Toen, op 28 november: Bommen op Diffelen

In het archief van de Hardenbergse marechausseebrigade treffen we dit briefje aan, gedateerd 28 november 1944, vandaag exact tachtig jaar geleden. De onderluitenant rapporteert hierin aan de commandant van de marechaussee in het gewest Arnhem dat in de nacht van 27 op 28 november, ’s nachts rond 2 uur, in de buurtschap Diffelen een drietal vliegtuigbommen zijn neergekomen. Twee ervan kwamen terecht in een bouwland en brachten nagenoeg geen schade aan. Een derde echter kwam neer op de boerderij van de de familie Hekman (geadresseerd: F 22). De boerderij, door Hekman gehuurd van Harm Scholten aldaar, werd totaal verwoest. Gerrit Jan Hekman (44 jaar) en diens knecht Derk Jan Plaggenmarsch (25 jaar) kwamen bij de aanslag om het leven. De overige gezinsleden kwamen er ongedeerd vanaf. De oorlogsslachtoffers Gerrit Jan Hekman en Derk Jan Plaggenmarsch liggen begraven op het oude kerkhof Nijenstede in Hardenberg.


Dijkdoorbraak te Diffelen (1766)

(Bron: Collectie Overijssel)

Dit fragment van een grotere kaart uit 1775, van de hand van C.J. Kraijenhof, toont de rivier de Vecht ter hoogte van de buurtschappen Bergentheim, Diffelen en Mariënberg. We zien hierop voor het eerst aangetekend dat de Vecht in 1766 is doorgebroken, waarna de grote meander bij Mariënberg werd aangeduid als oude Vecht.

Als gevolg van deze dijkdoorbraak ‘verhuisde’ het erve Den Pol als het ware van Diffelen naar Mariënberg. Een halve eeuw later heeft men een brug gerealiseerd over de Oude Vecht om vanuit Mariënberg op Den Pol te kunnen komen…

Fragment van kadastrale kaart anno 1832, met het erve Den Pol in de meanderende Oude Vecht.

Toen, op 10 februari 1944: Duitse jachtvliegtuigen neergeschoten.

Dit getypte briefje, gedateerd 10 februari 1944, is bewaard gebleven in het marechausseearchief van de brigade Hardenberg. Het werd opgesteld door opperwachtmeester Kraak, gericht aan zijn groepscommandant. Met dit dienstbericht werd de commandant op de hoogte gebracht over het feit dat diezelfde ochtend, omstreeks 11.10 uur, tijdens een luchtgevecht boven Hardenberg en omgeving, een Duits jachtvliegtuig (Focke-Wulf 190A-7) was neergeschoten. Het vijandige toestel was neergestort op het weiland van landbouwer H.J. Ramaker aan de Hoogenweg. De wrakstukken lagen over een oppervlakte van ongeveer 200 m2 verspreid en het lichaam van de Duitse piloot was onherkenbaar verminkt.

Ook op 10 februari…

Dit briefje, gedateerd 10 februari 1944, is bewaard gebleven in het archief van de marechausseebrigade Hardenberg. Hoofwachtmeester Cornelis Servaas Pisuisse rapporteerde hiermee aan zijn groepscommandant over het neerstorten van een Duits jachtvliegtuig (een Focke-Wulf Fw 190 A-7) in een oude Vechtarm in Diffelen, nabij de boerderij van de gebroeders Bolks (de Uilenkamp). Het lichaam van de omgekomen Duitse piloot was ‘deerlijk verminkt’ en ‘niet herkenbaar’.

De Duitse piloot, de 24-jarige Unteroffizier Rudolf Kuhrz, was vertrokken vanaf het vliegveld Rheine. Zijn lichaam werd aanvankelijk begraven op de Oosterbegraafplaats in Enschede, maar op 8 oktober 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselstein.

De Duitse piloot in kwestie betrof Fahnenjunker-Feldwebel (FHjFw) Konrad Sommer. Hij stortte op die dag neer te Hoogenweg en stond vanaf die tijd als ‘vermist’ te boek. In 2012 zijn bij een berging menselijke resten gevonden en dat heeft geleid tot de identificatie van Konrad Sommer. Hij vloog met de Messerschmitt Bf 109 G-9 en was ingedeeld bij het 10./Jagtgeschwader 3, welke gestationeerd was in Venlo. Konrad ligt begraven op de Duitse oorlogsbegraafplaats te Ysselsteyn (grafnr. CC-13-317).

(met dank aan dhr. R. Wethly te Schoonebeek)


Foto: ‘roggemieten’ bij Warmink.

0726_hooien

Wist u dat wij twee prachtige fotoboeken hebben uitgegeven onder de titel ‘Toen geluk nog heel gewoon was’? In die boeken zijn kleurendia’s uit de jaren ’50, ’60 en ’70 uit de collecties van ds. Loor uit Heemse en dhr. Willering uit Hardenberg opgenomen. Deel 1 is zo goed als uitverkocht, maar van deel 2 zijn nog enkele exemplaren te koop in de plaatselijke boekwinkels.

Deze foto hebben we opgenomen in deel 2, op pagina 44. De foto is gemaakt in Diffelen. We zien het zgn. ‘roggemieten’ bij de familie Warmink, die als bijnaam ‘Scholtemeijer’ had. Gerrit Jan staat boven op de bult en is bezig met het ’toegooien’, terwijl zijn vader Hendrik naast hem aan het ‘mieten’ is. Gerrit, Hendriks oudste en vrijgezelle broer, is aan het ‘opsteken’ vanaf de wagen.

Van half juli tot begin augustus werd de rogge gemaaid. Bij goed weer begon men begin augustus de rogge aan een bult (een miete) te zetten. Hier is men bezig rogge te mieten. De opsteker op de platte kar gooit de garven met de ‘schotvörke’ naar de garvenschieter, de persoon die op de mijt staat. Deze geeft de garve door aan de man die op zijn knieën zit, de zgn. ‘mietezetter’. Dit werk had niet iedereen even goed onder de knie. De graanmijt lekte dan in, zodat een deel ervan verloren ging door verrotting.

We zullen de juiste foto zo spoedig mogelijk plaatsen, nu alvast een impressie van andere werkzaamheden op het land.


Toen, op 31 januari 1958: slachtersvisite.

De Vechtstreek van 31 januari 1958 bevat dit gedicht van de hand van dichter Hendrik van Laar te Lutten aan de Dedemsvaart.

De zwatte en de grieze kreijen op de slachtes veziete op de Hörste in Diffelen, januari 1896.

’t Was bitter kold en daor lag snee
Gien bluumpien deide van de roeten.
De motte slachten völ niet mee,
Dat kon niet binnen, dat mos boeten.
Het sneekleed dekte ’t strodak mooi,
Waoran vergulde pegels blunken.
Ontstaon deur ’t vriezen nao de dooi,
Uut druppels, die daoruut verzunken.

De kinder uut de naoberschop,
Niet bange veur ne kolde tonge.
Die likten d’r aan en knabbel’n ‘z op,
Al was ’t naodelig veur de longe.
De maagd lag knielend bi’j ’t vuur,
Um dat met kienholt op de stokken.
Het braande langer dan een uur,
En toch wol ’t water maar niet kokken.

De kruderi’je was besteld,
En pochgaitjaan zol ’t wark verrichten.
In eigen ogen wasse ’n held,
Woor elk de pette veur mos lichten.
De motte kreeg ’n touw um ’t bien,
En weur etrökken bi’j zien oren.
Het leek wel, dätte ’t al kon zien,
Dat het gien slachen weur, maar moren.

Geweldeg schreeuwen asse dee,
Men kon het heuren in de kökken.
Eerst deed Gaitjaan ne lange snee,
En daornao weure in ’n hals estökken.
De koffie was al fien emääld.
De köppies kwamen uut de kaste,
De stoete weur d’r ook bi’jhaald,
Want poch Gaitjaan kwam ook te gaste.

“Kom, koffiedrinken”, reup de vrouw,
“De motte kan in tied wel starven.
Al heffe hum zien bien gien touw,
Hie zal ’t wel laoten weg te zwarven”.
Zie leupen allemaole vot
En drunken koffie in de kökken,
Het water kokte in ’n pot,
Maar ’t starvend muttien… was vertrökken.

Hum op te zuuken veul niet mee,
Gien enkel bloedspeur was te vinnen.
Die motte wenste in de snee,
Zien levensdraotien uut te spinnen.
De plaatse waor he störven was,
Kon ieder grieze kreije wiezen.
Zo kold as ies en hart as glas.
Was ’t dier ewörden deur ’t bevriezen.

Bedekt met snee en in nun sloot,
Was ’t dier aan bloedverlies estörven.
Hie kreeg dus wel nun zachten dood
En van zien vleis was niks bedörven.
De witte snee was rood deur ’t bloed,
Dat ’t hope jacht was op de Hörste.
Toch smaakte ziene schinke goed,
En wel veural de läkkere wörste”.