamberg dezer
dagen een rekwest aan de generaale directie van oorlog heeft gepresenteerd ter
bekoming van een verlof van 5 a 6 weeken ten einde het voorgenomen huwelijk
van denzelven zijnen zoon met zekere Catharina Loowies alhier, die zich in eenen
verre gevorderden staat van zwangerschap is bevindende, onder de formaliteiten
bij de wet te kunnen voltrekken, dan uit eene missive van den heere staatsraad
ad interim, belast met de directie van het departement van binnenlandsche zaken,
in dato den 11e januari 1831, bij besluit van Z.e. den heer Gouverneur
der Provincie, d.d. 15e aanvolgende, ter kennisse van de gemeentebesturen
in dezelve gebragt, het mij voorkomende, dat ofschoon er dan ook geene bedenkingen
bestaan tegen het aangaan van huwelijken door de schutters, behorende tot den
1e ban, en alzoo ook niet door den daartoe gehorenden betrokkenen
Lubbert Hamberg, echter daartoe een speciaal verlof zal kunnen worden vereischt,
waartoe zich dan aan de chefs hunner korpsen, aan wien de bemoeijenissen daaromtrend
geheel waren overgelaten geworden, zouden behoren te wenden, zo is dan deeze
daartoe voor en namens denzelven Lubbert Hamberg (ten zijnen uitdrukkelijken
verzoeke en ter zo veel mogelijke bespoediging zijner belangens in dezen) dienende;
verzoekende U dan tevens om zijnen verloftijd, welke met het avondappel van
den 21e dezer andertzints, zal zijn expireerende, althans nog voor
den tijd van 8 dagen te willen prolongeren, en mij wel ten dezen dadelijk na
ontvangst dezes met Uw gunstige rescriptie te willen vereren. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 63    Heemse, den 9e februari 1833, brief aan den heere J.J.
Tijl, boekhandelaar te Zwolle:

Ik bedanke U provisioneel wel zeer voor de goede uitvoering der commissie U
voor deze gemeente bij de mijne van den 10e december l.l. nr. 569
opgedragen, waaromtrend mijn tijdelijke post waarneemer gedurende mijne jongste
ziekte verzuimd heeft U vroeger te berigten en welk verzuim ik alzo verzoeke
wel ten goede te willen houden. Intusschen nu ook achtervolgens besluit van
Z.E. den heer gouverneur der provincie van den 5e dezer, 4e
afd., nr. 92/90 voor den 12e dezer aan het locaal der staaten van
de provincie bij den boode concierge voor deze gemeente zullende moeten afgehaald
worden eene tafel, bestemd tot bewaring der kadastrale stukken mij gevolge mijner
voormelde van den 10e te voren overgemaakt, zo verzoeke U ook dezelve
aldaar voor mij op aanstaande maandag in ontvangst te neemen en tot den volgenden
vrijdag ten uwen huize in veilige bewaring te houden, om ze vervolgens ten dien
dage met de marktschipper Baarslag onder recommandatie naar herwaards aan mijn
adres te expediëren, declareerende U ook voor ten dezen te nemene moeite en
aan te wendene kosten in billijkheid. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh.

Nr. 64    Heemse, den 11e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij de gewenschte omstandigheid dat op dit moment in den gemeente naburige
Graafschap Bentheim van het koningrijk Hanover alle uitgewekende miliciens,
schutters enz. door de land-dragonders strengelijk worden opgespoord en het
den ingezetenen derzelve bij poenale straffen geinterdiceerd is geworden eenig
Neerlandsch Ingezetenen, zonder bewijs van niet-dienstplichtigheid, ten hunnent
of in dienst te hebben (eenen maatregel zonder onderscheid, zo de voormelde
uitgewekenen, als de eigentlijk niet uitgewekenen, en ter hunner tijd alhier
voor de militie en schutterij opgeschreevenen en vervolgens geloot en des aan
hunne verplichtingen voldaan hebbenden, doch aldaar bij de grensbewoners, als
van alle tijden herwaards, alnog in particulieren dienst zijnde komende te treffen)
door der laatstbedoelden ouders in deze gemeente of de betrokkene zelve dagelijks
meenigvuldigst aangezocht wordende om eene certificatie omtrend derzelver relatie
ten reguarde der militie en schutterij in dit Rijk, ten einde op vertoon derzelve
van dien maatregel zich te zien ontheeven, zo neeme de vrijheid mij bij deze
tot Uwe Excellentie te wenden met eerbiedige aanvrage hoe mij ten dezen te gedragen
en of en hoedanige certificatiën ten dezen zal kunnen en vermogen af te geven,
zo voor de bedoelde aan hunne verplichting alhier voldaan hebbende miliciens,
als schutters ofte zodanige vroegere ingezetenen dezer gemeente, die voor de
mobiel-verklaring der schutterij anno 1830 reeds uitlandig waren en nimmer tot
dezelve behoorden, mitsgaders ook voor de tot de opgeschrevenen van den landstorm,
die zich zederd de opschrijving na de bedoelde Graafschap in dienst mogen hebben
begeven, zonder vooralsnog het oogmerk aan den dag te hebben gelegd van zich
aan de dienstbaarheid bij denzelven te willen onttrekken. De burgemeester der
gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 65    Heemse, den 11e februari 1833, brief aan mijn heer
den burgemeester der gemeente Den Ham:

Zekere Hendrikus Hekman, geboren den 5e juni 1807 in Uwe gemeente
en zoon van Hendrik Jan Hekman en Geertje Jansen, beide overleden, aldaar, ten
afgelopenen jaare 1832 als schaapherder dienstbaar bij den landbouwer Willem
Timmerman te Bergentheim in deze, zich ten afgelopenen jaare aan de inschrijving
enz. voor de schutterij alhier onttrokken hebbende, door zich uit dezelve te
verwijderen en in voornoemde zijne kwaliteit metterwoon te begeven eerst bij
den heer G. Crull op den Beld, Koningrijk Hanover, en vervolgens bij den bouwman
B. Tiebert in dezelfde Graafschap, onthoud zich, volgens bekomende informatiën,
thans wederom in Uwe gemeente, ten gevolge der actueel strenge maatregelen (zo
opzichtens de betrokkenen zelve, als die geene welke hun tot hiertoe dienst
of huisvesting verleenen) tegens de na derwaards uitgeweekene militie-, schutterij-
en landstormplichtigen binnen dit Rijk. Ten gevolge der voormelde informatiën
nu dan vinde ik mij in het belang van den dienst zijner majesteit en van deze
gemeente verplicht U bij deze te adieren met het dringend verzoek van alles
te willen aanwenden ter opspooring van denzelven persoon, denzelven bij ontdekking
te doen arresteeren en aan mij onder secuur geleide te overzenden, ten einde
omtrend hem te kunnen vervoeren naar voorschrift der wet: ten dezen in soortgelijke
en andere gevallen bereidwilligst zijnde tot reciprocque dienstvaardigheid.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 66    Heemse, den 11e februari 1833, brief aan den heer plaatselijken
of guarnisoens kommandant te Kampen:

Door den raad van administratie van het 2e battaillon der 1e
afdeling mobile schutterij, bij deszelfs missive van den 3e dezer
nr. 330, aan mij overgemaakt geworden zijnde den inliggenden staat van kleeding-,
wapening- en uitrustingstukken van H. van der Veen, schutter uit de gemeente
en dienende in de 5e kompagnie van het voormelde battaillon, ziek
zijnde en zich thans in ’s Rijks Hospitaal te Kampen bevindende, ten einde
ingevolge magtiging van het Departement van Oorlog dezelve effecten door hem
bij de hoofd administratie van het depot der 12e afdeling infanterie
te Doesburg moeten worden ingeleverd en hij dienna uit den dienst ontslagen,
zo heb ik de eer denzelven staat bij deze aan U als belast met het opzicht over
het Hospitaal voorschreeven, te overzenden, met verzoek om denzelven wel aan
den betrokkenen te willen doen ter hand stellen, hem te doen gelasten zich ten
vorenbedoelden einde naar Doesburg voormeld op marsch te begeven en daartoe
van de gevorderde order te doen voorzien. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh.

Nr. 67    Heemse, den 12e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Na den ontvangst van Uw compel van den 8e dezer, houdende last om
voor den 14e aanvolgende te voldoen aan deszelfs besluit van den
13e december 1831, nr. 4997/4145, betrekkelijk de opzending van behoeftige
valide en invalide personen naar de koloniale gestichten, hetzelve besluit nader
inziende, zo bemerken dan, dat hetzelve tweederleij aanschrijving ten dezen
is bevattende, door mij zo het alzo voorkomt, verkeerdelijk geconfundeerd of
geconculeerd met die bij besluit van heeren Gedeputeerde Staaten der Provincie,
van den 23e october 1827, nr. 6, en waaraan alzo cumulative, vermeenende
dat hetzelve Uw besluit alleen op diaconie-behoeftigen was doelende, door mij
is voldaan geworden, zo bij mijne missive aan U van den 30e januari
des vorigen jaars nr. 77, als bij die van den 30e der vorige maand
nr. 50, intusschen nu dan ook U bij deeze gehoorzaamst informeerende dat deze
gemeente voor alsnog geen valide of invalide behoeftigen ten haaren laste was
of is hebbende, omtrend welke de bedoelde opzending naar de gemelde koloniale
gestichten zoude kunnen worden verlangd. Verblijvende nu ten dezen Uw Excellentie’s
gunstige verschoning nopens mijne onderwerpelijke misvatting geimploreerd te
hebben, onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 68    Heemse, den 12e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge eener bij mij ontvangene missive van den heer Van Schreven van
den 8e dezer door het bestuur dezer gemeente nu mede op zondag l.l.
de ingezetenen derzelve bij gewone afkondiging en aanplakking geadverteerd geworden
zijnde van de bepalingen sub 1 bij Uw Excellentie’s besluit van den 5e
dezer, 4e afd., nr. 92/90, betrekkelijk de aangiften der eigendoms-veranderingen
tot opmaking der kohieren voor de grondbelasting voor 1833, zo heb ik dan ook
de eer, ten gevolge der bepalingen sub 2 bij hetzelve besluit, U bij deze te
informeeren dat aan mij bij gelegendheid van den ontvanst van deszelfs vroeger
besluit ten dezen van den 24e november des vorigen jaars, 4e
afd, nr. 587/536, wel zijn overgemaakt geworden drie vellen van het register
legger Q om daarin de alstoen te ontvangene aangaven in te schrijven, doch geene
van de registers legger R en U; van het eerstgemelde van welk dan alzo nu eenige
vellen ben verzoekende ter executie van de bepalingen sub 2 en 3 bij Uw Excellentie’s
eerstgemelde besluit. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 69    Heemse, den 13e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van
den 9e deezer, 1e afd., nr. 755, in mijne handen, ten
fine van berigt en consideratien te stellen de hierbij teruggaande rekweste
door Jan Koning, landbouwer te Bergentheim in de gemeente, sub dato den 31e
der vorige maand, van Zijne Majesteit den Koning gepresenteerd en houdende verzoek
om een twee maandelijks verlof voor zijnen zoon Jan Willem Koning, schutter
wegens de gemeente in de 5e kompagnie van het 2e battaillon
der 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij dienende, invoegen
en met de bepalingen, als denzelven vroeger was verleend geworden bij dispositien
van den Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur Generaal van Oorlog
van den 27e juni / 14e october 1832, nr. 133/28, zo heb
ik de eer daartoe bij deeze te doen dienen. Dat de bij dezelve rekweste, zo
opzichtens zich zelve, als omtrend zijn gezin, door den rekwestrant aangevoerde
positien der waarheid conform zijn. Dat ook des rekwestrants beroeps-toestand
ontegenzeggelijk grotelijks is komen te lijden en nog lijdt bij den langen en
onvoorzienen duur der afwezendheid van voormelden zijnen zoon Jan Willem Koning
in den schutterlijken dienst. Dat ook gedurende dezelve langdurige afwezendheid
van denzelven zijnen zoon slechts eenmaal en wel ten afgelopenen jaare een verlof
van twee maanden is verleend, en zulks bij de voormelde dispositien van den
Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur Generaal van Oorlog, en wel
onder en met de bepalingen als bij de onderwerpelijke rekweste uitgedrukt. Dat
dezelve des rekwestrants zoon en met hem de rekwestrant en de zijnen, nog niet
eens het geluk en het genoegen gehad hebben, van het voorschreeven verlof ten
vollen te profiteeren, gemerkt door mij, ten gevolge van Uw Excellentie’s
besluit van den 20e november des vorigen jaars, nr. 6601/4570, reeds
voor de expiratie daarvan wederom te wapen heeft moeten worden geroepen, aan
welke oproeping dan ook niet alleen gewillig, maar zelfs met geestdrift heeft
voldaan, niet achtende op eene ongesteldheid hem toenmaals nog aanklevende ten
gevolge van vermoeijenissen op den marsch, van zijn korps naar herwaards, dien
te zeer had bespoedigd op het groot verlangen der zijnen van hem eens wederom
in hun midden en met hun voor hun gezamentlijk bestaan werkzaam te zien. Dat
alzo nog veel minder heeft kunnen jouïseeren van de voor hem en de zijnen gunstige
concessie bij opgemelde dispositie van den Minister van Binnenlandsche Zaaken
en Directeur Generaal van Oorlog voorschreeven, voor hem de faculteit is houdende
om, het bestaan des rekwestrants dit vorderende en zulks door mij gecertificeerd
wordende, telkens, voor de expiratie van hetzelve zijn verlof van hetzelve door
het intermediair van Uw Excellentie de verlenging te verzoeken; zo als kan geblijken
uit Uw Excellentie’s aanschrijving ten dien opzichte aan mij van den 23e
october des voormelden vorigen jaare, nr. 6116/4247. Dat de rekwestrants verzoek
bij de onderhavige rekweste nu alzo zich daarhenen strekkende om op nieuw een
bepaald verlof als voormeld voor zijnen onderwerpelijken zoon Jan Willem Koning
uit den schutterlijken dienst te bekomen, en de noodzakelijkheid van het zelve,
voor den beroeps-toestand deszelven en der zijnen bij den thans naderende veld-arbeid
bij mij buiten wederspraak zijnde, zulks ten noodwendigen gevolge moet hebben
dat, de omstandigheid des vaderlands zulks gedogende, voor het gaaf accordeeren
van hetzelve bij deeze ben opineerende. Verblijvende hiermeede onderdanigst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 70    Heemse, den 13e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij Uw Excellentie’s apostillaire dispositie van den 9e dezer,
1e afd., nr. 784, in mijne handen, ten fine van berigt en consideratien
gesteld geworden zijnde eene rekweste van Berend Schutte, landbouwer aan de
Veenebrug in de gemeente, in dato den 29e der vorige maand aan Zijne
Majesteit den Koning, gepresenteerd en houdende verzoek om onbepaald verlof
uit den militie-dienst voor zijnen zoon Hendrik Jan Schutte, bij optreding voor
zijnen broeder Evert Schutte, loteling voor dezelve militie ter dezer gemeente
van de klasse van 1832, bij het depot der 7e afdeling infanterie
dienende, zo heb ik de eer, onder retour derzelve rekweste, daartoe bij deeze
te doen dienen. Dat de rekwestrant bij zijne slechts in huur of pacht hebbende
boerderij, waartoe de aanhouding en conservatie in eene voor dit soort van vhee
allezints ongunstige en moeijlijkst te beweidene marke van een niet gering aantal
schaapen volstrekt noodzakelijk, tevens de tapneering en het voermanschap voor
zijn en der zijnen noodzakelijkst bestaan exerceerende, tot dit alles, hoezeer
dan deze laatste bedrijven ook thans bijzonder ter dezer gemeente uit bekende
oorzaken waaronder den ruimen aanleg van straatwegen in andere gedeeltens dezer
provincie, grotelijks zijn kwijnende, voor de voortzetting van dit een en ander
veeler handen is behoevende. Dat de rekwestrant intusschen evenzomin als zijne
huisvrouwe uithoofde van ziekelijke omstandigheden, zelve ten dezen na behoren
kunnende bijdragen, derzelver bestaan hieronder van dag tot dag meer en meer
komt te lijden. Dat daarbij bij des rekwestrants oudsten zoon, vroeger ten gevolge
eener hevige koortsziekte zich eene blijvende ongesteldheid opgedaan hebbende,
die hem niet altijd voor de meedewerking ter uitoeffening zijner beroepen en
bedrijven volkomen geschikt doet zijn en ten gevolge waarvan dan ook van de
militie- en schutterlijke diensten is vrijgesteld geworden, hij van dezen niet
dat nut kan trekken, het welk andertzints daarvoor wel te wagten zoude zijn.
Dat voorts de rekwestrant voor zijnen tweeden zoon Hendrik Schutte, zijnde geroepen
tot den mobilen schutterlijken dienst, uithoofde dat dezen volstrekt voor hun
gezamentlijk bestaan niet konden missen, genoodzaakt is geweest in denzelven
dienst eenen plaatsvervanger te stellen, waarvan de kosten, bij den onvermoeden
langeren duur van den dienst, en bij den overigen aanmerkelijken teruggang zijner
tapneering en voermanswerk hem boven zijne krachten zijn komen te drukken. Zijnde
ook verders het bestaan van hem en de zijnen nu zederd de drie laatste jaaren
grootelijks en boven maaten komen terug te gaan ten gevolge der buitengewone
natheid der saisoenen, nachtvorsten en de zo noodlottige galligheid en dientengevolge
kwaaie sterfte, onder zijne schaapskudde. Dat nu het lot geweld hebbende, dat
ook zijnen vierden zoon Evert Schutte voormeld ten vorigen jaare 1832 tot den
militie dienst werd geroepen, en de rekwestrant zich volstrekt buiten magte
bevindende om ook voor dezen, bij zijnen onoverwinnelijken tegenzin voor den
militairen stand, eenen plaatsvervanger te kopen, ten dezen geen anderen uitweg
heeft gezien dan om voor dezen zijne betrokkenen derden zoon Hendrik Jan Schutte,
daartegen minder opziende, bij welgemelde militie te doen optreeden, zoals gebeurd. 
Dat zederd dit alzo gebeurde de rekwestrant met de voormelde leeden van zijn
gezin (de verdere mannelijke in hetzelve kunnen ten dezen, als nog te jong van
jaaren zijnde, in geene aanmerking komen) getracht heeft best mogelijk zijne
opgemelde beroepen en bedrijven voor hun zo goed mogelijk bestaan gaande te
houden, zich zijne en der zijnen omstandigheden, bij die des lieven vaderlands,
best mogelijk getroostende; doch dat zijnen voormelden zoon Evert Schutte op
den 9e der vorige maand ongelukkiglijk zijnde komen te sterven; hij
en zijne huisvrouwe daardoor metterdaad zo zeer aangedaan en gedrukt zijn geworden
dat het niet missen kan daardoor aan het onderhouds-bestaan van zich en de hunnen
eenen nieuwen gevoeligen en zwaaren slag toegebragt te zijn; vermeerderd wordende
door de bijzonderheid dat daardoor van de eene zijde een noodzakelijk werkend
lid hebben komen te verliezen, en van de andere zijde nu dit verlies voor hun
word verdubbeld door het gemis tevens en daarbij van hunnen onderwerpelijken
zoon Hendrik Jan Schutte, thans voor zijn overledenen broeder Evert Schutte
voormeld de wapens bij de 7e afdeling infanterie dragende. Dat de
voormelde omstandigheid ja waarlijk voor de rekwestrant en de zijnen ongelukkig
zijnde, en hij buiten magte om alnog door plaatsvervanging de handen van zijnen
betrokkenen zoon Hendrik Jan Schutte voor de uitoeffening van hun bestaan noodigst
zich te recupereeren, bij de verzwaaring van dit ongeluk door het voor hun dubbel
droevigst sterfgeval voormeld, het welk eerder en beter zoude hebben kunnen
worden geleenigd, zo het den voorzeiden zoon in den militie-dienst, waartoe
hij de eigentlijke lotings-plichtige was en waaren, zulks niet te voorzien zijnde,
door zijnen onderwerpelijken broeder Hendrik Jan Schutte is gekomen vervangen
te worden, had mogen treffen. – Alzo de berichtgever geene zwarigheid maakt
ten dezen de dienst Zijner Majesteits bij de omstandigheden des vaderlands,
dit gedogende, voor het accordeeren van het verzoek des rekwestrants bij deeze
te opineeren. Hem daartoe met de zijnen ten zeersten de bekende edelmoedigheid
van hoogst dezelve aanbevelende. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antonie van Riemsdijk.

Nr. 71    Heemse, den 14e februari 1833, brief aan den raad van
administratie van het regiment ligte dragonders nr. 5, in guarnisoen te Deventer:

Voor den persoon van Jan de Wilde, zoon van Frederik de Wilde en van Hermina
Oosterkamp, ingeschrevene voor de nationale militie ter dezer gemeente der klasse
van den loopenden jaare 1833, een certificaat behoevende dat deszelfs broeder
Gerrit de Wilde, loteling voor dezelve militie, der klasse van den jaare 1828
ter gemeente Wierden, en behorende tot de buitengewone ligting van den jaare
1831, is dienende bij het regiment ligte dragonders nr. 5, zo verzoeke U mij
zo spoedig mogelijk zodanig certificaat in overeenstemming met art. 22 der wet
van den 27e april 1820, ingerigt naar het voorschrift van die van
den 8e januari 1817, model litt T, eerste geval, te doen toekomen:
– kunnende, vermits zich bij zijn korps is bevindende, het nummer van het stamboek
niet opgeven. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 72    Heemse, den 15e februari 1833, brief aan den heer controleur
der directe belastingen in de divisie Ommen, te Heemse:

Ik accuseere U bij deze den ontvangst van deszelfs missive van gisteren nr.
65, met het daarbij gevoegde primitive kohier voor de belasting op het personeel,
volgens de wet van den 28e juni 1822, in de gemeente voor het dienstjaar
1833. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 73    Heemse, den 15e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Zich geene zogenaamde huizen van bewaring of van plaatselijke policie in de
gemeente bevindende, zo heb ik de eer, ten gevolge van het gouvernementsbesluit
van den 12e februari 1829, U daarvan bij deze te informeeren, zo
meede van de omstandigheid dat men daartoe, casu quo, gebruik maakt van de policie-gevangenis
in het gemeentehuis der Stad Hardenbergh, het welk door derzelver bestuur in
geen geval wordt verweigerd. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 74    Heemse, den 16e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

De persoon van Hendrikus Hekman, geboren den 5e juni 1807 in de
gemeente Den Ham, en laatstelijk voor zijne uitwijking na buiten het Rijk, als
schaapherder dienstbaar bij den bouwman Willem Timmerman te Bergentheim in deze
gemeente, zoon van Hendrik Jan Hekman en vrouwe Geertje Jansen (beide overleden),
die ten afgelopenen jaare 1832 zich aan de inschrijving en loting voor de schutterij
onttrokken hebbende, door de commissie bij art. 15 der wet van den 11e
april 1827 in overeenkomste van Uw welmeenen bij aanschrijving van den 18e
augustus 1831, zonder loting, ingevolge de bepalingen bij art. 9 derzelve wet,
voor den schutterlijken dienst is gedesigneerd en dien ten gevolge door de commissie
bij art. 11 derzelve wet, aan het hoofd der rollen geplaatst, doch zich tot
hiertoe niet ter inlijving bij de schutterij heeft gefisteerd gehad, zich op
gisteren bij mij vervoegd hebbende om zich alnog, ten gevolge der bepalingen
der wet van den 31e december 1832 en van Uw publicatie van den 14e
der vorige maand, bedoeld sub 2, bij deszelfs besluit van den 16e
aanvolgende, den schutterlijken dienst aan te geven, zo heb ik gemeend denzelven
persoon sustineerende uithoofde der latere afkondiging van Uw voormelde publicatie
in de gemeente, alnog te kunnen reclameeren het effect bij art. 3 der laatstgemelde
wet, bij deze aan U onder geleide van den dienaar van policie en veldwachter
der gemeente te moeten opzenden ter decisie. Verblijvende hiermede onderdanigst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 75    Heemse, den 16e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 13e dezer, nr. 947/607,
heb ik de eer bij deze aan U te adresseeren eene aanvrage om bewijs van voldoening
aan de nationale militie, ten behoeve van Hendrik Esschendal uit de gemeente,
boerenknecht, dienende in de naburige graafschap Bentheim, Koningrijk Hanover,
om te dienen tot vrijwaring tegen de aldaar van regerings-wegen te werk gesteld
wordende vervolgingen omtrend de uit het Koningrijk der Nederlanden voortvluchtige
militie-plichtigen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 76    Heemse, den 16e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb wel ontvangen Uw missive van den 13e dezer, nr. 947/607 met
betrekking tot de wijze van uitgifte van bewijzen van voldoening aan de nationale
militie, schutterij en landstorm, aan zodanige ingezetenen der gemeente, als
in de ons naburige graafschap Bentheim van het Koningrijk Hanover bij particulieren
aldaar dienstbode zijn, ter derzelver vrijwaring tegens de vervolgingen aldaar
actueel van Regerings-wegen te werk gesteld wordende omtrend de voortvluchtige
militie-, schutterij- en landstorm-plichtigen uit dit Rijk, dan U gelieve het
mij ten goede te houden, dat ik de vrijheid neeme, – gelet op den inhoud van
Uwe Excellentie’s dispositie van den 7e september des vorigen
jaars, houdende beschikking op een adres van Egbert Vinke uit de gemeente nopens
zijne inlijving bij de schutterij, mitsgaders op den inhoud van art. 1 der wet
van den 19e december 1832, houdende bepalingen nopens de dienst bij
den landstorm. – nogmaals Uw Excellentie ter onderhavige materie te adieren
met eerbiedige voorstelling van de beide vraagen navolgende. 1. Of het gemeentebestuur
bevoegd zij ten behoeve van zodanige ingezetenen uit de gemeente, die, tot daaraantoe
niet schutterplichtig, voor de epoque in de voormelde graafschap Bentheim van
het Koningrijk Hanover bij particulieren aldaar in dienst waren, en ter derzelver
vrijwaring voor de actuele aldaar van regerings-wegen plaats hebbende vervolgingen
vorenbedoeld, bewijs af te geven van niet-schutterplichtigheid binnen dit Rijk,
heen ter tijd binnen hetzelve metterwoon zullen zijn teruggekeerd? 2. Of het
gemeentebestuur de bevoegdheid hebbe ten behoeve van zodanige ingezetenen uit
de gemeente, die voor de epoque der opschrijving voor den landstorm in dit rijk
in dezelfde graafschap bij particulieren aldaar in dienst waren en alzo ten
gevolge van Uw besluit van den 28e november 1832 niet tijdelijk binnen
de gemeente voor den landstorm zijn opgeschreven geworden ter derzelver gelijke
vrijwaaring, als voormeld, bewijs af te geven van niet-landstormplichtigheid
binnen dit Rijk, heen ter tijd ook metterwoon binnen hetzelve zullen zijn teruggekeerd?
Hebbende mij door de omstandigheid dat in grensgemeenten, zo als deze, de ingezetenen
steeds gewoon waren en nog zijn zich over en weder in particuliere diensten
te stellen, genoopt gevonden de beide voormelde vraagen bij deze aan Uwe Excellentie
voor te stellen en verblijvende, in eerbiedige afwachting van deszelfs welmenen
daaromtrend, onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 77    Heemse, den 18e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer Uwe Excellentie bij deze te informeeren dat de bij deszelfs apostillaire
dispositie van den 16e dezer in mijne handen ten fine van berigt
en consideratien gestelde rekweste, door Hendrik Geerlings, wonende ter Steede
Hardenbergh in dato den 30e der vorige maand aan Z.E. den heer Directeur-generaal
van Oorlog gepresenteerd, en houdende verzoek om onbepaald verlof voor zijnen
zoon Hendrikus Geerlings, schutter wegens dezelve stad, in de 5e
kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile
Overijsselsche Schutterij, dienende, door mij, ten voorschreeven einde, is uitgereikt
geworden aan mijn heer den burgemeester der Stad Hardenbergh. Waarmede aan Uw
Excellentie’s intentie nopens dezelve rekweste voldaan verhoopende, onderdanigst
verblijve. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 78    Heemse, den 18e februari 1833, brief aan den heer administrateur
van ’s Rijks-Hospitaal te Middelburg, provincie Zeeland:

Zwaantjen Lenneps of Lennips, huisvrouwe van Jan Hendrik Tassink, wonende te
Collendoorn in de gemeente, eenige zuster en erfgenaame ab intestato van wijlen
derzelver broeder Hendrik Jan Lenneps of Lennips (bij de natevermeldene acten
van overlijden Hendrik van Lennips), schutter van wegens deze gemeente gediend
hebbende in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der
1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, doch, ingevolge de
omtrend denzelven door den heer Wethouder der Stad Middelburg, belast met de
functien van Officier van den burgerlijken Staat, sub dato den 3e
october des vorigen jaars aan mij geadresseerde acte van overlijden, op den
1e derzelve maand in ’s Rijks-Hospitaal aldaar overleden, zich
aan Z.E. den heer Directeur-Generaal van Oorlog geadresseerd hebbende ter bevordering
der uitgifte aan haar eener somma van drie en twintig guldens, door denzelven
haaren nu wijlen broeder stervende in voorzeide hospitaal zullende zijn nagelaten
en hiertoe door dezelve zijne Excellentie bij dispositie van den 22e
november l.l., nr. 107 gerenvoyeerd geworden zijnde aan den heer administrateur
deszelven hospitaals, ten einde, met productie van een behoorlijk bewijs van
erfregt, van dezen de uitgifte te erlangen der gelden en goederen door haaren
voorzeiden broeder in hetzelve Hospitaal nagelaten voor zo verre geen eigendom
des rijks: zo neem ik verlangende daardoor ten dezen elke nodelooze kosten voor
dezelve te voor te komen, de vrijheid mij voor en ten behoeve derzelve zuster
van den overledenen bij deeze tot U te wenden met verzoek mij wel vooraf te
willen informeeren van den juisten staat der nalatenschap in het Hospitaal meergemeld
van denzelven haaren broeder, ten einde dienna voor den ontvangst daarvan, tevens
met het bewijs van derzelver erfregt, behoorlijk reçu te kunnen afzenden: zullende
het mij bijzonder aangenaam zijn daarbij door U te worden geinformeerd nopens
de meest geschikte wijze van overmaking ten dezen, gelijk mede omtrend den vereischten
form van het verlangd bewijs van erfregt, zo en indien dezelve eenigzints van
de in andere gevallen gewoone mogt komen af te wijken. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh.

Nr. 80    Heemse, den 18e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1822, diend deze ter informatie dat ter secretarie dezer gemeente aangifte is
gedaan van het sterfgeval van Fenne Beeldhouwer, zonder beroep te Heemse, weduwe
van wijlen Lambert Kolkman, in leven dagloner aldaar; hebbende geene minderjarige
erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier
van den burgerlijken staat.

Nr. 83    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1822, diend deze ter informatie dat ter secretarie dezer gemeente aangifte is
gedaan van het sterfgeval van Maria Hannessen, landbouwersche te Heemse, echtgenote
van Hermannus Vinke G.z., gepensioneerd schoolonderwijzer aldaar, hebbende geene
minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
officier van den burgerlijken staat.

Nr. 84    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1822, diend deze ter informatie dat ter secretarie dezer gemeente aangifte is
gedaan van het sterfgeval van Geesjen Vinke, bakkersche te Heemse, weduwe van
wijlen Herm Jan Vinke, in leven bakker aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen
nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den
burgerlijken staat.

Nr. 85    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan de armen-administratiën
der diaconiën van de Hervormden te Hardenbergh en Heemse:

Ik heb de eer bij deze aan Uw armen-administratie te doen toekomen een exemplaar
van het provinciaal blad nr. 23 van den lopenden jaare, bevattende een besluit
van Z.E. den heer gouverneur der provincie, van den 13e dezer, 1e
afd., nr. 613, houdende aanwijzing van eenige handelingen van administratien
van armen, gods- of weeshuizen enz., waartoe authorisatie van gouvernements
wege wordt vereischt; ten einde daarvan kennisse te neemen en zich dien overeenkomstig
te gedragen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 86    Heemse, den 23e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 13e dezer, nr. 947/607,
heb ik de eer bij deze aan U te adresseeren eene aanvrage om bewijs van voldoening
aan de nationale militie, ten behoeve van Hermannus Koes uit de gemeente, boerenknecht,
dienende in de naburige graafschap Bentheim, Koningrijk Hanover, om te dienen
tot vrijwaring tegen de aldaar van regerings-wegen te werk gesteld wordende
vervolgingen omtrend de uit het Koningrijk der Nederlanden voortvluchtige militie-plichtigen.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 87    Heemse, den 24e februari 1833, brief aan den heer burgemeester
der gemeente Den Ham:

De persoon van Hendrikus Hekman uit Uw gemeente en nalatig schutterplichtige
in deze bij de ligting van den afgelopenen jaare 1832, bedoeld bij mijne missive
aan U van den 11e dezer, nr. 65, zich op den 15e aanvolgende
als zodanig bij mij vrijwillig zijnde komen aangeven, is door mij ten dage aanvolgende
aan Z.E. den heer gouverneur der provincie, opgezonden, doch door dezleve Zijne
Excellentie naar Uw gemeente gedaan retourneeren, hien ter tijd door Z.E. den
Minister van Binnenlandsche Zaken, zoude zijn beslist omtrend de politie van
den betrokkenen en meerdere nalatige schutterplichtigen in de provincie, gemerkt
het laatekenbaar worden van de gunstige beschikking omtrend dezelve bij art.
3 der wet van den 31e december 1832, van welken maatregel het dan
mij uit eene missive van Z.E. den heer gouverneur der provincie van den 16e
dezer, ook blijkt dat U door dezelve Zijne Excellentie moet zijn geinformeerd
geworden. En nu dan door meergemelden Zijne Excellentie den heer gouverneur
der provincie, bij deszelfs aanschrijving van den 21e dezer, geinformeerd
wordende van den ten dezen door welgemelde Zijne Excellentie den Minister van
Binnenlandsche Zaken, meede omtrend den onderwerpelijken Hendrikus Hekman genomene
beschikking, zo verzoeke ik U bij deze denzelven persoon, zich thans in Uwe
gemeente onthoudende, wel door den dienaar van policie of veldwachter derzelve
daarvan te willen doen kennis dragen en denzelven gelasten zich onverwijld en
met den meesten spoed bij mij te vervoegen, ten einde voor den dienst bij de
schutterij op de gewoone wijze naar het depot der 12e afdeling infanterie
te worden gedirigeerd, of voor zich eenen plaatsvervanger verkiezende te stellen
of wegens ligchaams-gebreken moetende worden gekeurd, daaromtrend mijne aanwijzingen
te ontvangen: U onder betuiging mijner wederkerige dienstbereidwilligheid verzoekende
mij wel den ontvangst dezer te accuseeren, als voor den 28e dezer
Z.E. den heer gouverneur der provincie moetende informeeren van het ten dezen
door mij uitgevoerde. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 88    Heemse, den 25e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van
den 13e dezer, 1e afd., nr. 940 in mijne handen, ten fine
van rapport te stellen, eene door mijn heer deszelfs ambtgenoot in de provincie
Groningen aan Uwe Excellentie geadresseerde missive van den 19e der
vorige maand, nr. 6a, met het daarbij gevoegde rapport daaromtrend van den heer
burgemeester der gemeente Vriesenveen ter dezer provincie van den 9e
dezer, nr. 29, door Uwe Excellentie bij gelijke dispositie van den 2e
bevorens, 1e afd., nr. 427, gerekwireerd, beide raakende het onderhoud
van Eliszabeth Ninteman, weduwe van wijlen Christoffer Wirtz en derzelver bij
welgemelde missive genoemde kinderen, ter gemeente Oude-Pekel-A in de provincie
Groningen voornoemd, zo heb ik de eer daartoe, onder retour derzelve stukken,
bij deze te doen dienen. Dat het ter secretarie dezer gemeente blijkt dat de
voormelde Christoffer Wirtz (zo als alhier in de registers van den burgerlijken
staat paroisseerd) of Wirts, ook Weeres of Wieres, binnen dezelve in denzelver
buurtschap Bergentheim in den loop der jaaren 1820, 1821, 1822 en 1823 (dragende
men van de juiste epoque zijner aankomst in- en vertrek uit dezelve Ao 1820
en 1823 geene kennis) als grensjager is gestationeerd geweest en in die kwaliteit
aldaar heeft dienst gedaan ter surveillering van ’s Rijks-Middelen, alsmeede
dat hem aldaar op den 6e april 1822 uit voornoemde zijne huisvrouwe
een kind van het vrouwelijk geslacht is geboren geworden aan het welk de voornamen
van Maria Helena gegeven heeft; zijnde dan ook onder den naam van C. Wieres
ter dezer gemeente ten opgemelde jaaren in den personeelen of hoofdelijken omslag
voor dezelve mitsgaders op het kohier van schoolgelden en van den omslag voor
het schoolfonds voor de drie laatsten derzelve aangeslagen geworden, doch heeft
hij van deeze zijne aanslagen voor de eerstgenoemde belasting slechts die van
1820 en 1821 en voor de laatstgemelde die van 1821 en 1822 gekweeten, terwijl
wegens de eerstgenoemde derzelve gemeenteljike lasten zijn kwota’s over
1822 en 1823 en wegens de laatsgemelde derzelve die over 1823 zijn onvoldaan
gebleven en den ontvanger der gemeente bij zijne comptabele rekeningen over
dezelve jaaren als oninvorderbaar in remissie hebben moeten worden geleden.
Dat het den rapportant, even als zijnen ambtgenoot den heer burgemeester der
gemeente Vriesenveen, ja waarlijk vreemd voorkomt, dat men de geboorteplaats
van Christoffer Wirtz niet heeft kunnen ontdekken, niet zo zeer uithoofde der
door denzelven heer burgemeester bij zijn opgemelde rapport aangevoerde redenen,
dat, daar hij gepensioneerd was geweest en bij het verleenen van pensioens-acten
of bij het inschrijven der pensioenen eene geboorte-acte of doopcedul wierd
gevorderd ofte immers zodanige acte welke de geboorte-acte wettig konde vervangen,
waarvan in de pensioens-acten (te weeten van den tijd van geboorte) werd melding
gemaakt, maar omdat toch zonder twijffel de juiste plaats der geboorte van den
betrokkenen op te sporen is in de controles of stamboeken van de onderscheidene
korpsen, waarbij dit Rijk, het voormalig koningrijk Holland of de vroegere Bataafsche
Republiek en die der vereenigde Nederlanden heeft gediend gehad, en zeker bij
de Ministeriën van Finantien voor zo verre het gewezen korps grensjagers betreft
en bij de Generale Directie van Oorlog, voor zoverre de vroegere regimenten
of brigades aangaat, daartoe alnog in te zien; terwijl het den rapportant, die
veelmalen, ja vast altijd, de oude militairen van staaten van dienst gemanieerd
zag, ook geentzints zoude verwonderen dat zijne weduwe nog wel bezitter van
zodanigen staat van dienst waare. Dat de rapportant dan onder de voormelde omstandigheden
de wet van den 28e november 1818 houdende bepalingen tot aanwijzing
der plaats waar de behoeftigen in den algemeenen onderstand deelen kunen, ter
hand neemende, niet zien kan, dat deeze gemeente verplicht is te continueren
in de voortaane onderhouding der opgedagte weduwe en kinderen van den betrokkenen
C. Wirtz; ten dezen meede ten reguarde dezer gemeente het Ambt Hardenbergh,
mijn heer den burgemeester der gemeente Vriesenveen in zijn rapport voorschreeven
bijstemmende, dat, – naar de bepalingen bij de wet voorschreven, de gemeente
in welke een behoeftige in den algemeenen onderstand deelen kan, die zijner
geboorte zijnde, ten waare gedurende vier achtereenvolgende jaaren in eene andere
dan die zijner geboorte gewoond hebbe en aldaar gedurende denzelfden tijd al
de hem opgelegde belastingen voldaan, mitsgaders het domicilie van onderstand
voor de weduwen, dat haarer mannen en voor (in echte geboren) minderjarigen,
dat van hunne vader, – beide gemeentens bij het niet overlijden van vader en
moeder beide ne het niet meerderjarig zijn van de verdere onderstand behoevenden
tot nietwes zijn gehouden, en alzo ten dezen billijk en te recht concluderende
dat deze gemeente opzichtelijk den verlangden voortaanen onderstand niet als
meede-plichtschuldig kan worden gehouden, zelfs niet ten reguarde der voormelde
op den 6e april 1822 in de gemeente geboorene Maria Helena Wirtz,
als, zo als voorzeid, het domicilie van onderstand haares vaders volgende. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 89    Heemse, den 25e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen daaromtrend bij deszelfs aanschrijving van
den 4e april 1832, heb ik de eer Uwe Excellentie bij deeze te informeeren
dat tot en met heeden geene inschrijvingen ter secretarie der gemeente zijn
gedaan in de daarbij bedoelde provinciale geldleeningen ten behoeve van den
straatweg van Zwolle over Heino, Raalte, Wierden, Almelo en Borne na Hengelo.
Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 90    Heemse, den 27e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Na den ontvangst van Uw Excellentie’s missive van den 21e dezer,
1e afd., nr. 1043 mij bij de mijne van den 24e aanvolgende,
nr. 87, aan mijn heer den burgemeester der gemeente Den Ham geadresseerd hebbende
met verzoek om den betrokkenen persoon van Hendrikus Hekman, zich zederd Uwe
Excellentie’s aanschrijving van den 16e dezer, 1e
afd., nr. 1035/639 in deszelfs gemeente bevindende, van den inhoud derzelven
Uwe Excellentie’s missive voorlopig te informeeren en voorts denzelven
te doen aanzeggen om zich onverwijld ter verdere kennisneeming daaromtrend bij
mij te komen aanmelden, – zo heeft dan dezelve zich daartoe zo straks bij mij
vervoegd; en nu dan dezelve Hendrikus Hekman, die niet verlangde voor zich eenen
plaatsvervanger in de schutterlijken dienst te stellen, door den heer F.W. van
Riemsdijk, medicinae doctor enz. ter Steede Hardenbergh bij deliberatie van
den raad der gemeente van den 23e mei 1832 toegevoegd aan de Commissie
in de gemeente bij art. 15 der wet van den 11e april 1827 als geschikt
voor denzelven dienst bevonden zijnde, zo heb ik hem bij eene schriftelijke
order gemunieerd met eenen extract-staat, als bij Uwe Excellentie’s besluit
van den 19e januari des vorigen jaars, 1e afd., nr. 10/105
gelast om zich op vrijdag den 1e maart aanstaande over Raalte, Deventer
en Zutphen na het depot battaillon der 12e afdeeling infanterie te
Doesburg op marsch te begeven, ten einde bij hetzelve te worden gekleed, gewapend
en op het 2e battaillon der 1e afdeeling Overijsselsche
Schutterij gedirigeerd; zich bij zijne aankomst aldaar dadelijk aanmeldende
bij den commanderenden officier van voorschreeven depot-battaillon of mijn heer
den plaatselijken kommandant en wezende voorts door mij aan den betrokkenen
ter hand gesteld f. 1,05 om daarmeede in zijne nachtkwartieren en voedings-kosten
te Raalte, Deventer en Zutphen te voorzien. Uwe Excellentie dan alzo bij deze
van den afloop dezer zaak eerbiedigst informeerende, zo verblijve gehoorzaamst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 91    Heemse, den 27e februari 1833, brief aan den heer commanderenden
officier van het depot-battaillon der 12e afdeling infanterie in
guarnisoen te Doesburg:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen eenen nominativen-staat der manschappen
(schutter-plichtigen uit de gemeente voor den dienst van den jaare 1832) ingevolge
art. 25 der wet van den 11e april 1827, in der tijd bestemd, zo ter
daarstelling van het 1/5e van het contingent der gemeente, ten opgemelden
jaare van hetzelve tot de reserve overgegaan, als ter aanvulling van de bij
hetzelve door vrijstellingen, ontslag of overlijden opengevallene schuttersplaatsen,
– en gedestineerd geweest om, ingevolge de besluiten van Z.E. den heer gouverneur
der provincie, van den 13e september 1832, 1e afd., nr.
3642 en 3650 op den 19e september 1832, ter derzelve verzamelplaats
Zwolle afgelverd en overgegeven te worden aan den daartoe bij laatstgemelde
besluit aangewezenen heer 1e lieutenant H.J. Venema met informatie
dat de thans daarop alleenlijk voorkomend persoon van Hendrikus Hekman, wiens
positie in betrekking tot de schutterij in de kolom van aanmerkingen van denzelven
staat te erzien, door mij op heden ten gevolge eener aanschrijving van Z.E.
den heer gouverneur der provincie, van den 21e dezer, 1e
afd., nr. 1043/713 is gelast geworden zich naar het door U gecommandeerd wordende
depot battaillon der 12e afdeling infanterie te Doesburg over Raalte,
Deventer en Zutphen op marsch te begeven ten einde bij hetzelve te worden gekleed,
gewapend en vervolgens op het 2e battaillon der 1e afdeeling
mobile Overijsselsche Schutterij gedirigeerd; wezende daartoe vorozien zo van
mijne schriftelijke order, aan welke door mij is geannecteerd geworden bij besluit
van welgemelde Zijne Excellentie van den 19e januari 1832, gevorderde
extract-staat, als van eene summa van f. 1,05 voor voedings- en logis-kosten
ter voormelde inkwartieringsplaatzen. Verzoekende voorts U mij wel na het arrivement
van den bedoelden persoon te Doesburg, daarvan te willen doen verzekeren. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 92    Heemse, den 27e februari 1833, brief aan den heer commanderende
officier van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile
Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd in het voormalig Staats-Vlaanderen:

Voor den persoon van Hendrik Bakhuis, zoon van Jannes Bakhuis en van Janna
Jansen, ingeschrevene voor de nationale militie ter dezer gemeente in de klasse
van den lopenden jaare 1833, een attest behoevende, dat Jan Bakhuis of Wesselink,
voor deze gemeente, als schutter is dienende bij de 5e kompagnie
van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche
Schutterij en zulks ten einde voor denzelven daarop het effect van vrijstelling
van den dienst bij dezelve militie, overeenkomstig de bepalingen bij art. 9
der wet van den 29e november 1830 te erlangen, zo verzoeke U mij
wel zodanig U mij wel zodanig certificaat van activiteit van dienst van denzelven
Jan Bakhuis of Wesselink met den meesten spoed (als moetende daarvan op den
16e der volgende maand gebruik worden gemaakt) te doen toekomen.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 94    Heemse, den 28e februari 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Naar aanleiding van het gouvernementsbesluit van den 24e maart 1821
heb ik de eer U bij deze gehoorzaamst te informeeren dat in deeze maand ter
zaake van contraventien wegens het niet gebruiken der nieuwe maten en gewigten
geene proces-verbaalen door de daartoe gelastte beambten zijn opgemaakt en aan
de justitie verzonden; zijnde er tevens ook geene klagten bij mij ingekomen
ter zaake van derzelver bestaande invoering. En hiermeede beveeld zich Uw Excellentie
gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur
van Ambt Hardenberg,
beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende
den 26e augustus 1833.

Nr. 95    Heemse, den 2e maart 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van
den 23e der vorige maand, 1e afd. nr. 1105, in mijne handen,
ten fine van bergit en consideratien te stellen, de hiernevens teruggaande rekweste
door eenen Jan de Jager, bedelaar-kolonist in het etablissement der Maatschappij
van Weldadigheid aan de Ommerschans, vroeger temporier-ingezeten dezer gemeente,
in dato den 11e der vorige aan Z.E. den heer Minister van Binnenlandsche
Zaaken, gepresenteerd en houdende, om daarbij aangevoerde redenen, verzoek om
ontslag voor hem en zijne familie uit hetzelve etablissement, – zo heb ik de
eer daartoe bij deeze te doen dienen: dat de bedoelde Jan de Jager en gezin
dezelfde persoonen zijn als bedoeld bij de missives van het bestuur dezer gemeente
aan Uwe Excellentie (waartoe ten dezen eerbiedige relatei) van den 9e
mei en 15e september des vorigen jaars, nr. 263 en 436. Dat dezelve
persoon of persoonen, na zich ten jaare 1827 van uit de provincie Drenthe ter
dezer gemeente in derzelver marke Lutten in de richting van de zogenaamde Dedemsvaart
te hebben nedergeslagen, in het eerst weliswaar aldaar voor zich op eene behoorlijke
wijze den kosten hebben zoeken te winnen zo met bezembinden, als onderscheidene
andere verrichtingen van veld- en veenarbeid, zo dat op derzelver gedrag en
vlijt niets aan te merken viel; bestaande weliswaar soberst, doch zich in dezen
hunnen soberen toestand best mogelijk generende en niemand lastig vallende.
Dat intussen zich een der zoonen van den betrokkenen Jan de Jager als plaatsvervanger
bij de nationale militie hebbende komen te engageeren, voor zekeren Albert Odink
te Collendoorn in de gemeente, en voor de betrokkene en zijn gezin daaruit voordeelen
voor hun bestaan voortgevloeid zijnde, zulks van nadeeligen invloed is komen
zijn op derzelver vroegeren werkzamen vlijt. Dat althans, na de absorptie van
voorschreevene toevallige ruimere bestaansmiddelen, zich de omstandigheden des
rekwestrants en de zijnen aanmerkelijk hebbende komen te verzwaaren en dezelve
zich minder, als te voren, belust gevoelende daartegen door vlijtigen handen-arbeid
te voorzien, de rekwestrant ten dezen alleen schijnd uitgezien te hebben naar
eene minder vermoeijende en gemakkelijkere uitkomst, en, op het voorbeeld van
zo veele het platteland onder den dekmantel van negotie aflopende bedelaars,
die zeker ook al nu en dan zijn afgelegene woning voor nachtverblijf enz. kwamen
bezoeken, dezelve heeft getracht te vinden in de bewandeling met de zijnen van
een gelijk spoor, hun, door het neemen van een weinig kostend patent ter uitoeffening
hunner gewaande negotie, bij derzelver hoofdberoep, de schandelijke bedelarij,
tegens de vervolingen der dienaren van policie en veldwachters veelal komende
te beveiligen: en is het den betrokkenen dan alzo ook gelukt ten jaare 1831
ter deze gemeente van patent te worden voorzien, zonder dat de berichtgever
van zijne primaire pogingen daartoe bij den ontvanger der gemeente is komen
kennisse te dragen. Dat intusschen de berichtgever inmiddels onderricht geworden
zijnde van den gang, die de betrokkene en gezin met hetzelve patent, speciaal
in de naburige provincie Drenthe, heinde en verre, voornamentlijk bedelende,
ging volgende, het voor zijnen plicht heeft geacht deze schandelijke handelwijze
derzelve te moeten te keer gaan, en daartoe ja waarlijk aan den betrokkenen
ten afgelopenen jaare de uitgifte van een vernieuwd patent heeft verweijgerd,
hem daarvan persoonlijk de redenen afgevende met recommanditie om zijn vroeger
beroepsbestaan te hervatten; doch dat hij, zulks ter secretarie der gemeente
gebeurende, van daar onvergenoegd is heen gegaan, met de bedreiging van deswegens
bij de hogere authoriteit te zullen klagen. Dat dan hierop de rekwestrant ook
zonder van patent te zijn voorzien, met de zijnen zijn vroegere togten in de
voorzeide provincie Drenthe hervat hebbende en zich aldaar aan de hun nu reeds
eigene bedelarij schuldig moetende gemaakt hebben, zij aldaar zijn gearresteerd
en naar het koloniaal bedelaarsgesticht aan de Ommerschans vervoerd geworden.
Dat de berichtgever zich weliswaar verheugd dat de rekwestrant en de zijnen
aldaar tot vlijtige arbeidzaamheid zullen zijn teruggekeerd, doch in allen gevalle
twijffelen zoude aan de duurzaamheid daarvan bij derzelver zo spoedige terugkeer
buiten dwang in de Maatschappij; ten dezen alzo voor consideratie niets anders
kunnen zeggen, dan dat de beslissing daaromtrend voor alsnog alleen aan de directie
van het gesticht, waarin zich actueel bevinden, zal moeten worden overgelaaten;
zullende het echter de berichtgever, bij de vrees dat hunne latere levenswijs
nog niet mogen zijn ontwend, even zo weinig als zeker ook het gros zijner gemeente
leed doen, dat bij relaxatie, zich nimmer wederom binnen dezelve komen te vestigen;
integendeel grotelijks te vreeden zijn, dat alsdan hunne vroegere verblijven
ter provincie Drenthe, Groningen of Friesland zullen komen herzoeken. Verblijvende
hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 96    Heemse, den 3e maart 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Aan mijn berigt en consideratien in dato gisteren nr. 95 aan Uwe Excellentie
omtrend de daarbij bedoelde rekweste, door Jan de Jager, bedelaarskolonist in
het etablissement der Maatschappij van Weldadigheid in dato den 11e
dezer aan Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaaken, gepraesenteerd, dezelve
rekweste vergeeten zijnde toetevoegen, zo heb ik de eer dezelve bij deeze te
overzenden. Uw Excellentie verzoekende om zo en indien bij abuis bij hetzelve
berigt en consideratien eenig ander stuk mog zijn ingeslooten geworden, mij
wel het zelve te willen doen retourneeren. Verblijvende daartoe eerbiedigst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 97    Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den heer ontvanger
der rechten van successie en van overgang door overlijden, in het ressort Ommen,
te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari
1818, 2e divisie nr. 43, overzende U bij dezen de sterflijst voor
deeze gemeente over de afgelopene maand februari deezes jaars. Voegende hierbij
ingevolge besluiten van Z.E. den heer gouverneur der provincie van den 14e
januari en 7e maart des vorigen jaars, 3e afd., nr. 25
en 56/130 de memoriën van aangiften en certificaat van onvermogen betrekkelijk
de nalatenschappen van Evert Schutte, Evertjen Vrijlink, Roelof Bakhuis en Derk
Espeldoorn, in de voorlaatste maand overleden en onder de doden op de sterflijst
van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 98    Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den heer Vrederegter
des Kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1828 diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente aangifte
is gedaan van het sterfgeval van Grietjen Brinkhuis, landbouwersche te Baalder,
weduwe van wijlen Lucas Stroeve in leven landbouwer aldaar; hebbende geene minderjarige
erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh; officier
van den burgerlijke staat.

Nr. 99    Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge en ter voldoening aan deszelfs apostillaire dispositie van den
23e der vorigen maand, 1e afd., nr. 1120, heb ik de eer
bij deeze van berigt en consideratiën te dienen op eene in dato den 11e
der vorige maand aan Zijne Majesteit den Koning, door Dina Schepers, huisvrouwe
van Hendrik Oldemeijer, landbouwers te Brucht in de gemeente, gepraesenteerde
rekweste, houdende verzoek om onbepaald of bepaald verlof uit den schutterlijken
dienst, en daartoe eerbiedigst te doen strekken. Dat de rekwestrante en haaren
eheman niet behoren onder de zo veele ingezetenen dezer gemeente die ten einde
zich aan de 1e cathegorie van schutters te onttrekken, na de epoque
van de mobiliseering der schutterijen, in echte zijn komen te begeven en ten
dezen, – de bij de rekweste naar waarheid opgegevene omstandigheid, dat den
laatste desniettemin bij absorptie derzelve 1e wetscathegorie (uithoofde
der veele sterftens onder de schutters in het 5e district der provincie
Zeeland gestationeerd) ondanks zijnen gehuwden staat nog voor deze gemeente
ten vorigen jaare 1832 als schutter bij de 1e kompagnie van het 2e
battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij heeft
moeten komen op te treeden, – alle consideratie zijn verdienende. Dat hier thans
bijkomt, dat de rekwestrante een eigen plaatsjen bemeijerende, zij daartoe voor
zich niet alleen buiten staat is, maar ook niet mij magte daartoe zich van anderen
vreemden handenarbeid te voorzien, moetende althans nu geheel en al afzien van
de voor den landlieden in de marke Brucht zo voordelige veenboekweitculture,
waaraan immers voor haar persoon in geenen deele te denken. Dat ook de ondersteuning
die de rekwestrante in dezelver omstandigheden actueel uit het fonds van ondersteuning
behoevende schutterlijke betrekkingen in de gemeente is trekkende, alleen voor
der rekwestrants persoonlijke behoefte is berekend en geentzints sufficient
om derzelver geheelen beroep-omvang gaande te houden. Dat het alzo voor de rekwestrante,
ofschoon dan ook op dit moment gelukkiglijk met geen onderhoud van kinderen
bezwaard, evenals voor haaren echtgenoot van groot belang zoude zijn, indien
de dienst van Zijne Majesteit mogte gedogen dat met bepaald verlof, telkens
bij voortdurende behoefte op de certificatie van den berichtgever, na tijdelijke
aanvrage daartoe bij de bevoegde authoriteit, te verlangen, ten zijnent konde
retourneeren ter instandhouding en voortzetting van hun vroeger beroepsbestaan,
en deeze derhalven de hiervoren opgegevene consideranda volgende, dan bij deze
opineerende voor het accordeeren van zodanig verlof van den echtgenoot der rekwestrante.
Verblijvende hiermede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 100  Heemse, den 4e maart 1833, brief aan den Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Onder retour der hiernevens gevoegde, door Thijes Stegeman, landbouwer te Brucht
in de gemeente, in dato den 11e der vorige maand aan Zijne Majesteit
den Koning, gepresenteerde rekweste, houdende verzoek om onbepaald of bepaald
verlof uit den schutterlijken dienst voor zijnen Derk Jan Stegeman, in de 5e
kompagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile
Overijsselsche Schutterij, – waaromtrend mijn berigt en consideratien is gerekwireerd
geworden bij Uwe Excellentie’s apostillaire dispositie in dato 29e
februari l.l., nr. 1152, heb ik de eer daartoe bij deze te doen dienen. Dat
de positien door den rekwestrant bij de onderwerpelijke rekweste op- een aangegeven,
ten reguarde van hem zelven, als ten opzichte van zijn gezin, waaronder dan
de voormelde schutter Derk Jan Stegeman, zijnen eenigen zoon, overeenkomstig
de waarheid zijn. Dat ook de finantieele omstandigheden des rekwestrants en
der zijnen zodanig zijn, dat, zonder dezelve eenen onherstelbaren slag toe te
brengen, buiten staat waren en alnog zijn bevindende om voor den betrokkenen
schutter eenen plaatsvervanger in den schutterlijken dienst te stellen. Dat
hij bij den onvoorzienen langeren duur van den dienst der gemobiliseerde schutterijen
ook onwedersprekelijk is, dat niet het landbouwend beroep des rekwestrants en
der zijnen daaronder, speciaal ook bij de bijzondere omstandigheden van des
rekwestrants huisvrouwe en van de eene zijner dogters, en bij zijne eigene reeds
zo verre gevorderde jaaren, grotelijks zoude komen te lijden, als gaande notoir
bij het ontbreeken van hetzelve om een werkzaam lid der famille en van deezer
nog jeugdige en krachtvolle handen, met elken dag hoe langer, hoe meerder agter
uit. Dat zeker bij deze thans kennelijke situatie het voorkomt, dat des rekwestrants
onderwerpelijk verzoek geene onbillijkheid in zich bevat zo en indien maar het
toestaan van hetzelve aan een te brengen is met het belang van Zijner Majesteits
Dienst, vroeger althans ook in deze gemeente gelijke gunstige concessiën bij
wijze van bepaald verlof aan anderen te accordeeren toegelaten hebbende, op
den voet, speciaal ten opzichte van de tijdes veerlengingswijze van hetzelve,
als door den rekwestrant bij zijne rekweste ontvoudt. Neemende berichtgever
dan de vrijheid bij deze te opineeren voor het accordeeren van het verzoek des
rekwestrants voor zoverre het daarbij gevraagde bepaald verlof voor zijnen betrokkenen
zoon D.J. Stegeman aangaat en zulks met en onder de bepalingen omtrend de tijdelijke
wijze van verlenging van hetzelve, als bij de rekweste, ten gevolge der daarbij
aangehaalde dispositiën van H.H.E.E. den Minister van Binnenlandsche Zaaken
en Directeur-generaal van Oorlog van den 27e juni en 14e
october 1832 geëlargeerd. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 101  Heemse, den 6e maart 1833, brief aan den Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs circulaire van den 23e der vorige maand,
1e afd., nr. 765, door mij, na voorschrift sub 2 bij dezelve, opgemaakt
geworden zijnde de nominative lijsten van het personeel der landstorms in de
gemeente, en tot hier mijn heer den kommandant niet kennende, aan wien het bevel
over het battaillon in het kanton Hardenbergh te huis horende, is opgedragen
geworden, zo heb ik de eer Uwe Excellentie deze omstandigheid bij deze te communiceeren
met verzoek mij wel te informeeren waar ter plaatse en aan welken persoon aldaar
dezelve lijsten voor den 10e zal hebben over te maken. Verblijvende
hiertoe onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 103  Heemse, den 8e maart 1833, brief aan den heer burgemeester
der Stad ’s-Hertogenbosch (provincie Noord-Brabant):

Bij dispositie van Hun Edel Groot Achtbaren, de heeren Gedeputeerde Staaten
dezer provincie van den 1e november des vorigen jaars, 1e
afd., nr. 2181/1621, mij toegezonden geworden zijnde een afschrift van Zijner
Majesteits Besluit van den 24e october bevorens, nr. 45, waarbij
Hoogst dezelve heeft goedgevonden en verstaan te verklaaren, dat door de Stad
’s-Hertogenbosch aan deze gemeente Ambt Hardenbergh moet worden teruggegeven
eene som van zes en dertig guldens en vijf en twintig cents, wegens uitgeschotene
verplegingskosten van het bij hetzelve besluit vermelde gezin van J. Middelkoop,
onverminderd haar regt van verhaal op zodanige andere gemeente, als men te ’s-Hertogenbosch
mogte kunnen opspooren daartoe gehouden te weezen; zo houde Uw Edel Achtbare
het mij ten goeden, dat, in de veronderstelling dat zeker ook te zijner tijd
een soortgelijke fschrifte aan Uw Edel Achtbare van wegen Hun Edel Groot Achtbaren,
de heeren Gedeputeerde Staten der provincie Noord-Brabant, zal zijn overgemaakt
geworden, mij zeer verwondere tot hiertoe niets van Uw Edel Achtbaare nopens
de realisatie der bedoelde restitutie heb vernoomen: Uw Edel Achtbare bij deze
ter afdoening dezer nu reeds te lang vertraagde zaak, zo uithoofde der onderlinge
plaatselijke afgelegendheid als om de moeilijkheid van behoorlijke kwijting
ten dezen proponeerende om de voormelde somma, het zij in geld of in geldswaardens,
franco over te maken of te doen ter hand stellen aan mijnen zoon C.J. van Riemsdijk,
student in de theologie aan de Hoogeschool te Leiden en aldaar bij den heer
A. Scholten, slijter in sterke dranken op de Lange Brug, om de hoek van de Kost-Steeg
wonende, die Uw Edel Achtbare dan daarvoor namens mij op den door Uw Edel Achtbaren
verlangd wordenden voet kwiteeren zal. Ofschoon dan ook niet twijffele, dat
Uw Edel Achtbare deze mijne propositie agreëere, verzoek intusschen daaromtrend
per eerste post deszelfs aveu te mogen verneemen ten einde ook daaromtrend de
vereischte informatie aan mijnen bedoelden zoon te kunnen doen toekomen. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 104  Heemse, den 8e maart 1833, brief aan den heer luitenant-kolonel,
commanderende de 1e afdeling mobile Schutterij van Overijssel in
het 5e district der provincie Zeeland, te Axel:

Door U, ingevolge magtiging van het Departement van Oorlog, d.d. 19 december
des vorigen jaars, nr. 41, op den 31e derzelve maand, wegens ligchaamsgebreken
en daaruit voortvloeijende ongeschiktheid voor den dienst, ontslag verleend
geworden zijnde aan Albert van den Kamp, schutter bij de 5e kompagnie
van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile schutterij
van Overijssel, en herkomstig uit deze gemeente, en dezes broeder Jan Hermen
van den Kamp, loteling voor de Nationale Militie, van de klasse van 1832, hebbende
bij de loting getrokken het dienstpligtig nr. 38, doch wezende ten zelfden jaare
door den Militie-Raad in de provincie ter deszelfs 2e zitting op
den 6e april van dat jaar voor een jaar, uit hoofde van den Schutterlijken
Dienst zijnes broeders voorschreeven van dien bij de militie vrijgesteld, –
ten dezen Jaare bij welgemelde Militie-Raad ter deszelfs 1e zitting
op den 8e der vorige maand, naar aanbeveling en op grond der bepalingen
bij art. 4 der wet van den 31e december 1832 in verband beschouwd
tot art. 94 m.m. der wet van den 8e januari 1817 en art. 22 en 24
der wet van den 27e april 1820 niet hebbende kunnen slaagen eene
gelijke en voortdurende eenjarige vrijstelling van den dienst te erlangen, uit
hoofde bij voorschreeven U Wel Edel Gestrenge’s aan zijnen voorzeiden broeder
Albert van den Kamp verleende ontslag niet waare vermeld geworden dat dezes
bedoelde ligchaams-gebreeken en daaruit voortvloeijende ongeschiktheid voor
den dienst door hem in of gedurende dien dienst zelve zoude zijn bekomen, zo
neem ik de vrijheid; – mij van de waarheid daaromtrend zelve (ook in mijne kwaliteit
van medicinae doctor) volkomen overtuigd houdende, als hebbende den betrokkenen
schutter volkomen welvarend en gezond deze gemeente verlaten, en zijnde persoonlijk
in dien toestand door mij op den 24e en 25e februari 1831
na de verzamelplaats Deventer begeleid geworden en ten laatstgemelden dage aldaar
aan den heer majoor Meijer, zijn battaillon commanderende, overgeleverd, – daaromtrend
in het belang des betrokkenen en zijner familie bij deze U nadere en spoedige
certificatie, na de bij zijn voormalig battaillon te werk gedaan stellen onderzoek,
te verzoeken. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 105  Heemse, den 10e maart 1833, brief aan den heer W. Swam,
commanderende het 7e battaillon landstorm in de provincie Overijssel,
te Gramsbergen:

Bij eene op gisteren avond bij mij ontvangene missive van Z.E. den heer Gouverneur
der Provincie, van den 7e dezer, 1e afd., nr. 1379/928,
geinformeerd wordende van deszelfs benoeming tot kommandant van het battaillon
landstorm, waartoe de manschappen dezer gemeente behoren, zo heb ik de eer bij
deze ten gevolge van welgemelde Zijner Excellentie’s circulaire van den 23e
der vorige maand, 1e afd., nr. 765, aan U Wel Edel Gestrenge te adresseeren
de nominative staaten derzelve manschappen, 1e en 2e klasse.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 106  Heemse, den 11e maart 1833, brief aan den heer Vrederegter
des Kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie dezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Frans Bouck, landbouwer te Slagharen,
echtgenoot van Engel Oosterman, landbouwersche aldaar, hebbende minderjarige
erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier
van den burgerlijken staat.

Nr. 107  Heemse, den 15e maart 1833, brief aan den heer Schoolopziener
van het 5e district in de Provincie Overijssel, te Archem bij Ommen:

Ten fine van deszelfs consideratien heb ik de eer bij deze, naar aanleiding
eener bij mij sub dato den 27e augustus 1821, 2e div.,
nr. 673 (epoque van den bouw der nieuwe school te Collendoorn) ontvangen aanschrijving
van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie Overijssel, aan U te overzenden het
bij den raad dezer gemeente op heeden ontworpene bestek en conditien voor den
aanbouw eener nieuwe school ter buurtschap Radewijk in de gemeente, met de daartoe
specteerende platte grond-teekening; solliciteerende dezelve stukken ten spoedigsten
van U terug te mogen ontvangen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 108  Heemse, den 16e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uw Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van
den 8e dezer, 1e afd., nr. 1382, in mijne handen, ten
fine van berigt en consideratien, te stellen de hierbij, met de daarbij gevoegde
stukken, teruggaande missive d.d. 5 dezer aan Uw Excellentie van J.J. Meij,
commis te voet van de 4e klasse, gestationeerd op de zogenaamde Kloosterhaar
ter buurtschap Sibculo in de gemeente, heeft de eer daartoe te doen dienen:
Dat ik mij niet herinner ooit door denzelven J.J. Meij gesprooken te zijn over
den onderwerpe bij dezelve zijne missive. Dat het mogelijk is dat ten dezen
heeft geconsuleerd den Officier van den civilen staat der gemeente alwaar de
persoone, met welke wenscht zich in huwelijk te begeven is wonende; zullende
dan, zo als bij informatie verneemen moeten zijn zijn geweest mijn heer den
burgemeester der gemeente Tubbergen of mijn heer den burgemeester der gemeente
Vriesenveen, onder welke laatste dan eigentlijk de briefschrijver zelfs ook,
ofschoon aan en in die nabijheid der grenzen der gemeente, op dit moment woonachtig
is, ten gevolge, dat, naar aanleiding der bepalingen bij art. 165 van het Burgerlijk
Wetboek, zijn voorgenomen huwelijk, uit dien hoofde zelfs niet ter dezer gemeente
zal kunnen of mogen worden voltrokken. Dat het intusschen, welken officier van
den civilen staat dan ook de briefschrijver moge hebben geconsuleerd, voorkomt,
dat door dezen ingevolge de bepalingen bij art. 197 der wet van den 8e
januari 1817 en van het gouvernementsbesluit van den 27e februari
1825, nr. 178, te regt zwarigheid is gemaakt geworden om hem in ondertrouw op
te neemen zonder het aan dezen bij behoorlijk bewijs werd gedaan blijken, dat
de briefschrijver aan de verplichtingen die ten aanzien der nationale militie
op den zelven mogt berust hebben, tot dat ogenblik had voldaan. Immers de briefschrijver
is na den jaare 1793 (gouvernementsbesluit van den 29e juli 1825,
3e div., nr. 449) geboren en had, ingevolge den uitdrukkelijken letter
van art. 51 van voormelde wet van den 8e januari 1817 te zijner tijd
anno 1817 niet alleen aan de inschrijving en looting voor de nationale militie
(1e klasse) ter plaatse van zijn bij de wet aangegeven domicilie
moeten deel neemen, maar bleef ook vervolgens en ondanks de gunstige beschikkingen
bij de wet van den 21e december 1824 de verzuimingen antorieur aan
de wet van den 8e januari 1817 specteerende ten einde van den dienst
bij dezelve, naar aanleiding der bepalingen bij art. 94 q.q. derzelve wet, telkens
voor een jaar te worden vrijgesteld, aan hetzelve zijn domicilie gedurende de
verdere jaaren zijner militie-plichtigheid met betrekking tot dezelve verbonden.
Dat alzo alhier van zijde des briefschrijvers ofte der zijnen een verzuim bestaat,
waartegen de door denzelven ingebragte verschooningen van ten dezen verkeerd
ingelicht of gerenseigneerd te zijn geweest, zeker minder zullen kunnen afdoen,
dan, bij zijne eigentlijke vrijwillige dienstpraestatie inmiddels bij de armee,
welk, zijne vrijwillige aangifte daaromtrend, in dezen, welke nu bij zijnen
onderwerpelijken brief aan Uw Excellentie komt te doen. Dat echter over dit
verzuim niet door eenig officier van den burgerlijken of van den civilen staat
zal vermogen te worden heen gestapt en het paspoort des briefschrijvers ten
dezen kunnen worden gedaan subintreeren voor het certificaat L.L. van den heer
gouverneur zijner provincie, bij art. 200 der meergemelde wet van den 8e
januari 1817 bedoeld, maar dat hiertoe hogere authorisatie wordt vereischt zo
als vroeger reeds omtrend den briefschrijver schijnd verleend te zijn geweest,
en waarvoor dan zo mogelijk de berichtgever, de omstandigheden der betrokkenen
in aanmerking neemende, ten dezen wel zoude zijn opineerende: althans vermeenende
het daarvoor te kunnen en moeten houden, dat ten gevolge zijner onderwerpelijke
eigene aangifte alzo, naar aanleiding van het bepaalde bij het gouvernementsbesluit
van den 18e juli 1822, nr. 570 ter gemeente, van zijn vorig domicilie
zal kunnen en behoren te worden toegelaten tot eene naloting voor de jaaren
(waaromtrend zich dan na de geproduceerde geboorte-acte en niet na het meede
overgelegde paspoort, waarbij epoque een jaar vroeger vermeld, zal behoren te
worden gericht) – in welke door zijnen ouderdom tot de nationale militie heeft
behoord en in welke daaromtrend door hem verzuim is begaan, om dienna verders
ten zijnen opzichte de wet in overeenstemming met derzelver milderen geest,
te doen werkzaam zijn. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 109  Heemse, den 16e maart 1833, brief aan raad van administratie
der 7e afdeling infanterie in guarnisoen te Zwolle:

Voor den persoon van Hendrik Hofsink, zoon van Jan Hofsink en van Jennigjen
Koerts, loteling voor de nationale militie ter dezer gemeente van de klasse
van den lopenden jaare 1833, en hebbende bij de loting op heeden getrokken het
dienstpligtig numero 28, een attest behoevende dat dezes broeder Reinhard Hofsink,
loteling voor dezelve militie der dezer gemeente der klasse van den jaare 1832,
die uit hoofde van te kleine gestalte ten vorigen jare voor een jaar door den
Militieraad is vrijgesteld geworden, doch bij deszelfs 1e zitting
op den 8e februari dezes jaars voor den dienst gedesigneerd, ten
gevolge daaraan op den 1e dezer maand ter inlijving bij welgemelde
militie aan Z.E. denheer Gouverneur der Provincie overgegeven zijnde en vermoedelijk
bij de 7e afdeling infanterie is ingelijfd geworden. Zo verzoeke
U mij met de post van aanstaande maandag een attest van werkelijken dienst deszelven
Reinhard Hofsink, in overeenstemming met art. 28 der wet van den 27e
april 1820, ingerigt naar het voorschrift van die van den 8e januari
1817, wel te willen doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 110  Heemse, den 20e maart 1833, brief aan den heer militiecommissaris
in de provincie Overijssel, te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 44 der wet van de 27e april 1820 houdende
wijzigingen in die van den 8e januari 1817 omtrend de inrigting der
nationale militie, heb ik de eer bij deze aan U te overzenden de bewijzen tot
vrijstelling van dienst voor Hendrik Jan Oldemeijer, Hendrik Hofsink, Hendrik
Bakhuis, Gerhard Prins, Jan Hannink, Hermannus Welink, Albertus Warmink, Rudolf
Waaijman, Jan de Wilde, Egbert Reints, Everhardus Hamberg, Lucas Slotman en
Hermannus Zweers, lotelingen bij dezelve militie ter dezer gemeente van de ligting
van den lopenden jaare 1833, gelijk meede den daartoe specteerenden inventaris
op welken die bewijzen onder nr. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13
zijn gevoerd. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 111  Heemse, den 20e maart 1833, brief aan den heer fungerenden
agent van het domein te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 12e dezer, nr. 4548, heb
ik de eer bij deze aan U te overzenden het bij dezelve gevraagde extract van
het domein uit den kadastralen legger der eigendommen in de gemeente. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 112  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
president der provinciale commissie ter inzameling van bijdragen voor de verminkten
en de nagelatene hulpbehoevende betrekkingen van de gesneuvelden der bezetting
van Antwerpens citadel en de zeemagt op de Schelde, te Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs daartoe strekkende dezer dagen bij mijn ontvangene
invitatie, heb ik de eer U bij deze te informeeren, dat voor zoverre mij bewust
of tot hiertoe heb kunnen te weeten bekoomen, zich van de ingezetenen dezer
gemeente, gediend hebbende bij de bezetting van de citadelle van Antwerpen,
ofte bij de Zeemagt op de Schelde,  niemand is verminkt of gesneuveld. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 113  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan den heer controleur
ad interim der directe belastingen in de divisie Ommen, te Heemse:

Ik accuseere bij deze den ontvangst van het executoir verklaarde kohier van
het patent-regt ter gemeente voor de vier eerste maanden dezes jaars 1833, begeleid
geweest door Uw missive van den 21e dezer, nr. 115. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 114  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Janna Brinkman, weduwe van Willem Holtman, landbouwersche wonende te Brucht
in de gemeente, wier eenige zoon en eenigst kind Gerrit Holtman onder het contingent
der gemeente van 1830 als schutter is dienende in de 5e kompagnie
van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche
Schutterij, doch zich met twee-maandelijks verlof staande te expireren op het
avond-appel van den 4e mei aanstaande; zederd den 10e
dezer ten zijnent bevindende, in de omstandigheid verkeerende dat ter voortzetting
van derzelver beroepsbestaan eene verlofs-verlenging van denzelven haaren zoon,
voor den tijd van alnog 2 maanden is behoevende, zo hebbe ik de eer ten gevolge
van deszelfs aanschrijving van den 8e dezer, 1e afd.,
nr. 1380/940, dartoe bij deze aan U te adresseeren de certificatie voorschreeven
bij deszelfs missive van den 16e juni 1832, nr. 3167/2468. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 115  Heemse, den 23e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Jan Willem Koning, onder het kontingent der gemeente van 1830, als schutter
dienende in de 5e kompagnie van het 2e battaillon der
1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij (dezelfde als begreepen
bij Uw Excellentie’s aanschrijving aan mij van den 23e october 1832,
nr. 6116, waartoe ten dezen eerbiedige relatie) bevind zich thans, na dat zijn
vader Jan Koning, landbouwer te Bergentheim in de gemeente, daartoe zich op
den 31e januari dezes jaars bij rekweste, den onderwerpe uitgemaakt
hebbende van Uw Excellentie’s apostillaire dipositie van den 9e der
vorige maand, nr. 755 en van mijn berigt en consideratien daaromtrend van den
13e aanvolgende, nr. 69, waartoe ten dezen meede gelijke relatie.
Aan Z.M. den Koning gewend heeft gehad, wederom even als ten afgelopenen jaare
ingevolge de dispositien van de Minister van Binnenlandsche Zaaken en Directeur-generaal
van Oorlog, zederd den 10e dezer met twee-maandelijks verlof, staande
te expireren op den 4e mei eerstkomende, in de gemeente en de omstandigheden
van den vader Jan Koning voormeld en van dezes gezin zodanig zijnde, dat er
eene volstrekte noodzakelijkheid bestaat voor de verlofs-verlenging van denzelven
zijnen zoon Jan Willem Koning, ter instandhouding van hun gemeenschappelijk
beroeps-bestaan, zo heb ik gemeend, ofschoon mij tot hiertoe daaromtrend eene
vernieuwde speciale aanschrijving van U is ontbrekende, mij bij dezen in het
belang der betrokkenen tot U te mogen wenden, ten einde ook van den onderwerpelijken
verlofganger eene nadere verlofs-verlenging te effectueeren, daartoe dan de
vrijheid neemend bij deze aan U te adresseeren eene certificatie ingerigt naar
het voorschrift bij voormelde aanschrijving van den 23e october des
vorigen jaars. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh.

Nr. 116  Heemse, den 25e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan de bepalingen daaromtrent bij deszelfs aanschrijving van
den 4e april 1832, 1e afd., nr. 517, heb ik de eer Uwe
Excellentie bij deeze te informeeren dat tot en met heeden geene inschrijvingen
ter secretarie der gemeente zijn gedaan in de daarbij bedoelde provinciale geldleeningen,
ten behoeve van den straatweg van Zwolle over Heino, Raalte, Wierden, Almelo
en Borne na Hengelo. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh.

Nr. 117  Heemse, den 26e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer bij deeze aan Uwe Excellentie te adresseeren een dubbeld van
het proces-verbaal van overgifte en ontvangst van het primitif kohier van het
patentregt in de gemeente, over de vier eerste maanden des lopenden jaars 1833,
aan en door den ontvanger der directe belastingen (ad interim) in dezelve, alsmeede
een afschrift der daartoe betrekkelijke publicatie van het gemeentebestuur,
door de respective kosters van Hardenbergh en Heemse, mitgaders den boode der
gemeente, voor publicatie en affixie gecertificeerd. Verblijvende onderdanigst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 118  Heemse, den 29e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge en ter voldoening aan deszelfs aanschrijving van den 19e
dezer, 1e afd., nr. 1569/1055, heb ik de eer Uwe Excellentie bij
deeze onderdanigst te informeeren. Dat, bij de bestaande bevolking der gemeente
anno 1828 van 2238 zielen, alstoen, in overeenkomste der bepalingen bij art.
23 der wet van den 11e april 1827 (staatsblad nr. 17), derzelver
contingent is bepaald geworden op 44 manschappen. Dat van deze 44 manschappen
nu, krachtens voorzeiden wetsartikel, jaarlijks 1/5e gedeelte tot
de reserve moetende overgaan, bij de niet deelbaarheid derzelve door een effen
getal, voor dien overgang zijn aangewezen geworden anno 1829 acht, en voor de
jaaren 1830, 1831, 1832 en 1833 telken negen manschappen; zo als dan ook de
uitloting daaromtrent, ingevolge de bepalingen bij art. 2 van Zijner Majesteits
Besluit van den 18e juli 1829 (staatsblad nr. 52) over de manschappen
voorkomende op de bijzondere schutters-rol voor den jaar 1828 op den 11e
augustus des eerstgedachten jaars heeft plaats gehad. Dat alzo nu anno 1830
(epoque der mobiliseering van de schutterijen) als het voorschreeven 1/5e
van het gemeentelijk contingent voorzied, 9 manschappen tot de reserve overgingen,
even als ook ten jaaren 1831 en 1832, om ook nog gelijken overgang ten lopenden
jaare 1833 te doen plaats hebben. Dat intusschen bij de laatste algemeene volkstelling
op het einde van het jaar 1829 zijnde komen te blijken, dat met 1e
januari 1830 de gemeente bij accres eene bevolking had van 2523 zielen ook reeds
voor dat jaar derzelven schutterlijk contingent is verhoogd geworden met zes
– en alzo 50 manschappen is komen te bedragen, zo dat dan ook hetzelve, bij
de alstoen ingevallene vorenbedoelde epoque der mobiliseering der schutterijen,
voor dat jaar ten bedraage van 45 manschappen (blijvende een vijftal als gehuwd
zijnde en kinderen of bewijslijk zwangere vrouwen hebbende van den uitmarsch
verschoond) tegelijk met al de reserven (exempt een derzelve, zijnde inmiddels
tot officier bij de schutterij benoemd) buiten en bovendien en alzo daaronder
niet begrepen, naar de voor hetzelve bestemde verzamelplaats Deventer is uitgemarcheerd,
en daarvan uithoofde van tijdelijke ziekte of andere in der tijd aangegevene
oorzaken provisioneel achtergebleven (met naamen Gerrit Holtman, Frederik Brink,
Gerrit Holleboom en Hendrik Regeling) vervolgens successive na derwaarts, of
op het depot der 12e afdeling infanterie te Doesburg gedirigeerd
of ten opvolgenden jaare 1831, ten gevolge der bepalingen bij art. 25 der wet
voorschreeven, bij den uitmarsch van het vorenbedoelde 1/5e of aanvullings-contingent
van dat jaar, behoorlijk aangevuld geworden, en ook na derzelver verzamelplaats
Zwolle uitgemarcheerd zijnde. Dat wijders, zo als bij de vorige alinea reeds
aangeroerd, ten jaare 1831 en ook verder ten jaare 1832 wederom telkens voor
het 1/5e voorschreeven of het aanvullings-contingent der gemeente
van die jaaren naar derzelver verzamelplaats Zwolle voormeld uitgemarcheerd
afgeleverd zijn (om zulks eindelijk ook nog voor dezen jaare 1833 op denzelfden
voet te zijner tijd te continueeren) negen manschappen, daaronder begrepen de
ten laatstbedoelden jaare achtergeblevene naar buitenlands gewekene Hendrikus
Hekman, die gebruik gemaakt hebbende van de gunstige bepalingen bij de wet van
den 31e december des vorigen jaars (staatsblad nr. 67) op den 27e
der vorige maand ten gevolge van Uw Excellentie’s aanschrijving van den 21e
te voren, 1e afd., nr. 1043/713, door mij is gedirigeerd geworden
op het depot der voorzeide 12e afdeeling infanterie en, ingevolge
eener daarvan in dato den 5e dezer onder nr. 133 bij mij ontvangene
kennisgeving van den heer commanderenden officier van hetzelve, dan ook reeds
op dien dag bij dezelve was aangekomen. Dat middelerwijl ten jaaren 1831 en
1832 ook door deze gemeente, naar voorschrift bij voormelden 25e
wetsartikel, de meergemelde 1/5e of jaarlijksche aanvullings-contingenten
gesuppleerd geworden zijn met de manschappen, ingevolge hetzelve artikel, vereischt
ter aanvulling van de inmiddels opengevallene schutters-plaatzen, voor zo verre
derzelver vroegere bekleeders niet tot de reserve waren behorende, en dat alzo
anno 1831 gelverd en gemarcheerd zijn 11 in plaats van 9, en anno 1832 12 in
plaats van gelijke 9 manschappen; zijnde daarbij ten eerstbedoelden jaare 1
en ten laatstgemelden 4 manschappen van den uitmarsch, uithoofde, dat gehuwd
zijnde, kinderen of bewijslijk zwangere vrouwen waaren hebbende, verschoond
gebleeven en wezende het dan deeze manschappen, die vermeerderd met het voren
aangehaalde, in dezelve cathegorie vallende, vijftal van 1830 thans en tot hiertoe
de reserve-schutterplichtigen in de gemeente of den 2e en 3e
ban der schutterij zijn daarstellende. Voegende ik voorts hierbij een dubbeld
van eenen door mij expresselijk, meede in dato heden, opgemaakten aanwijzenden
staat voor de mobiliseering ten jaare 1830 der schutterij in de gemeente, derzelver
aanvulling, zo wegens den jaarlijkschen overgang van het 1/5e van
derzelver anno 1828 bepaald contingent tot de reserve, als wegens de inmiddels
(art. 25 der wet van den 11e april 1827, staatsblad nr. 17) opengevallene
schuttersplaatsen, voor zo verre derzelver vorige bekleeders niet tot de reserve
behoorden; en bevattende voorts onderscheidene bemerkingen de tijdelijke situatie
der betrokkene schutterplichtigen raakende en bloot leggende de onderscheidene
veranderingen in dezelve tot hiertoe voorgevallen, waarin Uwe Excellentie met
een opslag van het oog zal kunnen zien wat ten dezen voor deze gemeente door
mij is gedaan en hoe daaromtrent gehandeld zijnde dor mij den grond voor dezen
staat gelegd geworden toen enkele wrevelige schutterplichtigen bij de leevering
van het aanvullings-contingent van 1832 wilden beweeren, dat ik, in tegenstelling
van andere gemeenten te veel deed en leverde en alzo hun boven de wet kwam te
bezwaaren, en dezelve thans afgewerkt ten betooge (zo als ik vertrouwe) bij
Uwe Excellentie dat de gemeente tot hier aan toe het verplichtte en niet te
weinig (zo als door mijn heer de luitenant-kolonel, commanderende de 1e
afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij nu stond te beweren) voor den schutterlijken
dienst geleverd hebbende. Verblijvende hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 119  Heemse, den 30e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

De op de bij Uwe Excellentie’s missive van den 23e dezer, 1e
afd., nr. 1715/1152 gevoegde extract-staat vermelde schutter Lubbert Hamberg
uit de gemeente, over zijnen hem verleenden verloftijd binnen dezelve hebbende
blijven vertoeven is, bij de ontwaaring daarvan, door mij op den 21e
der vorige maand gelast geworden onmiddellijk zijn korps te rejoigneeren, doch
inmiddels, op zijnen marsch na hetzelve, te Ommen ziek geworden zijnde, heeft
hij, volgens informatie, zich aldaar eenige weinige dagen moeten ophouden, en
dienna zijnen bedoelden marsch voortgezet, zo dat zich reeds, volgens bij zijne
ouders alhier van hem ontvangen schrijven, wederom bij zijn korps onder de wapenen
is bevindende. Uwe Excellentie hiervan bij deeze informeerende, zo verblijve
gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 120  Heemse, den 30e maart 1833, brief aan den heer ontvanger
van het regt van successie enz. te Ommen:

Ten gevolge van Uwe missive van den … der vorige maand, retourneere U de daarbij
in dato den 6e dezer gevoegde lijst der overledenen in de gemeente,
van welker nalatenschappen nog geene memoriën van aangifte waren ingediend,
mij gedragende tot het daarbij door mij in de kolom van aanmerkingen geinfereerde
en onder toevoeging aan dezelve de certificaten van onvermogen en memoriën van
aangifte respective bij dezelve vermeld. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh.

Nr. 121  Heemse, den 31e maart 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Naar aanleiding van het gouvernementsbesluit van den 24e maart 1821,
1e div., nr. 1 (prov.blad nr. 26) heb ik de eer Uwe Excellentie bij
deeze gehoorzaamst te informeeren dat in deeze maand ter zaake van contraventien
wegens het niet gebruiken der nieuwe maten en gewigten geene proces-verbalen
door de daartoe gelastte beambten zijn opgemaakt en aan de justitie verzonden;
zijnde er tevens ook geene klagten bij mij ingekomen ter zaake van derzelver
bestaande invoering. En hiermeede beveeld zich Uwe Excellentie gehoorzaamst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 122  Heemse, den 1e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 11e juli 1817,
1e div., nr. 1 (prov.blad nr. 102) heb ik de eer uwe Excellentie
hiermeede te berichten dat gedurende het afgelopene eerste kwartaal deezes jaars
geene onvoorziene rampen bedoeld bij het gouvernementsbesluit van den 19e
april 1917, 1e div., nr. 3 (prov.blad nr. 65) eenige ingezetenen
deezer gemeente getroffen hebben. Waarmeede zich Uwe Excellentie eerbiedigst
is aanbevelende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 123  Heemse, den 1e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

In overeenkomste van Uwe Excellentie’s besluit van den 9e mei 1831,
1e afd., nr. 695 (prov.blad nr. 78) voldoende aan het gouvernementsbesluit
van den 13e juni 1821, nr. 485 (prov.blad nr. 49), zo heb ik de eer
Uwe Excellentie bij deze gehoorzaamst te informeeren dat van de nationale militie
geen deserteurs ofte nalatige dienstplichtigen ter dezer gemeente zijn ontdekt
geworden, behalven den persoon van Lambertus Schotkamp, zoon van Hendrik Schotkamp
en van Hendrikje Lamberts Koster, loteling voor de voorzeide militie ter dezer
gemeente van de klasse van 1832, hebbende bij de loting getrokken nr. 41, en
dienende bij de depot compagnie van het regiment dragonders nr. 4, zederd den
21e januari l.l. van hetzelve te Zalt-Bommel vermist en ten gevolge
der kennisgeving daaromtrent van den heer luitenant-kolonel, hetzelve depot
commanderende, d.d. 23e aanvolgende, nr. 41, aan mij, door den dienaar
van policie en veldwachter der gemeente op den 28e aanvolgende ten
huize zijner voormelde betrekkingen in de gemeente gearresteerd en wezende ten
dage aanvolgende, bij mijne missive aan den heer luitenant-kolonel, plaatselijken
commandant der naastbijgelegene vesting Coevorden, van dien dag, nr. 46, onder
geleide van denzelven dienaar van policie en veldwachter, ingevolge de bepalingen
bij art. 7 van Zijne Majesteits Besluit van den 25e juni 1814, nr.
59a (staatsblad nr. 71) in staat van arrest na dezelve vesting opgezonden, en
aldaar blijkens daaromtrent ter secretarie der gemeente berustend reçu, aan
welgemelden plaatselijken commandant overgeleverd. Verblijvende hiermede onderdanigst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 124  Heemse, den 1e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Wel ontvangen hebbende Uwe Excellentie’s aanschrijving van den 7e
februari en 25e maart laatstleden, 1e afd., nr. 658/495,
met den daarbij gevoegden staat van bedelaars, gedurende de maand december te
voren in de kolonie der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans opgenomen
en ten laste van deze gemeente gebragt, voerende onder nr. 981 (van  het stamboek
derzelve kolonie) Koop Koops Dol; nr. 805 Albert Bartus de Heer (kind van H.
de Heer, nr. 789); nr. 789 Hendrik de Heer; nr. 817 Hendrik de Heer (kind van
H. de Heer nr. 789); nr. 2462 Jan de Jager; nr. 2463 Hinke Pieters Rozema (vrouw
van nr. 2462); nr. 2464 Pieter de Jager (kind van nr. 2462 en 2463); nr. 2465
Hendrik de Jager (ook kind van nr. 2462 en nr. 2463); nr. 2466 Anna de Jager
(almeede kind van nr. 2462 en 2463) en nr. 2199 Asselina Hendrika Kuiper, weduwe
van Joseph Vincent, – zo heb ik de eer, dientengevolge daaromtrent bij deze
gehoorzaamst te berigten. Dat de onder nr. 981, 805, 789 en 817 vermelde persoonen
van Koop Koops Dol, Albert Bartus de Heer, Hendrik de Heer (de vader) en Hendrik
de Heer (de zoon) dezelfden zijn als bedoeld bij de missives van het bestuur
dezer gemeente, mitsgaders van mij (7 mei 1832, nr. 262; 17 september 1832,
nr. 439; 8 december 1832, nr. 566) aan Uwe Excellentie ten fine van reclame
tegens de verplichtheid dezer gemeente tot derzelver onderhoud geadresseerd.
Dat ook de onder nr. 2462, 2463, 2464, 2465 en 2466 genoemde persoonen van Jan
de Jager, dezes vrouw Hinke Pieters Rozema, en dezer kinderen Pieter de Jager,
Hendrik de Jager en Anna de Jager, dezelfden zijn als vermeld bij de missives
van het bestuur dezer gemeente (9 mei 1832, nr. 263; 15 september 1832, nr.
436; 12 januari 1833, nr. 30) aan U ten einde als voormeld, ingezonden. Dat,
wat nu de verder op den onderwerpelijken staat onder nr. 2199 van het stamboek
der kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans, vermelde
persone van Asselina Hendrika Kuiper, weduwe van Joseph Vincent betreft, ook
deze in geenerlei opzichte met betrekking tot derzelver eigentlijk onderstandsdomicilie
in aanraking ter deze gemeente kan komen, als zullende, volgens bekomene informatien
van mijn heer den burgemeester der gemeente de Stad Hardenbergh, te wier laste
dezelve vroeger door het Ministerie van Binnenlandsche Zaken is gekomen gebragt
te worden, binnen dezelve Stad niet derzelver ouders Johannes Kuiper en Johanna
ter Poorten geboren en op den 13e februari 1786 aldaar gedoopt geworden
zijn, voorts tusschen 1782 en 1786 met voornoemde haare ouders van daar na Coevorden,
provincie Drenthe, vertrokken, van waar de vader zich vervolgens in ’s Lands
Dienst naar de kust van Guinea zoude hebben begeven, zijne vrouwe en kinderen
te Coevorden voormeld in de Kerkstraat achterlatende; terwijl het dan ook aan
Zijn Edel Achtbaare uit eene missive van Uwe Excellentie van den 29e
october des vorigen jaars, 1e afd., nr. 6163/4303 zoude zijn gebleeken,
dat de vader dezer bedelaarsche/koloniste in 1780 als predikant, naar de West-Indiën
zoude zijn vertrokken, en dat zij dat jaar met haare moeder naar Coevorden zoude
zijn gegaan en aldaar 8 jaaren gewoond hebben, zullende hare moeder toen hertrouwd
zijn met zekeren Reinier Haveman, destijds battaillons-adjudant aldaar in guarnisoen,
wezende zij voorts van Coevorden naar Arnhem vertrokken en  hebbende aldaar
4 jaaren verblijf gehouden; dat hare ouders vervolgens een gelijk getal jaaren
te Harlingen zouden hebben gewoond, gedurende welke tijd haar stiefvader uit
den dienst zoude zijn ontslagen en benoemd tot commis in de Graaf, alwaar zij
22 jaaren zouden hebben verblijf gehouden tot in het jaar 1818, wanneer na Sparrendam,
alwaar hare moeder na verloop van een half jaar zoude zijn overleden, zoude
zijn vertrokken; zullende zij koloniste voor 31 jaaren in Kleefsland gehuwd
zijn met Joseph Vincent, geboren te Mindros bij St-Armand in Frankrijk, alwaar
een half jaar zouden gewoond hebben, en van daar teruggekomen, bij haare ouders
in de Graaf voormeld zouden zijn te huis geweest, verblijvende aldaar, bij dezer
vertrek na Sparrendam voormeld, nog 8 jaaren, en zich vervolgens gedurende 7
jaren binnen Utrecht, alwaar haar man, die liquer-stooker van beroep was, zoude
zijn overleden, zijnde gaan vestigen van waar eindelijk dan, na doode van haare
man, die stad zoude hebben verlaaten om zich binnen Zwolle, alwaar dan tot aan
de epoque haarer opzending naar de Ommerschans, gedurende 6 jaaren zoude hebben
gewoond, te vestigen. Dat alzo de berichtgever ook in geenen deele deeze gemeente
voor die van het eigentlijke onderstandsdomicilie der betrokkene A.H. Kuiper,
weduwe J. Vincent, die zo verre bekend, nimmer in eenige betrekkelijke aanraking
tot en met dezelve was, kan erkennen, maar ook ten haaren reguarde bij deze
voor dezelve is reclameerende dezelve allezints ontheffende bepalingen der meergemelde
wet van den 28e november 1818. Verblijvende hiermeede, – onder herhaalde
aanbeveling in de protectie van Uwe Excellentie eener gemeente, die, ook bij
verplichtheid of gehoudenheid ten dezen, als neen, waartoe dan ten dezen eerbiedige
protestatie, na drie jaaren van mislukten oogst ten gevolge van inundatien en
nacht-vorst (anno 1829, 1830 en 1831) buiten dien niet in staat zoude zijn de
ten dezen gevorderde zwaare kosten te dragen. Verblijvende gehoorzaamst. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 125  Heemse, den 2e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Naar aanleiding van art. 14 van het Koninglijk Besluit van den 18e
april 1818 (staatsblad nr. 20) heb ik de eer bij deeze te berigten dat gedurende
het afgelopene 1e kwartaal deezes jaars geene vaccinatien in de gemeente
plaats gehad hebben; zijnde er echter ook geene spooren van natuurlijke kinderziekte
ontdekt geworden. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het
Ambt Hardenbergh.

Nr. 127  Heemse, den 2e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Ik heb de eer ingevolge het gouvernementsbesluit van den 17e maart
1819, nr. 171, bij deze te overzenden eene aanvrage om bewijs van voldoening
aan de nationale militie, ten behoeve van Gerrit Jan Brink, met verzoek daaromtrent
uwe excellentie’s certificatie te erlangen, leggende ter voldoening aan de bepalingen
daaromtrent bij art. 50 der wet van den 27e april 1820, hierbij over
zijn in dato den 15e maart 1822 hem als fuselier bij de 7e
afdeling infanterie uithoofde van expiratie van dienst, verleende paspoort.
Waarmeede zich uwe excellentie gehoorzaamst is aanbevelende. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 128  Heemse, den 4e april 1833, brief aan Z.E. den heer ontvanger
der rechten van successie en van overgang door overlijden in het ressort Ommen,
te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari
1818 overzende ik U bij deeze de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene
maand maart, voegende hierbij ingevolge besluiten van den heer gouverneur der
provincie van den 14e januari en 7e maart des vorigen
jaars, de certificaten van onvermogen, betrekkelijk de erfgenamen van Zwaantjen
Arends, Fenne Beeldhouwer en Hermina Timmer, in de voorlaatste maand overleden
en onder de dooden op de sterflijst van die maand voorkomende. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh; bij deszelfs absentie, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 129  Heemse, den 5e april 1833, brief aan Z.E. den gouverneur
der provincie Overijssel:

Ik heb de eer U bij deeze te overzenden eene aanvrage om bewijs van voldoening
aan de nationale militie voor Gerrit Jan Wesselink te Heemse in de gemeente,
ten einde na den ontvangst van Uw certificatie daaromtrent in ondertrouw te
kunnen worden opgenomen. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh.

Nr. 130  Heemse, den 6e april 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie deezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Hendrikjen Bekman, landbouwersche
te Rheeze, echtgenote van Gerrit Jan Bril, landbouwer aldaar, hebbende minderjarige
erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier
van den burgerlijken staat.

Nr. 133  Heemse, den 8e april 1833, brief aan den raad van administratie
van het korps mineurs en sappeurs, in garnisoen te Nijmegen:

Voor den persoon van Rudolf Waaijman, zoon van Asse Waaijman en van Aaltjen
Jentingen, loteling voor de nationale militie ter dezer gemeente in de klasse
van den lopenden jaare, een attest behoevende, dat Wijnand Vonke als nummerverwisselaar
voor deszelfs broeder Lambert Waaijman, loteling voor dezelve militie in deeze
gemeente, der klasse van den jaare 1831, nog werkelijk is dienende bij het battaillon
mineurs en sappeurs, bij hetwelk na zijne inlijving als milicien bij de 7e
afdeling infanterie is overgegaan, zo verzoeke U mij, zo spoedig mogelijk (vermits
hetzelve voor den 18e dezer door mij aan den militieraad in deze
provincie moet ingezonden worden) zodanig attest, in overeenstemming met art
28 der wet van den 8e januari 1817, te doen toekomen, kunnende vermits
zich bij zijn korps is bevindende, zijn nr. op het stamboek niet opgeven. De
burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, provincie Overijssel.

Nr. 134  Heemse, den 9e april 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1828, diend deze ter informatie dat op heeden ter secretarie deezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Zwaantjen Nootveld, landbouwersche
te Bergentheim, weduwe van wijlen Jan Noodveld, in leven landbouwer aldaar,
hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat.

Nr. 135  Heemse, den 10e april 1833, brief aan Z.E. den heer
gouverneur der provincie Overijssel:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van
den 4e dezer, 1e afd., nr. 1920 in mijne handen ten fine
van berigt en consideratien te stellen de door Jannes Valkman ter Steede Hardenbergh
bij plaatsvervanging voor Gerhardus Gerrits uit deze gemeente, loteling voor
de nationale militie van de klasse van 1826, hebbende bij de loting getrokken
nr. 9, dienende bij de 2e compagnie van het 1e battaillon
der 7e afdeeling infanterie, in dato den 28e der vorige
maand aan Uwe Excellentie gepresenteerde rekweste, zo heb ik de eer na vooraf
volgens Uwe Excellentie’s uitgedrukt verlangen, de wet daaromtrent het zegel
te hebben doen in acht nemen, door aan dezelve hierbij teruggaande rekweste
een duplicaat op zegel daarop te doen toevoegen, daartoe bij deze, na den beklaagden
Albert Kromhof, de stiefvader van den voormelden Gerhardus Gerrits, ten dezen
te hebben gehoord, – te doen dienen. Dat de omstandigheid van den voortdurenden
dienst des rekwestrants niet van den beklaagden, ofte zijne meergemelde stiefzoon
is afhangende, maar van de bekende betrekkingen des rijks, wezende voorts gegrond
in de bepalingen daaromtrent zo bij de wet van den 8e januari 1817
als bij art. 8 en volgende derzelve. Dat de beklaagde niet alleen sustineerd
aan alle zijne verplichtingen omtrent den rekwestrant, ten gevolge der tusschen
hun ter zaake der onderwerpelijke plaatsvervanging, bestaande overeenkomste
voldaan te hebben, maar zelfs meer, door de praestatie zederd op onderscheidene
tijden aan des rekwestrants bij de rekweste bedoelde (zogenaamde) huisvrouwe
van onderscheidene veldproducten, zijner gaarden en akker hebbende komen op
te leveren. Dat intusschen de beklaagde, ook naar aanleiding van art. 97 der
voormelde wet van den 8e januari 1817, zich ten dezen in geenen deele
nimmer tot zodane praestatien ofte eenige anderen gehouden heeft geacht en ook
alnog niet verplicht oordeeld, als hebbende de rekwestrant te zijner tijd in
eenen ongehuwden en hinderloozen staat als plaatsvervanger voor zijnen bedoelden
stiefzoon geëngageerd, wezende het bij de rekweste bedoelde kindjen althans
langen tijd en jaaren daarna geboren en hij te eerst met de moeder van hetzelve
op den 4e dezer ter Steede Hardenbergh is gehuwd. Dat de berichtgever,
ofschoon oordeelende, dat al weinig te zeggen zij tegens de argumenten ten dezen
door den beklaagden aangevoerd, echter daarbij ook de situatie van den rekwestrant,
uit zijne voortdurende dienst gehoudendheid, voortvloeiende, niet vermeend geheel
en al te kunnen of te mogen passeeren en alzo voor dezen wenschen zoude, dat
er termen bij de wet bestonden tot aanspraak op schadelooshouding voor denzelven
ofte immers dat de beklaagde daartoe in billijkheid en alzo in evenredigheid
der bij contract vermelde stipulatiën voor eenen veronderstelden diensttijd
van ongeveer 6 jaaren van wegens hoogere authoriteit konde worden gepromoveerd;
daartoe dan Uwe Excellentie meede ten fine van de gevraagde consideratiën ten
dezen, voorstellende om den beklaagden voor zich binnen Zwolle te ontbieden
en aldaar deszelfs hoogeren invloed op hem ten gunste van den rekwestrant en
der (actuele) zijnen, als zijnde ja waarlijk eerst op den 4e dezer
gehuwd, te doen dienstbaar zijn. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 136  Heemse, den 10e april 1833, brief aan den heer burgemeester
der gemeente het Ambt Ommen, te Ommen:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen twee exemplaren van een notificatie
de dato heden van burgemeester en assessoren der gemeente, betrekkelijk de voorjaars-opruiming
en schouwe der waterleiding in derzelver, met uitnodiging om, in betrekking
tot de beide daarbij voorkomende waterleiding van den Sibculoër Dijk en van
den Hessenweg, dezelve ook, op de daarbij bedoelde zondagen, ter gewoone plaatsen
en op de gebruikelijke wijze in Uwe gemeente te doen publiceren en affigeeren.
Voort U ten einde bij de schouwingen te adsisteeren als schouwdag voor de eerstgemelde
waterleiding proponeerende donderdag den 23e mei eerstkomende en
voor de laatstgenoemde vrijdag den 24e aanvolgende, des voordemiddags
ten 9 uren, beginnende aan derzelver respective bekende uitwateringen in de
rivier de Vecht. Verzoekende bij deze Uw goedkeuring de rescriptie met de verzekering
van den ontvangst ten bedoelden einde der betrekkelijke notificatie. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 137  Heemse, den 10e april 1833, brief aan den heer burgemeester
der gemeente Zuidwolde, provincie Drenthe:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden twee exemplaren van een notificatie
de dato heden van burgemeester en assessoren der gemeente, betrekkelijk de voorjaars-opruiming
en schouwe der waterleiding in derzelver, met uitnodiging om, in betrekking
tot de beide daarbij voorkomende waterleiding de Reest-A, dezelve ook op de
daarbij bedoelde zondagen, ter gewone plaatsen en op de gebruikelijke wijze
in Uwe gemeente te doen publiceren en affigeeren. Voort U ten einde bij de schouwingen
te adsisteeren als schouwdag voor de onderwerpelijke waterleiding proponeerende
vrijdag den 24e mei aanstaande, des voordemiddags ten 10 uren, beginnende
aan het punct waar dezelve deze gemeente is verlatende en tusschen Uwe gemeente

en die van het Ambt Ommen derzelver loop vervolgende. Verzoekende bij deze Uw
goedkeuring de rescriptie met de verzekering van den ontvangst ten bedoelden
einde der betrekkelijke notificatie. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 138  Heemse, den 10e april 1833, brief aan den heer burgemeester
der gemeente Avereest, te Avereest:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen twee exemplaren van een notificatie
de dato heden van burgemeester en assessoren der gemeente, betrekkelijk de voorjaars-opruiming
en schouwe der waterleiding in derzelver, met uitnodiging om, in betrekking
tot de beide daarbij voorkomende waterleidingen de Reest-A en den Ondersloot
ter wijk, buurtschap of marke Rheeze, dezelve ook op de daarbij bedoelde zondagen,
ter gewone plaatsen en op de gebruikelijke wijze in Uwe gemeente te doen publiceren
en affigeeren. Verzoekende bij deze Uw goedkeuring de rescriptie met de verzekering
van den ontvangst ten bedoelden einde der betrekkelijke notificatie. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 139  Heemse, den 11e april 1833, brief aan den heer militiecommissaris
in de provincie Overijssel, te Zwolle:

De bij billet in dato den 8e dezer door deszelfs secretaris namens
U mij teruggezondene alfabetische lijst voor de nationale militie in de gemeente,
heb ik wel ontvangen en de eer daarvan denzelven ontvangst te accuseeren. U
verzoekende mij wel enigzints te willen inlichten nopens de omstandigheid, dat
door de militieraad ter deszelfs vorige aan de zich uit de gemeente voor denzelven
gevisteerd hebbende lotelingen zouden zijn kenbaar gemaakt, dat slechts een
tweetal hunner dit jaar zoude behoeven te marcheeren, in plaats van een viertal,
uitmakende met de zes ter deszelfs 1e loting uit de ligtingen van
vorige jaaren daartoe gedesigneerden, het tientallige contingent des gemeente
geadsigneerd bij besluit van heeren Gedeputeerde Staten der provincie van den
6e februari l.l., 1e afd., nr. 251/170 (prov.blad nr.
17). Aan de juistheid der omstandigheid dan voorschreven, uithoofde der stellige
bepalingen bij voorschreven besluit, twijfelende, zal het mij aangenaam zijn
ten dezen te worden ingelicht, ter casu quo nodige contrariëering van de onbezorgdheid
deswegens bij sommige lotelingen omtrend hunne plaatsvervanging heerschende.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 140  Heemse, den 11e april 1833, brief aan den heer luitenant-kolonel,
commanderende de 1e afdeling mobile Overijsselsche Schutterij in
het 5e district der provincie Zeeland, te Axel:

Tot hiertoe mij deszelfs antwoord ontbreekende op mijn missive aan U van den
8e der vorige maand, nr. 104, in relatie tot den op den 31e
december l.l. uit den schutterlijken dienst bij de 5e compagnie van
het 2e battaillon der door U gecommandeerd wordende 1e
afdeling mobile Overijsselsche Schutterij ontslagenen Albert van den Kamp uit
de gemeente, zo is deeze dienende ter nadere besollicitering van hetzelve, in
het belang zijner bij dezelve mijne missive meede vermelden broeders Jan Hermen
van der Kamp, thans tot den milicie-dienst geroepen, uithoofde in des eerstgenoemden
bedoelde ontslag niet vermeld werd gevonden, dat dezes daarbij aangevoerde ligchaams-gebreeken
en daaruit voortvloeijende ongeschiktheid voor den dienst door hem in of gedurende
denzelven zouden zijn bekomen, inploreerende andermaal, tot stuur der waarheid
daaromtrent, Uw nadere certificatie, ten einde daarop voor voornoemden Jan Herman
van den Kamp, het rechtmatig ontslag uit welgemelden militie-dienst ter gehorige
plaats en bij de bevoegde authoriteit te kunnen provoceeren. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 141  Heemse, den 12e april 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde
Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

In overeenkomste der bepalingen bij art. 42 van het reglement op het bestuur
ten plattenlande der provincie, vastgesteld bij Zijner Majesteits besluit van
den 23e juli 1825, nr. 152, en ingevolge de deliberaties van den
raad dezer gemeente van den 15e en 26e der vorige maand,
waarvan ook extracten hierbij, hebben wij de ere bij deze ter tafel van U ten
fine van approbatie (waarom dan namens den raad voormeld eerbiedigst zijn verzoekende)
in te zenden het proces-verbaal der op gisteren bij ons gehoudene openbare aanbesteding
eener nieuwe school ter buurtschap Radewijk in de gemeente, waartoe de fondsen
indertijd zijn voorgedragen en toegestaan geworden op de respective staaten
van begrooting in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente over de diensten van
de jaaren 1832 en 1833. Hetzelve proces-verbaal het bestek en de conditiën voor
de onderwerpelijke aanbesteding bevattende, zo hebben tevens de eer ons daaromtrent
daartoe en tot de bijgevoegde plattegronds-teekening van het schoolgebouw zelve,
bij deze te gedragen, voegende alleen dan nog hierbij de afschrift der consideratoire
missive ten dezen van mijn heer den schoolopziener van het 5e district
dezer provincie, waartoe deze gemeente behoord, d.d. 24e der vorige
maand, waaraan het gevolg is gegeven geworden, als uit de voormelde extract-deliberatiën
van den raad der gemeente te erzien. Wij emploreeren nu ten dezen, gemerkt den
gunstigen afloop der aanbesteeding en de omstandigheid dat door het thans plaats
vindend wassend water op de rivier de Vecht den aannemer nog eene gunstige gelegendheid
zal geboren zijn voor den aanvoer der bouwmaterialen langs dezelve (welke gelegenheid
wij ons allezints overtuigd houden de aannemer voor zijne schadelooshouding
te behoeven), ten dezen U spoedigst approbatoir-besluit en beveelen ons hiermeede
gehoorzaamst. De burgemeester en assessoren der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor en loco-secretaris.

Nr. 142  Heemse, den 12e april 1833, brief aan den heer president
van den militie-raad in Overijssel, ter deszelfs 3e zitting vergaderd
binnen Zwolle:

Ten gevolge van deszelfs apostillaire dispositie van den 5e dezer,
heb ik de eer U onder retour derzelve en der daaraan geannecteerde stukken bij
deze te overzenden het daarbij gerequireerde attest van activiteit van dienst
bij het korps mineurs en sappeurs van Wijnand Vonke, bij nummerverwisseling
primitief in dienst getreeden bij de 7e afdeeling infanterie voor
Lambert Waaijman uit de gemeente, loteling voor de nationale militie van de
klasse van 1831, hebbende bij de loting getrokken nr. 31, doch op den 8e
april van dat jaar, na zijne indeeling bij voorzeide afdeeling, door mijn heer
de provincialen commandant nader gedesigneerd om over te gaan bij het korps
voorschreeven, ten gevolge eener authorisatie van het Departement van Oorlog,
van den 5e te voren, nr. 25.

Nr. 143  Heemse, den 12e april 1833, brief aan den heer Officier
bij den Regtbank te Deventer:

Ik heb de eer U bij deze te doen toekomen het door mij op gisteren opgemaakt
proces-verbaal ter zaake van eenen in den nacht tevoren gepleegden diefstal
in de gemeente ten huize van den veenbaas Anthoni van Doorn, wonende onder de
buurtschap of marke Rheeze aan de Dedemsvaart, verzeld van uitwendige braak,
waaromtrent de omstandigheden, bij mijne indispositie dan ook nog ten zelfden
dage in loco hebbe doen naspooren door heeren assessoren bij het bestuur dezer
gemeente, en door deze, in overeenkomste met het des bij het proces-verbaal
aangegevene, zijn bevonden geworden, zo als te erzien uit derzelver certificatie
daaromtrent aan den voet van hetzelve, – en wezende voorts door dezelfde heeren
bij gelegendheid dier naspooring ook niets verder omtrent de dader of de daders
van het feit ontwaard geworden. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 144  Heemse, den 12e april 1833, brief aan de heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

In den nacht van den 10e op de 11e deezer tenhuize van
Antoni van Doorn, veenbaas onder Rheezerveen aan de Dedemsvaart in de gemeente,
eenen diefstal gepleegd geworden zijnde, verzeld van uitwendige braak, zo heb
ik de eer ter voldoening aan art. 85 van het reglement op het bestuur ten plattenlande
dezer provincie, U daarvan bij deeze te informeeren door overzending van een
afschrift van het daaromtrent op gisteren bij mij opgemaakte en overeenkomstig
de bepalingen, aan mijn heer den Officier bij de Regtbank te Deventer ingezonden
proces-verbaal. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 145  Heemse, den 13e april 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde
Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge der daartoe door den raad dezer gemeente bij deszelfs deliberatiën
van den 26e der vorige maand op mij verstrekte kwalificatie heb ik
de eer bij deze ter tafel van U in te zenden een extract uit dezelve deliberatiën,
gemunieerd met eene in dato den 21e te voren aan denzelven gepresenteerde
rekweste (het onderwerp derzelve extract-deliberatiën uitmakende) van Derk Jan
Jansen, dienaar van policie en veldwachter dezer gemeente, houdende, bij de
onmogelijkheid om met zijn talrijk gezin van zijn bestaand tractement van f.
156,- jaarlijks te kunnen blijven leeven en tevens eene jaarlijksche huis- en
gaardenhuur ad f. 30,- te bestrijden, verzoek om voorziening in zijne behoefte
ter kwijting derzelve huur, aanvang genomen hebbende met 1e mei des
afgelopenen jaars; – en op welke rekweste de raad vermeend hebbende niet zonder
Uw aveu te mogen disponeeren invoegen bij dezelve extract-deliberatie gewenscht,
nodig en billijk geoordeeld, zo is deeze dan dienende om daartoe namens den
raad Uw authorisatie te imploreeren zo wel, als tot het gebruik daartoe voor
de jaaren 1832 en 1833 van de nodige gelden uit de daarbij afgegevene respecten
der staaten van begrooting in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente over dezelve
jaaren respective. Verblijvende hiermeede onderdanigst. De burgemeester der
gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 146  Heemse, den 15e april 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer bij deeze aan U te doen toekomen een dubbeld van het proces-verbaal
van overgifte en ontvangst van het eerste suppletoir kohier der personeele belasting
van den lopenden jaare 1833 ter dezer gemeente aan en door den ontvanger (ad
interim) der directe belastingen in dezelve, als meede een afschrift mijner
afkondiging daartoe betrekkelijk, door de respective kosters van Hardenbergh
en Heemse, mitsgaders den boode der gemeente voor publicatie en affixie gecertificeerd.
Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 149  Heemse, den 15e april 1833, brief aan de heeren L. Bosch
en H. Wineke, praedikanten bij de hervormden te Hardenbergh en Heemse respective:

Ten gevolge van een bij mij ontvangen besluit van Zijne Eminentie den heer
Gouverneur der Provincie d.d. 4e dezer, 1e afd., nr. 1378-1944/1328
(provinciaal blad nr. 41) doe ik U bij deze en ten einde als daarbij, ieder
een exemplaar toekomen van dat van Zijne Majesteit van den 25e der
vorige maand, betreffende den gezegenden staat van Hare Koninklijke Hoogheid
de princes Frederik der Nederlanden en de daarbij bevolene openbaare voorbiddingen
deswegens. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 150  Heemse, den 13e april 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het gouvernementsbesluit van den 12e juli 1827 heb
ik de eer U bij dezen te berigten dat zich geene jongelingen (miliciens van
de ligting van dit jaar) ter dezer gemeente bevinden, welke, kwekelingen op
’s Rijks veeartsenijschool te Utrecht of wel, aldaar hunne studiën volbragt
hebbende door het gouvernement als vhee-artsen erkend zijnde, in de termen vallen
om ten gevolge van hun laag nummer in mindering van het contingent der gemeente
bij de nationale militie te moeten worden ingelijfd en alzo aanspraak hebben
op het faveur van onbepaald verlof ter vrijstelling van de najaars exercitiën,
ten gevolge van Z.M. besluiten d.d. 25e juli 1823 en 12e
mei 1827. Verblijvende hiermede eerbiedigst. De burgemeester der gemeente het
Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 152  Heemse, den 17e april 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1828 diend deze ter informatie dat op gisteren ter secretarie dezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Herm Suhr, vreemd arbeider te Rheezerveen,
echtgenoot van Sophia Tellejans te Latbergen in de Graafschap Tecklenburgh,
Koningrijk Pruisen, hebbende minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni
van Riemsdijk.

Nr. 153  Heemse, den 17e april 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, te Heemse:

Ingevolge de bepalingen bij Koninglijk Besluit van den 31e juli
1828 diend deze ter informatie dat op gisteren ter secretarie dezer gemeente
aangifte is gedaan van het sterfgeval van Albert Jonkeren, zonder beroep te
Collendoorn, zoontje van Albert Jonkeren en vrouwe Aaltjen Stoevebelt aldaar;
hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 154  Heemse, den 18e april 1833, brief aan de heeren Gedeputeerde
Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge der door den raad dezer gemeente bij deszelfs deliberatiën van
gisteren op mij verstrekte kwalificatie heb ik de eer bij deze ter tafel van
U te adresseeren een extract uit dezelve blootleggende deszelfs opinie en verlangen
ten gevolge van Uw besluit van den 9e dezer, 1e afd.,
nr. 710/481 nopens de daarbij voorgesteld wordende heffing van opcenten op den
rijks-accijns op het gemaal, en plaatselijke belasting op het van elders ingevoerde.
Mij hiertoe gedragende, zo verblijve hiermede gehoorzaamst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 156  Heemse, den 18e april 1833, brief aan Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire dispositie van
den 11e dezer nr. 2135 in mijne handen ten fine van berigt en consideratien
te stellen, eene in dato den 6e bevorens door Berend Schutte, landbouwer,
wonende aan de Veenebrugge in de gemeente, aan U gepraesenteerde rekweste, houdende
klagten over den pachter van het dominiale veer ter Ruinen of Oelen te Heemse
in de gemeente, zo hebbe de eer daartoe bij deze, onder retour derzelve rekweste
te doen dienen. Dat de bedoelde zogenaamde Veenebrugge in de gemeente van alle
tijden en tot op het moment der inlijving van het Koningrijk Holland in het
Fransche Keizerrijk onder het voormalig kerspel of schoutambt Hardenbergh tot
en onder derzelver buurtschap Brucht heeft behoord, en eerst zederd de herstelling
der onafhankelijkheid van Nederland onder deze gemeente (edoch nog in alle gevallen
zonder uitzondering) als een eigen gehucht is beginnen beschouwd en aangemerkt
te worden. Dat alzo bij het vanouds bestaande tarief voor den onderwerpelijken
tol, laatstelijk geinhaereerd bij deszelfs laatste en nog durende verpachting,
op den 19e maart des vorigen jaars vanwegen het amortisatie-syndicaat
ten verzoeke van mijn heer den fungerenden agent der domeinen, wegen, vaarten
etc. in de provincie, en ten overstaan van mijn heer den burgemeester der Stad
Hardenbergh (die mij het proces-verbaal daaraf ten dezen wel heeft willen laaten
inzien) geëffectueerd, onder anderen gezegd en geleezen wordende ‘De boeren
in Brucht, Bergentheim, Anevelde, Holthone en den Velde, wagen en paarden houdende,
geven over het andere jaar twee gast rogge, alsmeede die van Aane’, het alzo
van zelven spreekt dat de pachter van het onderwerpelijke veer, Evert van Munster
ter Steede Hardenbergh, den klager komt te bezwaaren als van hem even als van
eenen vreemden of der gemeente uitheemschen, telkens als hetzelve veer met zijn
voertuig komt te passeeren, deswegen tien cents vorderd. Dat alzo de berigtgever
de vrijheid neemd U bij deze in eerbiedige consederatie te moeten geven, om
van deze omstandigheid mijn heer den fungerenden agent voornoemd te informeeren
en door dezen den onderwerpelijken pachter te doen aanschrijven om zich voortaan
ten dezen van alle verdere baatzuchtige en allezints onbevoegde handelwijze
te onthouden; restituerende van den klager het tot hiertoe te veel en boven
het tarief voorschreeven van denzelven gevorderde en genotene. Verblijvende
hiermede onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni
van Riemsdijk.

Nr. 157  Heemse, den 18e  april 1833, brief aan de heer Majoor
(baron van Heeckeren tot Walien), commanderende het 28e battaillon der reserve
schutterij, in guarnisoen te Zwolle:

Ten gevolge der bepalingen bij besluit van den heer Gouverneur der provincie
van den 10e dezer, betreffende het in functie treden van U als commanderenden
officier van het 28e battaillon reserve schutterij, heb ik de eer
U bij deze te informeren dat zederd de laatstelijk op den 7e december
des vorigen jaars bij mij, ter voldoening aan het besluit van den 21e
november te voren, opgezonden staat, geene mutatiën bij de reserve schutterij
ter dezer gemeente hebben plaats geha. Voegende ik een afschrift van den vorenbedoelde
staat hierbij met de bemerking dat het daarop voorkomend 10 tallige personeel
was en alzo nog blijft te zamengesteld door de persoonen van: Frederik Hansman,
Willem Olsman, Gerrit Hakkers, Egbert Rechtuit, Hendrik Kampman, Klaas Nijeboer,
Gerrit Jan Bossink, Gerrit Jan Bekman, Jan Pullen en Jan Bouwhuis, omtrend welke
het mij uit eene missive van de Gouverneur der provincie van den 3e
dezer, nr. 1286 is gebleeken dat tot korporaals zijn gedesigneerd geworden de
persoonen van Gerrit Hakkers en Egbert Rechtuit. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 158  Heemse, den 18e april 1833, brief aan de Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van het besluit van heeren Gedeputeerde Staaten der Provincie van
den 8e februari 1832, heb ik de eer bij deeze aan U te overzenden
een afschrift van het proces-verbaal van opneming der kas van den ontvanger
der gemeente door mij en heeren assessoren bewerkstelligd. Verblijvende hiermede
gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van
Riemsdijk.

Nr. 159  Heemse, den 19e april 1833, brief aan den heer ontvanger
der registratie etc., te Ommen:

Ten gevolge van deszelfs invitatie bij missive van den 13e dezer,
nr. 423, heb ik de eer U bij deze te informeeren dat de daarbij bedoelde ontvangers
van ’s Rijks belastngen Egbert Jannes Hoijkens te Nieuwwolda (provincie Groningen)
en Jan Fontain P.Z. te Nijkerk (provincie Vriesland) geene vaste goederen ter
dezer gemeente zijn bezittende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk.

Nr. 160  Heemse, den 19e april 1833, brief aan heeren Gedeputeerde
Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van derzelver besluit van den 3e dezer, heb ik de eer
U bij dezen te informeeren dat zederd den ontvangst van het besluit van den
tijdelijken heer Gouverneur der provincie van den 25e october 1824,
nr. 3 (prov.blad nr. 110) betrekkelijk het begraven van overledene personen,
eerder dan 36 uren na het overlijden, bij den burgerlijken stand ter dezer gemeente
voor algemeene cynosure met uitzondering van de gevallen van overlidjen ten
gevolge van geneeskundig erkende besmettelijke of aansteekende ziektens, is
aangenomen geworden om geene consenten tot begraving vor na hetzelve tijd-verloop
hoegenaamd af te geven en mits dien ook niet aan de belijders van den Israëlitischen
godsdienst voor de lijken hunner geloofsgenoten. Dat ook de Israëlieten in de
gemeente geene de minste zwarigheid hebben gemaakt de opgemelde alzo aangenomene
cynosure op te volgen of zich daaraan wederstreevend betoond, en dat alzo dezelve
geentzints te rangschikken voorkomen on der die geene hunner geloofsbelijderen,
die, naar den inhoud van Uw besluit voorschreeven, op de daarbij vermelde wijze
zoeken te wederstreeven aan de verordening omtrend het begraven hunner lijken
vastgesteld bij alle de kerk-reglementen, ten gevolge van art. 23, litt i van
Zijner Majesteits besluit van den 12e juni 1814, nr. 58, houdende
organieke bepalingen nopens het Israëlitisch kerkgenootschap, en in overeenstemming
met art. 77 van het nog vigerend burgerlijk wetboek. Dat men alzo voor deze
gemeente geene zwarigheid ziet om gevolg te geven aan het voorstel ten dezen
bij Uw onderwerpelijk besluit voormeld van de hoofd-commissie tot de zaken der
Israëlieten ter bepaaling ‘dat de ambtenaren van den burgerlijken stand geen
verlof tot eene vroegere begraaving dan 24 uren na het overlijden zullen mogen
verleenen, dan op eene verklaring van een geneesheer, waarbij dezelve op den
eed bij den aanvang van zijn beroep afgelegd, betuigd dat de onverwijlde ter
aarde bestelling van het lijk, in het belang der maatschappij, en uithoofde
van den aard der ziekte (welke hij zal moeten opgeven) gebiedend vereischt wordt,
en alzoo de vertraaging nadeelig zoude zijn voor de gezondheid der ingezetenen’.
En derhalven, meend dezerzijdsch verlangde consideratiën en advies daarhenen
te moeten doen strekken. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 161  Heemse, den 19e april 1833, brief aan de Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Voldoende aan de gouvernementsbesluiten van den 15e februari 1819
en van den 19e februari 1820, zo heb ik de eer bij deze aan U ten
einde als bij dezelve besluiten, te overzenden een extract uit de registers
van den burgerlijken staat dezer gemeente, betrekkelijk de aangifte op den 16e
dezer van het binnen dezelve voorgevallen overlijden van zekeren Herm Suhr,
echtgenoot van Sophia Tellejans, landbouwer te Latbergen in het Graafschap Tecklenburgh
des Koningrijks Pruissen, zich voor den veenarbeid na deze gemeente begeven
hebbende; zijnde de begraving van het lijk deszelven op de grafplaats te Heemse
bewerkstelligd door en ten koste van eenige zijner ook in de gemeente zich bevindende
landgenooten, waaronder des overledenes zoon Herm Suhr jr. en aan dezen laatsten
door mij gedaan ter hand stellen de bij den overledenen bevondene goederen,
in diverse kledingstukken en eenige mondbehoeften bestaan hebbende. Verblijvende
hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni
van Riemsdijk.

Nr. 162  Heemse, den 20e april 1833, brief aan heeren Gedeputeerde
Staten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ten gevolge van derzelver besluit van den 17e dezer, het hierbij
gaande suppletoir of nader contract met A. Koeslag ter Steede Hardenbergh, aannemer
der nieuw te bouwen school te Radewijk in de gemeente, aangegaan hebbende, door
welkers executie wij vertrouwen in allen opzichte aan derzelver intentie voor
de meerdere verluchtiging van het gebouw te zullen worden voldaan, zo hebben
wij de eer hetzelve, tevens met onze proces-verbaal wegens den onderwerpelijken
aanbouw van den 11e dezer, het bestek en conditien daarop bevattende,
en de daartoe specteerende plattegronds-teekening, bij deze ter tafel van U,
ten fine van approbatie (waarom dan andermaal bij deeze eerbiedigst verzoekende)
in te zenden. Verblijvende onderdanigst. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor.

Nr. 163  Heemse, den 20e april 1833, brief aan de Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

In den loop van den jaare 1830 zich ter dezer gemeente ten gehuchte Slagharen
(eene kolonisatie in de nabijheid van en omtrend de Dedemsvaart) in de marke
van Lutten zijnde komende te vestigen (Uwe Excellentie gelieve ten dezen in
te zien de missive van den heer burgemeester der gemeente aan mijn heer den
waarnemenden gouverneur der provincie van den 6e januari 1831, waartoe
ten dezen eerbiedige relatie) uit Rutenbrock ten Ambte Meppen (voormalig Munsterland)
van het Koningrijk Hanover, het huisgezin van Frans Bouck (bij voormelde missive
Buck) hebbende alstoen 6 (vier mannelijke en twee vrouwelijke) zielen, wier
getal door de geboorte aldaar op den 12e april 1832 uit Engelina
Aleida Oosterman, huisvrouwe van denzelven Frans Bouck, van drie kinderen (een
van het mannelijk en twee van het vrouwelijk geslacht) tot 9 is vermeerderd
geworden, – en deze Frans Bouck in het laatst van den afelopenen jaare ongesteld
geworden en ten gevolge dier ongesteldheid (van tijd tot tijd zich herhaalende
aanvallen van epilepsie) op den 10e der vorige maand overleden, zo
hebben wij niet alleen, onder en gedurende dezelve zijne ziekte, op aanzoek
der voormelde zijne huisvrouwe gesterkt door de verzekeringen van den heer B.L.
Nijentap, Rooms-Catholiek pastor aan de gezegde Dedemsvaart onder den Ambte
Ommen, omtrend de behoefte van hun en hun gezin, geene zwarigheid gemaakt hun
voor derzelver beter bestaan eene weekelijksche ondersteuning in natura, heen
ter tijd het meer gevorderde voorjaar aan den man de gelegendheid voor verdiensten
in den turf-arbeid zoude hebben verschaft te doen toekomen uit het respect van
kosten van onderstand van onderscheidenen aard aan behoeftige ingezetenen niet
tot de ledematen van eenig godsdienstig genootschap in de gemeente gehorende
of ook vreemden zich toevallig in de gemeente bevindende, op den staat van begroting
in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente, en zulks ofschoon door hun tot hiertoe
geen cent ter schraaging van derzelver finantien waare bijgedragen, als hebbende
niets van de hun in dezleve inmiddels afgelegde lasten, komen te kwijten – maar
ook deze ondersteuning gemerkt het overlijden van den opgemelden vader des huisgezins,
tot hiertoe doen voortduren tevens de intentie koesterende om ook, onder dezelve
ongelukkige omstandigheden, daarmeede te continueren, tot aan de epoque dat
de ten velde staande of noch te brengene vruchten van dit gezin dezelve onnodig
zoude komen te maken; der moeder steeds recommanderende alles te doen en den
meest mogelijken vlijt aan te wenden om derzelver bezittingen waaronder althans
nog twee stuks koebeesten voor zich en haare kinderen bij elkanderen te houden
in de hoop op gunstiger uitzicht het zij ter plaatse van derzelver actueel verblijf
of dat van derzelver voormalig buitenlandsche, waar na toe wij haar aanrieden
bij haare familie met derzelver kinderen te retourneeren en daartoe ook de hulp
en de medewerking van welgemelden heer P.L. Nijentap, derzelver geloofs- en
godsdienstleeraar, te imploreeren, haar dan tevens ten gevolge van het besluit
van de heeren Gedeputeerde Staaten der provincie van den 20e februari
dezes jaars, bekend maakende dat aan hen onlangs uit de provinciale kas eenige
fondsen waaren verstrekt ter zo veel mogelijke temporaire voorziening in de
behoeften der ingezetenen dezer gemeente, en die van de ambten Ommen en Avereest,
aan en omtrend de Dedemsvaart bij het aldaar, ten gevolge van het saisoen, bestaand
tijdelijk gebrek aan werk en verdiensten, zullende het in het bijzonder gemerkt
derzelver bijzondere en allezints nu te erkennene behoeften aan haar ofschoon
dan ook volgens haar zeggen, door dien heer van tijd tot tijd al met f. 4,-
of f. 5,- begiftigd, vrijstaan denzelven ten dezen van tijd tot tijd te adieren,
meede als de directie hebbende over de diaconie- of armenfondsen zijnes kerkgenootschaps
aan de meergenoemde vaart, waarvan toch met derzelven gezin leeden waaren, en
daartoe ook gewisselijk in der tijd het hunne hebben bijgedragen en alzo door
die bijdragen, even als ten gevolge van het leerstellige van iederen christelijken
godsdienst, rechtmatige aanspraak waaren hebbende. De uiterlijke houding der
vrouwe nu weduwe, en derzelver gesprekken (waarbij dan steeds derzelver verlangen
te kennen gaf om haare bezittingen alhier zonder schaade te kunnen te gelde
maken en met derzelver product na Rutenbrock voormeld in hanover met de haaren
terug te keeren) opmerkzaam gadeslaande, zo voedden wij het vertrouwen dat aan
onze aanmaningen voormeld zoude gehoor geven en dezelve bevolgen; haar toezeggende
onze temporaire ondersteuning in natura aan haar en haare kinderen provisioneel
te zullen blijven volhouden. Dan ons in dit vertrouwen nu geheel en al voorziende
teleurgesteld te zullen worden door de omstandigheid, dat de bedoelde vrouwe
zich voor weinige dagen bij mijn heer den burgemeester der gemeente is komen
te vervoegen in gezelschap van zekeren zich noemende Otto Vinke (Finkers) uit
Groningen, zeggende timmerman van beroep te zijn en zich voor ruim 4 maanden
of daaromtrend ook eerst ter dezer gemeente aan de meergemelde Dedemsvaart,
vanuit de kolonie der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans, te hebben
ter nedergeslagen, met het voorstel ‘om in dezes gezelschap met haare vorenbedoelde
drieling-kinderen enz. na derwaarts (Groningen) te reizen en aldaar bij derzelver
vertooning de mededeelzaamheid der ingezetenen in te roepen’, waartoe dan verlangende
was door een permissie-billet te worden gemunieerd (eenen persoon ons weinig
bekend, van wiens aanwezen ter dezer gemeente wij tot hiertoe niets dan bij
de inspectie der opschrijvingsregisters voor den landstorm zouden weeten, en
dien, zijn vroeger verblijf in aanmerking genomen en ofschoon zelfs vrouw en
kinderen hebbende vermeenen voor niets anders te moeten houden dan voor eenen
avonturier, de onderwerpelijke vrouwe en gezin zoekende om den tuin te leiden,
schandelijk op te ligten en uit derzelver nog resteerende bezittingen en door
de als voormeld, in te roepene mededeelzaamheid van Groningers ingezetenen zich
zelve te voeden) zo hebben wij het, bij de als voormeld nu aangenomene allezints
verdagte houding der onderwerpelijke vrouwe weduwe, in het belang onzer gemeente,
ten einde dezelve niet eenmaal zoude kunnen worden gehouden voor het wettig
onderstandsdomicilie derzelve en haare kinderen, geoordeeld ons bij deze tot
U te wenden ter derzelver vrijwaaring daaromtrend en ter bekoming van de gevorderde
aanwijzing daartoe, bij de niet-applicatie vooralsnog ten dezen van de bepalingen
bij art. 6 der wet van den 28e november 1818, hierom dan bij deze
Uwe Excellentie eerbiedigst verzoekende. Bij deze gelegendheid dan tevens de
vrijheid neemende U opnieuw te doen attendeeren op de nadeelige schromelijke
en kostbaare gevolgen ten dezen voor deze gemeente staande voortvloeijende uit
de zich nog dagelijks vormende en toenemende colonisatien in dezelve aan en
in den omtrek van den Dedemsvaart; colonisatien zoals de veelvuldige proces-verbalen,
inkwisitiën en vonnissen wegens wan- en misbedrijven van allerlei aard, opgemaakt,
geinstitueerd en geveld bij de bevoegde authoriteiten van policie en justitie
in de gemeente en de provincie, komen te leeraaren der gemeente en het rijk
de tafereelen van het smaadelijkst en schandelijkst gedrag komende op te leveren
en de overtuigendste blijken dragende, dat een groot gedeelte van de dezelve
daarstellende bevolking word uitgemaakt door lieden zonder goed merk of stempel,
door de justitie of andere omstandigheden van heinde en verre, speciaal ook
van buitenlandsch, derwaards (veelal ook der militaire conscriptie buiten het
rijk alzo ontvluchtende) gedreeven, en de eigen ingezetenen der gemeente, door
hunner veeler handen werk, dan wanner wat te verdienen is, van alle gewin door
turf- en veen arbeid beroovende, en zich voorts in het wintersaisoen der mond
zoekende open te houden door roof- en diefstal, mitsgaders het even schandelijk
smokkelaarsbedrijf, waartoe dan ongelukkiglijk de nabij gelegene rijks-grenzen
hen eene zo gunstige gelegendheid komt aan te bieden en waarvan dan ook de menigvuldige
proces-verbaalen der rijks-beambten en de vonnissen der rechtbank te Deventer
even veele bewijzen komen op te leveren, als veelal de registers aan het kantoor
der registratie te Ommen van de deficits voor de rijks-kassa wegens de baten
en kosten, waarin (bij eene niets door hen geteld wordende procalabele gevangenisstraf
van langeren of korteren duur) ter dier zaake, wij zwijgen ten andere van andere
correctioneele misdrijven, komen te worden verweezen. En, waarin, zouden dan
U wel vertrouwen de voornamere oorzaak dezer zo buitengewoon toenemende colonisatie,
speciaal door de uitheemschen des Rijks, te zoeken zijn? Gewis, op dat wij terug
komen op hetgeen wij vroeger de eer hadden bij onze berigt aan U van den 7e
juni 1831 ten gevolge der aanschrijving van den 26e mei bevorens,
aan te stippen, in den vroegeren opbouw eener Roomsch-Catholyke kerk aan de
Dedemsvaart ten Ambte Ommen, voor de fundatie der thans aldaar gebouwd wordende
Hervormde, de Roomsch-Catholyke geestelijkheid toch kleeft, boven die der hervormden
de leer de propaganda fide et ecclesia dan en zulks onbetwistbaar een voornaam
meede poinct van derzelver bemoeijingen en streeven zijnde, zo zocht de eerwaarde
pastor loci, de heer P.L. Nijentap voormeld, ook maar zijn in evenredigheid
onzer vroegere vast algemeen hervormde bevolking, klein kuddeken door consentieerende
leeden uit het veelal bijzonder armoedige voormalige Munsterland of van elders
te verrijken, en zodoende dreigd dan nu deze burgerlijke gemeente reeds aanvankelijk
de prooij te worden van zijne onberaadene propagandisterij. Zijn Eerwaarde houde
ons, eene in allen opzichte verdraagzame godsdienstleer belijdende en bevolgende,
deze uitweiding ten goede, als alleen derzelver oorspong verschuldigd aan onze
voor den finantielen toestand onzer gemeente nodigste intentie om daardoor ook
uwe Excellentie’s attentie zo veel mogelijk op deze bijzondere omstandigheid
en die onzer gemeente daardoor te leiden; derhalven hieromtrend bij deszelfs
indulgentie deswegens te omwaards, ook van Uwe Excellentie in het belang der
gemeente de geoorloofde voorzieningen, ten dezen ofte derzelver provocatie bij
de superieure authoriteit dringend inploreerende. Verblijvende voorts gehoorzaamst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In
kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor, loco-secretaris.

Nr. 164  Heemse, den 20e april 1833, brief aan de Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer bij deze te overzenden de bij mij in dato gisteren van den heer
agent van den algemeenen rijks-kassier te Zwolle ontvangene duplicaat-kwitantie,
wegens ten dien dage ten zijnen kantore voor deze gemeente gedane overstorting
der abonnementsgelden voor het staatsblad en het register daarop, voor den lopende
jaare 1833. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 165  Heemse, den 22e april 1833, brief aan de Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij mijne missive van den 23e der vorige maand, nr. 115, had ik
de eer U te informeeren dat Jan Willem Koning, onder het contingent der gemeente
van 1830, als schutter dienende in de 5e compagnie van het 2e
battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij zich
toen (evenals nu op dit moment nog) na dat zijn vader Jan Koning, landbouwer
te Bergentheim in de gemeente, daartoe zich op den 31e januari dezes
jaars bij rekweste, aan Z.M. den Koning gewend heeft gehad, wederom, evenals
ten afgelopenen jaare ingevolge de dispositien van de Minister van Binnenlandsche
Zaaken en Directeur-generaal van Oorlog, zederd den 10e derzelver
maand maart met twee-maandelijks verlof, staande te expireeren op den 4e
mei eerstkomende, in de gemeente was bevindende, en de omstandigheid van den
vader Jan Koning voormeld en van dezes gezin zodanig zijnde dat ere eene volstrekte
noodzakelijkheid bestond voor de verlofs-verlenging van opgemelden zijnen zoon
Jan Willem Koning ter instandhouding van hun gemeenschappelijk beroeps-bestaan,
zo nam ik dan tevens, ofschoon mij tot daaraantoe daaromtrend eene vernieuwde
speciale aanschrijving van U was ontbreekende, de vrijheid bij dezelve mijne
missive in het belang der betrokkenen tot U te wenden, ten einde ook voor den
onderwerpelijken verlofganger eene nadere verlofs-verlenging te effectueren,
daartoe dan bij dezelve aan U adresseerende eene certificatie aan mij dien ten
gevolge tot hiertoe geene communicatie nopens zodanige verlofs-verlenging voor
den onderwerpelijken Jan Willem Koning geworden zijnde, zo heb ik gemeend, de
vorenaangevoerde volstrekte noodzakelijkheid daartoe blijvende bestaan, mij
bij deze, onder eerbiedige relatie tot mijne voorschrevene missive van den 23e
der vorige maand en tot mijne daarbij gevoegd geweest zijnde certificatie, andermaal
tot U te durven wenden en eerbiedigst, in het belang der betrokkene familie,
nogmaals te imploreeren, dat mij alnog in tijds voor den bedoelden Jan Willem
Koning de verlangde twee-maandelijksche verlofs-verlening door deszelfs vermogende
intercessie mag geworden. Verblijvende daartoe onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 166  Heemse, den 23e april 1833, brief aan de Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij Uw Excellentie’s apostillaire dispositie van den 15e dezer,
1e afd., nr. 2244 in mijne handen, ten fine van berigt en consideratien,
gesteld geworden eene hierbij cum adjunctis teruggaande rekweste door Lambert
Klement, wonende te Heemse in de gemeente, als plaatsvervangend schutter gediend
hebbende in de 5e compagnie van het 2e battaillon der
1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij voor Herm Jan Welink,
schutterplichtige behorende tot het gemeentelijk contingent van 1830, en uit
denzelven dienst, ten gevolge der sequelen eener gedurende denzelven ondergaane
ziekte, ontslagen in dato den maart l.l. aan Zijne Majesteit den Koning, gepraesenteerd
en houdende verzoek om een jaarlijks pensioen ten bedrage van een en negentig
guldens, ofte van zodanige andere som als Hoogstdezelve, zijne ongelukkige omstandigheden,
voor de toekomst ten gevolge van zijnen dienst in het 5e district
der provincie Zeeland bij Hoogstdeszelfs getrouwe legers in aanschouw neemende,
zoude goedvinden, zo heb ik de eer daartoe bij deze te doen dienen. Dat de relatien
in de omstandigheden van den rekwestrant, invoegen bij zijne onderwerpelijke
rekweste, mitsgaders bij zijne vroegere van den 7e augustus 1832
voorgedragen, allezints voorkomen naar waarheid, te zijn op- en aangegeven,
ook met betrekking tot zijnen actuelen ligchaamelijken toestand, waaromtrend
dan ook reeds vroeger, ten gevolge van Uw aanschrijving van den 25e
augustus des vorigen jaars, nr. 3379, door mij, in mijne kwaliteit van ook medicinae
doctor enz., een expres onderzoek is te werk gesteld geworden, waarvan het resultaat
vermeld bij mijne missive aan U van den 30e aanvolgende, nr. 417,
even als nu wederom dit onderzoek door mij herhaald en voor nader resultaat
dezelfde bevinding komen op te leveren, zo ten reguarde der bij  hem steeds
bestaande groote lidteekens, met verlies van zelfstandigheid, ter zijden van
het heiligbeen, als der voortdurende, dan eens of, dan wederom toenemende ontvellingen
van zijn hielen; door het een en ander gevolgen van gringrana e decubitu bij
eenen overgang in cachexia der door hem in Zeelands vijfde district gecontraheerde
noodlottigste endemische koorts-ziekte, niet alleen belet wordende de ligchaamsbewegingen
en verrichtingen uit te voeren voor zijn beroep van schoenmaker vereischt, maar
ook zelfs in het behoorlijk staan en gaan, ja wat meer is, nu en dan in het
zitten grootelijks en pijnlijks wordende gehinderd, en bij elke nodige aanstrenging
ten dezen zich aan eene dadelijke en onvermijdelijke recrudescentie en exacerbatie
derzelve zijne uiterlijke ongesteldheden blootstellende. Dan dat ook door den
rekwestrant bij dezelve zijne rekwesten een waar en juist tafereel zijner huisselijke
omstandigheden, is opgehangen geworden, moetende nu de bedongene weekelijke
remplacements-subsidien en gelden zijn komen op te houden en het veredere deswegen
bedongene verteerd is, bij het gebrek tevens zijner geschiktheid als te voren
voor zijn beroep, van dag tot dag tot erger komen en eindelijk op volslagene
armoede en gebrek uitlopen; zijne huisvrouwe ook daarbij volstrekt buiten staat
zijnde voor beiden het brood te verdienen. Dat, ofschoon het dan ook eigentlijk
naar den letter waar mag zijn, dat, zo als de Directeur-generaal van Oorlog
bij deszelfs opgedagte dispositie komt te argumenteeren, des rekwestrants ligchaamsgebreeken
niet door dienstverrigting, maar ten gevolge van eene gewoone ziekte, zijn ontstaan,
het daarbij toch even ontegenzeggelijk zeker is, dat dezelve hem is opgekomen
in den schutterlijken dienst en onder de en ten gevolge der uitvoering der daaraan
verbondene plichten en verrichtingen in het den ingezetenen dezer gemeente overigens
en daarbij allezints vreemde clima der provincie Zeeland, waar zo veele hunner
bereeds derzelver graf gevonden hebben, en welke althans eene eigenaartige endemische
ziekte gesteldheid met zich is voerende, terwijl toch bekendelijk derzelver
noodlottige gevolgen bij den onderwerpelijken ongelukkigen speciaal te attribueeren
schijnen aan zijn lang verblijf in onderscheidene Rijkshospitalen, voor hem
niet altijd de nodige zagtere ligging bij de vereischtte gedurige veranderingen
in derzelve, ten gevolge der nalatigheid daaromtrend van zijne oppasseren, opgeleverd
hebbende. Redenen waarom dan gevoegd bij de voormelde de berigtgever zich allezints
verplicht gevoeld zijne consideratien ten dezen te doen dienstbaar zijn tot
het accordeeren van des rekwestrants verzoek; hem daartoe dan bij deze Zijne
Majesteit den Koning mitsgaders welgemelde hunne excellentien ten zeersten en
in allen opzichte aanbevelende en daartoe ook van U voor hem deszelfs vermogende
protectie inroepende. Verblijvende voorts hiermeede gehoorzaamst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 169  Heemse, den 26e april 1833, brief aan de Z.E. den heer
Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te retourneeren de mij bij deszelfs besluit van den
15e dezer geadresseerde lijst der reserve-schutterplichtigen in de
gmeeente, na de aanvulling op dezelve der verlangde renseignementen. Intusschen
mij (behalven Gerrit Hakkers en Egbert Rechtuit, beide mij bij deszelfs aanschrijving
van den 3e dezer, bekend gemaakt, als tot den dienst van korporaal
bij het 28e battaillon gedesigneerd) geene der verdere op dezelve
lijst vermelde personen voorkomende bijzondere geschiktheid te hebben om de
functien van sergeant-majoor, sergeant, fourier, korporaal of tamboer waar te
nemen, zo heb ik de eer ook U daaromtrend bij deze te informeeren, evenals van
de omstandigheid dat tot hiertoe geen mutatien bij het onderwerpelijke personeel
voor de schutterij ter gemeente hebben plaats gevonden.

Nr. 171  Heemse, den 26e april 1833, brief aan den leeraar der
Protestantsche Christelijke kerk te Heemse:

Ingevolge besluit van den heer Gouverneur der provincie van den 1e
februari l.l., doe ik U ten einde als daarbij, bij deze toekomen een exemplaar
van eene missive van den heer Minister van Staat, belast met de generale directie
voor de zaaken der hervormde kerk enz., in dato den 19e januari bevorens,
nr. 1, gerigt aan de leeraren der Protestantsche Chistelijke kerk, bevattende
de jaarlijksche gewone collecte voor het fonds ter aanmoediging en ondersteuning
van den gewapenden dienst in dit rijk.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur
van Ambt Hardenberg, beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende
den 26e augustus 1833.

Nr. 176  Heemse, den 3e mei 1833, brief aan den heer ontvanger
der rechten van successie en van overgang door overlijden in het ressort Ommen,
te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e februari
1818 overzende U bij dezen de sterflijst voor deze gemeente over de afgelopene
maand april, – voegende hierbij ingevolge besluiten van den heer gouverneur
der provincie van den 14e januari en 7e maart 1832, de
certificaten van onvermogen betrekkelijk de erfgenamen van Dina Stegink en Frans
Bouck, in de voorlaatste maand overleden en onder de dooden op de sterflijst
van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk.

Nr. 182  Heemse, den 6e mei 1833, brief aan den heer Majoor,
commanderende het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile
Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd te Hulst enz. in de provincie Zeeland:

De schutter Willem Bekman uit de gemeente, in de 5e kompagnie van
Uw battaillon dienende, en zich met eenen verlofpas van U in dato Hulst den
18e der vorige maand zederd den 24e aanvolgende voor twintig
dagen, expireerende op het avond-appel van morgen, in de gemeente onthoudende,
is zederd eenige dagen door eene intermitterende koortsziekte aangedaan geworden
en uit dien hoofde zich buiten staat bevindende zijn korps te rejoigneeren,
door mij, ter herstelling zijner gezondheid gedirigeerd geworden op de guarnisoens-ziekenzaal
der ons naburige vesting Coevorden; van welke omstandigheid dan ik de eer heb
U bij deze te informeeren. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr. 186)

Nr. 184  Heemse, den 6e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te informeeren dat op gisteren (den eersten zondag
der maand mei dezes jaars) in de gemeente is gepubliceerd geworden de gouvernementspublicatie
van den 16e november 1814, betrekkelijk de custodie van vuur en licht,
mitsgaders het reglement op het blusschen van brand in de gemeente het Schoutambt
Hardenbergh van den 26e februari 1823. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 190  Heemse, den 8e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden eene aanvrage om bewijs van voldoening
aan de nationale militie voor Gerrit Jan Veurink te Wijlen in de graafschap
Bentheim, koningrijk Hanover, ten einde na den ontvangst van Uw certificatie
daaromtrend in ondertrouw te kunnen worden opgenomen. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 191  Heemse, den 9e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik vinde mij in de onaangenaame noodzaakelijkheid geplaatst aan U bij deze
te moeten informeeren dat in den laaten avond van gisteren en ten afgelopenen
nacht ten gronde toe is afgebrand het woonhuis van Berend Veenebrugge, c.z.,
aan de Venebrug ter dezer gemeente, zijnde, behalven den geheelen aanwezigen
ruimen inboedel des voormelden eigenaars, zijne gereedschappen voor de huishouding
en beroepen (logementhouding en tappers-neering bij den landbouw), de voorraad
van leeftogt en voeding voor menschen en vhee, daarin ook nog zes stuks jong
hoornvhee omgekomen, alsmeede ook tevens al het lijfstoebehoor der domestieken
bij deze gelegendheid verbrand. De brand, waarvan men de eigentlijke oorzaak
niet weet aan te geven, schijnd binnen’s huis te zijn ontstaan omstreeks
ten elf uren des avonds, op het moment dat, behalven de huisvrouwe slechts nog
een der domestieken niet te bed waaren, wagtende op te huis komst van derzelve
voornoemden echtgenoot en zoon, die juist bij het begin van den brand van Sibculo
kwamen te huis rijden en daardoor nog in de gelegendheid waaren derzelver verdere
vhee den brand te ontvoeren, doch overigens van derzelver verder in het gebouw
aanwezie bezittingen niets vermogten te redden, als staande momentelijk en opeens
in ligte laaije vlam, grootelijks begunstigd wordende door het riet- en stroodak
waarmeede was gedekt; en hebbende zich alzo de vlijt en de waakzaamheid van
de weinige bewoners der Veenebrugge en van eenige dadelijke uit de nabijheid
ter hulp toegesnelde personen alleen moeten en met vrucht kunnen bepalen tot
de weering der vlammen van het belende huis van den tapper en landbouwer Berend
Schutte, meede, evenals de hierna vermelde schuuren en schaapskooijen met riet
en stroo gedekt; zijnde derzelver onvermoeijde pogingen, opvolgende gesterkt
door eene uit de stad Hardenbergh aangevoerde brandspuit en de toesnelling der
ingezetenen van de buurtschap Brucht met hunne brandhaken en een aantal water-emmers,
mitsgaders begunstigd door de zachtheid des winds, het ten dezen dan ook gelukt
en daardoor meede ook de vorenbedoelde schuuren en schaapskooijen der beide
opgemelde bewoners van de Venebrugge behouden gebleeven. Ik heb voorlopig geene
verdere bijzondere observatiën ofte consideratiën betreffende dit ongelukkig
voorval hiernevens te voegen, als dat, ofschoon dan ook het verbrandde gebouw
voor brandschaade is verwaarborgd, het verdere verlies van deszelfs eigenaar
en van deszelfs gezin aanmerkelijkst te achten is, als hebbende niets behouden
dan hetgeene waarmeede waaren gekleed en gedekt toen den brand ontstond, zij
denzelven ter naauwernood konden ontvlieden ofte bij denzelven aankwamen; zullende
ik den ongelukkigen dadelijk de behulpzame hand bieden in het opmaken der aan
den heer controleur in de divisie Ommen om remissie van belastingen en ter gemoetkoming
aan de geledene verliezen uit de daartoe bestaande fondsen in te dienen reclames;
terwijl, zodra dien ten gevolge het vereischte proces- of processen-verbaal
daaromtrend zal of zullen zijn opgemaakt, hetzelve of dezelve aan U zal doen
toekomen. Bevelende intusschen de schaade geleden hebbende bij deze ten zeersten
in Uwe protectie en verblijvende daartoe gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr. 192)

Nr. 193  Heemse, den 10e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie
dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Albert Lenters, landbouwer
te Heemse, echtgenoot van Lammechien Bouwhuis aldaar, hebbende minderjarige
erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier
van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 194  Heemse, den 10e mei 1833, brief aan den heer G. Crull,
marken-richter der marke Diffelen, op den Beld:

De voorjaars-schouwe der waterleiding van den Sibculoër-Dijk, bekendelijk tusschen
de marken van Diffelen en Beerse, Ambt Ommen, uitwaterende in de rivier de Vecht,
op den 23e dezer des morgens ten 9 uren te beginnen aan derzelver
bedoelde uitwatering bij die rivier, zullende plaats hebben, zo nodige ik U
door deze uit om daarbij in persoon of door een gecommitteerde uit de marke
te adsisteeren, evenals ten dage aanvolgende, meede des morgens ten 9 uren,
bij die der waterleiding van den Hessenweg, tusschen de marken van Diffelen
voorzeid en die van Stegeren ten Ambte Ommen voormeld na de opgemelde rivier
aflopende, in ook te beginnen aan derzelve bekende uitwatering in de rivier;
zullende vervolgens dan ten zelfden dage ook nog worden overgegaan tot de schouwe
der verdere waterleidingen in dezelve marke. U dan ook nog bij deze, als meede-eigenaar
van Sibculo en van de marken dier buurtschap, attent makende op de notificatie
van burgemeester en assessoren der gemeente van den 10e der vorige
maand, de uitvoering der algemeene schouwe der waterleidingen in de gemeente
met den voorzeiden 23e dezer betreffende, en tevens informeerende
dat die schouw voor de marke Sibculo ook op denzelven 23e dezer zal
plaats hebben, te beginnen des achter-middags ten 1 uur, aan het punt der scheiding
tusschen de marken Bergentheim en Sibculo aan den Sibculoër- of Klooster-dijk,
en dat ook door U of door iemand der andere meede-eigenaren, daarbij in persoon
of door een gekwalificeerde zal behoren te worden geadsisteerd. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (vergelijkbare brieven
nr. 195 en 196 gericht aan de heer W. Creemer te Hardenbergh, voor zich en de
verdere meede-eigenaren van Sibculo en aan de heer G.J. Hesselink, marken-richter
der marke Bergentheim, aan den Mariënberg aldaar.)

Nr. 197  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer jonkheer
Jacob van Foreest van Heemse, markenrigter van Heemse, Collendoorn en Radewijk,
te Heemse:

De voorjaars-schouw der waterleidingen in de gemeente eerstdaags zullende moeten
plaats hebben, en daartoe bepaald geworden zijnde: a. voor het dorp en marke
Heemse den 29e deezer, des morgens ten 9 uren te beginnen aan de
waterleiding van Spaanschkamp bij derzelven uitwatering in het veer ter Ruinen
of Oelen; b. voor de buurtschap en marke Colelndoorn, den 29e deezer,
des achtermiddags ten 2 uren, te beginnen aan de waterleiding van het Collendoornerveen
bij derzelver uitwatering in die van den Voort aan den Havermarsch; c. voor
de buurtschap en marke Radewijk, den 25e dezer, des achtermiddags
ten 2 uren, te beginnen aan de waterleiding de Radewijkerbeek bij de Veltmans-brug;
zo heb ik de eer U daarvan te procadverteeren bij deze, met uitnodiging om hetzij
in persoon of door een gekwalificeerde uit de marke te adsisteeren. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 198  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer J. van
Riemsdijk te Hardenbergh, marken-richter der marke Brucht:

De voorjaars-schouw der waterleidingen in de gemeente, vroeger aangekondigd
bij notificatie van burgemeester en assessoren van den 10e der vorige
maand, een aanvang staande te neemen op den 23e dezer en den 28e
aanvolgende in en onder de buurschap en marke Brucht, te beginnen des morgens
ten 9 uren aan de waterleiding de Bruchterbeek bij derzelver uitwatering in
de rivier de Vecht, zullende plaats hebben. De burgemeester der gemeente het
Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 199  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer Lucas Hoenderken
te Hardenbergh, markenrichter der marke Baalder:

De voorjaars-schouwe der waterleidingen in de gemeente, op den 25e
dezer in de buurtschap en marke Baalder, te beginnen des morgens ten 9 uren
aan de waterleiding van het Baalerhag bij derzelver uitwatering in de rivier
de Vecht, zullende plaats hebben. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk.

Nr. 200  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan de heeren Roelof
Westerman en Asse Waaijman te Lutten, gecommitteerden der makre van dien naam:

De voorjaars-schouw der waterleidingen in de gemeente, op den 24e
deezer, te beginnen des achtermiddags ten 1 uur aan de waterleiding van het
Lieve-Veen, bij derzelver uitwatering door de marken-scheiding met Heemse en
Collendoorn, in de buurtschap en marke Lutten, zullende plaats hebben, zo diend
deze te uwer informatie daaromtrend. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk.

Nr. 201  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heeren J.an
Stoeten L.zn, Gerrit Jan Veurink en Egbert Dunnewind te Rheeze, gecommitteerden
der marke van dien naam:

De voorjaars-schouwe der waterleidingen in de gemeente, onder de buurtschap
en marke Rheeze zullende plaats hebben; a. voor de Reest-A op den 24e
dezer, te beginnen des morgens om 10 uren aan derzelver afwatering na de marke
Stegeren ten Ambte Ommen; b. voor de verdere waterleidingen in dezelve buurtschap
en marke op den 30e aanvolgende, te beginnen des morgens ten 9 uren,
aan de uitwatering der waterleiding van het Ruimbroek in de rivier de Vecht,
zo diend dezer te uwer informatie daaromtrend. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 202  Heemse, den 11e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie
dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Geertjen Heuver, landbouwersche
te Diffelen, weduwe van wijlen Hendrik Hekman, in leven landbouwer aldaar, hebbende
geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente het Ambt

Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 203  Heemse, den 17e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie
dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Albert Altena, zonder
beroep te Lutten, zoontje van Lambert Altena en vrouwe Arendina Waaijman aldaar,
hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 204  Heemse, den 17e mei 1833, brief aan den heer burgemeester
der gemeente Nieuwe-Pekel-A, provincie Groningen:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden het inliggende mij door den heer Derk
Hesselink Nap, thans wonende te Collendoorn in deze gemeente, gepraesenteerde
geboorte- en doop-extract, zullende dienen ter zijner opneming in ondertrouw,
met verzoek van wel deszelfs goedkeuring in margine derzelve te willen stellen
omtrend de daarin voorkomende doorschrijving in den datum zijner geboorte en
mij dienna wel hetzelve ten spoedigsten te retourneeren. De burgemeester der
gemeente het Ambt Hardenbergh, provincie Overijssel, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 205  Heemse, den 17e mei 1833, brief aan den heer ontvanger
der registratie, te Coevorden:

Door mijnen ambtgenoot, den heer burgemeester der Stad Hardenbergh, mij ter
hand gesteld geworden zijnde Uwe missive van den 13e dezer, nr. 86,
zo heb ik dien ten gevolge, den daarbij betrokkenen persoon van Geert Meijer
(bij deszelfs opgemelde missive Meijerink genaamd) bij mij ontboden gehad en
heeft dezelve aangenomen van aanstaande maandag ten deszelfs kantore de verlangde
aangifte te zullen komen doen. U tevens informerende dat, ofschoon dan ook in
het geheel niet bemiddeld, ik echter zwarigheid heb gemaakt ten dezen een verlangde
certificatie af te geven. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk.

Nr. 207  Heemse, den 18e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Thijes Stegeman, landbouwer te Brucht in de gemeente, wiens zoon Derk Jan Stegeman
onder het contingent der gemeente van 1830, als schutter is dienende in de 5e
compagnie van het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile
Overijsselsche Schutterij, doch zich met twee-maandelijks verlof, staande te
expireeren op het avond-appel van den 30e juni aanstaande, zederd
den 7e dezer ten zijnent bevindende, in de omstandigheid verkerende,
dat ter voortzetting van deszelfs beroepsbestaan eene verlofs-verlenging van
denzelven zijnen zoon voor den tijd van alnog 2 maanden is behoevende; zo heb
ik de eer aan U te adresseeren de certificatie ten dezen.De burgemeester der
gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 211  Heemse, den 18e mei 1833, brief aan den heer Vrederegter
des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Ingevolge de bepalingen dient deze ter informatie dat op heeden ter secretarie
dezer gemeente aangifte is gedaan van het sterfgeval van Willem Wittendorp,
zonder beroep te Rheezerveen, zoontjen van Stephanus Wittendorp en Hendrika
Haverkort aldaar, hebbende geene minderjarige erfgenamen nagelaten. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, officier van den burgerlijken staat, Antoni
van Riemsdijk.

Nr. 215  Heemse, den 22e mei 1833, brief aan heeren Gedeputeerde
Staten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze ter tafel te zenden afschriften, zo van het proces-verbaal
van aanbesteeding in dato den 11e der vorige maand der nieuwe school
te Radewijk in de gemeente, als van het suppletoir contract dienaangaande met
den aannemer Abraham Koeslag te Hardenbergh, de dato den 20e aanvolgende.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 216  Heemse, den 24e mei 1833, brief aan de heer Gouverneur
der provincie Groningen, residerende te Groningen:

Door de heer Derk Hesselink Nap, geboren in de gemeente Nieuwe-Pekel-A ter
Uwer provincie op den 10e mei 1801, en thans wonende ter dezer gemeente,
aan mij, ten einde in ondertrouw te worden opgenomen, onder de daartoe nodige
stukken geproduceerd geworden, zijnde U bijgaande certificatie wegens de voldoening
dor hun van de wetten op de nationale militie, en in dezelve eene kenbaare schrijffout
ingeslopen zijnde met betrekking tot de daarbij vermelde epoque zijner geboorte,
zo neem ik de vrijheid dezelve certificatie, ten fine van redres, bij deze aan
U te adresseren, met verzoek mij dienna wel dezelve te willen doen retourneren,
ofte, bij niet mogelijkheid daarvan, mij wel Uw vernieuwde certificatie ten
dezen omtrend denzelven te doen toekomen. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 217  Heemse, den 24e mei 1833, brief aan de heer Officier
bij de Regtbank te Deventer:

Ik heb de eer U bij deze te overzenden de dor mij op gisteren opgemaakte processen-verbaal
ter zaake van drie in den nacht te voren gepleegde diefstallen van boter, ter
bleek gelegen hebbende lijf- en bedlinnen, mitgsgaders booter en brood, de eerste
en de laatste vergezeld van uitwendige braak, ten woonhuize van Jan Hendrik
Meijerink, ter bleekplaats van Jan Hendrik Breeman, en ten woonhuize van Hillegien
Wijchmink, weduwe van wijlen Hannes Waterink, landbouwers te Brucht in de gemeente.
Aan den voet van het eerstbedoelde en laatstgemelde van welke U tevens zal vinden
de verklaring van den heer A. Kampherbeek, 1e assessor bij het bestuur
dezer gemeente, in dato heden, nopens zijne bevindingen omtrend de spooren van
braak aan de bij dezelve bedoelde behuizingen respective, ter onderzoeking van
welke door mij was verzocht en gekwalificeerd geworden. Tot hiertoe heeft nog
niets verder omtrend den waarschijnlijk eenzelvigen dader of daders van dit
feit ontdekt kunnen worden, doch is mij de meede bestoolene Jan Hendrik Meijerink
zo straks komen zeggen dat door eenige kinders van zijnen buurman Jan Stegeman
Wolterszoon, de bij  het eerstgemelde proces-verbaal bedoelde boter-potten geledigd
waren teruggevonden in eenen sloot aan de bij hetzelve vermelde Lange-Kampen,
wezende de eene gebroken en de andere gaaf en ongeschonden. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 219  Heemse, den 25e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij het bestuur dezer gemeente, op den 10e dezer uit derzelver midden,
ten einde achtervolgens art. 11 der wet op de Schutterijen van den 11e
april 1827 de operatien der bevoorstaande looting voor den schutterlijken dienst
ten deezen jaare in dezelve te besturen, gecommitteerd geworden zijnde de burgemeester
Antoni van Riemsdijk en de 1e assessor A. Kampherbeek, zullende bij
wettige verhindering van een van beiden de verhinderde door de 2e
assessor J. Odink D.z. en van beide tevens meede door het raads-lid H. Heuver
worden vervangen; zo heb ik de eer U daarvan te informeren. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 222  Heemse, den 25e mei 1833, brief aan de heer F.W. van
Riemsdijk, medicinae et art. obstetric. Doctor, chirurgijn enz., ter Steede
Hardenbergh:

Wij hebben de eer U bij deze te informeren dat, ten gevolge der bepalingen
bij art. 4 van Zijner Majesteits Besluit van den 28e juni 1828, door
den raad dezer gemeente op den 10e dezer wederom zijt benoemd geworden
tot den genees- en heelkundigen, welke ten lopenden jaare de commissie van onderzoek
voor den schutterlijken dienst zal moeten bijstaan en beoordelen of en in hoeverre
de opgegevene ziekten of gebreeken voor denzelven dienst ongeschikt maken; zullende
de commissie, achtervolgens art. 18 en 19 van hetzelve besluit, ten dezen op
den 1e juni en 9e juli aanstaande ten Rustenbergh te Heemse,
des morgens ten 9 uuren, expresselijk komen te vergaderen. De burgemeester en
assessoren bij het bestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.
In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor en loco-secretaris.

Nr. 223  Heemse, den 27e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter voldoening aan art. 25 der reglemente op het bestuur ten platten lande
in de provincie, heb ik de eer U bij deeze, door overzending van afschriften
der door mij op den 23e dezer opgemaakte en aan mijnheer den Officier
bij de Regtbank te Deventer, bij mijne missive van den 24e dezer,
waarvan ook een afschrift hierbij, ingezondene proces-verbaal, gehoorzaamst
te informeren van de in den nacht te voren te Brucht in de gemeente gepleegde
diefstallen aan de bezittingen van de landbouwers J.H. Meijerink, J.H. Breman
en H. Wijgmink, wed. H. Waterink aldaar. De burgemeester der gemeente het Ambt
Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 224  Heemse, den 28e mei 1833, brief aan heeren Gedeputeerde
Staaten der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ter gevolge der door den raad dezer gemeente daartoe bij derzelver deliberatien
van den 21e dezer op mij verstrekte kwalificatie heb ik de eer bij
deze ter tafel van U in te zenden een extract uit dezelve raads-deliberatien
toucheerende Uw besluit van den 20e februari jl., opzichtens de daarstelling
van een temporair armen-subsidiën-fonds voor de gewone winterlijke behoefte
onder de ingezetenen der gemeente aan en omtrend de Dedemsvaart; eerbiedigst
vertrouwende dat U de daarbij aangevoerde consideratien tegens de daarstelling
van zodanig fonds metterdaad bestaande niet zullen disavouëren, zo neeme de
vrijheid mij daartoe enkel tot dezelve te refereeren en verblijve onderdanigst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 225  Heemse, den 28e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer, ten gevolge der daartoe door den raad dezer gemeente op mij
verstrekte kwalificatie, bij deze aan U te adresseeren een extract uit de deliberatiën
van denzelven raad, den 21e dezer gehouden, ten gevolge van Uw rescriptie
d.d. 15e dezer, aan mij op des raads missive van den 20e
der vorige maand, nr. 163, in betrekking tot het behoeftig gezin van wijlen
Frans Bouck te Slagharen in de nabijheid van en omtrend de Dedemsvaart ter dezer
gemeente; en strekkende ter bekoming van Uw medewerking en intercessie (waarom
dan ook bij deze namens den raad eerbiedigst ben verzoekende) bij de buitenlandsche
authoriteit aan welke dit behoord ter bekoming van restitutie door de plichtschuldige
buitenlandse gemeente of gemeenten, van den tot hiertoe aan hetzelve provisioneel
door deze verleenden onderstand en ter bekoming van derzelver toekomstige bemoeijingen
in het onderhoud van hetzelve. Verblijvende hiermede onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 226  Heemse, den 28e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Ik heb de eer U bij deze te informeren dat tot tegenschatters van de zijde
der belastingschuldigen in de personele belasting van het aangegeven bedrag
der huurwaarde of aantal deuren en vengsters of haardsteeden) benoemd zijn,
de personen van Berend Venebrugge C.z., koopman, wonende aan de Venebrugge,
en Evert Dorgelo, winkelier, wonende te Heemse, beide in de gemeente. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 228  Heemse, den 30e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Gerrit Schepers uit de gemeente, behorende tot derzelver contingent van den
jaare 1830, wezende met hetzelve op den 24e februari 1831 van hier
na de verzamelplaats Deventer uitgemarcheerd en zijnde zederd als schutter in
de 5e compagnie van het 2e battaillon der 1e
afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij dienende, bevind zich met eenen verlofpas
van den heer majoor, hetzelve battaillon commanderende, van den 15e
tevoren en staande te expireren met het avond-appel van den 3e der
volgende maand, zederd den 18e dezer ten zijnent, door eene allezints
bedenkelijke waterzuchtige ongesteldheid, ten gevolge van obstructen bij hem
uit aanhoudend lijden aan de Zeeuwsche endemische koortsziekte, waaraan zo bij
zijn korps als in onderscheidene rijks-hospitalen gedurende nu nagenoeg 16 maanden
zal zijn sukkelende geweest, buiten staat, zo om op dit moment zijn korps te
rejoigeneeren, als om zonder gevaar na de guarnisoens-ziekenzaal der naburige
vesting Coevorden te worden getransporteerd. Zelve in mijne kwaliteit van ook
medicinae doctor mij van de opgegevene situatie des betrokkenen overtuigd hebbende,
en zijne bezorgde ouders, die buiten dien ook nog eenen schoonzoon bij dezelfde
compagnie en korps zijn hebbende dienen, niets vuriger wenschende, dan denzelven
hunnen zoon voor en tot aan zijne herstelling in dezelve mogelijk bij zich te
houden, zo heb mij door derzelver beede bewogen gevonden U van deze zaak (welke
ik meede niet zal verzuimen ter kennisse van den chef des betrokkenen te brengen)
te informeren en voor hun bij deze deszelfs vermogende medewerking en intercessie
bij den heere Directeur-generaal van Oorlog te verzoeken dat aan denzelven hunnen
zoon, gemerkt zijnen langdurigen en bedenkelijken staat van ziekte, eene verlofsverlenging
ter beproeving van het herstel zijner gezondheid moge worden verleend. De vrijheid
neemende dan dezelve ouders en zoon daartoe Uwe protectie eerbiedigst aan te
bevelen, en hiermeede onderdanigst verblijvende. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr. 229)

Nr. 230  Heemse, den 30e mei 1833, brief aan den heer Majoor,
commanderende het 2e battaillon der 1e afdeeling mobile
Overijsselsche Schutterij, in het 5e district der provincie Zeeland:

De schutter Evert Nijeboer uit de gemeente, dienende in de 5e compagnie
van het door U gecommandeerd wordende 2e battaillon, zich met deszelfs
verlofpas d.d. 15e dezer, staande te expireren op den 5e
der volgende maand, zederd in de gemeente bevindende, door ziekte belet wordende
zijn korps te rejoigneeren, heeft alzo door mij ter zijner herstelling naar
de guarnisoens-ziekenzaal der naburige vesting Coevorden gederigeerd moeten
worden; van welke omstandigheid dan ik, ter te voorkoming van alle nadelige
gevolgen deswegens voor hem, de eer heb U bij deze te informeren. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. (zie ook brief nr.
231)

Nr. 233  Heemse, den 30e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Jannes Grendelman uit de gemeente, voor zichzelfs als schutter dienende bij
de 5e compagnie van ‘t 2e battaillon der 1e
afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, geboren den 3e mei 1799
en alzo op den 3e dezer zijnen vierendertig jaren ouderdom volbragt
hebbende, ingevolge de bepalingen bij art. 85 der wet van den 11e
april 1827 gerechtigd zijnde tot zijn ontslag uit den voormelden dienst, zo
heb ik de eer ter bekoming van hetzelve ontslag voor denzelven, bij deze aan
U te adresseren den daarbij voorgeschreven staat van aanvrage daartoe van de
heeren Gedeputeerde Staaten der provincie. De burgemeester der gemeente het
Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 234  Heemse, den 31e mei 1833, brief aan Z.E. den heer Gouverneur
der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij deszelfs apostillaire dispositie van den 23e dezer, nr. 2992,
in mijne handen ten fine van berigt en consideratiën gesteld geworden zijnde,
de hierbij teruggaande rekweste van Elizabeth Nijzink, huisvrouwe van Albertus
Centen, landbouwersche, wonende te Brucht in de gemeente, sub dato den 13e
dezer aan Z.M. den Koning, gepresenteerd en houdende verzoek tot het verleenen
van een onbepaald of bepaald verlof aan voornoemden haaren echtgenoot, onder
het aanvullingscontingent der gemeente van den jaare 1832, als schutter bij
de 5e compagnie van het 2e battaillon der 1e
afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij dienende, ter hervatting van hun
beroep, zo heb ik de eer daartoe bij deze te doen dienen, dat de positiën door
den rekwestrante ter derzelver onderwerpelijke rekweste aangevoerd der waarheid
overeenkomstig zijn. Dat er derhalven dan voor de rekwestrante en speciaal voor
derzelver ouderlijke gezin, waarin gehuwd en waarvan het hoofd (de vader Hannes
Nijzink) reeds bejaard is en het welk thans ook bij eene verzuimde rheumatische
ongesteldheid van der rekwestrants eenigen broeder geene reëele hulp meer van
denzelven hebben kan, behoefte is bestaande voor het verzochte verlof. Dat alzo,
de omstandigheden des rijks en de dienst zijner Majesteit dit gedogende, de
berichtgever de vrijheid neemd zijne consideratiën bij deze voor dezelve verlofs-verlenging,
het zij dan bepaalde, met vrijlating van den bij voortdurende behoeft de verlenging
te verzoeken, of onbepaalde te doen strekken. De burgemeester der gemeente het
Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Kopieboek van de uitgaande brieven van het gemeentebestuur
van Ambt Hardenberg,

beginnende met de 1e januari 1833 en eindigende
den 26e augustus 1833.

Nr. 236  Heemse, den 1e juni 1833, brief aan
Z. E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het Uwe Excellentie behaagd hebbende bij deszelfs apostillaire
dispositie van den 23e der vorige maand, nr. 2889, in mijne handen
ten fine van berigt en consideratien te stellen, de hierbij teruggaande rekweste
en bijlagen door Gerrit van den Kamp, landbouwer te Rheezerveen in de gemeente,
in dato den 5e te voren, aan Z.M. den Koning gepraesenteerd en
houdende op daarbij aangevoerde gronden en om daarbij gemotiveerde redenen
verzoek tot ontslag van zijnen zoon Jan Harmen van den Kamp uit de militie-dienst,
door hem tot daartoe gehoorzaamst en zonder eenige wedersteeving opgevolgd
zederd zijne inlijving bij de 7e afdeling infanterie op primo maart
laatstleden, heeft de eer daartoe bij deze te doen dienen. Dat de positien
door den rekwestrant ten rekweste aangevoerd, zo met relatie tot den staat
zijner familie en derzelver bijzondere betrekkingen tot de militie – en van
den toestand en de situatie, meede in relatie tot dezelve diensten van zijne
zoonen Albert van den Kamp en Jan Harmen van den Kamp in het bijzonder, volkomen
der waarheid overeenkomstig zijn, evenals ook de door hem bij de onderwerpelijke
rekweste aangevoerde waare behoefte, waarin zich met de zijnen door het gemis
van den handen-arbeid des laatstgenoemden ten opzichte van hun gezamentlijk
bestaan, den landbouw, gebragt vind. Dat er, het ten rekweste sub c overgelegde
besluit van heeren Gedeputeerde Staaten der provincie van den 20e
februari dezes jaars, nr. 334/239, naar de bepalingen bij de wet van den 8e
januari 1817 geacht moetende worden ten reguarde der militie-dienstplichtigheid
van zijnen voornoemden zoon Jan Harmen van den Kamp eene decisie in het hoogste
ressort te zijn, op het zien en bij de overweging van het daartoe door welgemelde
heeren bij hetzelve aangevoerde motief, ja waarlijk voor den rekwestrant,
hebbende dezes voorzeiden broeder Albert van den Kamp gezond zijne woning
zien verlaten en wezende door dezen dan ook eenige maanden in denzelfden toestand
mobilen schutterlijken dienst gepraesteerd, niets anders overbleef dan van
de bekende clementie Zijner Majesteit dat geene te zoeken te erlangen, wat
dezelve hem niet vermogten te accordeeren uithoofde, dat in het ontslag uit
den mobilen schutterlijken dienst (de bijlage sub a bij de rekweste) van denzelven
zijnen zoon Albert van den Kamp , wegens ligchaamsgebreken en daaruit voortvloeijende
ongeschiktheid voor denzelven, niet vermeld werd gevonden dat die gebreeken
bij hem door den dienst bekomen waaren. Dat de rekwestrant dan alzo daartoe
billijk bedagt is geweest het bedoelde ontslag uit den mobilen schutterlijken
dienst voor zijnen zoon Albert van den Kamp overeenkomstig de waarheid geamplieerd
en verbeterd te krijgen en dat, daartoe de berichtgever geadieeret hebbende,
door dezen om die reeden de breiven bij de rekweste vermeld zijn geadresseerd
geworden aan den heer luitenant-kolonel der 1e afdeeling mobile
Overijsselsche Schutterij bij het 2e battaillon van welke zijn
zoon Albert van den Kamp was dienende geweest, in het 5e district
der provincie Zeeland commanderende, welke ook tot op dit moment door denzelven
nog niet zijn beantwoord geworden. Dat dan van die zijde zijne hoop ter lange
baan verschoven ziende, eindelijk, bij het dagelijks toeneemend nadeel ten
dezen voor het beroepsbestaan van hem en de zijnen door de roeping tot en
het verwijl in den militiedienst van zijnen betrokkenen zoon Jan Harmen van
den Kamp voortvloeijende, de rekwestrant te raade geworden zijnde zich bij
de onderwerpelijke rekweste en met het daarbij vermeld verzoek tot Z.M. den
Koning te wenden, de berichtgever ook geene zwarigheid heeft gemaakt daartoe
als bijlage te leenen zijne certificatie aan dezelve, sub d annex, berustende
op volkomene wetenschap in zijne beide daarbij vermelde kwaliteiten van burgemeester
der gemeente en van medicinae doctor tevens. Dat de berichtgever ook na de
afgifte derzelve zijne certificatie zich verplicht gevoelende den rekwestrant
tot stuur der waarheid zo veel mogelijk behulpzaam te zijn ter staaving zijner
assertie, ten rekweste nopens den tijd welken dezes zoon Albert van den Kamp
gezond en welvarend de schutterlijke wapenen zoude hebben gedragen, en daartoe
nu bij zich ontboden hebbende de op dit moment met ontslag of met verlof zich
in de gemeente bevindende vroegere of nog werkelijke schutterplichtigen derzelve
en van de naburige gemeenten dezes kantons de Stad Hardenbergh en Gramsbergen,
– B.H. Harssevoort, K. van ’t Holt, L. Klement, G. van Bruggen, G. Holtman,
F. Brink, D.J. Stegeman, J.W. Koning, A. Reinink, H. Poes, A. Schutte, H.
van der Veen, E. Kreemer en E.J. Meppelink, hebbende alle eenen volbragten
of nog voortdurenden mobilen dienst bij de 5e kompagnie van voorschreeven
battaillon, waartoe dezelve des rekwestrants zoon insgelijks was behorende,
van 11 tot 27 maanden, – zo kan de berichtgever ten dezen uit den mond van
alle dezelve persoonen niet anders verklaren dan dat alle hunnen meergenoemden
wapenbroeder Albert van den Kamp immers gedurende nagenoeg een half jaar gezond
en welvarend in dezelfde voorzeide 5e kompagnie van het 2e
battaillon der 1e afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij met
hun hebben zien dienen en in de gelederen onder de wapenen staan, en zulks
tot aan de epoque der eerste detacheering derzelve hunne kompagnie uit Hulst
na den zogenaamden Zandberg en Walsooden, alwaar zich onder dezelve te eerst
de endemische Zeeuwsche koortsziekte, die zo veele hunner ten graave is komen
te sleepen en onderscheidene steeds een door derzelver restes kwijnend leeven
is komen na te laten, in het algemeen heeft geopenbaard, en het eerstgemelde
van welke plaatsen dan ook dezen hunnen wapenbroeder te eerst wezende, zo
als voorzeid, tot daaraan toe met hun gezond en welvarend, door die ziekte
zoude zijn aangetast geworden. Dat alzo de berichtgever nu ook zich door deze
verklaring overtuigd kunnende houden, van de waarheid der onderscheidene positien
door de rekwestrant ter zijne rekweste aangevoerd, geene zwarigheid maakt,
op grond der bij dezelve aangevoerde bepalingen, zijne consideratien ten dezen
te doen pleiten voor het accordeeren van het verzoek des rekwestrants; althans,
zo en indien daaromtrent nog eenige zwarigheid mogte kunnen blijven bestaan,
het allezints nodig en te wenschen achtende, dat onder de gegevene omstandigheden
aan zijnen zoon Jan Harmen van der Kamp een onbepaald verlof uit den militie
mag kunnen worden verleend, waartoe dan de vrijheid neeme denzelven bij deze
in allen gevalle ten zeersten aan te bevelen. Verblijvende hiermede gehoorzaamst.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 239  Heemse, den 1e juni 1833, brief aan
Z. E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Onder eerbiedige relatie tot mijne informatoire missive van
den 9e der vorige maand nr. 191, nopens den in den avond en acht
te voren plaats gehad hebbenden brand aan de Veenebrugge in de gemeente, heb
ik de eer bij deze Uw authorisatie te verzoeken om uit den post van onvoorziene
uitgaven ter beschikking van de provinciale authoriteit op den staat van begroting
in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente voor den dienst van den lopenden
jaare 1833 te mogen doen betalen aan den brandspuitmeesteren en hunne gehulpen
ter Steede Hardenbergh, eene praemie van vijf en twintig guldens, die uit
dezelve met eene brandspuit ter hulp aanbrenging op de voormelde Venebrugge
zijn aangekomen en werkzaam geweest; en zulks ten gevolge der bepaling daaromtrend
bij art. 9 van het in de gemeente bestaande reglement op het blusschen van
brand; gearresteerd bij den raad der gemeente het Schoutambt Hardenbegh op
den 26e februari 1823. Verblijvende hiertoe onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 243  Heemse, den 3e juni 1833, brief aan
den heer ontvanger der regten van successie en van overgang door overlijden
in het ressort Ommen te Ommen:

Ter voldoening aan het gouvernementsbesluit van den 21e
februari 1818 overzende ik U bij deze de sterflijst voor deze gemeente voer
de afgelopene maand mei dezes jaars, voegende hierbij de memorien van aangiften
betrekkelijk de nalatenschap van Derk Bossink, Albert Jonkeren en Hendrikjen
Bekman, in de voorlaatste maand overleden en onder de dooden op de sterflijst
van die maand voorkomende. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk.

Nr. 245  Heemse, den 8e juni 1833, brief aan
den heer controleur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnsen
in de divisie Ommen, te Ommen:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 6e dezer
nr. 169 heb ik de eer U bij deze te informeeren dat bij de laatste telling
de bevolking dezer gemeente is bevonden te bedragen 2523 zielen. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 246  Heemse, den 8e juni 1833, brief aan
den heer Officier bij de Regtbank te Deventer:

Met de post van gisteren onder kruisband mij geworden zijnde
de hierbij gaande acte van overlijden in het militair zieken-etablissement
te Axel op den 1e dezer van Johannes Petrus Weber, tamboer bij
de 5e kompagnie van het 2e battaillon der 1e
afdeeling mobile Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd in het 5e
district der provincie Zeeland en hebbende de strekking om voor acte van overlijden
ter dezer gemeente in de registers van den burgerlijke stand te worden in-
of overgeschreven. …… U tevens nog hierbij bemerkende dat de overledene, die
zich tijdelijk als plaatsvervangend schutter voor een schutterplichtige uit
de gemeente Den Ham in dienst heeft begeven gehad, ter dier epoque weliswaar
te Rheezerveen aan de Dedemsvaart ter dezer gemeente was wonende, doch dat
zijne huisvrouwe en kinderen zich kort daarna metterwoon ter zelfder gemeente
Den Ham zijn gaan vestigen. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh,
Antoni van Riemsdijk.

Nr. 247  Heemse, den 10e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Opgave nopens de al of niet dienstplichtigheid bij de schutterij
in de gemeente eeniger in krijgsdienst zijnde finantiele ambtenaren. Jan van
Groningen te Sibculo, Carel Lodewijk Humbert Drosz, Nicolaas Rudolph Pieter
Walburg Staverman te Lutten, Johan Frederich Elias Loos te Lutten, Jacobus
Wilhelmus van der Woude te Sibculo, Jan Kisjes en Jan Schotvanger en Abraham
Salomon van der Hoeden.

Nr. 248  Heemse, den 10e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Mutatiën bij de reserveschutterij in de gemeente.

Nr. 249  Heemse, den 12e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Brand in de veenen aan en omtrend de Dedemsvaart in de gemeente.
De plotzelijke hevigste in eenen storm ontaarde windsverheffing in den vroegen
achtermiddag van gisteren het misschien hier en daar tegens ieders verwachting
noch van de laatste veenbranding voor de boekweit-culture verborgen ofte andertzints,
zo als dikwijls bij groote en aanhoudende droogten het geval, in de uitgestrekte
veenen aan en omtrend de Dedemsvaart bij toeval aanwezige vuur, zich met eene
onbegrijpelijke snelheid en onwederstaanbaare kracht in dezelve hebbende doen
ontvlammen en verspreiden is niet alleen ten zelfden achtermiddag en opvolgende
laatstverlopenen nacht ongelukkigst voor de veen-eigenaaren aan dezelve vaart
en de bewoonderen van derzelver wederzijdsch boorden ter naburige gemeente
het Ambt Ommen geweest, maar ook opvolgende voor die in deze gemeente hoogst
noodlottigst, vermits wij binnen dit tijdperk ook onder dezerzijdsch marke
Rheeze, behalven een groot aantal hoopen ouden langen turf van de graavingen
van het vorige en vroegere jaaren, mitsgaders een aanzienlijk gedeelte van
dit veen-product van dezen jaare, het welk vroeger gegraaven en alzoo meerder
in droogte gevorderd was, der vlammen ten prooij hebben moeten zien worden
een 16 tal woonhuizen en zogenaamde turfmakerstenten aldaar, van grooteren
en minderen omvang, hechtheid en waarde, met ook een gedeelte van de zich
daarin bevindende inboedels en goederen, mitsgaders voorraad van levensmiddelen,
werktuigen en gereedschappen van onderscheidenen aard; zijnde alzo door het
vuur, waaraan door de felheid des winds vast geen weerstand te bieden en hetwelk
in den aard des bodems, waarop was woedende, en alzo in zich zelfs overal
het uitgebreidste voedsel vond en natuurlijk, evenals in alle veenderijen,
vinden moest, geheel ofte gedeeltelijk (waaromtrend spoedig Uwe Excellentie
de meer bijzondere details, evenals van de bijzondere geledene, hoogst aanmerkelijke
schaaden, hoopt te doen toekomen) verteerd geworden:

  1. een woonhuis van J. Dorgelo te Rheezerveen in de gemeente,
    bewoond door F.G. Mulder
  1. een dito van de gebroeders Steenbergen te Zuidwolde, bewoond
    door den bakker en winkelier H. Keuken
  1. een dito van Hendrik Bosveld door hem zelven bewoond
  1. een dito van Willem van Zoelen, ook door hem zelven bewoond
  1. een dito van A. Weide te Rheezerveen voormeld, door een
    arbeider bewoond
  1. een dito enkel van hout gebouwd, van H. van Haringen aldaar
  1. drie turfmakerstenten van de heeren van Dedem
  1. een dito van den heer Bijsterbos, bewoon door Wilmpje
    Bouwke
  1. een dito van H. Keuken voormeld
  1. drie dito van de heeren J. van Riemsdijk en E.F. Meijeringh
  1. een dito van en bewoond door Willem van Beek
  1. een dito van en bewoond door Herm Velthuis

De onheilen door dezen brand (waaronder gelukkig geene verliezen
van het leeven eeniger menschen of vhee te tellen) veroorzaakt, zouden zich
noch in het oneindige hebben kunnen vermenigvuldigen, zo ook dezelve tot den
grooten voorraad van hoopen van korte- of baggerturf, alle met riet of stroo,
mitsgaders drooge plaggen gedekt, en van de verveeningen van vorige jaaren
de vaart in grooten getalle onder de marken van Heemse, Collendoorn en Lutten
– omzomende, was overgeslagen, dan gelukkig is deze aan het eind van de marke
Rheeze voor de zogenaamde Jan Mulders-wijk gekeerd geworden, en hierdoor nog
bij den eindelijk heeden tegen den middag en na denzelven gevallen reegen
en het zederd zich leggen van den wind het grootst verlies gelukkig te voorgekomen;
hoopende en vertrouwende men althans zederd de verdere voortgang des brands
geheel gestuit en het verdere gevaar geweeken te zijn. De bezittingen aan
roerende goederen, behalven de voorraad van turf, in onze veenderijen nog
al niet zeer aanmerkelijk zijnde, zo komt zeker het geleeden verlies daaraan
bij dat des turfs in geene aanmerking, alleen zal dat van voornoemden bakker
en winkelier Hendrik Keuken al nog van eenig aan belang zijn, als bij zijnen
geheelen winkelvoorraad en ustenfiles, die ook zijnen bakkerij met een gedeelte
zijnes verderen inboedels verlooren hebbende. En alzo dan bij deze de eer
hebbende U mijne eerbiedige informatiën ten dezen, en onderzoek in loco te
doen toekomen, zo verblijve gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het
Ambt Hardenbergh.

Nr. 250  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij deszelfs apostillaire dispositie van den 8e
dezer, nr. 3165, in mijne handen ten fine van berigt gesteld geworden zijnde
de hierbij teruggaande missive van Z.E. den heer Minister van Binnenlandsche
Zaaken, van den 28e der vorige maand, nr. 188, relatif mijne patents-weigering
anno 1832 aan Jan de Jager te Lutten in de gemeente, thans bedelaar-kolonist
in het etablissement der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans,
zo heb ik de eer daartoe, onder eerbiedige relatie tot mijne missive aan Uwe
Excellentie van den 2e maart l.l., nr. 95, bij deeze te doen dienen.
Dat dezelve mijne patents-weigering geen ander doel heeft gehad dan bij mijne
voorzeide missive aan U uitgedrukt. Dat dit doel dan ook door Zijne Excellentie
den heer Minister voorschreeven bij deszelfs onderwerpelijke missive niet
miskend hebbende kunnen worden, ik ook had durven hoopen dat daaromtren door
dezelve zijne Excellentie niet zoude zijn teruggekoomen op het punct van wettigheid
dier weigering, daar toch de dagelijksche ondervinding in alle plattelandsgemeenten
doet zien, dat niets meer de vreemde bedelarij in dezelve is begunstigende
dan de uitgifte van patent aan zogenaamde kraamers van den stempel en soort
als den betrokkenen Jan de Jager. Dat het immers uit den aard en het gewicht
van den handel of negotie dezer personen, waarvan de waarde zich toch waarlijk
veelal, zo niet altijd tot die van f. 3,- tot f. 6,- hoogstens f. 7,- komt
te bepaalen, vanzelve evident is dat van de winsten daarvan geene met hunne
vrouwen en kinderen buiten hunne gemeenten rondreizende kramers kunnen leeven,
maar dat derzelver voornamere bestaan alzo zullen moeten zijn zoekende in
derzelver bekende rondzwervende schandelijke bedelarij, daarin zich der vervolgingen
en calanges van de dienaren van policie en veldwachters onttrekkende door
de productie hunner patent-acten, als bewijzen van hunnen negotiërenden stand
en legitimeerende derzelver aanhoudende togten buiten hunne gemeenten. Dat
althans ter dezer gemeente dit niet alleen dagelijks derzelven bedoelde beambte
komt te ondervinden, maar ook meermalen door den berichtgever zelve ondervonden
is, als bij de rescontie zodanigen personen en familien in dezelve alstraks
van dezelve op de gewoonlijk aan dezelve als dan gericht wordende vraagen
en aan dezelve gedaan wordende waarschuwingen, onder productie hunner patent-acten
ten antwoord krijgende ‘wij zijn geene bedelaars, maar gepatenteerde persoonen,
die daarvoor ‘s Rijks rechten betaald hebben en alzo tot onze handeldrijvende
tochten zijn bevoegd, zonder dat het iemand raakt hoe wij daarmeede aan den
kost weeten te koomen, enzovoort’. Dat weliswaar zoals Zijne Excellentie de
heer Minister van Binnenlandsche Zaaken zegt, de weigering van patent de daad
der bedelarij niet verhinderd, doch dat toch dezelve aan den bedelaaren de
gelegendheid ontneemd om zulks onder den dekmantel van patent te doen of om
althans hun met hunne familiën rondzwervend aanzijn buiten hunne gemeentens
te legitimeeren; weetende dat dit volkjen zodra in de een of andere wijk der
gemeenten door de dienaren van policie en veldwachteren komen te worden ontmoet,
dezelve aldaar op elke wijze in hunne functiën te vilipendeeren door zich
uuren lang en achter elkanderen aldaar met hunne quasie-negotie, waartoe eenmaal
in het jaar f. 2,- of daaromtrend voor patent-recht hebben weeten te besteeden,
door dezelve te doen nalopen en ophouden, zodat men voor de publieke veiligheid
der gemeenten in derzelver geheele uitgestrektheid vast voor iedere wijk of
buurtschap eenen afzonderlijken zodanigen ambtenaar zoude behoeven, en zo
van den dag ten einde lopende werpt zich dit volkjen hier en daar op den weg
ter neder en komt alzo der policie de uitstrekking van derzelver functiën
na behoren te vervolgen te beletten. Enfin het gebeurde door den berichtgever
niet ontkend zijnde, noch als daadzaak hebbende kunnen ontkend worden, zo
vertrouwe dat ook U ten dezen het waare doel mijner handeling zal erkennen
en alzo daaromtrend in hetzelve schoning vinden, voor zo verre niet uit het
oogpunct van wettigheid ten dezen door mij te gestreng of verkeerdelijk in
het onderhavige geval mag zijn gehandeld, betreurende intusschen en zeker
met alle mijne ambtgenoten ten platten-lande in de provincie, mij nu eens
voor altijd beperkt te zien omtrend de aanwendigng van een veel vermogend
middel om den vreemden landlopende venteren van weinig of geen betekenis,
met hunne bij zich hebbende vrouwen en kinderen derzelver eigentlijke en waare
mom afteligten of te beneemen. Bevelende voorts mij hiermeede Uwe Excellentie
gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 251  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Berigt en consideratiën op eene door Aaltjen Hammink, huisvrouwe
van Egbert Vinke, landbouwersche te Heemse in dato den 21e der
vorige maand aan Z.M. den Koning gepresenteerde rekweste, houdende verzoek
om onbepaald of bepaald verlof uit den schutterlijken dienst voor denzelven
haaren man, ter hervatting van de werkzaamheden des landbouws in het daartoe
dezes handen zo zeer behoevende huisgezin haares hoogbejaarden schoonvaders
en schoonbroeders, in het welk waaren ingetrouwd (schoonvader Hermannus Vinke
was tuinman op het Huize Heemse).

Nr. 252  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan
den heer Controleur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnsen
in de divisie Ommen, te Ommen:

Geleedene brandschaaden aan en omtrend de Dedemsvaart in
de gemeente.

Nr. 253  Heemse, den 13e juni 1833, brief aan
den heer schoolopziener van het 5e district in de provincie Overijssel,
te Archem:

Ten gevolge van deszelfs missive van den 10e dezer
heb ik de eer U bij deeze te verzekeren dat ik volkomen in staat ben (meede
in mijne kwaliteit van medicinae doctor, en als zodanig meer dan 1/3e
van eene eeuw behandeld en geneeskundig verzorgd hebbende het huisgezin van
wijlen Egbert Broekroelofs te Radewijk in de gemeente, waartoe de betrokkene
behoord) U te zijner tijd te doen toekomen mijne certificatie nopens de goede
en onbesprokene moraliteit, mitsgaders robuuste gezondheid van Hendrik Broekroelofs
uit de gemeente, als provisioneel onderwijzer fungerende in de lagere school
te Sibculo in de gemeente en zich aangegeven hebbende als kandidaat voor de
waarneeming van den schooldienst in Neerlands-Indiën; een besluit van dezen
jongeling mij tot hiertoe onbekend, doch mij allezints welgevallig als prouveerende
zijne aanhoudende zucht tot progressie in een tevens ten nutte der maatschapij,
en derhalven niet kunnende afzijn denzelven U ten zeersten aan te bevelen.
De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk.

Nr. 254  Heemse, den 14e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Onder retour der in dato den 29e der vorigen maand
door Hillegien Wijgmink, weduwe van wijlen Hannes Waterink, landbouwersche
te Brucht in de gemeente aan Uwe Excellentie gepresenteerde rekweste, houdende,
bij het verlies haarer twee bouwpaarden aan een en dezelfde kortstondige ziekte,
verzoek om Uw Excellentie’s aveu, medewerking en intercessie ter bekoming
eeniger geldelijke schadeloosstelling ofte ondersteuning uit het daartoe disponibel
gestelde gedeelte van het fonds der non-valeurs bij de grondlasten, heb ik
de eer bij deze gehoorzaamst te berigten. Dat de omstandigheden des rekwestrante
en van derzelver gezin ja waarlijk zodanig zijn, als bij de rekweste opgegeven,
en dat het alzo dezelve te zwaar zal voelen derzelver verlies uit eigene middelen
te herstellen. Dat ten dezen gehoord hebbende derzelver naaste buurlieden,
Herm Bokking, Albert Schepers en Berend Balderhaar, ook landbouwers te Brucht
voormeld, staande ter goeder naam en faam en wezende met de omstandigheden
der rekwestrante en de haaren bekend, mij dan deze ook niet alleen de assertiën
ten rekweste volmondig geavoueerd hebben, maar tevens verklaard thans met
de verdere buurlieden der rekwestrante genoodzaakt te zijn beurtelings derzelver
verrichtingen voor den landbouw, waartoe dagelijks paardenarbeid vereischt
wordt, uit te voeren, als buiten magte om zich op dit moment wederom paarden
aan te schaffen, en waartoe na den bevoorstaanden oogst uit eigene middelen
eindelijk zullende moeten komen, zich en de haaren daardoor zodanig achteruit
gezet zal zien, dat dezelve schaade niet dan na verloop van jaaren zal kunnen
herhaalen. Hebbende de opgemelde drie personen mij dan alverder ter staaving
van het der rekwestrante alzo overkoomen ongeluk verklaard, dat de bedoelde
paarden, die dezelve ook wel op de ten bij de rekweste opgegevene prijzen,
of daaromtrend, naar beste wetenschap waren schattende, ten bij dezelve opgegevene
dagen zijn overleden, aan eene hun onbekende eenzelvige ziekte, gepaard met
eene plotseling onstaande kruislammigheid ten gevolge waarvan zich van achteren
niet konden staande houden of oprichten, maar zulks pogende of daartoe geholpen
wordende dadelijk wederom neervielen en zich verrekt in de stalling kwamen
daarheen te leggen zonder veele buitengewone en pijnlijke bemoeiingen met
de voorbeenen of ook den kop te maaken; blijvende hierbij de eetlust en ook
de gewoone ontlastingen nog al behouden, ofschoon in de doorzwelging krampachtig
schijnende te worden gehinderd; hebbende de derde der gebuuren, Berend Balderhaar,
dan ook op den 30e april laatstleden een zijner bouwpaarden aan
dezelfde ziekte, althans onder dezelfde verschijnselen, zien overlijden, na
den 28e te voren eerst blijken van ongesteldheid te hebben gegeven
gehad. Dat de berichtgever ook geenen grond hoegenaamd is voorgekomen zo om
de oorzaak der ziekte der onderwerpelijke paarden aan eene niet behoorlijke
oppassing, slechte of onbedachtzaame voedering en te groote aanstrenging toe
te schrijven, als om die van derzelver overlijden te attribuëren aan eenig
verzuim van vhee-artzelijke hulp zijnde, om door de rekwestrante ten rekweste
aangevoerde redenen, gezocht geworden ter plaatsen alwaar men dezelve voor
deze gemeente (bij zo grooten afstand van van Rijkswegen bezoldigde kunstwetenschapoeffenaren)
te zoeken gewoon is en bij persoonen (beide elèves van den in zijn vak met
roem gefungeerd hebbenden wijlen Jacob van der Kluin) daartoe geadmitteerd.
Achtende zich alzo de berichtgever die overigens eerst van het afsterven der
paarden van de rekwestrante werd geinformeerd bij gelegendheid van het verneemen
van derzelver voorneemen tot het presenteren der onderhavige rekweste, zich
verplicht zijne consideratiën ten dezen te doen strekken tot het obtien door
de rekwestrante van eenigen geldelijken onderstand uit het daartoe bestemd
fonds voor kwaade posten. Verblijvende gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente
het Ambt Hardenbergh.

Nr. 255  Heemse, den 15e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Weekelijks berigt omtrend de zich in de gemeente vertoond
hebbende verdagte vreemdelingen: geene.

Nr. 257  Heemse, den 17e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Verlofsverlenging van den schutter Jan Willem Koning te Bergentheim.

Nr. 261  Heemse, den 19e juni 1833, brief aan
den heer commanderenden officier van het 2e battaillon der 1e
afdeling mobiele Overijsselsche Schutterij, gecantonneerd te Hulst, provincie
Zeeland:

Aanvrage om een certificaat van presentie onder de wapenen
bij zijn korps van Marten Hannesen, plaatsvervangend schutter voor Gerrit
Jan Scholten, broer van landbouwer Hendrik Scholten Bergentheim.

Nr. 262  Heemse, den 21e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Verlofsverlenging van den schutter Gerrit Holtman, zoon van
Janna Brinkman en wijlen Willem Holtman te Brucht.

Nr. 264  Heemse, den 10e juni 1833, brief aan
den heer Vrederegter des kantons Hardenbergh, residerende te Heemse:

Kennisgeving van het sterfgeval van Gerrit Jan Schrotenboer
jr, landbouwer te Collendoornerveen, echtgenoot van Geertje Lamberink, hebbende
minderjarige erfgenamen nagelaten.

Nr. 265  Heemse, den 24e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Besteedelingen Jacob Foust en Aaltjen Foust in de koloniën
der maatschappij van weldadigheid. Beiden zijn door collega en ambtgenoot
de burgemeester der Stad Hardenbergh na de kolonie of het gesticht Veenhuizen
opgezonden en aldaar op ’s Rijks kosten verpleegd.

Nr. 266  Heemse, den 25e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Waardering der brandschade aan en omtrend de Dedemsvaart.
Voordragende Peter Willering, timmerman te Heemse en Gerrit Jan Schrotenboer,
veenarbeidkundige te Heemserveen.

Nr. 271  Heemse, den 28e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Opzending eener reclame wegens het kadaster van Gerrit Jan
Hesselink, markenrichter der marke Bergentheim.

Nr. 272  Heemse, den 29e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Berigt nopens den staat der wegen, bruggen, duikers en waterleidingen
in de gemeente, mitsgaders derzelver verbetering ten lopenden jaare. Dat na
voorafgegaane inspectie der onderscheidene wegen in de gemeente, door mij
en heeren assessoren bij derzelver bestuur successivelijk en voorafgaande
bewerkstelligd, waarbij den wijk- of rotmeesteren in de onderscheidene wijken
of buurtschappen der gemeente en den bijzonderen plichtschuldigen tot derzelver
onderhoud de gevorderde aanwijzingen nopens derzelver herstellingen en verbeteringen
op de plaats zijn aangeduid en aangewezen geworden, wij nu bij derzelver dezer
dagen te werk gestelde schouwingen ook met genoegen hebben mogen ondervinden
dat aan dezelve aanduidingen en aanwijzingen meestal volvaardig is voldaan,
zo dat zich, met derzelver bruggen, duikers en spekken op dit moment in goeden
en allezints voldoenden toestand zijn bevinden, laatende vast geene derzelve
iets te wenschen overig, behalven de zogenaamde Sijtzama’s dijk in den weg
van Heemse naar Coevorden, wiens glooijing ten afgelopenen winter veel door
den waterslag hebbende geleeden, noch eenige werkzaamheden behoeft.

Nr. 275  Heemse, den 29e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Opzending van reclames wegens het kadaster van J. Stoeten
Lz., G.J. Veurink en E. Dunnewind, markegecommitteerden der marke Rheeze;
en twee van J. Bruins te Heemse.

Nr. 276  Heemse, den 29e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Bij mijne missive van den 18e april l.l., nr.
155, had ik de eer aan U te adresseeren een extract uit de deliberatieën van
den Raad dezer gemeente van den dag te vooren, gehouden ten gevolge van deszelfs
circulaire aanschrijving van den 13e derzelve maand, ten onderwerpe
hebbende renseignementen bij de invoering van eenen rijks-accijns op het gemaal,
en houdende onder anderen des raads gedagten en voordragt betrekkelijk de
door de ingezetenen der gemeente op molens buiten dezelve te doen maalene
graanspeciën en de wijze hoe ten dezen best in het gerijf van dezerzijdsch
ingezetenen der buurtschappen en marken Bergentheim, Sibculo en Diffelen en
tevens dat van den molenaar Willem Snel, ingezeten dezer gemeente, wonende
aan den Mariënbergh onder Bergentheim voornoemd, doch zijnen molen even over
dezelver grenzen, ten Ambte Ommen staan hebbende, te voorzien, – en nu ten
gevolge van denzelven des raads-voordragt in dato den 19e dezer,
onder nr. 619, door mijn heer den arrondissementsinspecteur te Deventer geïnformeerd
wordende dat het den ingezetenen der voorzeide buurtschappen dezer gemeente
mitsgaders die van Rheeze is toegestaan derzelver granen te verimposten te
Ommen, even verre (1½ uur) als het kantoor te Hardenbergh van den bedoelden
molen verwijderd, zonder dat daarbij iets vermeld wordt nopens een ten Ambte
Ommen voormeld ofte binnen deze gemeente te Marienbergh voorzeid in de nabijheid
van dien molen te vestigen sub-kantoor voor die verimposting, en alzo vindende
ten dezen niets ten gerijve der bedoelde ingezetenen der gemeente of van den
bedoelden molenaar gestatuëerd, zo heb ik gemeend hiervan bij deze, met eerbiedig
verzoek van voorziening, Uwe Excellentie te moeten kennisse geven, evenals
van de omstandigheid, dat zo voor de onderwerpelijke moolen geen sub-kantoor
in de nabijheid deszelven komt te worden geplaatst, de molenaar Willem Snel
voornoemd zijn geheele gemaal zal komen te verliezen zo van uit deze gemeente,
als uit die van het Ambte Ommen, gemerkt de ingezetenen hunne consenten ter
maaling van Ommen of hardenbergh op de voorzeide aanmerkelijke distantie zullende
moeten gaan haalen, even als nu, zullen blijven verkiezen derzelver graanen
na derwaarts ter maaling mede te voeren en zich alzo den ten dezen vereischten
dubbelden togt zoeken uit te winnen. Verblijvende hiermeede onder aanbeveeling
van den molenaar W. Snel en Uw Excellentie’s protectie onderdanigst. De burgemeester
der gemeente het Ambt Hardenbergh.

Nr. 280  Heemse, den 30e juni 1833, brief aan
Z.E. den heer Gouverneur der provincie Overijssel, residerende te Zwolle:

Het gemeentebestuur der gemeente het Ambt Hardenbergh bij
besluit van Z.E. den heer Gouverneur der Provincie van den 20e
maart l.l., geinformeerd geworden zijnde, dat er niet alleen geen bezwaar,
maar zelfs voor de vermindering van het aantal individuele reclames groote
niettigheid in konde bestaan, dat wegens onderwerpen, waarvan de uitkomst
van algemeene toepassing in een kanton of gemeente zijn moet, door de plaatselijke
besturen, polder-beheerders of dijks-collegien en markebesturen voor eene
gemeente, heemraadschap of polder-district, casu quo gereclameerd wierde bij
een algemeen bezwaarschrift en considererende de in het algemeen bij de ingezetenen
der gemeente geuitte bezwaaren tegens de te hooge opvoering der tarieven bij
het kadaster, was reeds dadelijk bedagt omtrend dezelve, ter voorziening daarin
door de administratie ofte ulieder commissie, eenen algemeenen staat derzelve
op te maken en, bewijslijk gestaafd, aan deszelve Zijne Excellentie, ten fine
van redres derzelve te hooge tariefs-opvoering, waardoor de grondlasten ja
waarlijk voor dezelve te drukkend waren geworden en derzelver krachten komen
te boven gaan, meede voor Uwe commissie in te zenden, dna gebrek aan schriftelijke
huurcontracten in eene gemeente waar men vast alles bij monde kwam te verhuuren
en te huuren, althans nimmer zodanige in den regel bestonden of thans niet
meer over de epoque van 1816 tot 1826 aanwezig zijn, immers van behoorlijke
en naar voorschrift der wet ingerigte, van op zich zelven staande en met geene
andere zaaken vermengde heeft hetzelve daarvan moeten doen afzien, doch, om
niet door stilzwijgen te schijnen te avoueerene wet al bezwarend het kadaster
bij ondervinding nu reeds aanvankelijk komt op te leveren, gemeent alhier
kortelijk te moeten voordragen. Dat, ofschoon ten dezen over het algemeen
minder te zeggen valt over de klasseering der onderscheidene landen en gronden
in de gemeente, het toch allezints verwondering zoekt, dat men in alle wijken
of buurtschappen (sectiën bij het kadaster) der gemeente exept Veenebrugge
en Sibculo, onder de ongebouwde eigendommen in de 1e klasse gerangschikt
vindt, hoedanige echter men vertrouwd alleen in de gemeente aan te treffen
te zijn in de wijk, buurtschap ofte sectie Collendoorn, en slechts ook aldaar
nog maar alleen in dat gedeelte derzelve, hetwelk bekend is onder de naam
van het Holt, speciaal onder die van het erve en katersteeden de Hofstede,
het Holthannes en het Seinen, bekende klei- en mindere culture en bemesting
behoevende gronden hebbende terwijl toch die geene in de verdere buurtschappen,
wijken of sectien der gemeente, welke  het den beambten van het kadaster behaagd
heeft, meede in de onderwerpelijke 1e klasse te rangschikken, ten
dezen hoegenaamd in geene adspect kunnen komen dan ten gevolge van derzelver
meerdere en kostbaardere culture, en alzo voorkomende ten dezen met vorenbedoelde
op het Holt onder Collendoorn voorschreven geentzints pari passu te kunnen
gaan en in billijkheid met dezelve op denzelfden voet te hebben mogen worden
belast. Dat het derhalven den schijn heeft dat men bij het kadaster maar zo
veel mogelijk overal in de gemeente rondgezogt heeft om in elke van derzelver
wijken, buurtschappen of sectien onder de ongebouwde eigendommen, landen van
de 1e klasse te vinden, en dat, dit ten notoiren gevolge gehad
hebbende, de rangschikking der verdere van meerdere uitgestrektheid en omvang
in de 2e en volgende klassen, hierdoor alzo bij de toepassing op
dezelve van de onderscheidene tarieven, ten dezen meede den grond is gelegd
geworden voor de hoogst bezwarende uitkomsten van het kadaster in de gemeente;
en bevreemdende het dan nog daarbij zeer, dat men, zo zoekende en rondsnuffelende
om waardens voor dezelve 1e klasse te vinden, men dan dezelve nog
niet even zeer in de voormelde wijk, buurtschap of sectie Veenebrugge heeft
kunnen opspooren, dan in die van Radewijk, wier landen en gronden wij althans
bij ondervinding als niet beter vermeenen te kennen.