Oudste archiefstuk Van Riemsdijk

Dit zwaar beschadigd document, onkundig ‘gerestaureerd’ met sellotape (plakband), is onlangs door E.R. van Riemsdijk geschonken aan de Stichting Historische Projecten Hardenberg. Het is ruim 3 eeuwen oud, want het dateert uit d1721.

Het briefje is drie eeuwen lang en gedurende negen generaties (!) bewaard gebleven in de familie Van Riemsdijk en dat maakt het tot het oudste, originele archiefstuk van de familie. Het is destijds verzonden vanuit Zwolle, gericht aan de ‘rentmeester Van Riemsdijk’ te Gramsbergen. Dat maakt dat dit document gericht is aan Jacobus van Riemsdijk (1687-1734), de toenmalige rentmeester van Gramsbergen.

Toonder deses den executeur Jeremias Wit, gesonden tot laste van den heer rentmeester Rymsdyk van Gramsbergen, tot aanmaninge van betere betalinge van de middelen van het carspel Herdenberg, alsmede die van van Gramsbergen, en van het hooftgelt van 1713, opdat ’t mede int korte wort ofbetaalt, met expresse orders en versoek, dat de heer Rymsdyk de ingesetene van het carspel, die noch debet sijn, die uijtstaande schulden met alle vigeur zal geheven te vorderen, en de naalatige met executie, in haare goederen daartoe houden. Waar er nootsakelijk gelt an het comptoir nodich is, en zal den executeur soo lange in dienst is, des daags genieten eene gulden. Zwolle, den 13 september 171….


Generatie I
Gerhardus (Gerrit) van Riemsdijk (rentmeester) trouwde eerst in 1683 te Gramsbergen met Machteld Elisabeth van Lennep. Daarmee kwam het havemansgoed Lennips te Den Velde in het bezit van de familie Van Riemsdijk. Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde Gerrit in 1702 te Gramsbergen met Aleida Anna Voltelen. Uit het eerste huwelijk is zoon Jacobus geboren. Hij is op 18 september 1687 gedoopt te Gramsbergen.

Generatie II
Jacobus van Riemsdijk (rentmeester en ontvanger) trouwde in 1714 te Gramsbergen met Johanna Reiners. Uit hun huwelijk werden 6 kinderen geboren, onder wie zoon Jacobus van Riemsdijk (geb. in 1726 te Gramsbergen).

Generatie III
Jacobus van Riemsdijk (plaatsvervangend schout van Hardenberg) trouwde in 1768 te Heemse met Clara Stolte. Uit hun huwelijk werden 6 kinderen geboren, onder wie dochter Johanna Elisabeth van Riemsdijk (geb. in 1771 te Hardenberg)

Generatie IV
Johanna Elisabeth van Riemsdijk trouwde in 1796 te Hardenberg met Johannes Wilhelmus van Riemsdijk uit Lage. Uit hun huwelijk werd 1 kind geboren, genaamd Jacobus (Koos) van Riemsdijk (geb. in 1796 te Hardenberg)

Generatie V
Jacobus van Riemsdijk (gemeenteontvanger, gemeentesecretaris van Stad Hardenberg) trouwde in 1818 te Zevenaar met Margaretha Elisabeth Schuurman. Uit hun huwelijk werden 7 kinderen geboren, onder wie zoon Johannes Wilhelmus Christianus van Riemsdijk (geb. in 1822 te Stad Hardenberg)

Generatie VI
Johannes Wilhelmus Christianus van Riemsdijk (rijksambtenaar) trouwde in 1849 te Venlo met Maria Josepha op den Oordt. Uit hun huwelijk werden 9 kinderen geboren, onder wie zoon Jacobus Hubertus van Riemsdijk (geb. in 1860 te Rijssen)

Generatie VII
Jacobus Hubertus van Riemsdijk (bakker) trouwde in 1885 te Arnhem met Henderica Jacoba van Unen. Uit hun huwelijk werden 5 kinderen geboren, onder wie zoon Arend Anton Jacobus van Riemsdijk (geb. in 1887 te Arnhem)

Generatie VIII
Arend Anton Jacobus van Riemsdijk (hoofdaccountant der rijksaccountantsdienst) trouwde in 1916 te Arnhem met Gerritje Clazina Agelink. Uit dit huwelijk werden 2 kinderen geboren, onder wie zoon Gerrit-Jan (geb. in 1918 te ‘s-Gravenhage)

Generatie IX
Gerrit-Jan van Riemsdijk (econoom) trouwde in 1945 te Den Haag met Theodora Gerarda de Langen. Uit hun huwelijk werden 3 kinderen geboren, onder wie Eddy Robert van Riemsdijk (geboren in 1949 te Jakarta)


Toen, op 24 augustus 1796

Dit gedicht van 3 verzen is gedateerd: Hardenbergh, den 24 aug(ustu)s 1796. Helaas is onbekend wie het heeft geschreven. Het is bewaard gebleven in een collectie stukken, afkomstig van de familie Van Riemsdijk.

‘K moet uw voor altijd dan begeeven
Gelukkig land, en uw vriendin
‘K gaa ver van beijden ’t leeven slijten
In traanen van de teerste min;
Valeij, waarin onze eerste kindsheid
Dat waar en rein vermaak genoot
Dat de onschuld maar alleen kan geeven;
‘K verlaat uw lieven stillen schoot.

Gij veld, door mij ontbloot van bloemen,
Tot sieraad van Estelles hoofd;
Gij roosjes, gij wier gloed en kleuren
Door haare schoonheid werd verdoofd.
Gij heldre stroom die zachter vloeide
Om haar bekoorlijkheen zoo teer.
Te maalen op uw effen spiegel
Vaart wel; gij ziet mij nimmer weer.

Gij weide die onze eerste jaaren
Door teederheid reeds zaagt bezield
Waarin men ons voor ’s leevens lente
Voor tedere gelieven hield;
Gij schoon geboomt, gij op wier schorsen
Estelle alomme staat verspreid
Dien naam alleen kon ik slechts schrijven
Vaart wel! Vaart wel in Eeuwigheid.


Toen, op 18 juli 1956: gelukwensch telegram.

Recent mochten we dit prachtig vormgegeven telegram digitaliseren voor onze collectie. Het is in 1956 verzonden door de fam. G. Bakker in Amsterdam ter gelegenheid van het aanstaand huwelijk van Jan Hans en Jantje Lawant, per adres salonwagen “Geco” (Geertje, Coby), Q-38 in Oud-Lutten.

Wij zijn benieuwd wie van onze volgens nog meer zo’n mooi oud telegram in zijn of haar collectie bewaart en of we dat ook zouden mogen scannen…

Dit telegram is nu in elk geval duurzaam voor de verre toekomst bewaard in onze online beeldbank:
https://mijnstadmijndorp.nl/app/stichting-historische-projecten-hardenberg/collecties/beeldbank-stichting-historische-projecten/telegram?id=511107244

https://mijnstadmijndorp.nl/app/stichting-historische-projecten-hardenberg/collecties/beeldbank-stichting-historische-projecten/telegram?id=511107244

Toen, op 18 februari 1721: parels voor de zwijnen.

Bijna driehonderd jaar geleden, op 18 februari 1721, liep een familievete totaal uit de hand in stad Hardenberg. Dankzij een in het archief bewaard gebleven briefje van de toenmalige advocaat Jan Doornick krijgen we een beeld van wat er zich die dag heeft afgespeeld. De brief was gericht aan Adolf Hendrik graaf van Rechteren, vrijheer van Almelo en Vriezenveen, de toenmalige Landdrost van Salland.

De vete bestond tussen broer en zus Hendrick en Hillegonda Molckenbour. Zij behoorden tot het hoger echelon in de Hardenberger samenleving. Zij waren namelijk (volwassen) kinderen van Johan Molckenbour. Deze was in 1692 aangesteld als schout van Hardenberg, Heemse en Gramsbergen en woonde in de stad Hardenberg. Oudste zoon Hendrick was in 1681 geboren in Zwolle; zijn zusje Hillegonda twee jaar later. Beide groeiden op in Hardenberg waar ze de grote brand van 1708 aan den lijve meemaakten.

Hendrick zou in 1712 trouwen met Kunira Kramer uit Neuenhaus, terwijl Hillegonda twee jaar ervoor al gehuwd was met advocaat Jan Doornick uit Amsterdam. Wat er precies tussen de kemphanen heeft gespeeld, is helaas onbekend. Maar op de 18de februari 1721 was de welbekende druppel kennelijk overgelopen…

“Hoog Graeffelyke Excellentie, Genadige Heer. Tis met het alderuyterste leetwesen dat ik genooddrongt werde te moeten klagen over schrikkelyk geweld en overlast, hetwelk my en myne huysvrou telkens door haar broeder Hendrik Molkenbour, sonder eenige de minste reden wert aangedaan, jaa in soo verre dat ik, nog mijn vrou, jaa selfs myn kindren nog in nog buytens huys alhier, voor syn tirannique insolentien en geweld vylig sijn. Endewyl hier uyt niets anders als alle quaat, jaa doodslagen te wagten staan, soo hier in niet door U wort versien met hem censibel te straffen, soo ist dat ik niet en twyfele of U sal deze myne billyke beede genadig wille verhoren.

Het geval nu betreffende waarover ik nu alleen regt ben smekende, is voorgevallen den 18den deses maands feb:, synde daar wel vyftig of meer menschen op de straat tegenwoordig, soo dat het my aan geen bewys ontbreekt, en hebbe eenige van d’omstanders by my ontboden en haar afgevraagt, wat sylieden hier van hadden gehoort en gesien en onder eede wilden deponeren, hetgeen ik heb geannoteert en de vryhyt neme van U per copiam over te senden, waar uyt U sal konnen ontwaar worden, hoe het sig heeft toegedragen en hoe myn vrou is geslagen en myn glasen syn ingeslagen en door wien, namelyk myn swager en syn vrou.

Hoog Graeffelyke Excellentie so als ik in de voorledene maand feb: tot hier toe dese tegenswoordige missive mij de eer gaf te schryven, quam de H(ee)r Man tot mynent, met versoek dat ik wilde vooreerst nog wat stil sitten, alsoo die Eerw(aarde) Heer meende dese quaestie te konnen bemiddelen, waartoe dien heer in die tusschentyd alles heeft gecontribueert, jaa hondert maal meer als van syn eerw(aarde): kon werden verwagt, dog al die Heer syn goede officien daartoe syn van geen effect geweest, en dewijl ik nog mijn huysgesin, hier niet vylig sijn en weder opnieuws dagelijk worden gedrygt, van te sullen werden mishandelt, so wy ons buyten de deur begeven, soo ist dat principalyk myn vrou en ik so veel als in ons eygen huys gevangen sitten, al het welk stryt tegen een wel gereguleerde politie en door U niet kan of mag werden getolereert, derhalve ik niet anders kan verwagten, als dat d’H(ee)r Fiscaal sal werden gelast om alhier sig over deze sake te informeren, en U dienen van rapport, of dat U dat geen sal doen, so als na syn Hoog wyse raad sal vinden te behoren. In welke verwagtinge ik my de eer geve, na U en de verdre Graeffelyke familie op het onderdanigst te hebben gesalueert van te verblyve, Uwe Excellenties nedrigste en alder minste dienaer, Jan Doornick. Hardenberg, maart 1721.”

Het relaas van Jan Doornick werd geboekstaafd door een aantal getuigen. We laten er hier een tweetal volgen:

“Janna Jans segt gesien te hebben dat Hillegonda Molkenbour op de Kruysstraat staande, deerlyk door haar broer is geslagen en onder de voet gestoten en als sy Hillegonda Molkenbour weer opkomende, na haar huys wilde vlugten, hij Molkenbour haar al slaande en stotende heeft vervolgt, tot voor haar huys. Verders dat de vrou van Molkenbour daar bykomende met haar man geweld op de deur van Hillegonda Molkenbour heeft gedaan om in huys te wesen, stotende sy man en vrou beyde sterk op de deur, verders dat sy Janna, uyt vreese voor groote ongelukken van slaan, de Schultin heeft gehaalt. Verders dat Molkenbour opt glas heeft geslage dat er de ruyten uyt aan stukken vlogen, willende int huys syn na alle gedagten om syn suster daar nog te slaan en geweld te plegen. Verders niet in huys konnende geraken, omdat door de menschen daarom staanden wierd wederhouden, syn swager int venster staande, by de arm greep, om hem doort venster te slepen en voor de deur te krygen, verders dat de Scholt en Scholtin voor de deur stonden, tegens wier hij Molkenbour syde haar uytscheldende voor ‘een oude schelm’, en syn moeder schold voor ‘een oude hex’, synde van ‘een toverhex’ gesproten, verders tegen syn vader seggende ik sal u hier niet verders doen, maar als ik in huys kom, sal ik u met het mes begaan of diergelyke woorden in substantie, waarop de Scholt riep, ik neem u alle tot getuygen. Dit ist merk van Janna Jans die dit alles met eede wil corroborere.

Trine Baarslag verklaart dat Molkenbour door haar synde vermaand, syn eenige suster niet in of buyten haar huys te molesteren hij Molkenbour antwoorde ’t is myn erfvyand. Verders heeft sy Trine gesien dat Molkenbour en de vrou met kloppen en geweldig slaan op de deur van syn suster geweld hebben gepleegt als welk sy met eede ten allen tyde wil corroboreren. Dit is ’t merk van Trine Baarstslag.”


Cichorei

Recent werden we geattendeerd op onderstaande passage in een van de bewaard gebleven rekeningboeken van een cichoreifabriek uit Borne. Op deze bladzijden treffen we een aantal bekende Hardenbergse achternamen aan als Vinke, Nijzink en Dorgelo.

Fragment van een van de rekeningboeken van een van de voormalige cichoreifabrieken in het Twentse dorp Borne.

Hermannus Vinke uit Hardenberg (nummer 26 in het register) was koopman en winkelier, landbouwer en bijenhouder te Heemse. Hij was aanvankelijk gehuwd met Stiene Bolks en na haar jong overlijden hertrouwd met Lubbegjen Waaijman. Uit bovenstaand register blijkt dat Hermannus in 1816 maar liefst 155 ponden cichorei had gekocht, voor 20 gulden en 3 stuivers. Voor ’t vatjen waarin de cichorei werd bezorgd, betaalde hij 11 stuivers. De totale rekening bedroeg derhalve 20 guldens en 14 stuivers.

De andere crediteuren van de cichoreifabriek waren winkeliers Hannes Nijzink en Jan Stokhorst uit Heemse. Op de rechter pagina is mooi te zien dat sommige achternamen ook fonetisch werden opgeschreven. Zo werd de familie ‘Lindenhovius’ uit Den Ham consequent als Linde Ovius geschreven.