Op deze foto zien we maar liefst zeven grafzerken in de Witte of Lambertuskerk in Heemse. Zes van de zeven zijn vervaardigd uit zandsteen (lichte kleur). De zevende is gemaakt van blauw hardsteen. Die ligt vooraan op deze foto. De zerk toont twee prachtige, grote alliantiewapens, nl. boven dat van Blanckvoort (een leeuw) en Van Hemert (drie leeuwenkoppen) en daaronder dat van Van Sytzama en Blanckvoort.
Sinds de restauratie van de Witte- of Lambertuskerk in 2025/2026 worden de oude grafzerken weer getoond.
Het betreft de bewaard gebleven grafzerk van Johanna Judith Blanckvoort, weduwe van Pico Galenus baron van Sytzama én grootmoeder van dichteres Clara Feyoena van Raesfelt-van Sytzama.
Johanna Judith is in 1669 geboren in Deventer en trouwde op haar achttiende, in 1687, met Pico Galenus baron van Sytzama. Hun ondertrouwinschrijving is bewaard gebleven in het oudste trouwboek van de kerk te Heemse. De adellijke jongedame was erfdochter van de Hofstede, de Blankenhemert en de Collendoorn. Ze stierf op 70-jarige leeftijd op de Blankenhemert te Heemserveen en werd enkele dagen later begraven in de kerk te Heemse.
In het randschrift lezen we: DE HOOG WELGEBOREN VROUWE JOHANNA JUDITH BARONESSE VAN BLANKVOORT DOUAIRIèRE VAN WIJLEN DE HOOGWELGEB. GESTRENGE HEER PICCO GALENUS BARON VAN SYTZAMA IN LEVEN HEER TOE BESLINGA. OVERLEDEN DEN 1sten DECEMBER 1739.
Verder is de zerk gesierd met de familiewapens van de zestien kwartieren van Johanna Judith, namelijk: Blanckvoort, Van Hemert, Reyger, Van Reenen, Clant, Schroyestein, Ten Indijk, Knijf, Clant, Coenders, Ten Indijk, Ter Bruggen, Doornick, De Goyer, Broeckhuysen en Ten Water.
In het Fries Museum in Leeuwarden wordt een portretschilderij van Johanna Judith bewaard, dat eigendom is van de Stichting Van Sytzama-Colenbrander.
Collectie: Stichting Van Sytzama-Colenbrander; in bruikleen bij Fries Museum, Leeuwarden.
Op 23 maart 1733 begon een rechtszaak voor het schoutengericht van Hardenberg tussen Gerrit Hendriks Wolbink te Ane en Hendrik Berents op ’t Wilpshaar te Lutten.
Vijf jaar eerder had Wolbink van Jan Alberts op ’t Wilpshaar, inmiddels overleden, enkele veenakkers gepacht tegen betaling in natura en een dag maaien per jaar. Hij gebruikte deze grond zonder problemen zolang Jan Alberts leefde. Nadat de weduwe van Jan Alberts op ’t Wilpshaar was hertrouwd met Hendrik Berents, eigende deze zich echter de gewassen toe: in de herfst had hij niet alleen de aren, maar ook het ingezaaide zaad laten weghalen. Wolbink kon slechts een deel van zijn boekweit zelf redden en naar huis brengen. De rest hield Hendrik achter, en naar Wolbinks zeggen zou hij die zelfs hebben laten dorsen en opgebruiken, als hij het hem niet bij de rechter had laten verbieden. Omdat minnelijke verzoeken niets opleverden, spande Wolbink als arme man, die van zijn arbeid voor vrouw en kinderen moest leven, een proces aan. Hij eiste de boekweit terug of de waarde ervan, door hem op dertig gulden geschat, plus de proceskosten.
Hendrik verscheen niet op de eerste zitting in maart en werd daarom in gebreke gesteld en opnieuw gedagvaard. In april voerde hij aan dat hij ziek was geweest en vroeg hij uitstel, terwijl hij de contumaciekosten wel wilde betalen. Hij verdedigde zich met het argument dat hij het land mét de veenakkers had gehuurd en dat hij de boekweit had weggehaald in opdracht van de markenrigter, omdat Wolbink het veen zou moeten laten liggen. Wolbink wees dit tegenargument af: hij had immers het recht tot inzaai en gebruik gepacht, en de markenrigter had daar geen zeggenschap over. Volgens hem moest Hendrik persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden.
Het gerecht stelde de zaak in beraad en besloot na vier weken, in mei, tot een uitspraak. Omdat Hendrik bij die gelegenheid opnieuw niet voldeed aan de verplichtingen en niet verscheen, werd het vonnis in zijn afwezigheid uitgesproken. Hij werd veroordeeld tot het terugbetalen van de volle waarde van de oogst en tot vergoeding van de proceskosten, alles overeenkomstig het geldend Landrecht van Overijssel.
Figuratieve schets…
Een transcriptie: Hardenbergh, den 23 meert 1733. Compareerd in desen Edele Gerigte Gerrit Wolbink in desen geassisteert met procurator Baerselman, welke hij mits desen voor sijn bediende erkent. Voordragende ongeveer voor vijf jaeren onder anderen van wijlen Jan Alberts op ’t Wilpshaar te Lutten hebbe gehuird en in pagt gehad vijf veeneackers tot uijtsaijens toe, waervoor hij tot pagt jaerlijks soude geven de derde gast, en alle jaer een dagh grasmaijen. Welke veenakker dencomparant ook gerust en sonder eenige bespieringe heeft gebruikt en besaijt, en so langh den overleden Jan Alberts geleeft heeft. Ende nu eenen Hendrik Berents, weder an de weduwe hertrouwd sijnde, sig niet tegens alle regt heeft ontsien, in den voorleden herfst niet alleen van de voornoemde veenackers de gerve maar ook het gehele saet soo daerop verbout was, behalven de gerve seven vijme en sestien gasten boekweit uitmaekende. Welke den comparant suijver daervan konde en moste trecken van het veene weg te haelen en nae sijn huijs te Lutten gebraght. Dat hij hendrik Berents sig mede niet ontsien heeft deselve boekweite tot nu toe te behouden, en sekerlijk deselve al soude hebben laten dorschen en geconsumeerd indien hij comparant sulks niet gerigtelijk an hem had laeten interdiceren en verbieden. Dat hij comparant alle minnelijke interpellatiën heeft gedaan, dat sijne verboude boekweijte en voor soo verre hem daarvan is toekomende zijnde seven vijme en sestien gasten, wederom mogte bekomen, als een arm man zijnde, en sijn kost met de handen voor sijn vrou en kinderen moet winnen, dog alles te vergeefs, waerom hij ten uittersten genootdrongen is geworden, den voornoemden Hendrik Berents op ’t Wilpshaer op huijden te doen citeren en ex dictis dicendis nobiliter supplendis omni meliori modo te concluderen.Dat de gedaegde bij decreet of sententie van desen Edelen Gerigte sal worden gecondemneert om de weggehaelde boekweite aen den comparant wederom te sullen moeten restitueren of de waerde van dien, welke bij desen tenminsten begrood word op dertig guldens, en daer benevens gedoemt in de kosten en dit een saek onder de 25 goudguldens zijnde, deselven in sittende gerigte mag worden afgedaan. Met versoek dat de gedaegde daertoe moge worden aengeëist en bij non comparatie bedingende contumacie (*) en twede citatie als nae Landregte en ’t reglement etc., sullenende wesen den eersten regtdagh na Paesschen.
Hendrik Berents op het Wilpshaer behoorlijk sijnde aengeëijst en selfs ofte niemand sijnent wegen gecompareert sijnde, so wort de versogte contumacie (*) en 2de citatie als na Lantregte geaccordeert.
* Contumacie betekent: weerspannigheid of koppige weigering van een persoon om te verschijnen voor een rechtbank na een dagvaarding, wat neerkomt op een vorm van minachting voor het gezag van de rechterlijke instelling.
Een transcriptie: Hardenbergh, den 13 april 1733. Compareerd Gerrit Wolbink, geassisteerd met sijn bediende procureur Baerselman, hebbende tegens huiden voord e twede mael doen citeren Hendrik Berentsen op het Wilpshaer van Lutten, so staet hij comparant voor afwagten en waeren op de purge van de contumacie den 23 meert 1733 tegens hem gedecerneerd, bedragende voor de comparitie van de procureur 10 stuivers, voor verteringe betaelt 3 stuivers, voor ’t instellen van ’t reces of aensprake en deselve te munderen 1 gulden en 4 stuivers, jura judicië 12 stuivers, aeneijsinge 6 stuijvers. Tesamen 2 guldens en 15 stuijvers. Voorts tot handelinge tegens desersijds ingediende aensprake, versoekende daartoe aeneijsinge en bij non comparitie ofte faute van reële handelinge so word gecontendeerd, dat deselve contumax sal worden verklaart onder protest van kosten.
Waerop gecompareerd Hendrik Berents op het Wilpshaer te Lutten, seggende op den 23 meert laestleden siek te sijn geweest, dat daerom alhier niet heeft kunnen komen en also niet tot versmadinge van desen Edelen Gerigte sijn uitgebleven, aennemende de contumaciële kosten als na regte te sullen betalen, versoekende van ’t gehandelde tegens hem copie en tijt van vier weken, onder protest van kosten.
Ex adverso Gerrit Wolbink, geassisteert als voren, sal sig uijt toegeeflijkheidshalven laeten vergenoegen met de aenneminge der contumaciële kosten, maar protesteerd tegens het versogte uitstel van een maend terwijl dit een kleine saek onder de 25 goudguldens monterende in sittende gerigte moet worden voldongen, waertoe men aen dese sijde is concluderende en verwagt daerover decreet.
Ex adverso segt Hendrik Roelofs dat hij de boekweijte op de gesworens ofte de markenrigters last heeft weggehaelt en dat hij an den aenlegger heeft gesegt gehad dat hij het vene soude moeten laten leggen, en dat hij sijn plaetse heeft gehuirt met de daertoe horende veenen, versoekende verders nogmaels copie en vier weken uitstel.
Waertegens Gerrit Wolbink doed voordragen dat de gedaegde selfs bekent de boekweijte te hebben weghgehaeld, en sulks quasi uijt ordre van de markenrigter, welke hier in geenen dele te stade kan komen, om dat den aenlegger niet met de markenrigter maar met de gedaegde in desen te doen heeft, en uijt dien hoofde daar ook voor moet responderen. Ende aenbelangende dat hij gedaegde den aanlegger het veene soude hebben opgesegt om te laten leggen, sulks kan hiermede niet in consideratie komen ter oorsaeke den aenlegger het veene tot uijtsaijens toe heeft gepaght, en vervolgens daer geen magt toe had om hetselve te kunnen opseggen. Weshalven word gepersisteerd, so als bij desersijds conclusie is ter neder gestelt, en versoekt hierover decreet onder nogmaeligen eisch van kosten.
Decreet: Het Edele Gerigte houd dese saeke in advijs om hierover op heden en vier weken met advijs van een regtsgepromoveerde te decreteren, so als bevonden sal worden te behoren.
Een transcriptie Hardenbergh, den 11 meij 1733. Compareerd in desen Edele Gerighte Gerrit Wolbink geassisteerd met sijn bediende procureur Baerselman en staet op huiden ingevolge decreet van heden 4 weken en daerop gevolgde citatie wagten en waeren op de pronuntiatie van het decreet als doen in advijs gehouden, met versoek dat de gedaegde Hendrik Wilpshaer hiertoe mede moge worden aengeëijst en bij uijtblijven dat hetselve in contumaciam moge worden geopend en gepronuntieerd. Erleggende ten dien fine de advijs en sportulen mitsgaeders de gerigtsjura ter somma van 10 guldens en 10 stuivers met verdren eisch van kosten.
Hendrik Wilpshaer sijnde aengeëijst ende advijs en sportul penningen niet erleggende volgens citatie, so is het voorschreven advis in contumaciam geopent en gepronuntieert, en gemelte Hendrik Wilpshaer gecondemneert tot refusie van het volle oordeelgelt volgens Langregt p. 1, tit. 10, art. 10.
Op 18 maart 1804 overleed Christoffel Wubben in Heemse. Zijn weduwe, Adriana Henrika Ebbinge liet vervolgens deze rouwadvertentie afdrukken in de Opregte Haarlemse courant. Daaruit maken we op dat de oud-chirurgijn stierf aan een hevige borst-pleuris.
Opregte Haarlemse Courant
Dokter Wubben werd de donderdag daaropvolgend begraven in de kerk te Heemse, op het koor tegen den bank van den huize Welgelegen, mijn oom Crull behorende, zoals zijn zoon Frederik Allard later schreef. Oom Crull was niemand minder dan Gerrit Jan Crull, echtgenoot van Hillegonda Ebbinge. Zij hadden het huis Welgelegen in 1791 gekocht. Bij het huis hoorde volgens de verkoopakte een graf en een kerkbank.
Dankzij de financiële bijdragen van onze donateurs worden we in staat gesteld de geschiedenis van de regio Hardenberg-Gramsbergen voor u vast te leggen. Dat doen we door middel van publicaties in boekvorm, maar ook op onze website.
Recent is het gelukt om nog een beperkt aantal exemplaren te bemachtigen van het door ons in 2015 vervaardigde boek ‘Hardenberg op de kaart’. Heeft u belangstelling voor een exemplaar? Mail ons dan: historischeprojecten@gmail.com
Elke nieuwe donateur ontvangt een exemplaar als welkomstgeschenk! Het boek telt 240 pagina’s en belicht de geschiedenis van stad Hardenberg in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het is ruim voorzien van prachtige prentbriefkaarten en oude foto’s en geografische kaarten. Wilt u donateur worden? Kijk dan even hier.
Dankzij jullie bijdragen kunnen wij ons mooie werk blijven doen. Met uw donatie doen we onderzoek in oude archieven, vergoeden we (deels) onze reiskosten, maar ook ‘kopen’ we daarvoor serverruimte voor onze website.
Op 25 februari 1732 verscheen Hendrik Jansen, wonende op het Drenten te Holthone, voor de Hardenbergse richter Arnold Voltelen. Hendrik Jansen verklaarde dat hij enige tijd geleden tijdens de jaarlijkse huur en verhuur van dienstvolk de knecht Berent in dienst had genomen. Hij had Berent de gebruikelijke Godspenning (*) betaald, en Berent had beloofd zich op 1 mei bij hem te melden om een jaar lang voor hem te werken. Het afgesproken loon bedroeg in totaal 22 gulden en 10 stuivers.
Later besloot Berent echter, tegen de gemaakte afspraak in, zich opnieuw te verhuren aan Hendrik Gerritsz. Wolbink te Ane. Daarbij bracht hij de ontvangen Godspenning terug naar het huis van Hendrik Jansen en verklaarde dat hij hem niet kon dienen. Volgens het Landrecht was dit niet toegestaan. Daarom dagvaardde Hendrik Jansen hem en eiste een derde deel van het afgesproken jaarloon, oftewel 7 gulden en 10 stuivers, als schadevergoeding.
Berent verscheen niet voor de rechtbank. Daarom werd hij bij verstek veroordeeld om binnen acht dagen de gevorderde 7 gulden en 10 stuivers aan Hendrik Jansen te betalen. Als hij dit niet zou doen, konden zijn goederen in beslag worden genomen om het bedrag te verhalen.
* Een Godspenning is een kleine som geld dat bij het sluiten van een mondelinge overeenkomst werd gegeven als bewijs dat men zijn woord zou nakomen.
Kop van de registratie in het protocol van contentieuse rechtszaken.
Een transcriptie: Erschenen Hendrik Jansen wonende op het Drenten te Holthone, seggende een geruime tijd geleden, wanneer ordinaris alhier het dienstvolk word besteet, als doen behoorlijk als knegt te hebben gehuirt Berent …… tegenswoordig wonende bij H. Wolbink tot Ane, en aen denselven daarop ook de Godspennink overhandigt en hij aengenomen op aanstaande meij sig bij de comparant als knegt te vervoegen en hem een jaar te dienen, waarvoor hij compar(ant) hem aen loon soude geven an gelt 9 daler en an andere toebaete te samen opgerekent de somma van 9 guldens, monterende also in alles tesamen 22 guldens en 10 stuivers; en vermits de voorschreven Berent ….. tegens alle reden heeft kunnen goetvinden sig naderhant wederom te besteden bij voorschreven H. Wolbink en aen hem comparant de ontfangene Godspennink onlangs an ’t huis van den comparant weer te brengen, met te seggen hem niet te kunnen dienen, al het welke sijn dingen strijdende tegens het Lantregt, weshalven hij comparant is genootsaakt geworden hem Berent …… tegens huijden te citeren, ten fine deselve in sittende Gerigte, als dit een kleijne sake is, moge worden gecondemneert een-darde part van het jaarloon, welke hij bij den comparant soude hebben verdient als voorschr(even) ter somma van 7 guldens en 10 stuivers aen gemelte comparant op te leggen en te betalen, ingevolge Lantregt p. 2, tit. 9, art. 17, alles met eijs van kosten.
Berent de knegt van Hendrik Wolbink aengeëijst en niet gecompareert sijnde, so wort de gemelte geciteerde gecondemneert om het geëijste darde part van het jaarloon, soals hij soude hebben verdient an den comparant binnen de tijt van aght dagen ter somma van 7 guldens en 10 stuivers op te leggen en te betalen, volgens Lantregt p. 2, tit. 9, art. 17, bij nalatigheid van sulks daarvoor in sijne goederen paratelijk worden geëxecuteert.