Categorie Aanstelling | Vertrek

Toen, op 23 mei 1915: Luten, de eerste veearts.

Op de foto zien we Kornelis Luten. Hij bestuurt zijn automobiel. Naast hem zit wethouder W.A. Prins en achterin zitten de heren H.H. Weitkamp (burgemeester Ambt Hardenberg) en B.A. Schuite (burgemeester Stad Hardenberg. De foto dateert uit 1922.

In 1915 werd in Hardenberg de eerste professionele dierenarts aangesteld. Daarvan getuigt o.a. nog dit artikel in De Drie Dorpen (d.d. 05-01-1952):
“Toen er nog geen veearts was. ’t Verhaal van Reinders Eb riep oude herinneringen wakker en een belangstellend lezer vertelde ons van deze man uit de praktijk, hoe hij in de wintertijd steeds altijd maar weer klaar moest staan. Reinders Eb, die niet kon fietsen, werd bij nacht en ontij gehaald, terwijl hij toch overdag met huisslachtingen ook weer een gedeelte van zijn kost moest verdienen.

Verlossingen werden ook veel verzorgd door Albert Marsman en zijn vader, die in een grote omgeving de boeren altijd met raad en daad terzijde stonden. Eerst in 1915 kreeg Hardenberg een veearts, waardoor in een grote behoefte werd voorzien. Deze bleek zo groot te zijn dat reeds in 1929 de tweede veearts in Hardenberg moest komen omdat een alleen het werk niet meer af kon.”

Inderdaad. in 1915 werd rijksveearts Kornelis Luten door de gemeente Stad Hardenberg benoemd tot ‘keuringsveearts’. Daarnaast had hij zijn eigen praktijk als dierenarts. Al snel werd hij ook aangesteld door de veel grotere gemeente Ambt Hardenberg. Het werkgebied was enorm en werd nog vergroot toen ook de gemeente Gramsbergen hem in dienst nam. Kornelis Luten was in 1885 geboren in Koekange en overleed in 1937 te Hardenberg. Voor zijn universitaire opleiding bezocht hij de H.B.S. te Meppel en Zwolle. Zijn bekwaamheid als dierenarts werd zeer geroemd.

Op 14-12-1935 lezen we:
Aan den heer K. Luten is op zijn verzoek wegens gezondheidsredenen eervol ontslag verleend als keuringsveearts-hoofd van dienst en gemeente-veearts. In de ruim 20 jaren, dat de heer Luten hier arbeidde, heeft hij zich doen kennen als een uitstekend dierenarts. Ook was hij voorzitter der Sportcommissie en lid van de commissie van toezicht op het L. O. In al zijn functies openbaarde hij getrouwe plichtsvervulling. Van 1915 tot 1923 was hij hier de eenige dierenarts; bij de in werking treding der Vleeschkeuringswet deed hij een gedeelte der practijk over aan zijn zwager, den heer Nieuhoff, die reeds sedert Juli ’22 hier de practijk gedeeltelijk waarnam wegens een den heer L. overkomen motor-ongeluk. Naar wij uit goede bron vernemen bestaat er veel kans, dat des heeren Luten’s tegenwoordige assistent, de heer J. de Nooy, hier zal blijven. Zoo zal Hardenberg weer in het bezit komen van twee flinke dierenartsen.

In 1922 kreeg Hardenberg een tweede dierenarts, de in Gramsbergen geboren Georg Anton Rudolph Nieuhoff werd toen benoemd tot dierenarts in Hardenberg, op speciaal verzoek van burgemeester Schuite. De stad was namelijk aangewezen als vestigingsplaats voor de regionale Vleeskeuringsdienst en daarvoor was de beschikbaarheid van een extra dierenarts noodzakelijk. Nieuhoff werd hoofd van de dienst. Bekend gebleven namen van latere dierenartsen in Hardenberg zijn E. de Nooy, Tjibbe Sinnema en Johan Hoving.


Toen, op 31 december 1927: afschaffing Gramsberger nachtwacht.

Het Sallands Volksblad van oudjaarsdag 1926 schreef:
“Daar met ingang van 1 jan. 1927 de nachtwacht zijn eervol ontslag heeft gekregen, omdat de raad geen gelden meer wenscht te voteren voor deze instelling, zal het den lezers zeker interesseren een en ander omtrent dit ambt vermeld te zien. Het is vrij zeker dat reeds ongeveer 140 jaren lang een door de gemeente gesalarieerd nachtwaker dienst doet. In 1859 werd als zoodanig benoemd G.H. Koops, daarna in 1862 en nogmaals in 1865 G.J. van der Veen Wzn. en met ingang van 1 april 1900 de tegenwoordige nachtwacht Harm Evers.

Lees meer


Toen, op 21 december 1936: burgemeester in de bak!

Een onderwerp dat in het midden van de jaren ’30 van de vorige eeuw veelvuldig de landelijke kranten haalde, was getiteld ‘de Malversaties in Ambt-Hardenberg’. Die malversatie (fraude) bestond uit het verduisteren van gelden door de burgemeester van de gemeente Ambt Hardenberg, genaamd Herman Heinrich Weitkamp.

Op 21 december 1936 verwierp de Hoge Raad Weitkamps cassatieverzoek, waardoor het vonnis van het Gerechtshof in Arnhem van kracht bleef: de oud-burgemeester moest 1 jaar en 3 maanden de cel in.

Wat was er gebeurd?
Zeven december 1935. De Nieuwe Leidse Courant meldde dat de heer Herman Boerrigter, gemeenteontvanger van Ambt Hardenberg, was gearresteerd, omdat hij ervan werd verdacht fraude te hebben gepleegd. Hij zou verschillende bedragen hebben verduisterd, in totaal wel zo’n tienduizend gulden. Boerrigter was een financieel expert en vervulde verschillende functies als penningmeester van de Landarbeidersvereniging, van de woningstichting Beter Wonen, van de christelijke schoolvereniging, als agent van de arbeidsbemiddeling en als administrateur van het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf. Het verduisterde geld was intussen door zijn familie grotendeels aangezuiverd, maar toch besloot de gemeenteraad in spoedzitting om gemeenteontvanger Boerrigter met onmiddellijke ingang te schorsen..

Dezelfde krant schreef twee dagen later dat Boerrigter door de marechaussee was gearresteerd en gevangen gezet in de cellen van de kazerne. De gemeenteraad had tijdens een langdurige geheime zitting van loco-burgemeester Oostenbrink te horen gekregen, dat burgemeester Herman Heinrich Weitkamp met ingang van 6 december eervol ontslag had aangevraagd. Twee dagen later trok Weitkamp dat verzoek weer in, omdat hij zijn termijn van zes jaar toch vol wilde maken. De Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel droegen het Centraal Bureau voor Verificatie op om de gehele gemeentelijke administratie door te lichten..

Burgemeester Weitkamp was een man die het volste vertrouwen genoot van zijn mensen. Hij was op enig moment failliet gegaan, maar dat had hem niet geschaad in zijn functioneren. Iedereen was ervan overtuigd dat het faillissement het gevolg was geweest van de grote moeilijkheden in de veenderijen, maar dat de burgemeester daar zelf geen schuld aan had. Weitkamp was geen krachtig regeerder, maar wel een ‘door en door goed mensch, die er tegenop zag iemand onaangenaam te wezen’. Zelfs in de raadsvergaderingen probeerde hij altijd te verzoenen en te schikken…

Over Boerrigter dacht men anders. Hij was een ambtenaar die men voor ‘buitengewoon bekwaam’ versleet, maar met wie men liever niet te maken kreeg. Hij was recht in de leer en er viel niet echt met hem te praten. De heer Boerrigter genoot geen goede gezondheid. Hij had zelfs een tijdje vertoeft in Zwitserland om aan te sterken. De rekening had hij echter niet zelf voldaan, maar daarvoor had hij de gemeente laten opdraaien.

Het accountantskantoor rapporteerde uiteindelijk dat Boerrigter een zeer slordige administratie had gevoerd en dat er verschillende kwitanties ontbraken. In verschillende kassen die Boerrigter beheerde, waren tekorten geconstateerd; totaal voor ruim 12.000 gulden. Op 24 januari 1936 besloot de raad van Ambt Hardenberg de heer Boerrigter dan ook oneervol ontslag te verlenen uit zijn functie als gemeenteontvanger. De rechtbank achtte de fraude bewezen en veroordeelde Boerrigter tot een gevangenisstraf van één jaar. De oud-gemeenteontvanger berustte in die uitspraak.

Burgemeester Weitkamp pakte zijn werkzaamheden begin januari 1936 weer op. Zijn herroepen ontslagaanvraag werd namelijk lange tijd ‘in beraad’ gehouden. Uiteindelijk besloot de minister het eerst ingediende verzoek in te willigen en daarmee kreeg Weitkamp alsnog eervol ontslag. Dit leidde zelfs tot kamervragen. Men vond een eervol ontslag volkomen misplaatst, zeker nu meer en meer bekend werd over de financiële chaos in de gemeente. Bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1936 kreeg Weitkamp, met ingang van 1 april, eervol ontslag uit zijn functie als burgemeester van de gemeente Ambt Hardenberg met dank voor bewezen diensten. Weitkamp had een diensttijd van meer dan twintig jaren vervuld…

Op 7 april 1936 werd oud-burgemeester Weitkamp in Almelo door de arrondissementsrechter verhoord. Als getuige fungeerde gemeentesecretaris Resink. Hij had de burgemeester regelmatig geld uitgeleend en had zich daartoe min of meer gedwongen gevoeld. De officier van justitie eiste 2 jaar celstraf, maar Weitkamp ‘kreeg’ anderhalf jaar voor bewezen verduistering en heling van gelden. Zowel Weitkamp als het openbaar ministerie gingen in beroep tegen de uitspraak.

Ruim twee maanden later werd dat hoger beroep behandeld door het Gerechtshof in Arnhem. Daarbij waren twee getuigen gedagvaard: gemeentesecretaris Resink en voormalig gemeenteontvanger Boerrigter. Voortdurend verdedigde Weitkamp zich door te zeggen dat hij de grote geldbedragen slechts had geleend, niet had verduisterd. Hij had voortdurend gelden terug betaald. Ook de rechters van het Arnhems hof waren overtuigd van Weitkamps schuld. Zij veroordeelden de 66-jarige tot 1 jaar en 3 maanden gevangenisstraf.

Op 26 juni 1936 schreef De Telegraaf:
“De ongelukkige ontvanger H. Boerrigter staat dan voor het Hof, begeleid door een martiaal uitzienden rijksveldwachter. Hij is degene, die anders dan de burgemeester, al dien tijd in preventieve hechtenis heeft doorgebracht. De ontvanger doet zijn verhaal. Hij vertelt over den burgemeester, dat hij om geld vroeg en hij niet neen kon zeggen. Als de president hem hij herhaling vraagt: “Waarom zei u dan niet neen?” is een licht schouderophalen het antwoord of een vage glimlach of een gebaar met de handen, die tijdens de ondervraging zenuwachtig bewegen: “Ik kon er niets aan doen”.

Burgemeester Weitkamp, zijn handen zoo nu en dan door zijn grooten baard strijkend, kijkt wat onrustig door de zaal. Zijn blik glijdt van den eenen raadsheer naar den anderen. Hij kijkt tersluiks naar den procureur-generaal en richt zijn ogen dan weer op den president baron de Vos van Steenwijk die hem ondervraagt. In al die jaren van zijn burgemeesterschap heeft hij in groote financiële zorgen gezeten. In 1924 bedroegen zijn schulden f. 130.000, zodat zijn salaris van ca. f. 4.500 per jaar bijna geheel aan rente verloren ging. Zoo is het gekomen. “Ja mijnheer de president. Boerrigter was bereid mij te helpen, dat moet u ook niet vergeten. Hij wilde mij steeds helpen. Boerrigter en ik hebben ons samen in het moeras gewerkt”.

Baron de Vos van Steenwijk: “Zegt u maar voor 99 procent hebt u Boerrigter in het moeras geholpen. U moet niet vergeten, dat Boerrigter tegenover zijn burgemeester stond. Dat is voor hem een zeer moeilijke positie. Het is treurig wat u gedaan hebt”. De burgemeester (schouderophalend): “Ik kon het niet helpen. Boerrigter was bereid mij het geld te geven”. Hij geeft ook toe gelden uit de gemeentekas te hebben genomen. Een bedrag van 170 gulden, later nog eens van zeventig gulden, dat bestemd was voor uitkeringen uit hoofde van de crisis- en zuivelwet en de veehouderijwet. “Ik kon het elk oogenblik in de kas terugstorten, mijnheer de president”, zegt Weitkamp. Hij wil daarmee aantoonen, en ook zijn verdediger doet dat later in zijn pleidooi, dat hij dat geld eigenlijk niet verduisterd heeft, maar in staat was het terug te betalen. Later is het ook door zijn familie terugbetaald. De president, die verdachte Weitkamp stevig aanpakt: “U moet zulke dingen niet zeggen, dat is kinderachtig. U kunt hier wel vertellen, dat u het terug kon betalen, maar het staat wel vast, dat u het op het oogenblik niet kon. Bovendien het ware beter geweest als u het op dat moment ook gedaan had, in plaats van deze praatjes thans te verkondigen”.

Op 2 juli 1936 schreef de Nieuwe Leidsche Courant:
“In Ambt Hardenberg wonen tragiek en laakbare lichtvaardigheid in een en dezelfde buurt; zelfs onder één dak. Bij den gewezen, maar oneervol ontslagen gemeenteontvanger is meer tragiek dan schuld; bij den eervol ontslagen en reeds gepensionneerden burgemeester is het misschien omgekeerd. De eerste boet voor eigen zwakheid en voor de fouten van den tweede; doch ook de gewezen burgemeester ontgaat zijn straf niet. Het Hof te Arnhem heeft gisteren de strafmaat wel enigszins verkleind, maar het ‘schuldig’ blijft uitgesproken.

Het komt ons voor dat deze beslissing voor den Minister van Binnenlandse Zaken aanleiding moet zijn om te overwegen of het reeds gegeven eervol ontslag wel gehandhaafd kan blijven. Het verloop der zaak bevredigt het rechtsgevoel niet. Wij geloven echter niet dat iemand een oud man, hoe groot zijn schuld mag zijn, met armoede zou willen straffen. Echter, hoe hard het ook klinkt, de schuld is wel zeer groot. Het ergste wat ons volk overkomen kan, is dat een overheidspersoon, een drager van het gezag, zich vergrijpt aan de gelden der openbare kas en bovendien een ambtenaar door zijn overwicht dwingt om bij de fraude-pleging behulpzaam te zijn. De kwalificatie dat iemand eervol ontslag krijgt, zou niet de minste betekenis meer hebben, wanneer het onder alle omstandigheden schier automatisch wordt verleend, ook dan wanneer de ambtenaar, nog wel in dienstbetrekking, grove fouten maakt.

Hoe kan men van ambtenaren op straffe van oneervol ontslag en uitstoting uit overheidsdienst, absolute eerlijkheid en integriteit, onomkoopbaarheid en onkreukbaarheid vorderen, wanneer een ernstige kreuk in het gedrag van een overheidspersoon door een eervol ontslag officieel glad gestreken wordt. Niemand, die doordrongen is van de waarheid, dat wie staat ernstig heeft toe te zien om niet te vallen, wenscht een dooden leeuw een schop te geven; doch ter wille van de eerbied voor overheid en recht kan de onhoudbare combinatie – met eervol ontslag de gevangenis in! – niet gehandhaafd blijven. Wij wenschen den zwakken, zwaar getroffen gemeenteontvanger arbeid en brood toe en misgunnen den oud-burgemeester zijn pensioen niet; maar het recht moet zijn loop hebben en daarom verwachten we dat de Minister zijn beslissing zo zal herzien, dat het rechtsgevoel bevredigd wordt.”


Toen, op 10 april 1891: Peereboom benoemd tot geneesheer.

De landelijke krant ‘Het Nieuws van den Dag’ van 10 april 1891 meldde dat :

peereboom1

te Stad…

peereboom2

…en later ook te Ambt Hardenberg

In juni 1891 zou Peereboom ook worden benoemd tot gemeentegeneesheer van de veel grotere gemeente Ambt Hardenberg. Op 27 augustus van datzelfde jaar trouwde Pieter Willem Peereboom te Wormerveer met Rebecca Cornelia Schoute. In de huwelijksakte staat vermeld dat Peereboom daar geboren was, maar als arts woonde en werkte te Stad Hardenberg.
Echter, een aantal jaren later zien we dat hij alweer werkzaam is in Haarlem. In april 1894 woonde het echtpaar in de hoofdstad van Noord-Holland en in oktober 1896 liet de arts een advertentie plaatsen waarin hij kenbaar maakte praktijk te houden aan de Nieuwe Gracht 33 in Haarlem, speciaal voor huidziekten.
In 1916 herdacht Peereboom zijn 25-jarig jubileum als geneesheer. In juli 1889 had hij aan de Universiteit van Amsterdam met goed gevolg het theoretisch geneeskundig examen afgelegd en in maart 1891 was hij door de ‘geneeskundige staatscommissie’ aldaar bevorderd tot arts. Peereboom overleed op 13 augustus 1920 te Haarlem, op slechts 55-jarige leeftijd.
Hieruit kunnen we opmaken dat hij bij zijn benoeming tot gemeentegeneesheer in Stad Hardenberg een nog onervaren huisarts was. Zeer waarschijnlijk was het zelfs zijn allereerste praktijk…


Toen, op 14 juni 1838: Rheezer schoolmeester ontslagen!

0614_Dunnewind2

Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel een drastisch besluit. Ze ontnamen Egbert Dunnewind zijn onderwijsakte en aansluitend ontsloegen ze hem als schoolmeester van het kleine schooltje in Rheeze.

Het besluit werd gepubliceerd in een tijdschrift dat jaarlijks verscheen, genaamd ‘Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden’. In de editie van 1 augustus 1838 werd aldus geplaatst:

“De Gedeputeerde Staten der Provincie Overijssel, gezien de missive van de Provinciale Commissie van Onderwijs in Overijssel, van den 5 dezer, houdende voordragt, om den schoolonderwijzer te Rheeze, gemeente Ambt Hardenberg, Egbert Dunnewind, de acte van algemeene toelating in te trekken en, dien ten gevolge, uit zijnen post te ontzetten, uithoofde van pligtverzuim en weerstreving der algemeene Wet op het onderwijs.

Gelet op de berigten van den districtsschoolopziener van den 7 november en 12 december 1837, en van den burgemeester van het Ambt Hardenberg van den 6 november en 11 en 30 december 1837, en op de daarbij overgelegde verklaring van den onderwijzer van den 28 december 1837;
Overwegende dat het voldoende is gebleken dat E. Dunnewind zich heeft schuldig gemaakt:
1. Aan herhaald en voortdurend pligtverzuim, door, in den laatsten tijd, geen school te houden;
2. Aan weerstreving der algemeene Wet, door het weigeren van lager onderwijs te geven, zonder daarbij leerstelling Godsdienstig onderwijs te voegen.

Overwegende, dat E. Dunnewind reeds, bij besluit van 13 februari 1837 no. 46 op grond van pligtverzuim voor den tijd van zes weken in de uitoefening van zijne functiën is geschorst geweest. Gelet op art. 18 en 19 der Wet, en art. 23 van het Reglement op het lager onderwijs van den 3 april 1806;

De acte van algemeene toelating van den onderwijzer Egbert Dunnewind in te trekken, en, dien ten gevolge, aan denzelven het regt en genot te ontzeggen zijner speciale beroeping als onderwijzer te Rheeze, onder het Ambt Hardenberg. Zwolle, den 14 junij 1838″.

Egbert was geboren in Rheeze op 1 september 1793 op het erfje ‘Den Hulskamp’, als zoon van timmerman-landbouwer Hendrik Dunnewind en Jennigjen Kortman. Hij was per 1 december 1817 in functie getreden als schoolonderwijzer te Rheeze en tien jaar later getrouwd met Evertjen Hannink uit Brucht. In hun huis vond op 19 april 1836 een grote bijeenkomst plaats van leden die zich een maand eerder hadden afgescheiden van de hervormde kerk in Heemse. Hij werd ouderling van die ‘gemeente onzes Heeren Jezu Christi’.

Een maand na Egberts ontslag als onderwijzer van Rheeze, overleed zijn vrouw op 40-jarige leeftijd, hem en vier kinderen nalatend. Acht jaar later emigreerde Egbert met zijn kinderen naar Zuid-Holland in Michigan alwaar hij in 1860 stierf.

0614_Dunnewind
In 1982 publiceerde Seinen’s Grafische Bedrijven een boekje van de hand van H. Poelarends over het leven van Egbert Dunnewind.