
De bouw van de kerk valt samen met het ontstaan van Dedemsvaart. Het dorp heeft zijn oorsprong te danken aan de aanleg van het gelijknamige kanaal. Langs dit water ontstond tussen 1811 en 1820 een veenkolonie. Voor de Rooms-katholieke kanaal- en veenarbeiders in deze kolonie werd in 1820 een eigen kerk gebouwd.
De protestantse inwoners hoorden officieel bij de kerk van Ommen. De afstand daarheen was echter zo groot, dat velen er vanaf zagen om deze elke zondag – lopend – af te leggen. Bovendien was het maar de vraag of de kerk in Ommen deze nieuwe groep gemeenteleden wel zou aankunnen. Grondwerker Jan ter Vaart, die in 1821 in Dedemsvaart was neergestreken, voorzag in de religieuze behoeften door als godsdienstonderwijzer op te treden. In eerste instantie zocht hij de mensen ’s zondags thuis op, later verzorgde hij godsdienstbijeenkomsten in een schuur. De kolonie bleef groeien en ontwikkelde zich tot een permanente woonplaats en een volwaardig dorp. Het verlangen van de protestantse inwoners naar een eigen kerkgebouw werd dan ook alsmaar groter.

Evenals bij de Rooms-katholieke kerk, was het Willem Jan baron van Dedem, de stichter van de Dedemsvaart, die het initiatief nam om te komen tot een eigen kerkgebouw. Hij stelde een voorbereidingscommissie samen. Het terrein voor de kerk werd geschonken door Jan Mulder en baron De Vos van Steenwijk. Het eerste bouwplan werd door de provincie afgekeurd. Men vond dat er meer rekening gehouden moest worden met de groei van het dorp en achtte het ontwerp van de kerk te klein. Het tweede en aanzienlijk duurder ontwerp werd wel goedgekeurd. Dit was afkomstig van de hand van architect Dirk Lijsen uit Zutphen. Zijn bouwplan, bestaande uit een kerk met daaraan vast een pastorie, werd uitgevoerd door de plaatselijke aannemer Bernardus Plomp. In 1833 werd door Coenraad Willem, de enige zoon van Willem Jan baron van Dedem, de eerste steen gelegd. Een hardstenen gevelsteen met inscriptie getuigt daar nog van.




Op zondag 23 maart 1834 werd het kerkgebouw door middel van een plechtige eredienst ingewijd door de Zwolse predikant Gerhard Heinrich van Senden en werden de leden van de kerkenraad in hun ambt bevestigd. Bij de ingebruikname ontving de kerk twee zilveren avondmaalsbekers. In 1875 werd het servies aangevuld door een andere gift. De eerste predikant van de nieuwe kerkgemeente was Antonie Hissink. Hij werd op 4 maart 1834 bevestigd. Naast de preekstoel waren twee houten wandborden opgehangen. Eén met daarop de namen van de kerkvoogden, de architect en de aannemer met de datum van ingebruikneming en één met daarop een gedicht.

Gelet op de beschikbare financiën was de bouw eigenlijk niet haalbaar. De openbare aanbesteding werd om die reden afgebroken. Dankzij hulp van de koning en de welwillendheid van de uiteindelijke aannemer kwam men uit de financiële moeilijkheden. Door het tekort aan middelen bood de kerk in eerste instantie weinig comfort. Zo werd het gebouwd niet verwarmd. De kerkgangers dienden zich warm te houden met behulp van (eigen meegebrachte) stoven. Pas in 1909 werden de eerste kachels in de kerk geplaatst.
De eerste stukken over de aanschaf van een kerkklok dateren uit 1842. Op verzoek van de kerkvoogdij droeg de burgerlijke gemeente bij aan de aanschaf van een klok. Twee jaren later werd een kleine luidklok aangeschaft. Tien jaren daarna werd er een torenuurwerk aangebracht, dat voorzien werd van een nieuwe, veel grotere luidklok van 444 kilo. Deze klok had het volgende randschrift: W.J. baron van Dedem stichter van de Dedemsvaart – A. Hissink eerste predikant – Gegoten door A.H. van Bergen en Comp. te Midwolda anno 1851.
In 1858 werd de kleine klok door de kerkvoogdij aan de gemeente te koop aangeboden. Deze klok heeft daarna nog in het torentje van gebouw Rijswijk aan de Wisselingen gehangen. In datzelfde jaar werd overeengekomen dat de burgerlijke gemeente van de grote klok gebruik mocht maken, dat de veldwachter een vrije zitplaats kreeg in de kerk en dat er twee bakken naast de kerk geplaatst zouden worden met als opschrift: plaats om te wateren.
In 1944 werd de grote klok weggehaald om te worden omgesmolten tot Duits oorlogstuig. Koster De Jonge luidde de klok hieraan voorafgaand nog één keer, voor het laatst… Na de bevrijding is er een nieuwe klok voor in de plaats gekomen. Het uurwerk was inmiddels al een keer vervangen. In 1934 was een nieuw exemplaar in gebruik genomen, geschonken door de gemeenteleden vanwege het honderdjarig jubileum van het kerkgebouw.

Het kerkgebouw onderging de eerste 35 jaren geen ingrijpende wijzigingen. In 1870 werd de kerk voorzien van een kerkorgel. Het was een schenking van Bonne Berends en zijn echtgenote Libbegien Kreuzen, ter gelegenheid van hun 50-jarig huwelijksfeest. Een opschrift op de onderrand van de orgelbalustrade herinnerde lange tijd aan de schenkers. Om het orgel plaats te bieden, werd een galerij in de kerkzaal aangebracht. Het orgel werd gebouwd door de Zwolse orgelmaker Jan van Loo. In de twintigste eeuw vonden enkele wijzigingen plaats die de oorspronkelijke orgelklank behoorlijk veranderden. In de jaren negentig is het orgel weer zoveel mogelijk gerestaureerd in zijn oorspronkelijke staat.
Vijf jaren na de plaatsing van het orgel werd er een consistoriekamer of kerkenkraadskamer aan de kerk gebouwd. Tot dan toe kwam de kerkenraad bijeen in de pastorie. De nieuwe kamer bestond uit een bakhuisachtig pandje dat tegen de oostgevel van de kerk werd aangebouwd. Frappant detail is dat bij de bouw balken uit de afgebroken Rooms-katholieke kerk als vloerliggers werden gebruikt…
In de twintigste eeuw vonden de grootste veranderingen in het kerkgebouw plaats. In 1918 werd er een bouwvergunning verkregen voor de plaatsing van twee galerijen in de kerk. Nadat deze gerealiseerd waren, werd het dak aangepakt. Dit had tot dan toe geen dakbeschot gekend en lekte al bijna vanaf de oplevering van het gebouw. Het werk werd in de zomer van 1923 aanbesteed en de firma Gebr. Van Goor uit Dedemsvaart kreeg de opdracht. Het jaar erop was alles gereed. De pastorie was tijdens de werkzaamheden voorzien van een timpaan boven de ingang. Een ander opvallend detail van de pastorie, de serre, werd in 1936 aangebracht. Bij de verleende bouwvergunning werd opgemerkt dat men toestemming gaf, alhoewel het bouwplan uit aesthetisch oogpunt gezien, minder bevredigt.

De grootste wijzigingen vonden in de jaren vijftig en zestig plaats. In 1959 kwam het tot een grondige opknapbeurt van de kerkzaal. Het geheel werd eigentijds ingericht en daarbij verdwenen enkele authentieke elementen, zoals de preekstoel en de daarnaast hangende panelen. Eind jaren zestig werd de consistorie vervangen door het huidige, ruimere gebouw, dat opgetrokken is in een bij de kerk passende bouwstijl. In 1978 werd de kerk aangewezen als rijksmonument. Wel moest er vervolgens het een en ander gebeuren. Het pand werd grondig gerestaureerd. Het dak en de kozijnen werden hersteld, evenals de buitengevels. De werkzaamheden hadden echter bijna de totale vernietiging van het monument tot gevolg. In 1982 stond, tijdens een lunchpauze, plotseling de hele zolder en bovenverdieping van de pastorie in vuur en vlam. De brandweer wist gelukkig erger te voorkomen en de pastorie kon worden hersteld. Enkele jaren later werd de binnenkant van het gebouw gerestaureerd. Dit omvatte het funderen en herstellen van de vloeren, het afwerken van de wanden en het herstellen van het interieur. Architect van het restauratieplan was Theo Vlaanderen uit Dwingeloo. De kerkbanken en kerkzaalpaden werden hersteld, de oorspronkelijke betimmeringen aan de wanden en vloeren werden teruggebracht en er kwam een andere preekstoel. Deze preekstoel is gebouwd rond 1630 en is afkomstig uit de Nieuwe Zijdskapel in Amsterdam.


© ‘Monumenten in de gemeente Hardenberg’, uitgegeven door de Stichting Historische Projecten, 2008.
Kadastrale geschiedenis (in kaart)




