Categorie Misdrijf | Criminaliteit

Toen, op 25 november…

Op donderdag 25 november 1858 vond op het bevroren kanaal bij Gramsbergen een vechtpartij plaats, waarbij bakker J.H. uit Gramsbergen zo verwond werd dat geneeskundige hulp moest worden ingeroepen. Wat was er gebeurd?

Gramsbergen, 29 nov. Gepasseerde donderdag kwam J.H, bakker en herbergier alhier, met eene slede met goederen van Hardenberg over het kanaal. Vijf personen, die van eenen schapenverkoop kwamen, reden hem voorbij, doch de zesde haakte met zijne schaats achter de slede en viel. De zes schaatsenrijders, door overmaat van sterken drank verhit en opgewonden, vielen daarop eenparig op J.H. aan, verbrijzelden zijne slede met een gedeelte zijner goederen, en sloegen hem toen zoo geweldig, dat bij heelkundige hulp heeft moeten inroepen. Een paar personen, die toevallig het kanaal passeerden, hebben J.H. ontzet, anders ware het welligt nog erger afgeloopen. Van dit feit is der bevoegde magt kennis gegeven zoodat ook bovenbedoelde personen zullen ondervinden, dat wat dronken gedaan wordt, nuchteren moet worden bezuurd.


Toen, op 4 april…

Op zondag 4 april 1880 werd de offerbus gestolen uit de katholieke kerk in Slagharen. Bij de ontdekking van de diefstal, had men meteen een vermoeden. Een vreemdeling was rond het middaguur alleen in de kerk geweest, ‘om te bidden’. Al snel lukte het de dader op te sporen en te laten bekennen. Het gestolen bedrag, bijna 21 gulden, werd teruggegeven. De dief werd door de veldwachter ingerekend, meegenomen naar stad Hardenberg en een tijdelijk onderkomen geboden in de cel onder het stadhuis.


Toen, op 28 december… de ontslagen commies

In Collectie Overijssel (het voormalige HCO) te Zwolle, in toegang 1447.1, wordt het familiearchief Van Dedem bewaard. Onder inventarisnummer 467 vinden we een bijzondere brief, gedateerd 28 december 1843. De brief is verzonden door de te Hardenberg wonende, ontslagen commies Bartholomeus Cromjongh, gericht aan de hoog weledelgeboren heer baron van Dedem tot den Berg te Dalfsen. Cromjongh schreef:

Mijn heer! Met gevoel van eerbied kom ik mijne welmenende dank betuigen voor de van u onlangs ontvangen weldaad, mij zoo deelnemend toegevoegd, in mijne folteringe dien ik zoo onverdiend onderga met vrouw en 5 kinderen.

God, hope ik met de mijnen, spare u benevens hoog geëerde familiekring, voor zoo noodlottig schuldeloos leiden. Daar men mij op den 4 julij jl. door het gouvernement van Overijssel, zonder iets op mijn geweten te hebben, door laster, zonder verhoor, als commis der 1 klasse uit ’s Rijksdienst heeft ontslagen, ter zake eener valsche beschuldiging, van de zeijde des heere controleur (Van Rhijn) thans liniecontroleur te Hardenbergh, als of ik, schrijver, steller of medeweter zou zijn eener valsche brief aan het Gouvernement te Zwolle gerigt, ten naam voerenden (Rut van Kranen), commis te voet der 3 klasse te Venebrugge (grenskantoor) inhoudende verzoek om tot belang zijner kinderen, van daar te worden overgeplaatst, werwaards eene school is. Gelieve mij te willen geloven, u heere dat het nimmer bij mij noch de mijnen is opgekomen om ons aan een dusdanige brief schuldig te maken. En evenwel vaart men voort, om mij uit het cader der ambtenaren te stellen.

Mijne troost zoekende bij het boek der psalm 55 vers 23, alsmede bij psalm 7 en 120 en gezang 37. En dan ben ik zoo gerust, en ik houd nog moet, daar mijne zaak regtvaardig is, en zal ik nog wel eens zegepralen. De heere slaat en geneest, dus het water wel tot de lippen kome, dan wil nog wel uitkomst schenken, hoe wonderbaarlijk ook voor ons klein doorzicht. Dit is zoo! weledelgeboren heer! dat mij uit eene goede bron gezegt is, men bij u veel vermag, wanneer men met een regtvaardige zaak te worstelen heeft, om redding bij u zoo gulhartig te kunnen vinden. Och! red mij als een altoos braaf man en vader en tevens een eerlijk ambtenaar. God, die de liefde zelve is, belone u voor deze daad. Lange heeft men mij gezocht, en heeft men mij nimmer op mijne ambtsverrigting niet kunnen bestraffen, maar heeft men mij zoo willekeurig behandeld, waar van ik beklag aan de Hooge Raad der Nederlanden ingediend, zie daarover staatscourant van 11 aug. 1843 no. 190 – en ben als een ambulant ambtenaar behandeld, en nog onophoudelijk verplaatst, waardoor ik arm en in den achterstand gebracht ben – zoo zelfs, dat in de gemeente Blokzijl van mij mijn zilvere tabaxsdoos en van mijne vrouw haar halsketting verpand staan. Zoo zelfs, dat de tijd sneld om aldaar verkogt te zullen worden. De doos voor f. 18 en de halsketting voor f. 12. Och! mocht ik eene weg gebaand vinden dat ik die panden konde lossen, onder voorwaarde dat die voorwerpen onder de bewaring wierde gesteld, tot zoo lange het de voorzienigheid zal gelieven behage mij uit deze ongelukkige positie te redden. Wij vleijen ons eerbiedig, om een gunstig berigt van u te zullen mogen ontvangen. ’t Welk smekende. B. Cromjongh.

In augustus 1843 was een pleitbrief van Cromjongh over zijn ontslag door de Tweede Kamer voor kennisgeving aangenomen. De commies was gestationeerd aan de Venebrugge, maar had dus zijn congé gekregen. Hij was in 1814 in Leerdam getrouwd met Jannigje de Jong. Aanvankelijk had hij gewerkt als koopman en winkelier, maar later werd hij rijksambtenaar (commies te voet eerste klas). Kinderen werden geboren in Culemborg, Leerdam en Papendrecht, voor hij naar Venebrugge kwam. Uiteindelijk is hij na zijn ontslag terecht gekomen in Dordrecht, alwaar hij aan de slag kon als praktizijn aan de regtbank. Bartholomeus overleed daar op 71-jarige leeftijd in 1861.


Toen, op 18 september 1937: kindermoord in Oud-Lutten.

Op 18 september 1937 werd in Oud-Lutten een afschuwelijk misdrijf gepleegd. De 39-jarige landbouwer H.D., vader van de 16-jarige en ongehuwde Hendrika, bracht die dag het pasgeboren kindje van zijn dochter door wurging om het leven en begroef het lijkje vervolgens in een kartonnen doos op het erf bij zijn boerderij.

De krant De Vechtstreek schreef anderhalve maand later: “Kinderlijkje opgegraven. Door de gemeentepolitie alhier is reeds gedurende enige tijd in onderzoek een geval betreffende verdwijning van een kind waarvan de ongehuwde 16-jarige H.D. te Oud-Lutten in deze gemeente bevallen zou zijn. Na verschillende personen te hebben gehoord is de politie overgegaan tot het verrichten van graafwerk op het erf van het boerderijtje van den vader van het hierboven bedoelde meisje met als gevolg dat inderdaad een lijkje van een pasgeboren kind werd opgegraven. Het is gebleken dat dit lijkje aldaar op 18 sept. jl. is begraven in een cartonnen doos. Het meisje is op dien dag bevallen in tegenwoordigheid van haar ouders. Andere hulp is niet verleend. Het lijkje is door de politie in beslag genomen en overgebracht naar het ziekenhuis te Hardenberg, waar dr. Hulst te Leiden sectie op het lijk heeft verricht. Hierna is de politie overgegaan tot arrestatie van den vader van H.D. en dinsdag is deze overgebracht naar Almelo en aldaar in het Huis van Bewaring ingesloten. Hij wordt ervan verdacht het pasgeboren kindje te hebben gedood”.

Op 14 december 1937 stond H.D. voor de arrondissementsrechter. De officier van justitie eiste, achter gesloten deuren, 4 jaar gevangenisstraf. De rechter besloot een straf van 1 jaar op te leggen, onder aftrek van preventieve hechtenis…