Het Hoveniers was één van de boerenplaatsjes die behoorden tot het landgoed van het herenhuis de Blankenhemert in Heemserveen. Het lag in de directe nabijheid van het herenhuis. Het landgoed en het landhuis zijn waarschijnlijk in de jaren 1668-1670 opgericht. Het lijkt er daarbij op dat toen ook direct enkele pachtboerderijtjes op het landgoed zijn gebouwd. Waarschijnlijk waren deze eerst naamloos, dan wel kenden ze een werknaam. De aanduiding ’t Hoveniers voor deze huisplaats duikt voor het eerst op in het midden van de achttiende eeuw. Helaas is de huisplaats rond het jaar 1900 opgeheven. Gelukkig zijn er voldoende archieven en documenten bewaard gebleven om iets te schrijven over de bewoningsgeschiedenis van ‘t (latere) Hoveniers. De ons bekende geschiedenis hiervan begint rond het jaar 1690 met het echtpaar Egbert Jans van Lente en Aaltje Gerrits.

Egbert Jans van Lente en nazaten (ca. 1690 – ca. 1784)
Egbert Jans van Lente werd waarschijnlijk rond het jaar 1663 geboren, nog voordat de Blankenhemert gesticht werd. Hij werd geboren op de huisplaats ’t Lenters op het Heemserveen als zoon van Jan Willems van Lente en Fennigjen Egberts. In of vlak voor het jaar 1690 trouwt hij met ene Aaltje Gerrits. Met Pasen van dat jaar wordt zij lid van de Heemser kerk. We weten niet wanneer en waar zij geboren is. In het kerkboek lezen we in het gedeelte met nieuwe lidmaten het volgende: ‘Anno 1690 op Paschen van ’t Heemser veen: Aeltien Gerriets, v(rou) van Eghbert van Lente’. Zij gingen hoogstwaarschijnlijk vanaf hun trouwdag de huisplaats ’t Hoveniers bewonen.

Van Egbert Jans(en) en Aaltje Gerrits zijn de volgende kinderen bekend:
- Gerrit Egberts, gedoopt op 4 oktober 1691
- Jan Egberts, geboren wrschl. rond 1693 (wordt in 1721 Lidmaat als 1 van de 2 Jan Egberts op het Heemserveen)
- Fenne(tje) Egberts, gedoopt op 27 oktober 1695
- Hendrik Egberts, gedoopt op 19 december 1697
- Jennegijn Egberts, gedoopt op 4 december 1701
De lijst met kinderen is mogelijk niet compleet. Dit komt doordat in dezelfde periode er nog een (andere) Egbert Jans(en) woonachtig was op het Heemserveen, die ook kinderen liet dopen. Ter onderscheiding werd ‘onze’ Egbert in het doopboek veelal aangeduid als Egbert Jans van Lente, terwijl hij niet meer woonde op ’t Lenters. Dit werd echter helaas niet consequent gedaan en bovendien werden de namen van hun echtgenotes in deze tijd niet in het doopboek vermeld. Hierdoor valt niet in alle gevallen met zekerheid te zeggen welke Egbert Jansen een kind liet dopen. Overigens valt hieruit tevens te concluderen dat de naam ’t Hoveniers voor de huisplaats van Egbert en Aaltje nog niet gangbaar was, anders zou hij ter onderscheiding immers daarmee wel aangeduid worden.

Egbert overlijdt als hij 45-50 jaar oud is en Aaltje hertrouwt in 1712 met ene Berend Hendriks. Het Heemser kerkboek vermeldt: ‘28 februari 1712: Berent Hendriks weduar. van Aane, tegenwoordigh dienende als schaap-hoeder tot Collendoorn en Aaltje Gerritz wed. van wijlen Egbert Jansen op ‘t Heemser-Veen’. Berent verhuist op z’n trouwdag naar Heemserveen en trekt bij zijn nieuwe vrouw in op ’t Hoveniers. Met Pasen dat jaar wordt hij lidmaat van de kerk van Heemse en dan wordt opgeschreven dat hij een attestatie mee heeft uit Dalen.

Mede doordat het rechterlijk archief uit deze periode verloren is gegaan, hebben we niet veel informatie over dit gezin. Zo is onbekend of Berent kinderen had en waarschijnlijk zijn er, toen hij met Aaltje trouwde, huwelijkse voorwaarden opgesteld en mombers aangesteld over de kinderen. Als hun (stief)dochter Fenne alias Fennetje daar oud genoeg voor is, gaat ze als dienstmeid elders aan de slag. In 1719 is dat bij de predikant van Heemse, ds. Antonius Stolte. Ze wordt in dat jaar lidmaat van de kerk en wordt door de predikant als volgt in het lidmatenregister genoteerd: ‘Ao 1719 op Paasschen uit Heemse: Fennetje Egberts j.d. van ’t Heemser veen, dog nu bij mij wonende!’ In het jaar 1721 woont en werkt ze in Rheeze, net als ene Gerrit Derks uit Radewijk. Ze krijgen een relatie met elkaar en gaan op 26 januari 1721 in ondertrouw in Heemse. Enkele weken later trouwen ze in de Heemser kerk. Fennetje was toen 25 jaar oud. Gerrit Derks had als bijnaam ‘Van de Beeke’. Waarschijnlijk omdat hij aan de Radewijkerbeek had gewoond. Hij zal rond 1690 geboren zijn. Op hun huwelijksdag trekken ze bij de ouders van Fennetje in op ’t Hoveniers te Heemserveen.

Uit het jaar 1723 is een register van de hoofdelijke belasting bewaard gebleven. De bewoners van het Hoveniers vinden we daarbij niet tussen de betalende inwoners van Heemserveen, maar zij worden wel vermeld onder deze lijst. Daar werden de inwoners genoteerd die geen belasting konden betalen omdat ze onvermogend waren en ondersteund werden door de diaconie. Daarvoor was een verklaring nodig van de diaken of predikant. Ds. Stolte verklaarde dat Berend Hendriks en Aaltje Gerrits maandgeld ontvingen van de diaconie, evenals hun dochter en schoonzoon die bij hen in huis woonden, oftewel Fennetje Egberts en Gerrit Derks.

Gerrit Derks en Fennetje Egberts kregen op het Hoveniers de volgende kinderen:
- Egbertje Gerrits, gedoopt op 26 oktober 1721
- Aaltje Gerrits, gedoopt op 18 maart 1725
- Derk Gerrits, gedoopt op 11 juli 1728
- Jennegje Gerrits, gedoopt op 23 december 1731
- Geesje Gerrits, gedoopt op 16 januari 1735, ovl. 16 jun 1812 te Heemserveen (trouwt met Gerrit Jansen Schrotenboer en zij gaan op ‘t Pofferts wonen).
- Janna Gerrits, gedoopt op 26 december 1737
Tijdens de periode van gezinsvorming door Gerrit en Fennetje zijn waarschijnlijk hun inwonende (schoon)ouders Berend en Aaltje overleden. Daarvan hebben we geen gegevens. Korte tijd na de geboorte van zijn jongste kind, komt Gerrit zelf te overlijden. Ergens rond 1740. Hij is dan waarschijnlijk een jaar of 50 oud. Fennetje – ook Fennegjen genoemd – blijft als weduwe achter op ’t Hoveniers met haar kinderen. Vlak na Gerrits overlijden trouwt de oudste dochter Egbertje met ene Hendrik Hermsen. Zij gaan bij hun (schoon)moeder en de nog thuis wonende kinderen inwonen op ’t Hoveniers. In het trouwboek van Heemse werd genoteerd: ‘25 februari 1742: Hendrik Hermssen j.m. van ‘t Anerveen en Egbertje Gerrits j.d. van ‘t Heemserveen, beide gewoont hebbende in de Meene, dese sijn hier getrouwt.’ Deze Hendrik is waarschijnlijk afkomstig van het Veltinkveld te Ane. Dit landgoed was in deze tijd eigendom van de familie Blanckvoort, de adellijke familie in Collendoorn en Heemse. Ane behoorde kerkelijk officieel tot de kerk van Hardenberg. Op 3 augustus 1712 vinden we in het doopboek van de kerk van Hardenberg het volgende vermeld: ‘Hermen Hendrijks soon gen. Hendrijk_tot Veltinkvelt’. Na zijn trouwdag werd Hendrik voortaan veelal aangeduid als ‘Hendrik Hovenier’. Waarschijnlijk kreeg hij deze aanduiding omdat hij daadwerkelijk hovenier van beroep was op landgoed de Blanckenhemert. Wellicht dat ook zijn schoonvader deze functie vervulde. Dat blijft helaas onduidelijk. Vanaf de jaren 1740 zien we de aanduiding ’t Hoveniers voor de huisplaats gebruikt worden. Toen Hendrik en Egbertje trouwden was Egbertje al zwanger van hun eerste kind. Dit kind werd in juni 1742 geboren en kreeg de naam Gerrit, naar zijn overleden grootvader. Er zouden meer kinderen volgen. Hendrik en Egbertje kregen in totaal de volgende kinderen op ’t Hoveniers in Heemserveen:
- Gerrit Hendriks, gedoopt op 10 juni 1742
- Hendrikje Hendriks, gedoopt op 15 november 1744
- Fennetje Hendriks, gedoopt op 12 februari 1747
- Hermtje Hendriks, gedoopt op 11 januari 1750
- Egbert Hendriks, gedoopt op 25 februari 1753
- Hermine Hendriks, gedoopt op 15 februari 1756
- Gerritdina Geertruid Hendriks, gedoopt op 18 februari 1759
- Jan Hendriks, gedoopt op 4 oktober 1761
In 1748 vindt er een grote volkstelling plaats. Als hoofdbewoners van de huisplaats ‘Hovenier’ in Heemserveen worden daarbij genoteerd: ‘Hendrik en Egbertien en de moeder Fennegien weduwe’. Als inwonende kinderen worden Gerrit, Fennegien, Janna en Hendrickien vermeld. Genoemde Janna was geen kind van Hendrik en Egbertien, maar dit was Janna Gerrits, het jongste zusje van Egbertien. Zij was toen 10 jaar oud. Haar komen we ook tegen in het diaconieboek van de kerk van Heemse. Haar moeder Fennegje ontving als weduwe ondersteuning van de diaconie, en een klein jaar voor de volkstelling, in december 1747, had de diaconie een warme jas (een ‘wanden rok’) voor haar dochter gekocht.

In datzelfde diaconieboek komen we in de jaren die volgen enkele begrafenissen tegen van bewoners van het Hoveniers. Het lastige is echter dat er in het kerkdorp Heemse een huisplaats met dezelfde naam bestond en dat het niet in alle gevallen helder is welk van beide huisplaatsen bedoeld wordt. Zo wordt er in januari 1754 ‘het hoove nijers kint’ begraven. Omdat een dag later er een ‘Poffers kint’ (een huisplaats in de directe nabijheid van het Hoveniers in Heemserveen) begraven wordt, doet dit het vermoeden rijzen dat dit het Hoveniers op het Heemserveen betreft en dat beide buurkinderen waarschijnlijk slachtoffer geworden waren van een besmettelijke ziekte. Twee jaren later zien we bij januari 1756 het bedrag genoteerd staan dat van ‘de Hovenier in de schotel bevonden’ is, in combinatie met een bedrag voor het (doods)laken. Het zou hier de begrafenis van de inwonende schoonzus Janna kunnen betreffen. Die was toen 19 jaar oud, maar het zou ook het Hoveniers in Heemse kunnen betreffen.
De eerstvolgende vermelding in het diaconieboek in relatie tot ’t Hoveniers heeft van doen met nieuw leven. Dat werd geboren op ’t Hoveniers in Heemserveen, maar behoorde niet tot de familie van de bewoners. Eén van de naburige huisplaatsen van ’t Hoveniers aldaar was ’t Pofferts. In 1755 verhuisden de bewoners van deze huisplaats naar Holthemerbroek. Van deze gezinsleden ging de twintigjarige Aaltje Gerrits Pofferts echter niet mee. Zij was, dan wel werd, toen dienstmeid op ’t Hoveniers in Heemserveen en bleef bij haar buren op ‘t Hoveniers inwonen. Het jaar erop kreeg ze echter een dochtertje, dat ze de naam Jennegje gaf, naar haar moeder. Het betrof een ‘onecht kind’, oftewel geboren buiten een huwelijksrelatie om. De vader is dan ook onbekend. Het kindje werd gedoopt op 25 maart 1756 in Heemse en groeide op op ’t Hoveniers. De diaconie van de Heemser kerk gaf Hendrik en Egbertje hiervoor financiële ondersteuning. In de boeken vinden we de volgende aantekening: ‘an Hoveniers op het vene het kostgelt van poffers Aaltien zijn kint betaalt’.

Frappant detail is dat de nieuwe pachter van ’t Pofferts een broer van Hendrik Hermsen op ’t Hoveniers was, namelijk Teunis Hermsen. Die betrok in 1755 met zijn gezin ’t Pofferts. In 1757 wordt Hendrik Hermsen genoemd als meijer (pachter) in het in dat jaar opgestelde testament van hun landheer Jan Andries baron van Sytzama. In het testament van baron van Sytzama wordt meijer (pachter) ‘Hendrick Harmsen’ als bewoner genoemd van één van de drie bij de Blankenhemert behorende ‘veene-erven.’

In het jaar 1758 overleed weduwe Fennetje (Fennegien) Egberts. In het diaconieboek van Heemse staat dan bij dat jaar geschreven: ‘Den 24 oktob. is begraven Hoveniers fennegien van ’t Heemser-veen: op den Kerkhof ontvangen 2 (gulden)’. Ze was net 63 jaar oud geworden.

Na het overlijden van hun (schoon)moeder krijgen Hendrik en Egbertje nog twee kinderen. In het doopboek staat hierbij expliciet genoteerd dat ze woonachtig waren ‘in Hoveniers op ’t Heemserveen’.

In totaal hadden Hendrik en Egbertje acht kinderen gekregen op ’t Hoveniers. Helaas hebben zij niet allen een volwassen leeftijd bereikt. Na de eerder genoemde sterfgevallen in de jaren 1750, vermeldt het diaconieboek dat er in april 1762 een ‘Hoveniers magijn’ begraven is. Oftewel een magien, een meisje, van het Hoveniers. Dit betreft waarschijnlijk ’t Hoveniers te Heemserveen. Mogelijk betreft dit de dochter van de dienstmeid Aaltje Gerrits Pofferts. Doorgaans werd er namelijk bij dergelijke registraties het woord ‘kind’ gebruikt als het een kind van het gezin betrof. Bij de volgende vermelding betreft het zeker het Hoveniers in Heemserveen. In april 1767 wordt er een kind begraven dat omschreven wordt als ‘Hoveniers kind op het Heemser vene’. In de maand daarvoor was juist dochter Fennetje, aangeduid als Fennegje, getrouwd met ene Jan Hendriks. Hun huwelijk vinden we niet terug in de kerkboeken, maar blijkt wel uit het rechterlijk archief. Op 13 maart 1767 wordt voor de verwalter scholtus (de plaatsvervangend schout) verklaard dat ze een echtpaar zijn en wordt in een akte vastgelegd dat zij de boedelhouders zijn van het huishouden op ’t Hoveniers. Zij worden benoemd tot erfgenaam van de ‘seer geringe boedel en goederen’ en dienen ter voldoening aan de zes broers en zussen van de bruid ieder een schaap te schenken. Het kind dat een maand later overlijdt is waarschijnlijk één van deze broers en zussen, maar het zou ook het eerste kind van het nieuwe echtpaar kunnen betreffen (dan zou Fennegje kort na de huwelijksdag bevallen moeten zijn). Jan en Fennegje trekken als jong echtpaar bij hun (schoon)ouders in op ’t Hoveniers.

In mei 1767 wordt er een register opgesteld ten behoeve van de hoofdelijke omslag. Dit was een soort inkomstenbelasting, in dit geval voor iedereen van 17 jaar en ouder. We zien dan als belastingplichtige bewoners van ’t Hoveniers vermeld staan: ‘De Hovenier Hendrik de oude man, Egbertje de oude vrouw, Jan de jonge man, Fennegje de jonge vrouw.’ Het jaar erop zou er het één en ander gaan veranderen. In maart 1768 komt genoemde landheer Jan Andries van Sytzama te overlijden. Een oomzegger van hem, de in Friesland wonende Maurits Pico Diederik van Sytzama wordt vervolgens de nieuwe eigenaar van de Blankenhemert en (daarmee) ook van het Hoveniers. De erfenis leidde binnen de familie Van Sytzama tot wat gedoe zodat er wat tijd overheen ging. In de processtukken uit de jaren 1768 en 1769 worden de drie boerderijtjes die bij het landgoed horen expliciet genoemd als ‘de drie veenerven met desselves huisingen en schuren (..) laatst bewoond en bemeijerd door Willem Harmsen, Hendrik Harmsen en Teunis Jans’. Dit waren de pachters van ’t Alberts, ’t Hoveniers en ’t Olsmans.
Zoals we zojuist zagen, waren dochter Fennetje Hendriks en haar man Jan Hendriks boedelhouders en beoogde opvolgers geworden van hun (schoon)ouders op ’t Hoveniers. Zij waren vanaf hun trouwdag bij hen in komen wonen. Dat heeft echter niet lang geduurd. Wanneer Fennetje’s broer Gerrit trouwt, nemen hij en zijn vrouw deze positie over. Deze Gerrit Hendriks (geb. 1742) was de oudste zoon van Hendrik Hermsen en Egbertje Gerrits en trouwde in juli 1771. Hij woonde en werkte toen in Anerveen, terwijl hij daarvoor in Sibculo had gewerkt. Daar had hij ene Hermina Gerrits Wolters leren kennen. Met haar treedt hij op 14 juli 1771 in de kerk van Hardenberg in het huwelijk. In het (onder)trouwboek van de kerk vinden we bij de datum 15 juni 1771 het volgende vermeld: ‘Gerrit Hendriks j.m. van ‘t Klooster Sipculo wonende op ‘t Aner-veen met Hermina Wolters j.d. wonende op ‘t Klooster Sipculo hier getrouwd den 14 juli’. Dit echtpaar betrekt vervolgens als boedelhouders het Hoveniers te Heemserveen en ging inwonen bij hun (schoon)ouders. Gerrit komen we hierna in de archieven tegen als ‘Gerrit Hoveniers’. Zijn zus Fennetje en haar man Jan Hendriks komen we vervolgens tegen als inwoners van Sibculo. Zo worden ze in december 1771 geregistreerd in het kerkboek van Hardenberg bij de doop van hun zoontje Hendricus. Mogelijk hebben zij van woning geruild met Hermina Wolters.

Gerrit Hendriks Hoveniers en Hermina Gerrits Wolters krijgen samen de volgende kinderen op ’t Hoveniers:
- Gerritdina Gerrits, geboren in 1772, getrouwd met Gerrit Raben uit Brucht op 21 januari 1798, overleden op 17 juli 1852 in Brucht.
- Hendrik Gerrits, geboren rond 1774, trouwt in 1802 met Aaltjen Roelofs Bouwmeester uit Ane. Dit echtpaar gaat (later) in Ane wonen. Hendrik overlijdt voor 1812.
- Egberdina Gerrits, geboren in 1776, getrouwd op 12 februari 1797 te Vriezenveen met Willem Jansen Hazelhorst alias Koes te Sibculo, overleden op 18 april 1854 in Magele, Den Ham
- Janna Gerrits, geboren in 1779, getrouwd met Hendrik Jan Jansen alias Pater uit Magele op 12 mei 1805 in Den Ham (ondertrouw op 10 april in Ommen), overleden als ‘Johanna Gerrits’ op 11 november 1853 in Magele.
- Fennegien Gerrits, waarschijnlijk geboren rond 1781.
Van deze kinderen is helaas geen doopregistratie te vinden. Het doopboek van Heemse kent in deze periode grote hiaten.

Gerrit Hendriks alias Gerrit Hoveniers komt helaas kort na de geboorte van zijn jongste kind, dochter Fennegien te overlijden. Waarschijnlijk in het jaar 1782. Zijn weduwe Hermina hertrouwt vervolgens met ene Gerrit Jan Willems Costers. Het trouwboek van Heemse vermeldt bij 22 maart 1783: ‘Gerrit Jan Costers j.m. te Heemse en Hermina Wolters, weduwe van Gerrit Hendriks op het Heemser Veen, hier getrouwt’. Deze Gerrit Jan, ook Gerrit genoemd, trekt bij haar in op het Hoveniers te Heemserveen. Hij was geboren op de Heemser Brink bij de Oelenveerbrug. Hij werd op 12 april 1753 in Heemse gedoopt als zoon van Willem Everts en Janna Rijckelts van Keulen. Janna was de tweede vrouw van zijn vader Willem. De eerste vrouw heette Gesina Hendriks. Zij was een dochter van de koster van de Heemser kerk, vandaar de nadere achternaam Costers of Kosters. Deze naam was door Willem overgenomen en ook zijn kinderen kregen deze toegekend. Frappant detail is dat de grootvader van Gerrit Jan, Rijckelt van Keulen, op het Hoveniers in Heemse had gewoond. Die huisplaats was gelegen bij Huize Welgelegen en zijn grootvader was ook daadwerkelijk hovenier van beroep. Hij en zijn gezin kwamen uit Kamperveen, waar hij hovenier was geweest van de havezate Wittenstein. Zij waren overigens Rooms-katholiek en kenden daarmee toen een uitzonderlijke positie binnen de lokale (protestantse) samenleving.
De oudere broer van Gerrit Jan was naar hun grootvader vernoemd en heette ook Rijckelt (Richelt of Rikelt in de kerkboeken). Deze Rijckelt Kosters is getuige van het huwelijk van Gerrit Jan met de weduwe Hermina, evenals bij het opstellen van de daarbij behorende akten door de plaatsvervangende schout. Want er moest het nodige geregeld worden met betrekking tot de kinderen. Zo moesten er mombers (voogden) aangesteld worden over de kinderen, moest er iets vastgelegd worden over de zeer geringe nalatenschap van hun overleden vader en werd er vastgelegd dat Gerrit Jan de vijf onmondige kinderen van Hermina als zijn eigen kinderen zou beschouwen en aannemen. De mombers voor de kinderen werden de inwonende grootvader Hendrik Hermsen en diens zwager – oudoom voor de betreffende kinderen – Gerrit Schrotenboer, die op de Blankenhemert woonde. Hermina werd hierin bijgestaan door haar buurman Jan Hannessen die op het Alberts woonde. Hij was haar momber. Hieruit blijkt dat Hendrik Hermsen alias Hendrik Hoveniers nog leefde en dat hij zijn zoon Gerrit had overleefd. Waarschijnlijk is hij enkele jaren later overleden. Van hem en zijn vrouw Egbertje hebben we helaas geen gegevens over hun overlijden of begrafenis.

Hermina’s nieuwe man Gerrit Jan Costers zien we hierna Gerrit Jan Hovenier of Gerrit Hovenier genoemd worden. Hun huwelijksgeluk was echter helaas van zeer korte duur. Slechts drie maanden! Toen kwam namelijk ook Hermina te overlijden. Gerrit Jan bleef achter met zijn vijf stiefkinderen en – naar al vrij snel bleek – grote financiële ellende. Hij liet op 21 juli 1783 bij de plaatsvervangende schout drie akten van vrijwillige condemnatie en verwin opstellen: één met het oog op de schulden die hij had bij burgemeester Van Borne in verband met ‘geleverd winkelgoed’, één ten behoeve van zijn landheer, de hoogwelgeboren heer Maurits Pico Diederik Van Sytzama wegens ‘achterstaande en loopende pagten en toepagten als meede wegens ontvangene schapen’ en één wegens bijna 100 gulden aan achterstallige belastingbetaling ten behoeve van de ontvanger van ‘s lands belastingen, Jacobus van Riemsdijk. Door deze akten werden zijn inboedel en goederen onderpand voor de terug te betalen schulden en dit gaf het recht aan de verwinhebbers om over te gaan tot een executieverkoop als de schulden niet binnen een bepaalde termijn betaald zouden worden. Dit alles luidde het einde in van zijn (kortstondige) verblijf op het Hoveniers in Heemserveen. Niet veel later vertrokken hij en zijn stiefkinderen naar elders. Waarheen is onbekend. Wellicht kon hij (voorlopig) onderdak krijgen bij zijn broer Rijckelt. Deze Rijckelt woonde tot maart 1783 in Heemse, maar trouwde een week na zijn broer Gerrit Jan als weduwnaar met Hendrikje Derks en zij gingen samen in Rheeze wonen. Bij de volkstelling in 1795 werd hij genoteerd als Rikkel Custers in Rheeze en bij de volkstelling in 1812 als R. Kosters, schoorsteenveger te Rheeze. Over zijn broer Gerrit alias Gerrit Jan zwijgen de archieven verder. Deze ontwikkeling betekende het einde van de familielijn op ’t Hoveniers die door Egberts Jans van Lente rond 1690 was ingezet.



Het gezin van Jan Hermsen Meijer en Geesjen Berends (ca. 1784 – ca. 1792)
De nieuwe pachters van het Hoveniers werden Jan Hermsen en Geesjen Berends. Zij kwamen uit Heemse. Jan Hermsen was geboren op het Rheezerveld (ook aangeduid als het Rheezer veen). Hij werd gedoopt op 11 augustus 1743 in Heemse als zoon van Hermen Jansen en Maria Bouwhuis. Zij bewoonden de katerstede ’t Meijer op het Rheezerveen. Dat leidde ertoe dat Jan bekend stond als ‘Meier Jan’ en dat hij en zijn nazaten (later) de achternaam Meijerink kregen. Hij was landbouwer en trouwde in 1782 met Geesjen Berends uit Lutten. Ze gingen op 27 april dat jaar in ondertrouw in de kerk van Hardenberg. Geesjen was geboren in Ane en werd op 22 maart 1753 gedoopt in Gramsbergen als dochter van Berend Lubberts en Harmpjen Coenders. Toen ze trouwden woonde Jan waarschijnlijk nog bij zijn ouders in op het Meijer te Rheezerveen, terwijl Geesjen in Lutten woonde, waar ook haar vader woonde. Later zou Geesjen ook bekend staan als Geesjen Schutte. Vanaf hun trouwdag gaan ze ergens in Heemse wonen, waar in 1783 hun oudste kind, dochter Maria geboren wordt. Gelet op de grote financiële problemen van Gerrit Jan Costers op het Hoveniers, zullen ze niet lang daarna de volgende bewoners van het Hoveniers zijn geworden. Waarschijnlijk in de tweede helft van 1783 of in 1784. Hun tweede kind, zoon Hermen, wordt in 1787 op ’t Hoveniers geboren.

Jan Hermsen Meier en Geesjen Berends kregen de volgende kinderen:
- Maria Jansen Meijerink (1783-1812). Ze werd gedoopt op 29 juni 1783 in Heemse als d.v. Jan Hermssen en Geertjen Beerents te Heemse, getrouwd met Albert Rumph. Zij is overleden op 4 mei 1812 in Ommen.
- Hermen Jansen Meijerink (1787-1839), gedoopt op 28 oktober 1787, z.v. Jan Hermsen en Geesjen Berends op ’t Heemserveen, getrouwd met Fennigjen Schutte, overleden op 12 november 1839 in Rheeze.
- Hendrik Jansen Meijerink (1789-1852), gedoopt op 6 september 1789 z.v. Jan Hermsen en Geesjen Berends op ’t Heemserveen, getrouwd met Jannigjen Brink, overleden op 5 mei 1852 in Dedemsvaart.
- Janna Jansen Meijerink (1792-1857), gedoopt op 29 januari 1792 (geboren 22 januari) d.v. Jan Hermssen en Geesjen Berends op ’t Heemserveen, getrouwd met Gerrit Westenberg, overleden op 13 oktober 1857 in Rheeze.
- Berendina Jansen Meijerink (1796-1877), geboren in oktober 1796 te Rheeze (op basis van getuigenverklaringen bij haar huwelijk). Getrouwd met Roelof Niezink en (daarna) met Hendrik Niezink. Zij is overleden op 1 oktober 1877 in Loozen.
In bovenstaande opsomming valt op dat het jongste kind niet in Heemserveen geboren is. Jan en Geesjen hebben met hun gezin niet heel lang het Hoveniers bewoond, ongeveer acht jaar. Daarna vertrokken ze naar Rheeze, waar hun jongste kind in 1796 geboren werd en waar zij zelf later ook zouden komen te overlijden. Geesje op 6 oktober 1811 en Jan op 23 april 1822. Evenals bij de vorige bewoners lijkt ook hun vertrek van het Hoveniers te maken te hebben met financiële problemen. In het rechterlijk archief komen we een akte van hen tegen, opgesteld door de verwalter scholtus waarin ze verklaren over te gaan tot ‘vrijwillige condemnatie en verwin’. En dat in relatie tot hun landheer Maurits Pico Diederik, baron van Sytzama, heer van Rinsma staate en de Blankenhemert. Het ging daarbij om een schuld van ruim 187 gulden, bestaande uit onbetaalde pacht en kosten voor ‘huis en timmerreparatien’. De landheer kreeg door deze akte als ‘verwinhebber’ het vruchtgebruik van het Hoveniers toegewezen, waardoor de schulden niet verder zouden oplopen, en kreeg daarbij de inboedel en andere roerende eigendommen die aanwezig waren op het Hoveniers als onderpand. De akte is opgesteld op 27 september 1791. Op die dag kregen meerdere pachters van deze landheer hiermee van doen. Jan en Geesje hadden in vergelijking daarmee een relatief lage schuld, maar dan nog was dit een fors bedrag voor hen. Waarschijnlijk heeft dit er dan ook toe geleid dat ze enkele maanden later ’t Hoveniers hebben moeten verlaten en in Rheeze zijn gaan wonen.

De familie Veurink (1793-1805)
Tijdens de volkstelling in 1795 werd het Hoveniers bewoond door ene Gerhardus Veurink en zijn gezin. Hij wordt daarbij omschreven als keuterboer met een gezin dat in totaal uit vijf personen bestaat. Die volkstelling vond plaats vanwege een politieke omwenteling als gevolg van de komst van het Franse leger in ons land waarmee de Franse tijd aanbrak, die bijna twintig jaar zou duren. Gerhardus was geboren als het zevende kind van Evert Wessels Veurink en Lubbigjen Hermsen Stoeten op het Veurink in Rheeze. Van hem is geen doopdatum bekend, maar volgens het Registre civique uit 1811 is hij geboren op 14 maart 1766 in Rheeze. De genoemde geboorteplaats zal wel kloppen, maar of de vermelde geboortedatum exact klopt is de vraag. Het register bevat veel foute geboortedata. In 1793 trouwde Gerhardus met Janna Richterink, die van oorsprong uit Brucht kwam, maar inmiddels in Rheeze woonde. Janna was in 1769 geboren en werd op 23 april 1769 in Hardenberg gedoopt als dochter van Hendrik Rigterink en Janna Janssen te Brucht. Gerhardus en Janna trouwden op 20 januari 1793 en in het trouwboek staat: ’1793, den 5 januarij: Gerhardus Veurink, zoon van Eevert Wessels en Lubbigjen Hermssen, j.m. op het Veurink te Rheese en Janna Richterink, dochter van Hendrik Richterink en Jennigjen Hurink, j.d. op het Richterink te Brucht, thans woonachtig te Rheese; hier getrouwt naa drie gewoone proclamatien den 20 dito.’ Zij gaan vanaf hun trouwdag wonen op ’t Hoveniers in Heemserveen. Zeven maanden na hun huwelijksdag werd hier hun eerste kind geboren, dochter Lubbigjen. Er zouden nog vele kinderen volgen. De kinderen van Gerhardus Veurink en Janna Richterink:
- Lubbigjen Veurink (1793-1881)
- Jennigjen Veurink (1794-1870)
- Evertjen Veurink (1795-1797)
- Evertjen Veurink (1798-1882)
- Hendrik Veurink (1800-1877)
- Hermina Veurink (1802-1895)
- Hendrikje Veurink (1804- wrschl.1804)
- Gerrit Jan Veurink (1807-1886)
- Derk Veurink (1810-1889)
Hun derde kind werd geboren in december 1795, ruim anderhalve maand nadat de volkstelling had plaatsgevonden. Gelet op het vijfpersoonshuishouden dat toen werd geregistreerd, betekent dit dat Gerhardus en Janna in 1795 een knecht of meid in dienst hadden. Hun kinderen werden geboren op ’t Hoveniers in Heemserveen, behalve de jongste twee. Die werden in Rheeze geboren. Midden in de Franse tijd, in het jaar 1805, verlaat het gezin namelijk Heemserveen om in Rheeze te gaan wonen. We komen hen in latere stukken tegen op de boerderij ’t Veurink in de Veldbraken te Rheeze. Op deze boerderij zouden Gerhardus en Janna blijven wonen tot hun overlijden op respectievelijk 31 maart 1846 en 29 oktober 1839.

De familie Jansen alias Pullen (1805-1819)
De nieuwe bewoners en pachters van ´t Hoveniers werden Jan Hendrik Jansen en Hilligjen Martens Hakkers met hun eenjarige dochtertje Maria. Zij waren op 1 juni in 1803 in de kerk van Heemse getrouwd. Op 23 april van dat jaar waren ze in ondertrouw getreden en in het trouwboek van Heemse staat bij deze datum opgetekend: ‘Ondertrouwd, Jan Hendrik Jansen, Jongman, geboortig van – en woonachtigh te Heemse, met Hillechien Hakkers, J.D. geboortig te Baelder, Doch tans woonachtigh te Ennevelde.’ Hilligjen was in 1776 geboren in Baalder en werd op 11 februari van dat jaar gedoopt in de kerk van Hardenberg, samen met haar zusje Aaltje. Het staat er niet bij, maar we kunnen aannemen dat dit een tweeling was. Hun vader was Marten Hendriks alias Noeverman, geboren in Heemse, en hun moeder was Jannegjen Hendriks alias Hakkers, geboren in Baalder. Zij woonden in Baalder en kregen daar tien kinderen, waaronder dus Hilligjen. Toen ze trouwde werkte ze als inwonende dienstmeid in Anevelde. Haar man Jan Hendrik Jansen was geboren en getogen in Heemserveen, op de huisplaats ’t Alberts die direct naast ’t Hoveniers gelegen was. Hij was op 23 oktober 1774 gedoopt als zoon van Jan Hannes en Marrigjen Jaspers. Zijn vader Jan Hannes alias Jan Alberts was rond 1789 overleden. Het gezin had toen al financiële problemen en die werden daarna snel groter, waardoor ze ’t Alberts in 1793 moesten verlaten. Marrigjen Jaspers trouwde vervolgens in 1797 met weduwnaar Jan Dangremond uit Heemse. Deze Jan kwam net als Marrigjen oorspronkelijk uit Ommen en omgeving. Hij was metselaar van beroep, had enkele kinderen uit een eerder huwelijk en bewoonde een eigen woning op de Brink in Heemse.
Marrigjen maakte met haar huwelijk met Jan Dangremond een nieuwe start op de Heemser Brink. Haar jongste twee kinderen (Jan en Jasper) kwamen in ieder geval bij hen in te wonen. Jan Hendrik, haar oudste zoon, woonde (aanvankelijk) elders. Hij was toen 22 jaar oud en werkte als landbouwknecht waarschijnlijk te Heemserveen. Op 16 december 1801 werd hij lidmaat van de Heemser kerk en dan staat er van hem geschreven dat hij woonachtig is in Heemserveen. In juli 1802 gingen zijn moeder Marrigjen en stiefvader Jan Dangremond met hem naar de schout, samen met zijn stiefbroer Gerrit Dangremond en diens vrouw. Afgesproken werd dat Jan Hendrik degene was die met zijn aanstaande vrouw bij zijn moeder en stiefvader zou gaan inwonen op de Heemser Brink. Gerrit was kort daarvoor getrouwd en Jan Hendrik zou negen maanden later in het huwelijk treden met Hilligjen Hakkers. Er werd een akte van maagscheiding en alimentatie opgesteld waarin vastgelegd werd dat Jan Hendrik de helft van de inboedel en goederen zou krijgen van zowel zijn moeder als van Jan Dangremond, en dat na hun toekomstige overlijden hem ook de andere helft zou toekomen. Ook de nalatenschap van Jan Dangremonds eerste vrouw zou in zijn handen overgaan. Als verplichting stond hier tegenover dat Jan Hendrik zijn moeder en stiefvader zou gaan onderhouden en verzorgen. Daarnaast diende hij aan zijn stiefbroer Gerrit Dangremond 35 gulden te betalen. Jan Hendrik werd hiermee boedelhouder van de woning op de Brink.

Het jaar erop trouwt Jan Hendrik met Hilligjen Hakkers. Op 1 juni 1803 verbindt ds. Lamping hen in de echt in de kerk van Heemse. Enkele weken later wordt Hilligjen zwanger. Haar schoonmoeder Marrigjen zou met dit kleinkind voor het eerst grootmoeder worden. Helaas zou ze dit echter niet meer meemaken. In januari 1804 overlijdt ze, nog maar 58 jaar oud. Twee maanden later bevalt Hilligjen van een dochter. Het meisje wordt op 11 maart 1804 geboren ‘op den Brink te Heemse’ en krijgt de naam Maria, naar haar onlangs overleden grootmoeder. Nu hun (schoon)moeder Marrigjen als verbindende schakel was weggevallen, voelde de woonsituatie voor Jan Hendrik en Hilligjen wellicht toch wat gekunsteld aan: zij als jong gezin inwonend bij Jan Hendriks stiefvader Jan Dangremond. Of dat de reden was voor hun vertrek weten we niet, maar we weten wel dat ze het jaar erop de Heemser Brink hebben verlaten en op zichzelf zijn gaan wonen, en wel op het Hoveniers te Heemserveen. Jan Hendrik keerde daarmee terug naar zijn geboortegrond. Met deze verhuizing werd de akte van alimentatie uit 1802 overigens geweld aangedaan. Dit werd pas in 1807 rechtgezet, toen Jan Dangremond met zijn derde vrouw trouwde.


In 1805, het jaar van hun verhuizing naar Heemserveen, kregen Jan en Hilligjen op ’t Hoveniers hun tweede kind, dochter Jennigjen. Zij werd op 20 december 1805 geboren en op 26 december van dat jaar gedoopt in de Heemser kerk. In het doopboek wordt ze vermeld als dochter van Jan Hendrik Jansen en Hilligjen Hakkers ‘op het Heemserveen’. Dit meisje werd helaas nog geen vier maanden oud. Juist met ingang van 1806 werd begonnen met het afzonderlijk registreren van overledenen. Het ‘Register der aangegevene lijken onder de kerk-gemeente van Heemse over de jaaren 1806 – 1811’ vermeldt op de eerste pagina haar overlijden als volgt: ‘28 april is overleden het kind van Jan Hendrik Jansen op ’t Heemsterveen, genaamd Jennechien, oud zeventien weken’. Hierna kregen Jan Hendrik en Hilligjen nog vijf kinderen. Deze werden volgens de geboorteakten op één na allen te Heemserveen geboren. In de geboorteakte van dochter Wilhelmina uit 1812 staat Heemse als geboorteplaats. Toch is ook zij in Heemserveen geboren. Nederland was in 1810 onderdeel van Frankrijk geworden en als gevolg daarvan werden er andere, meer grootschalige gebiedsindelingen gehanteerd. Een nieuw overheidsorgaan, de in 1811 ingestelde gemeente, administreerde dit. Toen Jan Hendrik en Hilligjen in 1805 op het landgoed de Blanckenhemert kwamen wonen, woonde daar geen adellijke familie meer. Het landgoed was, evenals de huisplaats het Hoveniers, nog wel altijd eigendom van de familie Van Sytzama. Rond 1807 vond er binnen het schoutambt Hardenberg een inventarisatie plaats van onroerend goed en de eigenaren daarvan. In 1811 werden de gegevens hiervan in een register verwerkt. Het Hoveniers wordt hierin omschreven als eigendom van de ‘Erven Sijtzama’, bestaande uit ‘huizinge no. 65 met 1 schepel gorenland, 2 1/2 mudde zaailand, een 1/2 dagwerk groenland en woeste grond’.

Eén van de volgende keren dat we Jan Hendrik Jansen in de overheidsarchieven tegenkomen is wanneer hij op oudejaarsdag 1811 de achternaam Pullen aanneemt. In de akte van naamsaanneming staat dat hij en zijn gezin wonen in Heemse, maar (ook) hier dient Heemserveen gelezen te worden. Zie de eerdere opmerking over de gebiedsindeling. De herkomst van zijn nieuwe achternaam is niet geheel zeker. Het kan van doen hebben met kruiken, kannen of bierpullen, maar ook met jong gevogelte. Wel is zeker dat de naam afkomstig is van de overleden moeder van Jan Hendrik. Toen enkele jaren daarvoor, in 1807, zijn jongere broer Jan trouwde werden namelijk in het trouwboek als diens ouders genoteerd Jan Alberts en Marregien Pullen. De akte van naamsaanneming is in het Frans opgesteld, omdat ons land vanaf 1810 ingelijfd was bij het Franse keizerrijk. Jan Hendrik Pullen werd met zijn nieuwe officiële achternaam de stamvader van alle Pullens in Hardenberg en omstreken.

In de akte van naamsaanneming worden de drie (in leven zijnde) kinderen vermeld die Jan en Hilligjen destijds hadden: Maria, Jan en Jennechien. Hierna kregen ze nog drie kinderen, die allen geboren werden op het Hoveniers in Heemserveen. De kinderen van Jan Hendrik Pullen (voorheen Jansen) en Hilligjen Hakkers:
- Maria: geboren op 11 maart 1804 op de Brink te Heemse, getrouwd met Jan Hermen Gogh op 27 mei 1825 te Heemse, overleden op 28 januari 1874 te Lutten.
- Jennigjen: geboren op 20 december 1805 op het Heemserveen, overleden op 28 april 1806 te Heemserveen.
- Jan: geboren op 5 mei 1807 op het Heemserveen, getrouwd met Jennigjen IJzebrink op 23 december 1831 te Heemse, overleden op 31 december 1886 te Heemse.
- Jennigjen: geboren op 30 oktober 1809 op het Heemserveen, getrouwd met Derk Veurink op 13 april 1839 te Heemse, overleden op 1 april 1883 te Diffelen.
- Wilhelmina: geboren op 1 februari 1812 te Heemserveen (Heemse in de akte), getrouwd met Derk Otten op 7 december 1837 te Heemse, overleden op 26 december 1894 te Heemse.
- Jan Hendrik: geboren op 12 mei 1814 te Heemserveen, getrouwd met Zwaantje Altena op 8 september 1842 te Heemse, overleden op 18 maart 1895 te Collendoorn.
- Hendrik: geboren op 23 maart 1819 te Heemserveen, getrouwd met Hendrika Brinkhuis op 1 september 1849 te Heemse en met Lamberdina Hobers op 27 februari 1851 te Heemse, overleden op 15 november 1892 te Collendoorn.
Enkele maanden na de naamsaanneming vond er een volkstelling plaats, namelijk op 1 juni 1812. Op die lijst zien we Jan Hendrik Pullen vermeld staan tussen de andere bewoners van Heemserveen.

In oktober 1813 verloor Napoleon de Volkerenslag bij Leipzig en hierna stortte zijn keizerrijk in. Een paar weken later kwamen er Kozakken en Pruisische huzaren die in en rond Hardenberg bivakkeerden en die daarmee de bevrijding van Hardenberg markeerden. Toch gaven de Fransen zich niet zo maar gewonnen. Overal in Nederland bleven Franse militaire garnizoenen de vestingsteden bezetten. Ook in de omgeving van Hardenberg zou het nog een koude lange winter duren voordat de rust zou zijn teruggekeerd. De vesting Coevorden was nog altijd in handen van een Frans garnizoen, dat door middel van diverse uitvallen rovend en plunderend aan voedsel kwam. Op 27 december 1813 werden Holthone en Anerveen het slachtoffer van een dergelijke uitval. De Fransen plunderden vele boerderijen en namen ongeveer 200 runderen mee. Dieren die zij niet zo snel konden meenemen, werden doodgeschoten. Er werd veel vernield en twee boerderijen in Holthone werden zelfs helemaal verwoest. In heel het Vechtdal werden vervolgens de schutterijen alias vrijkorpsen gemobiliseerd om de Fransen tegen te houden. Generaal-majoor Van Raesfelt voorzag het in allerijl opgerichte Hardenbergse vrijkorps van wapens. Hij had 309 geweren te verdelen. Burgemeester Van Riemsdijk was de grote lokale organisator van het geheel en diverse raadsleden en oud-militairen fungeerden als aanvoerders. Op 29 december betrokken de Hardenbergers hun posten op de Groote Scheere om de vijand tegen te houden en om aanvoerlijnen, zoals de Vecht te blokkeren. Ook Jan Hendrik behoorde tot de inwoners die opgeroepen werden tot het ‘borneeren (begrenzen) en blokkeeren der vesting Coevorden’. Hij staat op de lijst ‘der manschappen van de Landstorm welke in activiteit zijn geweest’. Hij was actief op 29 december 1813 en in 1814 vooral in januari en de laatste week van februari. De mannen werden gelegerd op landgoed de Groote Scheere en ontvingen ieder 20 scherpe patronen. Elders op de lijst, wat overigens meer een register is, staat genoteerd dat Jan Hendrik zich een tijdje heeft laten vervangen door ene Hendrik Braakman. Dat lijkt te gaan om de eerste weken in de maand februari in 1814. Dat zou heel goed verband kunnen houden met het feit dat op 30 januari 1814 zijn broer Jan (Jan Jansen de Vegte) kwam te overlijden. Waarschijnlijk moesten er zaken geregeld worden en moest Jan Hendrik bijspringen op de boerderij van zijn overleden broer – in Duitsland – en zo zijn schoonzus helpen.

Nadat de Fransen in 1814 verjaagd waren, werd ons land na bijna 20 turbulente jaren van Franse invloed en bezetting opnieuw vormgegeven. De adel likte haar wonden en er werden veel oude havezaten en landhuizen verkocht en/of afgebroken. Dit kende gevolgen voor het gezin van Jan Hendrik en Hilligjen. In meerdere opzichten brak er een andere tijd aan. In 1817 woonden ze nog op het Hoveniers. Dat blijkt onder meer uit de administratie van een belasting, de hoofdelijke omslag genoemd, die toen door de gemeente geïnd werd. Het jaar 1817 is echter ook het jaar dat de familie Van Sytzama hun landgoed de Blankenhemert voor afbraak verkoopt. In de Overijsselsche Courant van 19 augustus 1817 wordt de openbare verkoop aangekondigd van onder meer het landgoed, met het herenhuis, de tuin, het bouwhuis, het koetshuis en de stallingen, maar ook van de nabij gelegen boerenerven het Alberts, het Olsmans en het Hoveniers. Op 9 september 1817 vond de openbare verkoop plaats van de grondpercelen en op 23 september werd de afbraak van het herenhuis en het daarbij behorende bouwhuis aanbesteed. Het herenhuis zou voor 4 mei 1819 afgebroken moeten zijn, tenzij dit anders overeengekomen werd met de nieuwe grondeigenaar. Ook werden de ongeveer drie duizend ‘zware’ bomen die op het landgoed stonden gekapt en verkocht. De drie genoemde boerderijtjes, waaronder het Hoveniers, werden niet afgebroken maar wel verkocht.

de familie Van Marle wordt overigens de Dedemsvaart bedoeld.
Jan Hendrik was waarschijnlijk niet kapitaalkrachtig genoeg om als serieuze koper aan deze verkopen deel te nemen. Hij kon een aankoop van het Hoveniers niet gefinancierd krijgen. Toch komt hij in de notariële akten een aantal keren voor, namelijk als borg, als getuige en één keer als koper van twee bedkussens uit de inboedel van het herenhuis. Lucas Geertman uit Ane lukte het wel om voldoende financiering te verkrijgen voor de aankoop van een woning en hij werd in het najaar van 1817 de nieuwe eigenaar van ´t Hoveniers. Hij had het Hoveniers met diverse gronden, bomen, veengrond etc. op 23 september 1817 gekocht voor 1650 gulden. In de koopovereenkomst stond dat de bestaande pachters nog minstens één jaar, gerekend vanaf 1 mei 1818 en daarmee dus tot 1 mei 1819, onder dezelfde voorwaarden mochten blijven pachten en het gezaaide graan mochten gebruiken. Lucas had zich als nieuwe eigenaar hieraan te houden, maar hij was niet van plan de boerderij langer te gaan verpachten. Hij wilde deze met zijn gezin namelijk zelf gaan bewonen en beheren. Dat betekende het einde van deze woonplek voor Jan Hendrik en Hilligjen. Ze moesten op zoek naar een andere pachtboerderij. Gelukkig lukte het hen om tijdig een nieuwe woonplek te vinden om hun bestaan voort te zetten. In maart 1819 woonden ze nog op het Hoveniers. Op de 23ste van die maand werd hun jongste kind, Hendrik geheten, daar nog geboren en vader Jan Hendrik werd bij de aangifte omschreven als ‘landbouwer wonende te Heemserveen’. Niet lang daarna verliet het gezin het Hoveniers. In de archiefstukken uit de tweede helft van 1819 en daarna komen we hen tegen als ‘landbouwers te Heemse’. Uit het pachtboek van de havezate Heemse blijkt waar ze naar toe zijn verhuisd, namelijk naar het erve Kampmans (ook Kampen erve genoemd) in Heemse. Bij het jaar 1819 staat van dit erve in het pachtboek genoteerd: ‘Vervolgens is dit erve keuterswijze verhuurd aan Jan Hendrik Pul en zijn huisvrouwe’ (zijnde Hilligjen Hakkers). Met de aanduiding ´Pul´ werd ´Pullen´ bedoeld. Jan Hendrik werd echter ook ´Jan Hendrik Hovenier´ genoemd. In 1818 werd hij als Jan Hendrik Pullen diaken van de kerk in Heemse, om vervolgens in de jaren daarna steevast in de notulen van de vergaderingen vermeld te worden als J.H. of Jan Hk. Hovenier. Zelfs toen hij al niet meer op ´t Hoveniers woonde, maar het Kampmans in Heemse bewoonde. Hier zou hij met zijn vrouw en kinderen vervolgens lange tijd blijven wonen. Hilligjen overleed op deze boerderij op 8 september 1841, 65 jaar oud. In de jaren daarna verhuisden Jan Hendrik en zijn zonen naar Collendoorn. Hier overleed hij op 25 oktober 1852. Hij was net een paar dagen daarvoor 78 jaar oud geworden.


De families Geertman en De Vries (1819-1875)
De nieuwe eigenaar van ’t Hoveniers was Lucas Geertman. Hij ging waarschijnlijk deze huisplaats direct in het voorjaar van 1819 bewonen, samen met zijn vrouw en kinderen. Zij woonden tot die tijd in Ane, maar Lucas was geboren en getogen op de boerderij het Geertmans te Heemserveen. Hij keerde met deze verhuizing terug naar zijn geboortegrond. Zijn ouderlijke woning lag dichtbij ’t Hoveniers. Zijn ouders waren overigens inmiddels overleden. Zijn moeder in 1804 toen ze nog op ’t Geertmans woonde en zijn vader in 1817 te Loozen. Dit waren Geertruid Lucassen Geertman en Hendrik Jansen Geertman (voorheen Heerspink). Zij lieten op 26 oktober 1783 hun zoontje Lucas dopen in de kerk van Heemse. Toen Lucas in 1805 lidmaat van de kerk werd woonde hij nog in Heemserveen. Tien jaren trouwde hij, op 14 april 1815 in het stadhuis van Hardenberg, met Hendrike Wiegmink uit Mariënberg. Zij was op 27 november 1792 geboren in Mariënberg als dochter van Albert Wiegmink en Janna Bouwhuis. Hendrike kreeg later ook de alternatieve achternaam Boers en werd daarnaast soms Hendrika genoemd. Vanaf hun trouwdag gingen ze in Ane wonen. Daar werd hun oudste dochter geboren, maar ook nog hun tweede kind, zoon Albert. Dat laatste gebeurde in januari 1819, toen Lucas al eigenaar was van ’t Hoveniers in Heemserveen. Enkele maanden later zijn ze naar deze voor hen nieuwe huisplaats verhuisd. De overige kinderen werden geboren op ’t Hoveniers. De jongste vier kinderen overleden echter helaas allen als jong kind. De kinderen van Lucas Geertman en Hendrike Wiegmink:
- Geziena Geertman (1816-1867)
- Albert Geertman (1819-1866)
- Hendrik Geertman (1822-1869)
- Janna Geertman (1824-1829)
- Willemina Geertman (1826-1828)
- Willemina Geertman (1828-1829)
- Johanna Willemina Geertman (1830-1831)
Uit de jaren 1820 zijn veetellingen bewaard gebleven. Op deze lijsten komt ook Lucas Geertman voor. Zijn veestapel bestond in die periode gemiddeld uit 4 tot 5 koeien.

In het bevolkingsregister van 1830 staan Lucas en zijn vrouw opgetekend met hun kinderen Geziena, Albert en Hendrik. Later dat jaar zou hun dochtertje Johanna Willemina geboren worden, maar zij overleed al het jaar erop, op 20 juni 1831 in Heemserveen op huisnummer 68.

Lucas Geertman werd 61 jaar oud en stierf op 10 juli 1845 op ’t Hoveniers. Zijn weduwe en kinderen bleven wonen op de boerderij. Tien jaar later trad zoon Albert in het huwelijk met Geertjen Richterink uit Brucht. Zij trouwden op 6 juli 1855 te Heemse. Geertjen kwam bij op ’t Hoveniers wonen. Zij was in 1827 geboren in Brucht als dochter van Hendrik Richterink en Geesjen Oldewaterink. Albert en Geertjen zouden twee kinderen krijgen. Hun (schoon)moeder Hendrike heeft dat echter niet meer meegemaakt. Zij overleed op 19 april 1858, 65 jaar oud. De kinderen van Albert Geertman en Geertjen Richterink:
- Hendrika Geertman 1861-1864
- Hendrik Geertman 1865-1874
Ondertussen was ook Alberts jongere broer Hendrik getrouwd, namelijk op 22 november 1861, en wel met Jennigjen Richterink, de oudere zus van Geertjen. Zij was in 1824 geboren in Brucht en was 37 jaar oud. Hendrik was toen 42. Hun huwelijk zou kinderloos blijven. Jennigjen kwam eveneens bij ‘t Hoveniers inwonen, zodat er twee broers en twee zussen onder één dak woonden, samen met Geziena Geertman, de ongetrouwde zus van Albert en Hendrik, en het dochtertje van Albert en Geertjen. Helaas overleed dit meisje in 1864 op jonge leeftijd. Het jaar erop kregen Albert en Geesjen hun tweede kind, zoontje Hendrik. In het bevolkingsregister uit deze tijd zien we dat er ook nog een dienstknecht bij hen inwoont. De beschreven woonsituatie zou slechts van korte duur zijn. De tweede helft van de jaren 1860 verliep dramatisch voor de bewoners van ‘t Hoveniers. Hendrik, het zoontje van Geertjen en Albert zou zijn ouders nooit leren kennen. Waarschijnlijk kwam zijn moeder de bevalling van hem niet te boven. Het jochie was geboren op de kerstdag van 1865 en zijn moeder overleed een kleine twee weken later op 7 januari 1866. Ruim vijf weken later stierf ook zijn vader. We kennen de doodsoorzaak hier niet van. De kleine Hendrik van nog geen twee maanden oud bleef als wees achter. Zijn inwonende oom en tantes zullen zich over hem ontfermd hebben, maar ook zij komen kort daarna allen te overlijden. Als eerste de ongehuwde Geziena in maart 1867. Daarna Jennigjen in februari 1869, en Hendrik in juli van datzelfde jaar. Van de volwassenen was Geziena met haar 50 jaar het oudst geworden. De kleine Hendrik bleef alleen over en werd ondergebracht bij zijn familie in Brucht (de familie Richterink). Ook hij stierf vervolgens echter jong, namelijk in maart 1874 op slechts 8-jarige leeftijd. Hiermee was het nageslacht van Lucas Geertman en Hendrike Wiegmink uitgestorven.

Zolang de kleine Hendrik leefde werd de boerderij ’t Hoveniers niet van de hand gedaan. Hij was immers de erfgenaam ervan. De boerderij werd verhuurd aan ene Willem de Vries en zijn vrouw Hendrikje Jansen. Zij waren afkomstig uit Gramsbergen en betrokken in december 1869 met hun drie kinderen het Hoveniers. Willem was landbouwer en was geboren op 14 oktober 1835 in Holtheme als zoon van Jan de Vries en Annegien Eggengoor. Op 21 april 1865 was hij in Gramsbergen getrouwd met Hendrikjen Jansen. Zij was op 5 april 1845 in Rheeze geboren als dochter van Hendrik Jansen en Geertruid Schutte. Ze woonden vanaf hun trouwdag in Gramsbergen en in hun trouwjaar 1865 werd daar hun oudste kind, dochter Geertruida geboren. In de zomer van 1868 volgde er een gezinsuitbreiding door de geboorte van een tweeling, Hendrik Jan en Hendrikje geheten. In december 1869 verhuisde het jonge gezin naar het Hoveniers te Heemserveen. Dat leek hen geen geluk te brengen. Het jaar erop werd het gezin namelijk getroffen door grote ellende doordat de tweeling kwam te overlijden. Als eerste de kleine Hendrik Jan in juli 1870 en vervolgens de tweejarige Hendrikje in december van dat jaar. Willem en Hendrikjen kregen echter nog meer kinderen: weer een Hendrik Jan (30 oktober 1871), en een Jan (11 november 1874). Beide jongens werden geboren op het Hoveniers. In het jaar dat zoontje Jan ter wereld kwam was het Hoveniers door de erfgenamen van de familie Geertman verkocht. In maart 1874 was de achtjarige Hendrik Geertman, de erfgenaam, overleden. Daarmee kwam het Hoveniers toe aan tientallen andere erfgenamen. Zij besloten om de boerderij en de daarbij behorende gronden enkele maanden later te verkopen.
De definitieve verkoop vond plaats op 16 juli 1874. De boerderij met haar gronden werd verdeeld over vier kopers. Twee daarvan kochten een enkel perceel, twaalf percelen grond gingen voor 1800 gulden naar ene Berend van der Graaf, beurtschipper te Dedemsvaart, en het merendeel, bestaande uit de overige 27 percelen met het woonhuis, werd voor 3.543 gulden aangekocht door Gerhardus Veurink, landbouwer in Heemserveen. Hij werd daarmee de nieuwe eigenaar van ’t Hoveniers. Die aanduiding werd overigens niet meer gebruikt in de verkoopakte. In de akte wordt aan de huisplaats geen huisnaam toegekend. De akte zelf kent als werktitel ’verkoop erven Geertman’. In de publicaties in de krant over de verkoop wordt de huisplaats echter aangeduid als ‘de veenplaats het Geertmans’. De aloude naam ‘het Hoveniers’ had kennelijk afgedaan en de familienaam van de laatste bewoners werd gebruikt om de boerderij aan te duiden. Dat is niet alleen spijtig vanuit historisch oogpunt, maar ook verwarrend omdat een naastgelegen boerderij vanouds aangeduid werd als ‘het Geertmans’. Uit de akte en andere stukken blijkt onmiskenbaar dat de publicaties en de verkoop betrekking hebben op het aloude Hoveniers. In de krantenpublicaties wordt aangegeven dat de aanwijzing bij de te veilen percelen plaats zal vinden vanuit de woning, die aangeduid wordt als ‘het huis bewoond door den huurder W. de Vries’. Ook werd hierin de verkoop aangekondigd van enkele roerende goederen, zoals kerkboeken, zilveren horloges en gouden ringen. Onderdeel van de koop was dat de schuren die bij de woning stonden voor 1 januari 1876 afgebroken moesten worden. Waarschijnlijk was één en ander toch bouwvallig geworden de laatste jaren. Als gevolg van de verkoop diende de familie De Vries het Hoveniers te verlaten. In de verkoopakte wordt hier geen nadere termijn voor genoemd, maar die zal ergens in het jaar 1875 zijn afgelopen. De nieuwe bewoners werden op 24 september 1875 ingeschreven op het Hoveniers. Willem de Vries en zijn vrouw Hendrikjen vertrokken in 1875 met hun kinderen naar Rheeze. Daar kregen ze nog twee kinderen, Albert in 1878 en Hermannus in 1881. Later gingen Willem en Hendrikjen in Lutten wonen, waar ze ook kwamen te overlijden, respectievelijk in 1911 en 1907.

De familie Veurink (1875-1893)
De nieuwe eigenaar van het Hoveniers, Gerhardus Veurink, was toen hij deze huisplaats in 1874 kocht nog maar 26 jaar oud. Hij woonde nog bij zijn ouders en hun andere thuiswonende kinderen op ’t Alberts. Deze huisplaats was direct naast het Hoveniers gelegen. Zijn ouders waren Gerrit Jan Veurink en Hermina Breukelman. Gerhardus (‘Graats’ in de volksmond) was op 18 september 1847 geboren in Rheeze. Toen hij een jaar of vijf was verhuisden zijn ouders met hun kinderen naar ’t Alberts in Heemserveen. Daar groeide Gerhardus op. In juli 1874 kocht hij ’t Hoveniers, de boerderij van de overleden buren. Het jaar erop trad hij in het huwelijk met de 19-jarige Jennigjen Lamberink uit Rheeze. Zij was daar geboren op 1 mei 1856 als dochter van Hermannus Lamberink en Geesjen Eshuis. Ze trouwden op 24 september 1875 in Heemse. Gerhardus was toen enkele dagen 28 jaar oud. Zij gingen vervolgens het Hoveniers bewonen. Op de dag van hun huwelijk werden ze op hun nieuwe adres ingeschreven in het bevolkingsregister. Saillant detail is dat Gerhardus’ grootouders in het verleden het Hoveniers bewoond hadden. Dit waren Gerhardus Veurink en Janna Richterink, die hier van 1793 tot 1805 met hun kinderen gewoond hadden. Daarna verhuisde dit gezin naar Rheeze, waar kort daarna de vader van Gerhardus jr. geboren werd. Gerhardus Veurink (jr.) en Jennigjen Lamberink kregen de volgende kinderen op ‘t Hoveniers:
- Hermina Veurink (1876-1877)
- Hermina Veurink (1878-1965)
- Hermannes Veurink (1881-1953)
- Gerrit Jan Veurink (1886-1964)
- Gerrit Hendrik Albertus Veurink (1892-1975)
Enkele maanden na de geboorte van hun jongste kind namen Gerhardus en Jennigjen het ingrijpende besluit om met hun vier kinderen naar South Dakota in Noord-Amerika te emigreren. Dit in navolging van een zus van Gerhardus die in 1892 met haar gezin (familie Schreur) was geëmigreerd. Tien jaar later zou nog hun oudste broer Jan volgen met zijn gezin. Zij behoorden allen tot de Christelijk Gereformeerde kerk (voorheen Christelijk afgescheiden gemeente). In deze tijd vertrokken er meer mensen die tot deze kerk behoorden naar Amerika. Bij de emigratie werd Gerhardus als volgt omschreven ‘46 jaar, vrouw, 4 kinderen, landbouwer te N15, Ambt Hardenberg, Christelijk Gereformeerd, minvermogend.’ Het gezin vertrok in augustus 1893 en vestigde zich in november 1893 op een stuk grond dat aangeduid werd als Joubert Township. Dat lag vlak bij de kleine nederzetting New Holland in Douglas County, in de staat South Dakota. New Holland ligt ten oosten van de grote rivier de Missouri. In de omgeving hiervan woonden nog veel indianen en het prairie-achtige gebied werd en wordt gekenmerkt door grote seizoensgebonden temperatuurverschillen, met warme tot hete (en vaak vochtige) zomers en (soms extreem) koude winters. Hier speelde hun verdere leven zich af. Gerhardus werd hier ‘Gradus’ genoemd en Jennigjen ‘Jenny’. Hier zouden ze jaren later komen te overlijden. Ze zijn niet heel oud geworden. Gerhardus overleed op 18 december 1903, 56-jaar oud, en Jennigjen op 18 mei 1917, 61 jaar oud. Ze werden begraven op New Holland Cemetery. Hun kinderen zetten hun bestaan in Douglas County voort.

Het vertrek van de familie Veurink luidde het einde in van de huisplaats ’t Hoveniers. De boerderij en de daarbij behorende gronden waren door Gerhardus Veurink verkocht via een veiling. Op 21 juli 1893 vond de definitieve verkoop plaats. Daarbij werden de geveilde percelen verdeeld over maar liefst zestien verschillende kopers. Hiermee was ´t Hoveniers voortaan niet langer een levensvatbaar boerenbedrijf. Een tijdje later werd de inboedel van de familie Veurink publiekelijk verkocht. Dit vond plaats op 10 augustus, enkele dagen voordat het gezin op de boot zou stappen richting Amerika. De verkoop van zowel de boerderij als de inboedel werd aangekondigd in de Dedemsvaartsche Courant.


De familie Vrijlink (1893-1901)
Het woonperceel van ´t Hoveniers en enkele percelen ernaast werden in 1893 aangekocht door Seine Vrijlink. Hij was de overbuurman van de familie Veurink. Hij woonde sinds 1876 samen met zijn echtgenote Geesjen Stoeten en hun gezin op de aloude huisplaats ´t Olsmans dat aan de andere zijde (de Collendoornerzijde) van de huidige Jachthuisweg was gelegen. Dit was destijds overigens een grindweg met een stoomtrambaan. Het Olsmans was eigendom van dit echtpaar en zij hadden de woning ’t Hoveniers dan ook niet gekocht om deze te gaan bewonen. Het ging hen om de betreffende gronden. Het woonperceel van ’t Hoveniers bestond uit een huis, een schuur, tuin en het daarbij behorende erf. Dit perceel had Seine aangekocht voor 325 gulden. De boerderij ’t Hoveniers stond na de aankoop in 1893 zo’n acht jaar leeg, om tenslotte in het jaar 1901 te worden gesloopt. Dit betekende het definitieve einde van ’t Hoveniers. Op de topografische kaart die in dat jaar gemaakt werd staat de woning niet meer ingetekend, maar wel het groen dat in de acht jaren daarvoor rondom de woning was gegroeid. De huisplaats is tegenwoordig niet meer aan te wijzen en is opgegaan in een perceel landbouwgrond. De woning ’t Hoveniers bevond zich wat verder van de weg, ter rechterzijde van het huidige adres Jachthuisweg 16 in Heemserveen.

Kadastrale geschiedenis
Bij de aanvang van de kadastrale administratie, anno 1832, werd de katerstede ’t Hoveniers (weliswaar zonder met naam te worden genoemd) geregistreerd als sectie B-108, ten name van landbouwer Lucas Geertman en echtgenote Hendrike Wiegmink op leggerartikel 104.

Leggerartikel 104/5: Sectie B-108. Huis en erf. Eigendom van Lucas Geertman.
Lucas Geertman overleed op 10 juli 1845 te Heemserveen, oud 61 jaar. Weduwe Hendrike Geertman-Wiegmink stierf op 19 april 1958, oud 65 jaar. Het boerderijtje vererfde op hun zoons Albert en Hendrik Geertman.
Albert Geertman was op 6 juli 1855 getrouwd met Geertjen Richterink uit Brucht. Jongere broer Hendrik Geertman trouwde op 22 november 1861 met Jennichjen Richterink.
In 1863 werd het kavel B-108 hermeten. Over op:
Leggerartikel 2208/6: Nieuwe sectie N-462. Huis, schuur en erf.

In 1866 overleden zowel Albert Geertman als zijn vrouw Geertjen Richterink, resp. op 47-jarige en 38-jarige leeftijd. Drie jaar later, in 1869, overleden zowel Hendrik Geertman als zijn vrouw Jennichjen Richterink, resp. 47 en 44 jaar jong.
In 1875 volgde verkoop. Over op:
Leggerartikel 3413/17: Sectie N-462. Huis, schuur en erf te Heemserveen huisnr. N14. Eigendom van landbouwer Gerhardus Veurink en echtgenote Jennigjen Lamberink te Heemserveen. In 1894 verkochten ze hun boerderij vanwege emigratie. Over op:
Leggerartikel 5163/3: Eigendom van landbouwer Seine Vrijlink en echtgenote Geesjen Stoeten. In 1894 vereniging van percelen. Over op:
Leggerartikel 5163/1093: Nieuwe sectie N-1093. Huis, schuur en erf. In 1897 successie. Over op:
Leggerartikel 3596/36: Sectie N-1093. Eigendom van Seine Vrijlink en Geesjen Stoeten. In dienstjaar 1902 wordt de ‘sloop’ aangetekend.
Over op: Leggerartikel 3596/38: Sectie N-1093. Tuin.
Bronnen:
- openbare archieven Gemeente Hardenberg, Collectie Overijssel, Tresoar Friesland, Nationaal Archief en Kadaster
- website Delpher (online kranten)
- website Mijn stad mijn dorp – Dedemsvaartsche Courant – Historische Vereniging Avereest
- website Stichting Historische Projecten Hardenberg
- ‘Een stukje Heemserveen, een stukje geschiedenis’ (2023), Jan Altena Hzn.