Toen, op 13 maart 1974: oudste inwoner werd 101 jaar.

De 101-jarige Geert Prenger werd hier gefeliciteerd door de echtgenote van de burgemeester, mw. J.M.C. van Splunder-de Zeeuw.

Het Noord-Oosten van 15 maart 1974 schreef:
“Opa Prenger werd woensdag 101 jaar. Hij herkende burgemeester en mevrouw Van Splunder, die hem kwamen complimenteren, meteen weer. Overigens is zijn verminderend gehoor een handicap voor de communicatie. Als u het plaatje goed bekijkt, dan ziet u links van de jarige de beeltenis van ds. Van Rhijn die op de verjaardag ook niet ontbrak.”

Geert was op 13 maart 1873 geboren in het Duitse plaatsje Ratzel, ressorterend onder het kerkdorp Uelsen, alwaar hij op 27 april was gedoopt. Hij was een zoon van Jan Hindrik Prenger en Harmina Brinkhuis. In 1897 was Geert te Stad Hardenberg getrouwd met Zwaantje Welleweerd. Samen kregen ze drie zoons. Hun middelste zoon, Jan Hendrik, werd in 1945 door de Duitsers gefusilleerd uit vergelding.

Geert Prenger woonde aan de Beekweg nr. 2, achter het ziekenhuis en ‘an de Bekke’. Hij stierf er op 31 december 1974 en werd op 4 januari begraven op de oude begraafplaats te Hardenberg. Hij was al vanaf 28 december 1937 weduwnaar. Geert was de oudste inwoner van de gemeente Hardenberg.

zie ook


Toen, op 05 juni 1936: wonderdokter Fick veroordeeld.

Op 5 juni 1936 velde de kantonrechter te Almelo het vonnis over de zogenaamde wonderdokter Carl Fick die regelmatig in het grensgebied van Hardenberg opereerde.

Dankzij de publicatie van historische kranten op het wereldwijde web is het mogelijk geworden om dit bijzondere verhaal te schrijven. Diverse – soms zelfs achttiende-eeuwse – bladen als de Leeuwarder Courant, de Heldersche Courant, de Gorinchemse Courant of de Zierikzeesche Nieuwsbode zijn gescand en dankzij OCR-technieken volledig doorzoekbaar op internet
geplaatst. Een algemene zoekopdracht op één van die vele websites leverde een onverwacht maar intrigerend resultaat op. Het ging om enkele krantenartikelen over de praktijk van een kwakzalver die in het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw in onze regio actief was. Kwakzalverij is strikt genomen het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde. Vaak wordt het gezien als boerenbedrog en oplichterij. Kwakzalverij bestaat al erg lang.

Het volledig artikel over kwakzalver Fick die werkte vanuit de grensboerderij te Venebrugge is te lezen op onze website: http://www.historischeprojecten.nl/publicaties/Carl Fick.pdf


Toen, op 02 juni 1749: een heel oud testament.


Fragment van een zeer oude hanenbalk in een schuur van het erve Zwijze (de huidige Zwieseborg aan de Hardenbergerweg 23 in Loozen). In het hout werden in 1797 de letters HSGP aangebracht. Dat waren de initialen van Hermen Swijze (Zwijze) en Geesjen Prenger. Zij waren dertig jaar eerder, in 1767, gehuwd. Hermen Gerritszoon Swijse moest oom zeggen tegen de testator Lambert. Hij zal een deel van zijn kapitaal bezit dus ook, via zijn vader, van zijn ‘suikeroompje’ Lambert hebben gekregen.

Het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg bevat o.a. dit testament, gedateerd 2 juni 1749. Het werd geschreven door Schout Arnoldus Voltelen, terwijl hij resideerde op de boerderij van de familie Zwijze in Loozen. Normaliter werden de akten voornamelijk verleden in het schoutenhuis Welgelegen in Heemse, maar in uitzonderlijke gevallen ging de schout ‘de boer op’. We laten de akte in volledige transcriptie volgen om een goed tijdsbeeld te geven:

“Ick Arnold Voltelen, wegens hoger overigheid in der tijd scholtus van den Hardenberg, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere dat voor mij en keurnoten als waren Hermen Prenger en Hendrik Geugien, gecompareert is Lambert de Swijse, gaande en staande en eenigsints siekelijk na den lichame, maar sijn verstand en oordeel sovele men uitterlijk konde vermerken, vollenkomen hebbende.

En verklaarde hij comparant uit consideratie van de sekerheid des doots en de onsekere uire van dien, geresolveert te sijn om bij desen te willen maken en oprigten sijn testament en uitterste wille over de goederen so bij derselver overlijden sal komen natelaten, komende dan tot sijne dispositie.

Verklaarde hij testator te legateren aan den armen van den Hardenberg, de somma van dartig carolyguldens, binnen ses weken na sijn overlijden te betalen. Wijders legateerde aan sijn neef Gerrit Swijse de somma van hondert carolyguldens, an sijn neef Jan Swijse de somma van hondert carolyguldens, an sijn neef Jannes Swijse de somma van hondert carolyguldens, an sijn neef Albert Swijse de somma van hondert carolyguldens, an sijn neef Hendrik Swijse de somma van hondert carolyguldens, an sijn nigte Gese Swijse, getrout aan Geert Wolters Kok, de somma van hondert carolyguldens. Verders legatere nog an neef Jan van Ringe de somma van hondert carolyguldens en bij overlijden van deselve sonder kinders dan op sijn broer Gerrit van Ringe. Legateerde an sijn nigte Janna van Ringe hondert carolyguldens, an sijn nigte Anna Maria van Ringe hondert carolyguldens en an sijn neef Gerrit van Ringe hondert carolyguldens, alles bij vooroverlijden van de ouders dan derselver kind of kinders in der selver plaatse, kunnende sijn hierna benoemde erfgename bij betalinge der legaten an de vier kinders van sijn swager Hendrik van Ringe hier bovengenoemt in kortinge of mede in betalinge brengen een capitaal van 300 guldens, so hij testator tot laste van gemelte Hendrik van Ringe heeft staande.

Verders verklaarde hij testator voornoemt te nomineren en te institueren tot sijn universele erfgename in alle sijn natelaten overige goederen, gene uitgesondert, sijn broeder Hermen Swijse en bij vooroverlijden van deselve, dan desselfs soon Gerrit Swijse in sijn plaatse, gelijk ook na dode van testators genomineerde erfgename sijn nalatenschap dan sal gaan en wesen vervallen op desselfs soon Gerrit de Swijse en bij desselfs overlijden op derselver kinders.

Al het voorschrevene de testator duidelijk hebbende voorgelesen en afgevraagt of dit niet sodanig was sijn eenige vrije uitterste wille so heeft hij daarop geantwoort van JA, willende en begerende deselve in alle sijn delen na sijn overlijden effect moge sorteren, hetsij als testament, codicil, gifte ter sake des doots ofte onder de levende, hoe dat sulks best sal kunnen en mogen bestaan, ofschoon alle solemniteiten in regte nodig daarin niet mogten sijn geobserveert.

In waarheids oirconde en sonder arg ofte list hebbe ik scholtus
voornoemt, dese nevens de testator getekent, en is mede van mij scholtus gesegelt, en omdat de testator geen segel is hebbende, so heeft hij mij versogt dese mede voor hem met mijn klein zegel te besegelen. Actum Losen, den 2 junij 1749.”


Het aloude erve Zwijze in Loozen, gefotografeerd in 2007.

Toen, op 01 juni 1928: de eerste ziekenauto.

Het Sallands Volksblad meldde op 1 juni 1928:
“De firma Oostenbrink en Lägers zit niet stil en is vooruitstrevend waar het geldt het aanpassen aan de diverse behoeften van het publiek. Zij kocht aan een groote familieauto, voorts een kleinere 5-persoons wagen een een groote ziekenauto. Hoewel we voor onze lezers hopen dat zij van de laatstgenoemde nooit gebruik behoeven te maken, toch willen we er op wijzen dat ze aan een groote behoefte voldoet. Deze auto is speciaal ingericht voor zieken die liggend vervoerd moeten worden, waartoe een brandcard [brancard] in den auto geplaatst is. Deze brandcard is uitneembaar, loopt op rollen en is voorzien van de noodige veeren, zoodat een zieke zonder veel moeite vervoerd kan worden. Deze auto is door de medici goedgekeurd.

Enkele maanden later, op 28 september 1928, adverteert de firma Oostenbrink & Lägers, met vestigingen in Heemse en Lutten: “Auto-verhuurinrichting en speciaal ziekenvervoer (met en zonder chauffeur)”.

Het kleurrijk logo van Oostenbrink & Lägers sierde al hun briefpapier en facturen. De foto toont een gedeelte van de Hessenweg in Heemse. Iets links van het midden was de garage gevestigd. Voor het pand staan twee automobielen, een kleine en een grote. Mogelijk is de grote de eerder genoemde eerste ambulance geweest…

Mocht iemand beschikken over een vooroorlogse foto van een ambulance in Hardenberg, dan houden we ons wederom aanbevolen!


Toen, op 26 mei 1860: over bijgeloof.

De Provinciale Overijsselsche Courant van 30 mei 1860 meldde:
Lutten, 26 mei. Gisteren had hier een voorval plaats, dat weder ten bewijze kan strekken, hoe diep het bijgeloof nog bij de laagste volksklasse geworteld is. Aan een veenarbeider, een ziek kind hebbende, was gezegd, dat zijn kind behekst was en dat hij zich om raad naar den zoogenaamden duivelbanner te Slagharen moest begeven. Zoo gezegd, zoo gedaan. Deze bevestigt de tooverij, geeft een middel ter genezing aan de hand, en zegt den vader dat op den derden dag eene vrouw te zijnen huize zoude komen om het kind te liefkozen en te streelen. Toevallig komt daar gisteren, zijnde de derde dag, eene vrouw met eene kruiwagen voorbij, gaat binnen en spreekt de moeder met haar ziek kindje eens aan. En, ziedaar de heks, die men duchtig moet afgerost en gedwongen hebben, de zieke te genezen.

Een jaar ervoor was Slagharen ook al in het nieuws vanwege hekserij, toverij en bijgeloof. Het Algemeen Handelsblad van 25 april 1859:
Hardenbergh. In eene nabijgelegen buurtschap van den Hardenbergh is dezer dagen een kind overleden, dat volgens deskundigen behekst zoude zijn geweest. Het vermoeden ging tot zekerheid over toen men het bedje van het kind onderzocht en zoogenaamde tooverkransen vond (ontstaan door het niet of gebrekkige opschudden van veeren bedden). Vrij algemeen wordt in dezen omtrek aan het bestaan van heksen en tooverij geloof geslagen, ofschoon niemand het gaarne wil erkennen. Te Slagharen woonde vroeger een duivelbanner, die verscheidene behekste kinderen van den duivel heeft verlost en daarmede goede zaken heeft gemaakt. Ongelukkig is deze hoogwijze man voor eenige jaren naar Amerika vertrokken en alhier is nog niemand op het denkbeeld gekomen om de vacante praktijk weder op te vatten. Ook wordt aan sommige families de macht toegekend om anderen te beheksen, alzoo in betrekking te staan met den duivel en wordt van die families gezegd dat zij van het volk zijn. De leden van zulke familien worden met de noodige omzichtigheid behandeld en zijn gewoonlijk in zoover van de zamenleving uitgesloten, dat zij geen huwelijk kunnen aangaan met iemand die niet tot het volk behoort. Het zou voor een onderwijzer gevaarlijk kunnen worden om den kinderen in te prenten dat er geen heksen, toovenaars en duivels bestaan, daar de ouders, wier geloof aan zoodanige wezens en andere dergelijke verborgenheden onwrikbaar is, hunne kinderen naar eene andere school zouden zenden, waar zoodanige goddelooze dwaalbegrippen niet geleerd worden.

Tien jaar later, op 11 januari 1869 meldde de Schiedamse Courant:
Uit Ambt Hardenberg wordt van 6 januarij gemeld: Ten bewijze dat de bijgeloovigheid in deze streek nog niet is verdwenen, deelen wij mede, dat eergisteren eenige boeren zooveel mogelijk hunne goederen hadden gepakt uit vrees voor een orkaan, waardoor de wereld zou vergaan. Waar zij, ingeval die catastrophe inderdaad plaats zoude hebben, hunne aardsche goederen wenschten te bergen, is niet duidelijk gebleken.

Op 29 juni 1872 meldde De Koerier van Deventer:
Hardenberg, 20 junij. Dat het bijgeloof in deze streek bij den boerenstand nog niet is uitgeroeid, bewijst het volgende: Een kind van G.H. alhier werd ongesteld, juist op ’t oogenblik dat zich een bejaarde buurvrouw daar ten huize bevond. Daar nu de vrouw met familie van oudsher bij het domme publiek als heksen bekend staan, en men ter bevestiging bij een dadelijk ingesteld onderzoek kransen in de bedden vond, werden H. en zijn geloofsgenooten in hun gevoelen versterkt dat het kind niets anders dan betooverd (de Friezen zeggen betjoend) kon zijn, en of verlichter menschen hem al zeiden, als uw kind ongesteld is, raadpleeg dan toch een der kundige geneesheeren alhier, het was aan een doovemans deur geklopt: ‘die weten van zulke kwalen niets’, beweerde hij, ‘alleen en uitsluitend de duvelbanner te S. kent die kwaal en hem heb ik dan ook reeds geschreven.’ De duivelbanner liet zich dan ook niet lang wachten, kwam, zag, en – verrigte wat hokes pokes, verklaarde het kind voor betooverd, gaf een fleschje met …. en vertrok, waarna het kind, dat waarschijnlijk tengevolge van indigestie eenigszins benaauwd en reeds voor de komst van den duivelbanner hersteld was, door diens wonderkuur voor genezen werd verklaard niet alleen, maar uitsluitend de duivelbanner en niemand anders had het kind van den dood gered. De gevolgen lieten zich dan ook niet wachten, boeren te Brucht en te Kloosterhaar consulteerden eveneens onzen wonderdokter voor hunne vermeende betjoende kinderen, terwijl zelfs een oude vrouw te Diffelen, die een ingebeelde ziekte heeft, den duivelbanner ontbood, en verklaarde door hem genezen te zijn. Intusschen laat zich mijnheer duivelbanner door het toenemend debiet per rijtuig afhalen tegen hooge en natuurlijk contante betaling.

En dat bijgeloof tot een rechtszaak kon leiden, bewijst de Zierikzeesche Nieuwsbode van 25 december 1877:
Zwolle, 21 dec. Donderdag 13 dezer is voor de correctioneele regtbank alhier een zaak behandeld, die weder een bijdrage levert hoedanig het bijgeloof nog ten platten lande heerscht. Een koopman in manufacturen ventte met zijn waar in de buurtschap Slagharen, gemeente Ambt Hardenberg, toen hij door eene vrouw in huis werd geroepen; hij dacht daar iets te kunnen verkoopen, doch was gansch verbluft toen twee vrouwen hare zuigelingen vertoonden, welke kinderen zij beweerden dat hij betooverd had; de verontwaardigde en toornige moeders geboden hem op staanden voet die kinderen te onttooveren, en om haar bevelen klem bij te zetten, zou eene vrouw hem bij de keel gevat hebben en de andere met een mes in de hand gedreigd hebben hem te zullen doorsteken. Of de koopman al beweerde volstrekt niet te kunnen tooveren, het baatte hem niet; de vrouwen werden hoe langer hoe kwader, totdat de man eindelijk toegaf en zeide, dat hij voor de kinderen zoude bidden: hij maakte daarop het teeken des kruises op de voorhoofden en borsten der kinderen en bad dat ze door de hulp van Vader, Zoon en Heiligen Geest mogten genezen. Hierdoor waren de moeders voldaan en zij gaven den toovenaar vrijheid om te vertrekken, die daarvan onverwijld gebruik maakte. Evenwel heeft hij van deze aanranding aangifte gedaan en stonden de beide moeders teregt wegens mishandeling. Het O.M. requireerde schuldigverklaring en veroordeeling van elk der beklaagden tot drie dagen eenzame opsluiting. De beide aangeklaagden zijn echter gisteren uit gebrek aan bewijs vrijgesproken.

Eerder in de negentiende eeuw speelde zich ook al een rechtszaak af aangaande toverij:
In Slagharen woonde Hermen Schuurman. Hij was met de helm geboren, oftewel hij had een heel bijzondere gave. Hij stond in Hardenberg en verre omstreken bekend als wonder- of toverdokter. Soms werd hij voor deze praktijken op het matje geroepen. In 1842 wilde de officier van justitie te Deventer iets meer te weten komen over de toverijen van Schuurman. Het bleek dat Hermen op 2 mei om elf uur ’s avonds bij een vierjarig kind in Sibculo was geroepen. Het kindje heette Johannes Kampherbeek en leed aan ernstige stuipen. Hij was een zoontje van de aldaar gestationeerde commies Reindert en diens vrouw Margaretha van Dijken. Oma Kampherbeek, die in de stad woonde, was bij de kinderen op bezoek en kon mede getuigen over wat er in die bewuste lentenacht was gebeurd. Na binnenkomst was Schuurman meteen naar het kind toegegaan en had het jongetje, een patiëntje van dokter Van Riemsdijk, betast en bevoeld en gezegd dat de kleine Johannes betoverd was. Hierop had hij iets droogs, een soort poeder, uit een bij zich hebbend papiertje geschud. Nadat hij deze droge stof met water vloeibaar had gemaakt, bestreek hij met dit papje het gehele hoofd van het kind. Toen hij dit mengsel goed had ingewreven gaf hij de volgende instructies: Zorg ervoor dat het kind een open lijf behoudt. Maak hiervoor gebruik van zenuwbladen, zoete melk met broodsuiker en rauw spek. Het wonder geschiedde! De kleine Johannes was spoedig geheel hersteld. Schuurman ontving voor zijn helende kunsten tien guldens. Later bleek echter dat hij niet om die beloning had gevraagd. Ook kon hij voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst niet in Deventer worden berecht. Commies Kampherbeek was inmiddels overgeplaatst naar het grenskantoor op de Bruinehaar en daar zou het mirakel zijn voorgevallen. Bruinehaar is een buurtschap in de gemeente Vriezenveen en behoorde zodoende onder het arrondissement van de rechtbank in Almelo.

Heeft u nog niet genoeg gelezen over toverij, hekserij en duivelbanning, lees dan meer in de publicatie over emigratie van Dinah Hesselink-Zweers, onder het kopje ‘Het sprookje’.