Toen, op 14 oktober 1893: een nieuwe huisarts in Heemse.

De Dedemsvaartsche Courant van 14 oktober 1893 maakte middels deze advertentie melding van de vestiging van een nieuwe huisarts in Heemse. Anders dan de advertentie vermeldt, betrof het niet F.H. Dunnewold (zetfout), maar Gerard Hendrik Dunnewold, echtgenoot van Cornelia Johanna Avis. Zij waren op 18 februari 1892 getrouwd in Epe. In 1904 vestigde het gezin zich in stad Hardenberg.


Toen, op 25 september 1913: een weerspannige onderwijzer te Kloosterhaar.

Op 25 september 1913 besloot de gemeenteraad van Ambt Hardenberg, op voordracht van het college, oneervol ontslag te verlenen aan onderwijzer H. Meertens te Kloosterhaar:”Tenslotte deelde de voorzitter mede dat de heer Meertens, onderwijzer aan de openbare lagere school te Kloosterhaar, zich niet naar de voorschriften van het hoofd der school wil voegen. Het hoofd der school heeft bij den arrondissementsschoolopziener een klacht aangaande hem ingediend, inhoudende dat Meertens weigerde aan de kinderen nationale liederen te leeren of toe te laten dat deze door het hoofd der school worden geleerd. Het is niet de eerste keer, merkte de voorzitter op, dat Meertens zich niet naar behooren gedraagt. Het vroegere hoofd der school, de heer Duijtsch, klaagde ook dikwijls over hem. Op 24 en 25 october 1910 gaf hij den kinderen zijner klasse zonder verlof van het gemeentebestuur of het hoofd der school vacantie, als reden daarvoor aanvoerende bij het verhoor in de vergadering van B. en W. van 12 november 1910, dat het te koud was in de school. Toen is hem met nadruk op zijn willekeurige handeling gewezen. Op voorstel van B. en W. werd met algemeene stemmen besloten aan den heer H. Meertens ontslag te verleenen als onderwijzer aan de openbare lagere school te Kloosterhaar, met ingang van den dag volgende op dien, waarop de mededeeling van goedkeuring van het besluit door Ged. Staten bij B. en W. zal zijn ontvangen”.Gedeputeerde Staten van Overijssel stemde vervolgens in met het besluit van de gemeenteraad. Meertens werd de laan uitgestuurd en kon pas enkele maanden later weer – tijdelijk – aan de bak als onderwijzer op een openbare lagere school in Almelo…


Toen, op 01 juli 1914: eervol ontslag veldwachter Schuldink.

0701_veldwachter_Schuldink

Met ingang van 1 juli 1914 werd door de Commissaris van de Koningin eervol ontslag verleend aan de toenmalige veldwachter van Ambt Hardenberg, Jannes Schuldink. Hij zou worden opgevolgd door zijn zoon Egbert die eerst jachtopziener te Brummen was.
Op deze foto zien we de oude veldwachter, samen met zijn vrouw Hermina Schutte. Jannes en Hermina waren in 1867 getrouwd in Heemse. Jannes was geboren in Baalder en Hermina in stad Hardenberg. Hun eerste kinderen werden in Baalder geboren, maar tussen 1877 en 1880 verhuisde het gezin naar Heemse. De oud-veldwachter overleed op 17 mei 1927 in Heemse, op 82-jarige leeftijd.

0701_veldwachter_Schuldink2
foto van Wim Eggengoor.


Stichting Historische Projecten Hardenberg:
Dank Wim Eggengoor. Dit is inderdaad mevrouw Hermina Lucas-Schuldink, geb. 22 april 1889 te Heemse. Ze was de jongste dochter van de veldwachter. Ze was op 10 juni 1920 getrouwd met Hendrik Lucas afkomstig uit Steenwijkerwold. Hermina Lucas-Schuldink overleed op 11 januari 1979 te Hardenberg. Laatstelijk woonde ze aan de Bruchterweg no. 51.

Wim Eggengoor:
Dat was zo n lieve vrouw ik was daar als melkboer en zij kookte snert met een varkensstaart er in.
Snert lekker maar de staart ???.
Een mooi mens was het

Johan Breukelman:
En ik herken dan weer in ieder geval een nicht en neef (Breukelman) van mij. En vrouw Lucas (zo noemden wij haar) natuurlijk.

0701_veldwachter_Schuldink3

Toen, op 31 december 1927: afschaffing Gramsberger nachtwacht.

Het Sallands Volksblad van oudjaarsdag 1926 schreef:
“Daar met ingang van 1 jan. 1927 de nachtwacht zijn eervol ontslag heeft gekregen, omdat de raad geen gelden meer wenscht te voteren voor deze instelling, zal het den lezers zeker interesseren een en ander omtrent dit ambt vermeld te zien. Het is vrij zeker dat reeds ongeveer 140 jaren lang een door de gemeente gesalarieerd nachtwaker dienst doet. In 1859 werd als zoodanig benoemd G.H. Koops, daarna in 1862 en nogmaals in 1865 G.J. van der Veen Wzn. en met ingang van 1 april 1900 de tegenwoordige nachtwacht Harm Evers.

Lees meer


Toen, op 21 december 1936: burgemeester in de bak!

Een onderwerp dat in het midden van de jaren ’30 van de vorige eeuw veelvuldig de landelijke kranten haalde, was getiteld ‘de Malversaties in Ambt-Hardenberg’. Die malversatie (fraude) bestond uit het verduisteren van gelden door de burgemeester van de gemeente Ambt Hardenberg, genaamd Herman Heinrich Weitkamp.

Op 21 december 1936 verwierp de Hoge Raad Weitkamps cassatieverzoek, waardoor het vonnis van het Gerechtshof in Arnhem van kracht bleef: de oud-burgemeester moest 1 jaar en 3 maanden de cel in.

Wat was er gebeurd?
Zeven december 1935. De Nieuwe Leidse Courant meldde dat de heer Herman Boerrigter, gemeenteontvanger van Ambt Hardenberg, was gearresteerd, omdat hij ervan werd verdacht fraude te hebben gepleegd. Hij zou verschillende bedragen hebben verduisterd, in totaal wel zo’n tienduizend gulden. Boerrigter was een financieel expert en vervulde verschillende functies als penningmeester van de Landarbeidersvereniging, van de woningstichting Beter Wonen, van de christelijke schoolvereniging, als agent van de arbeidsbemiddeling en als administrateur van het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf. Het verduisterde geld was intussen door zijn familie grotendeels aangezuiverd, maar toch besloot de gemeenteraad in spoedzitting om gemeenteontvanger Boerrigter met onmiddellijke ingang te schorsen..

Dezelfde krant schreef twee dagen later dat Boerrigter door de marechaussee was gearresteerd en gevangen gezet in de cellen van de kazerne. De gemeenteraad had tijdens een langdurige geheime zitting van loco-burgemeester Oostenbrink te horen gekregen, dat burgemeester Herman Heinrich Weitkamp met ingang van 6 december eervol ontslag had aangevraagd. Twee dagen later trok Weitkamp dat verzoek weer in, omdat hij zijn termijn van zes jaar toch vol wilde maken. De Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel droegen het Centraal Bureau voor Verificatie op om de gehele gemeentelijke administratie door te lichten..

Burgemeester Weitkamp was een man die het volste vertrouwen genoot van zijn mensen. Hij was op enig moment failliet gegaan, maar dat had hem niet geschaad in zijn functioneren. Iedereen was ervan overtuigd dat het faillissement het gevolg was geweest van de grote moeilijkheden in de veenderijen, maar dat de burgemeester daar zelf geen schuld aan had. Weitkamp was geen krachtig regeerder, maar wel een ‘door en door goed mensch, die er tegenop zag iemand onaangenaam te wezen’. Zelfs in de raadsvergaderingen probeerde hij altijd te verzoenen en te schikken…

Over Boerrigter dacht men anders. Hij was een ambtenaar die men voor ‘buitengewoon bekwaam’ versleet, maar met wie men liever niet te maken kreeg. Hij was recht in de leer en er viel niet echt met hem te praten. De heer Boerrigter genoot geen goede gezondheid. Hij had zelfs een tijdje vertoeft in Zwitserland om aan te sterken. De rekening had hij echter niet zelf voldaan, maar daarvoor had hij de gemeente laten opdraaien.

Het accountantskantoor rapporteerde uiteindelijk dat Boerrigter een zeer slordige administratie had gevoerd en dat er verschillende kwitanties ontbraken. In verschillende kassen die Boerrigter beheerde, waren tekorten geconstateerd; totaal voor ruim 12.000 gulden. Op 24 januari 1936 besloot de raad van Ambt Hardenberg de heer Boerrigter dan ook oneervol ontslag te verlenen uit zijn functie als gemeenteontvanger. De rechtbank achtte de fraude bewezen en veroordeelde Boerrigter tot een gevangenisstraf van één jaar. De oud-gemeenteontvanger berustte in die uitspraak.

Burgemeester Weitkamp pakte zijn werkzaamheden begin januari 1936 weer op. Zijn herroepen ontslagaanvraag werd namelijk lange tijd ‘in beraad’ gehouden. Uiteindelijk besloot de minister het eerst ingediende verzoek in te willigen en daarmee kreeg Weitkamp alsnog eervol ontslag. Dit leidde zelfs tot kamervragen. Men vond een eervol ontslag volkomen misplaatst, zeker nu meer en meer bekend werd over de financiële chaos in de gemeente. Bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1936 kreeg Weitkamp, met ingang van 1 april, eervol ontslag uit zijn functie als burgemeester van de gemeente Ambt Hardenberg met dank voor bewezen diensten. Weitkamp had een diensttijd van meer dan twintig jaren vervuld…

Op 7 april 1936 werd oud-burgemeester Weitkamp in Almelo door de arrondissementsrechter verhoord. Als getuige fungeerde gemeentesecretaris Resink. Hij had de burgemeester regelmatig geld uitgeleend en had zich daartoe min of meer gedwongen gevoeld. De officier van justitie eiste 2 jaar celstraf, maar Weitkamp ‘kreeg’ anderhalf jaar voor bewezen verduistering en heling van gelden. Zowel Weitkamp als het openbaar ministerie gingen in beroep tegen de uitspraak.

Ruim twee maanden later werd dat hoger beroep behandeld door het Gerechtshof in Arnhem. Daarbij waren twee getuigen gedagvaard: gemeentesecretaris Resink en voormalig gemeenteontvanger Boerrigter. Voortdurend verdedigde Weitkamp zich door te zeggen dat hij de grote geldbedragen slechts had geleend, niet had verduisterd. Hij had voortdurend gelden terug betaald. Ook de rechters van het Arnhems hof waren overtuigd van Weitkamps schuld. Zij veroordeelden de 66-jarige tot 1 jaar en 3 maanden gevangenisstraf.

Op 26 juni 1936 schreef De Telegraaf:
“De ongelukkige ontvanger H. Boerrigter staat dan voor het Hof, begeleid door een martiaal uitzienden rijksveldwachter. Hij is degene, die anders dan de burgemeester, al dien tijd in preventieve hechtenis heeft doorgebracht. De ontvanger doet zijn verhaal. Hij vertelt over den burgemeester, dat hij om geld vroeg en hij niet neen kon zeggen. Als de president hem hij herhaling vraagt: “Waarom zei u dan niet neen?” is een licht schouderophalen het antwoord of een vage glimlach of een gebaar met de handen, die tijdens de ondervraging zenuwachtig bewegen: “Ik kon er niets aan doen”.

Burgemeester Weitkamp, zijn handen zoo nu en dan door zijn grooten baard strijkend, kijkt wat onrustig door de zaal. Zijn blik glijdt van den eenen raadsheer naar den anderen. Hij kijkt tersluiks naar den procureur-generaal en richt zijn ogen dan weer op den president baron de Vos van Steenwijk die hem ondervraagt. In al die jaren van zijn burgemeesterschap heeft hij in groote financiële zorgen gezeten. In 1924 bedroegen zijn schulden f. 130.000, zodat zijn salaris van ca. f. 4.500 per jaar bijna geheel aan rente verloren ging. Zoo is het gekomen. “Ja mijnheer de president. Boerrigter was bereid mij te helpen, dat moet u ook niet vergeten. Hij wilde mij steeds helpen. Boerrigter en ik hebben ons samen in het moeras gewerkt”.

Baron de Vos van Steenwijk: “Zegt u maar voor 99 procent hebt u Boerrigter in het moeras geholpen. U moet niet vergeten, dat Boerrigter tegenover zijn burgemeester stond. Dat is voor hem een zeer moeilijke positie. Het is treurig wat u gedaan hebt”. De burgemeester (schouderophalend): “Ik kon het niet helpen. Boerrigter was bereid mij het geld te geven”. Hij geeft ook toe gelden uit de gemeentekas te hebben genomen. Een bedrag van 170 gulden, later nog eens van zeventig gulden, dat bestemd was voor uitkeringen uit hoofde van de crisis- en zuivelwet en de veehouderijwet. “Ik kon het elk oogenblik in de kas terugstorten, mijnheer de president”, zegt Weitkamp. Hij wil daarmee aantoonen, en ook zijn verdediger doet dat later in zijn pleidooi, dat hij dat geld eigenlijk niet verduisterd heeft, maar in staat was het terug te betalen. Later is het ook door zijn familie terugbetaald. De president, die verdachte Weitkamp stevig aanpakt: “U moet zulke dingen niet zeggen, dat is kinderachtig. U kunt hier wel vertellen, dat u het terug kon betalen, maar het staat wel vast, dat u het op het oogenblik niet kon. Bovendien het ware beter geweest als u het op dat moment ook gedaan had, in plaats van deze praatjes thans te verkondigen”.

Op 2 juli 1936 schreef de Nieuwe Leidsche Courant:
“In Ambt Hardenberg wonen tragiek en laakbare lichtvaardigheid in een en dezelfde buurt; zelfs onder één dak. Bij den gewezen, maar oneervol ontslagen gemeenteontvanger is meer tragiek dan schuld; bij den eervol ontslagen en reeds gepensionneerden burgemeester is het misschien omgekeerd. De eerste boet voor eigen zwakheid en voor de fouten van den tweede; doch ook de gewezen burgemeester ontgaat zijn straf niet. Het Hof te Arnhem heeft gisteren de strafmaat wel enigszins verkleind, maar het ‘schuldig’ blijft uitgesproken.

Het komt ons voor dat deze beslissing voor den Minister van Binnenlandse Zaken aanleiding moet zijn om te overwegen of het reeds gegeven eervol ontslag wel gehandhaafd kan blijven. Het verloop der zaak bevredigt het rechtsgevoel niet. Wij geloven echter niet dat iemand een oud man, hoe groot zijn schuld mag zijn, met armoede zou willen straffen. Echter, hoe hard het ook klinkt, de schuld is wel zeer groot. Het ergste wat ons volk overkomen kan, is dat een overheidspersoon, een drager van het gezag, zich vergrijpt aan de gelden der openbare kas en bovendien een ambtenaar door zijn overwicht dwingt om bij de fraude-pleging behulpzaam te zijn. De kwalificatie dat iemand eervol ontslag krijgt, zou niet de minste betekenis meer hebben, wanneer het onder alle omstandigheden schier automatisch wordt verleend, ook dan wanneer de ambtenaar, nog wel in dienstbetrekking, grove fouten maakt.

Hoe kan men van ambtenaren op straffe van oneervol ontslag en uitstoting uit overheidsdienst, absolute eerlijkheid en integriteit, onomkoopbaarheid en onkreukbaarheid vorderen, wanneer een ernstige kreuk in het gedrag van een overheidspersoon door een eervol ontslag officieel glad gestreken wordt. Niemand, die doordrongen is van de waarheid, dat wie staat ernstig heeft toe te zien om niet te vallen, wenscht een dooden leeuw een schop te geven; doch ter wille van de eerbied voor overheid en recht kan de onhoudbare combinatie – met eervol ontslag de gevangenis in! – niet gehandhaafd blijven. Wij wenschen den zwakken, zwaar getroffen gemeenteontvanger arbeid en brood toe en misgunnen den oud-burgemeester zijn pensioen niet; maar het recht moet zijn loop hebben en daarom verwachten we dat de Minister zijn beslissing zo zal herzien, dat het rechtsgevoel bevredigd wordt.”


%d bloggers liken dit: