Toen, op 22 mei 1922: er kwam openbare verlichting!

0522_elektrisch
Op 22 mei 1922 werd de aanbesteding gehouden voor de aanleg van de openbare lichtnetten in de gemeente Ambt Hardenberg. Een maand eerder, op 26 april, had de gemeenteraad besloten om over te gaan tot ‘elektrificatie’. Burgemeester Weitkamp schreef vervolgens aan de N.V. IJsselcentrale:
“Wij hebben de eer u te berichten dat de raad dezer gemeente in zijn d.d. 26 dezer gehouden vergadering heeft besloten tot electrificatie van een deel dezer gemeente en wel de buurtschappen Heemse, Lutten en Slagharen, door middel van de N.V. Electriciteitsfabriek “IJsselcentrale” te Zwolle”.
Het bleek dat in Heemse 85 huizen aansluiting wensten met 400 lichtpunten, te Lutten aan de Dedemsvaart 125 huizen met 597 lichtpunten en in Slagharen 48 huizen met 314 lichtpunten. In totaal dus 1281 lichtpunten.
Bij de aanbesteding bleek de Heemaf de laagste inschrijver te zijn. Baron van Ittersum was adviserend elektrotechnisch ingenieur. Hij adviseerde de opdracht te verlenen aan de Heemaf te Hengelo en aldus geschiedde tegen een bedrag van f 64.647,-
De gemeente Stad Hardenberg was al een aantal jaren eerder “geëlektrificeerd”. Daar had men in 1918 besloten een eigen elektriciteitscentrale op te richten. Dat gebouwtje stond achterop het marktterrein aan de kant van de oude Vecht. Echter de exploitatie ervan was lastig en daarom werd, ook in 1922, besloten aan te sluiten bij de IJsselmij.


Toen, op 12 april 1932: drieling Bouck geboren te Slagharen.

0412_drieling

In het correspondentiearchief van de voormalige gemeente Ambt Hardenberg wordt onderstaande brief bewaard. Het is geschreven door burgemeester Antoni van Riemsdijk, gericht aan de Gouverneur van de provincie Overijssel, gedateerd 20 april 1833. De burgemeester gaat uitvoerig in op de situatie die is ontstaan nadat het jaar ervoor, op 12 april, in Slagharen een drieling was geboren in het armlastige gezin Bouck. We willen u graag het tijdsbeeld schetsen van de eerste jaren van het bestaan van het dorp Slagharen waarvan men dit jaar – zoals u zult zien ten onrechte – het 175-jarig bestaan viert.

Franciscus Bouck en zijn vrouw Engelina Aleida Oosterman waren rond 1830 vanuit het Duitse Rütenbrock naar de nieuwe kolonie aan de Lutterhoofdwijk verhuisd. Daar in het gehucht Slagharen probeerden ze een nieuw bestaan op te bouwen door hard te werken in het veen. In hun oude woonplaats hadden ze al vier kinderen gekregen en in 1832 kregen ze er dus in een keer drie bij. Tot overmaat van ramp overleed de aan epilepsie lijdende Frans Bouck in maart 1833 op slechts 33-jarige leeftijd, waardoor zijn weduwe met zeven kinderen in bittere armoede achterbleef.

De weduwe en haar kinderen, waarvan de oudste nog maar tien jaar oud was, waren zodoende aangewezen op financiële onderstand van de gemeente. Zij waren echter niet de enige. De explosief snelle groei van het inwoneraantal van de gemeente Ambt Hardenberg, als gevolg van de komst van nieuwe ingezetenen die zich vestigden langs de gegraven Dedemsvaart en de Lutterhoofdwijk, maakte dat een groot deel van de werkzaamheden van de burgemeester aan deze materie moest worden gewijd. Kerkgenootschappen die, zoals vanouds, vanuit de diaconie de armen ondersteunden, voelden zich niet verantwoordelijk voor de vele – vaak vanuit Duitsland en Friesland – nieuwe inwoners, simpelweg omdat zij nog geen lid waren van de kerk.

De gemeente zag zich genoodzaakt om het armlastige gezin Bouck financieel te onderhouden. Nu volgt de brief van Van Riemsdijk aan de Gouverneur:

“In den loop van den jaare 1830 zich ter dezer gemeente ten gehuchte Slagharen (eene kolonisatie in de nabijheid van en omtrend de Dedemsvaart) in de marke van Lutten zijnde komende te vestigen uit Rütenbrock ten Ambte Meppen (voormalig Münsterland) van het Koningrijk Hannover, het huisgezin van Frans Bouck hebbende alstoen 6 (vier mannelijke en twee vrouwelijke) zielen, wier getal door de geboorte aldaar op den 12e april 1832 uit Engelina Aleida Oosterman, huisvrouwe van denzelven Frans Bouck, van drie kinderen (een van het mannelijk en twee van het vrouwelijk geslacht) tot 9 is vermeerderd geworden.

En deze Frans Bouck in het laatst van den afgelopenen jaare ongesteld geworden en ten gevolge dier ongesteldheid (van tijd tot tijd zich herhaalende aanvallen van epilepsie) op den 10e der vorige maand overleden, zo hebben wij niet alleen, onder en gedurende dezelve zijne ziekte, op aanzoek der voormelde zijne huisvrouwe gesterkt door de verzekeringen van den heer B.L. Nijentap, Rooms-Catholiek pastor aan de gezegde Dedemsvaart onder den Ambte Ommen, omtrend de behoefte van hun en hun gezin, geene zwarigheid gemaakt hun voor derzelver beter bestaan eene weekelijksche ondersteuning in natura, heen ter tijd het meer gevorderde voorjaar aan den man de gelegendheid voor verdiensten in den turf-arbeid zoude hebben verschaft te doen toekomen uit het respect van kosten van onderstand van onderscheidenen aard aan behoeftige ingezetenen niet tot de ledematen van eenig godsdienstig genootschap in de gemeente gehorende of ook vreemden zich toevallig in de gemeente bevindende, op den staat van begroting in ontvangst en uitgaaf voor de gemeente, en zulks ofschoon door hun tot hiertoe geen cent ter schraaging van derzelver finantiën waare bijgedragen, als hebbende niets van de hun in dezelve inmiddels afgelegde lasten, komen te kwijten – maar ook deze ondersteuning gemerkt het overlijden van den opgemelden vader des huisgezins, tot hiertoe doen voortduren tevens de intentie koesterende om ook, onder dezelve ongelukkige omstandigheden, daarmeede te continueren tot aan de epoque dat de ten velde staande of noch te brengene vruchten van dit gezin dezelve onnodig zoude komen te maken; der moeder steeds recommanderende alles te doen en den meest mogelijken vlijt aan te wenden om derzelver bezittingen waaronder althans nog twee stuks koebeesten voor zich en haare kinderen bij elkanderen te houden in de hoop op gunstiger uitzicht het zij ter plaatse van derzelver actueel verblijf of dat van derzelver voormalig buitenlandsche, waar na toe wij haar aanrieden bij haare familie met derzelver kinderen te retourneeren en daartoe ook de hulp en de medewerking van welgemelden heer P.L. Nijentap, derzelver geloofs- en godsdienstleeraar, te imploreeren, haar dan tevens ten gevolge van het besluit van de heeren Gedeputeerde Staaten der provincie van den 20e februari dezes jaars, bekend maakende dat aan hen onlangs uit de provinciale kas eenige fondsen waaren verstrekt ter zo veel mogelijke temporaire voorziening in de behoeften der ingezetenen dezer gemeente, en die van de ambten Ommen en Avereest, aan en omtrend de Dedemsvaart bij het aldaar, ten gevolge van het saisoen, bestaand tijdelijk gebrek aan werk en verdiensten, zullende het in het bijzonder gemerkt derzelver bijzondere en allezints nu te erkennene behoeften aan haar ofschoon dan ook volgens haar zeggen, door dien heer van tijd tot tijd al met f. 4,- of f. 5,- begiftigd, vrijstaan denzelven ten dezen van tijd tot tijd te adiëren, meede als de directie hebbende over de diaconie- of armenfondsen zijnes kerkgenootschaps aan de meergenoemde vaart, waarvan toch met derzelven gezin leeden waaren, en daartoe ook gewisselijk in der tijd het hunne hebben bijgedragen en alzo door die bijdragen, even als ten gevolge van het leerstellige van iederen christelijken godsdienst, rechtmatige aanspraak waaren hebbende. De uiterlijke houding der vrouwe nu weduwe, en derzelver gesprekken (waarbij dan steeds derzelver verlangen te kennen gaf om haare bezittingen alhier zonder schaade te kunnen te gelde maken en met derzelver product na Rütenbrock voormeld in Hannover met de haaren terug te keeren) opmerkzaam gadeslaande, zo voedden wij het vertrouwen dat aan onze aanmaningen voormeld zoude gehoor geven en dezelve bevolgen; haar toezeggende onze temporaire ondersteuning in natura aan haar en haare kinderen provisioneel te zullen blijven volhouden.

Dan ons in dit vertrouwen nu geheel en al voorziende teleurgesteld te zullen worden door de omstandigheid dat de bedoelde vrouwe zich voor weinige dagen bij mijn heer den burgemeester der gemeente is komen te vervoegen in gezelschap van zekeren zich noemende Otto Vinker (Finkers) uit Groningen, zeggende timmerman van beroep te zijn en zich voor ruim 4 maanden of daaromtrend ook eerst ter dezer gemeente aan de meergemelde Dedemsvaart, vanuit de kolonie der Maatschappij van Weldadigheid aan de Ommerschans, te hebben ter nedergeslagen, met het voorstel ‘om in dezes gezelschap met haare vorenbedoelde drieling-kinderen enz. na derwaarts (Groningen) te reizen en aldaar bij derzelver vertooning de mededeelzaamheid der ingezetenen in te roepen’, waartoe dan verlangende was door een permissie-billet te worden gemunieerd (eenen persoon ons weinig bekend, van wiens aanwezen ter dezer gemeente wij tot hiertoe niets dan bij de inspectie der opschrijvingsregisters voor den landstorm zouden weeten, en dien, zijn vroeger verblijf in aanmerking genomen en ofschoon zelfs vrouw en kinderen hebbende vermeenen voor niets anders te moeten houden dan voor eenen avonturier, de onderwerpelijke vrouwe en gezin zoekende om den tuin te leiden, schandelijk op te ligten en uit derzelver nog resteerende bezittingen en door de als voormeld, in te roepene mededeelzaamheid van Groningers ingezetenen zich zelve te voeden) zo hebben wij het, bij de als voormeld nu aangenomene allezints verdagte houding der onderwerpelijke vrouwe weduwe, in het belang onzer gemeente, ten einde dezelve niet eenmaal zoude kunnen worden gehouden voor het wettig onderstandsdomicilie derzelve en haare kinderen, geoordeeld ons bij deze tot U te wenden ter derzelver vrijwaaring daaromtrend en ter bekoming van de gevorderde aanwijzing daartoe, bij de niet-applicatie vooralsnog ten dezen van de bepalingen bij art. 6 der wet van den 28e november 1818, hierom dan bij deze Uwe Excellentie eerbiedigst verzoekende.

Bij deze gelegendheid dan tevens de vrijheid neemende U opnieuw te doen attendeeren op de nadeelige schromelijke en kostbaare gevolgen ten dezen voor deze gemeente staande voortvloeijende uit de zich nog dagelijks vormende en toenemende colonisatiën in dezelve aan en in den omtrek van den Dedemsvaart; colonisatiën zoals de veelvuldige proces-everbalen, inkwisitiën en vonnissen wegens wan- en misbedrijven van allerlei aard, opgemaakt, geïnstitueerd en geveld bij de bevoegde authoriteiten van policie en justitie in de gemeente en de provincie, komen te leeraaren der gemeente en het rijk de tafereelen van het smaadelijkst en schandelijkst gedrag komende op te leveren en de overtuigendste blijken dragende, dat een groot gedeelte van de dezelve daarstellende bevolking word uitgemaakt door lieden zonder goed merk of stempel, door de justitie of andere omstandigheden van heinde en verre, speciaal ook van buitenlandsch, derwaards (veelal ook der militaire conscriptie buiten het rijk alzo ontvluchtende) gedreeven, en de eigen ingezetenen der gemeente, door hunner veeler handen werk, dan wanneer wat te verdienen is, van alle gewin door turf- en veen arbeid beroovende, en zich voorts in het wintersaisoen der mond zoekende open te houden door roof- en diefstal, mitsgaders het even schandelijk smokkelaarsbedrijf, waartoe dan ongelukkiglijk de nabij gelegene rijks-grenzen hen eene zo gunstige gelegendheid komt aan te bieden en waarvan dan ook de menigvuldige proces-verbaalen der rijks-beambten en de vonnissen der rechtbank te Deventer even veele bewijzen komen op te leveren, als veelal de registers aan het kantoor der registratie te Ommen van de deficits voor de rijks-kassa wegens de baten en kosten, waarin (bij eene niets door hen geteld wordende procalabele gevangenisstraf van langeren of korteren duur) ter dier zaake, wij zwijgen ten andere van andere correctioneele misdrijven, komen te worden verweezen. En, waarin, zouden dan U wel vertrouwen de voornamere oorzaak dezer zo buitengewoon toenemende colonisatie, speciaal door de uitheemschen des Rijks, te zoeken zijn? Gewis, op dat wij terug komen op hetgeen wij vroeger de eer hadden bij onze berigt aan U van den 7e juni 1831 ten gevolge der aanschrijving van den 26e mei bevorens, aan te stippen, in den vroegeren opbouw eener Roomsch-Catholyke kerk aan de Dedemsvaart ten Ambte Ommen, voor de fundatie der thans aldaar gebouwd wordende Hervormde, de Roomsch-Catholyke geestelijkheid toch kleeft, boven die der hervormden de leer de propaganda fide et ecclesia dan en zulks onbetwistbaar een voornaam meede poinct van derzelver bemoeijingen en streeven zijnde, zo zocht de eerwaarde pastor loci, de heer P.L. Nijentap voormeld, ook maar zijn in evenredigheid onzer vroegere vast algemeen hervormde bevolking, klein kuddeken door consentieerende leeden uit het veelal bijzonder armoedige voormalige Munsterland of van elders te verrijken, en zodoende dreigd dan nu deze burgerlijke gemeente reeds aanvankelijk de prooij te worden van zijne onberaadene propagandisterij. Zijn Eerwaarde houde ons, eene in allen opzichte verdraagzame godsdienstleer belijdende en bevolgende, deze uitweiding ten goede, als alleen derzelver oorspong verschuldigd aan onze voor den finantielen toestand onzer gemeente nodigste intentie om daardoor ook uwe Excellentie’s attentie zo veel mogelijk op deze bijzondere omstandigheid en die onzer gemeente daardoor te leiden; derhalven hieromtrend bij deszelfs indulgentie deswegens te omwaards, ook van Uwe Excellentie in het belang der gemeente de geoorloofde voorzieningen, ten dezen ofte derzelver provocatie bij de superieure authoriteit dringend inploreerende. Verblijvende voorts gehoorzaamst. De burgemeester der gemeente het Ambt Hardenbergh, Antoni van Riemsdijk. In kennisse van mij, A. Kampherbeek, assessor, loco-secretaris”.

Dit jaar viert men 175 Jaar Slagharen, maar we zien de naam al in 1829 in de archieven genoemd. Op 5 oktober 1829 werd namelijk in het geboorteregister aangetekend dat Anne Meke Wilke was geboren in het gehuchte Slagharen. Dat betekent dat het dorp over 2 jaar weer feest kan vieren, maar dan het ‘190-jarig bestaan’.


Toen, op 26 maart 1926: over ‘de dominee-met-de-zweep’

Op 26 maart 1926 stond de gereformeerde predikant S.J. Vogelaar uit Heemse terecht. De krant ‘Voorwaarts: sociaal-democratisch dagblad’ gaf daags erna een uitvoerig verslag van hetgeen behandeld was op de rechtszitting:
http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010211701:mpeg21:a0032

Dezelfde krant meldde daags na de uitspraak op 10 april:
“De dominee-met-de-zweep tot een geldboete veroordeeld. De Utrechtsche rechtbank deed vrijdag uitspraak in de geruchtmakende zaak van het opvoedingsgesticht De Glindhorst, waarvoor op 26 maart jl. heeft terecht gestaan dr. S.J. Vogelaar, oud 61 jaar, gereformeerd predikant te Heemse (gemeente Ambt Hardenberg), vroeger directeur van De Glindhorst, beklaagd van mishandeling subs. uitlokking daarvan, subs. wederrechtelijke vrijheidsbeneming, subs. uitlokking daarvan en mishandeling. Geldboete 500 gulden”.

De strafeis van het Openbaar Ministerie luidde een maand gevangenisstraf. Het proces tegen ds. Vogelaar bracht ontstellende staaltjes van onderlinge ontucht der verpleegden en mishandelingen door pleegvaders en directeur aan het licht. De predikant, die niet verschenen was, werd met gedeeltelijke vrijspraak van het hem ten laste gelegde, schuldig bevonden aan het veroorzaken van opzettelijke mishandeling door misbruik van gezag en aan twee mishandelingen en veroordeeld tot een geldboete van 500 gulden subsidiair 50 dagen gevangenisstraf.

Ds. S.J. Vogelaar overleed op Eerste Kerstdag 1928 te Heemse aan de gevolgen van een hartverlamming. Hij had die dag nog twee keer gepreekt. Hij werd slechts 64 jaar oud.
Geboren 22 januari 1865, werd hij 5 mei 1897 kandidaat. De 22e augustus van dat jaar deed hij zijn intrede in zijn eerste gemeente, Apeldoorn, alwaar hij al spoedig zich met zijn gansche persoon aan zijn herderlijken arbeid gaf. De acht jaar, welke hij in Apeldoorn werkte, deden hem de liefde zijner gemeente verwerven. Maar ook in Groningen, waarheer hij in 1903 vertrok, werd hij een geliefde en bekende figuur. Voor de Groningers is Ds. Vogelaar een stuwkracht geweest, die veel mocht tot stand brengen. 7 mei 1914 ontving hij op eervolle wijze emeritaat: “De Glindhorst” riep hem als directeur. De tien jaren aan deze inrichting verschaften hem zijn grootste bekendheid. 21 september 1924 ging hij naar Heemse. De begrafenis van zijn stoffelijk overschot had plaats op zaterdag om 1 uur, op het kerkhof te Heemse.


Toen, op 30 juli 1862: de grote boze ‘wolf’.

Het Algemeen Handelsblad van 4 augustus 1862 meldde:
“Hardenberg, 30 julij. Sedert eenige dagen liep hier het gerucht dat er zich in dezen omtrek een wolf (anderen noemden een beer) ophoudt; men voegde er nog bij dat hij reeds een kind verslonden had. Dit gerucht heeft tot het volgend koddig voorval aanleiding gegeven. Zekere onnoozele boer, voor eenige dagen ’s avonds laat door het Heemserbosch gaande, werd op het hooren rammelen van een ketting die hem vervolgde, zoodanig door den schrik bevangen, dat hij uit al zijne magt begon te schreeuwen: Daor is ’n wolf, hi’j wil mi’j vermoorden! Iemand, dit geschreeuw vernemende, haalde spoedig volk bij elkander, ten einde den ongelukkige te helpen, maar hoe groot was hunne verwondering toen zij bij de plaats des onheils komende, bevonden dat de gewaande wolf niets anders was dan een hond!”


Toen, op 13 maart 1974: oudste inwoner werd 101 jaar.

De 101-jarige Geert Prenger werd hier gefeliciteerd door de echtgenote van de burgemeester, mw. J.M.C. van Splunder-de Zeeuw.

Het Noord-Oosten van 15 maart 1974 schreef:
“Opa Prenger werd woensdag 101 jaar. Hij herkende burgemeester en mevrouw Van Splunder, die hem kwamen complimenteren, meteen weer. Overigens is zijn verminderend gehoor een handicap voor de communicatie. Als u het plaatje goed bekijkt, dan ziet u links van de jarige de beeltenis van ds. Van Rhijn die op de verjaardag ook niet ontbrak.”

Geert was op 13 maart 1873 geboren in het Duitse plaatsje Ratzel, ressorterend onder het kerkdorp Uelsen, alwaar hij op 27 april was gedoopt. Hij was een zoon van Jan Hindrik Prenger en Harmina Brinkhuis. In 1897 was Geert te Stad Hardenberg getrouwd met Zwaantje Welleweerd. Samen kregen ze drie zoons. Hun middelste zoon, Jan Hendrik, werd in 1945 door de Duitsers gefusilleerd uit vergelding.

Geert Prenger woonde aan de Beekweg nr. 2, achter het ziekenhuis en ‘an de Bekke’. Hij stierf er op 31 december 1974 en werd op 4 januari begraven op de oude begraafplaats te Hardenberg. Hij was al vanaf 28 december 1937 weduwnaar. Geert was de oudste inwoner van de gemeente Hardenberg.

zie ook