Toen, op 03 september 1776: de onverdeelde marke ‘Gramsbergen, Loozen en Radewijk’.

0903_Radewijk


Vandaag gaan we een heel eind terug in de tijd, namelijk naar het jaar 1776. Op die dag werd in Gramsbergen een zgn. ‘interrogatoria’ gehouden, een verhoor onder ede. Het woordelijk verslag van dat verhoor is bewaard gebleven in het contentieus archief van het voormalig schoutambt Hardenberg. We laten hieronder de transcriptie woordelijk volgen:

“Wij ondergetekende, alle getogen en geboren te Gramsbergen, verklaaren hier mede ter requisitie van de heer Grave van Rechteren, heer van Gramsbergen, dat ons zeer wel bewust en kenlijk zij, dat Gramsbergen, Losen en Radewijk ter heide en weide gemeen zijn, en een en dezelv de onverdeelde markte uitmaken, en ook altijd als soodanig met heiden, weiden en andersints door ons, en ook door de andere ingesetenen, en wel in het bijzonder door de ingesetenen van het stedeken Gramsbergen, zo veer ons geheugd, gebruikt zij en nog gebruikt word. Dat de voornoemde ingesetenen van het stedeken Gramsbergen bijna alle woonen op de grond van de heer Grave van Rechteren, en dat zij aan denzelven ’s jaarlijx voor die grond een zeker stuiver geld, de een meerder de ander minder, betaalen. Dat die van Gramsbergen, Loosen en Radewijk altijd, zo lang het ons geheugd, de wegen ijder in hun district en boerschap gemaakt hebben, zonder dat die van de andere boerschappen zig daar mede bemoeit hebben, als wel eene enkele reis daartoe verzogt zijnde, of uit bijzondere reden.

Zijnde ons verder ook zeer wel bekent dat het veld tusschen Lindelte en de kampen en huisen van Radewijk gelegen, gehoort onder de boerschap Radewijk en dat de weg die van de grensen der graafschap Bentheim door die boerschap langs het erve Hanekamp, na de Kooij onder Gramsbergen schiet, in dat velt gelegen is, gelijk ons vorder ook zeer wel bewust is dat Lennep een erve zij, gelegen in de boerschap Ten Velde, en dat de steen, staande op de Melenberg, de graafschap Bentheim en de boerschap Radewijk van elkander scheid. Wetende wij vorders al mede zeer wel dat de heer Grave van Rechteren tot Gramsbergen, eigenaar zij van het erve de Slingenberg, het welk voor het grootste gedeelte gelegen zij in de boerschap Ten Velde, dog ook in de onverdeelde markte van Gramsbergen, Losen en Radewijk gewaard zij, ten minsten in deselve heid en weid. Hebbende wij ook wel gekend Derk Geerts, Jan Baarslag, Hans Willem Weerts, Harmen op de Kooij en Albert Arends van den Slingenberg, welke alle reeds overleden zijn. Gramsbergen, den 3 september 1776″.


Toen, op 28 augustus 1937: opening boekhandel Snel in Gramsbergen.

0828_Snel_Gramsbergen
Prentbriefkaart, afkomstig uit de collectie van J. Woertel-van der Veen, staat het pand links afgebeeld, met het reclamebord van ‘North State’ op de gevel.

In ‘De Vechtstreek van 28 augustus 1937 lezen we:
“Gramsbergen. Opening Snel’s Boekhandel en Sigarenmagazijn. Heden zaterdagmiddag om 3 uur wordt, blijkens een advertentie in dit nummer, geopend Snel’s Boekhandel en Sigarenmagazijn. Deze zaak is gevestigd in het nieuwe pand aan de Stationsstraat, laatstelijk bewoond door den heer Kwant en voordien lange jaren door wijlen den heer M. Blein. Het oude huis is geheel afgebroken en voor rekening van den heer H.J. Reinders door den aannemer A. Reinders vervangen door een modern zakenpand, bevattende twee woon- en winkelhuizen. Het gedeelte aan de zijde van de Achterstraat is gehuurd door den heer J.E. Snel, die daarin de boekhandel en sigarenmagazijn vestigde. Waar deze zaak in nauwe samenwerking staat met Snel’s Boekhandel en Sigarenmagazijn te Hardenberg, waarvan het velen onzer lezers bekend zal zijn dat zij op beide onderdelen uitstekend gesorteerd is, zal dit ongetwijfeld ook het geval zijn voor de nieuwe zaak in onze plaats”.

Het pand stond, tot voor een aantal jaren geleden, ongeveer tegenover de kerk. Links ervan de Oudestraat (toen Achterstraat). Het pand is inmiddels alweer afgebroken en ter plekke is nieuwbouw gerealiseerd.


Toen, op 03 juni 1960: sloop van het gemeentehuis in Gramsbergen.

0603_gemeentehuis_Gramsbergen
In De Vechtstreek van 3 juni 1960 werd bericht over de aanstaande sloop van het vroegere gemeentehuis van Gramsbergen:

“Gramsbergen. Bij onderhandse aanbesteding is het slopen van het voormalige oude gemeentehuis, dat vele jaren diende als ambtswoning van burgemeester Van Riemsdijk, opgedragen aan de N.V. Sloperij te Rijssen. Onze correspondent voegt aan dat bericht toe dat daarmede weer een mooi oud plekje van Gramsbergen zal zijn verdwenen, maar dat zijn we nog niet zo met hem eens. Men moge het oude gebouw willen zien als een nogal groots aandoende herinnering aan een oud geslacht, dat veel voor Gramsbergen heeft betekend, maar voor het aanzien van de plaats is met deze sloping niet veel verloren”.

Het huis was in 1868 gebouwd door Otto van Riemsdijk, de toenmalige burgemeester van Gramsbergen. Zijn woning deed tegelijkertijd dienst als gemeentehuis. Toen de combinatie burgemeesterswoning-gemeentehuis niet langer mogelijk was, vanwege gebrek aan ruimte, schonk Cornelis Johannes van Riemsdijk, Otto’s zoon en opvolger als burgemeester, een perceel grond aan de overzijde van de Hardenbergerweg waarop een nieuw gemeentehuis verrees.


Toen, op 15 september 1926: ingebruikname veemarkt te Gramsbergen.

Op woensdag 15 september 1926 werd in Gramsbergen voor het eerst een veemarkt gehouden. Daartoe was eind 1925 reeds besloten, zoals blijkt uit een besluit van de Provincie:
“De Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel doen te weten dat zij bij hun besluit van heden hebben goedgekeurd het besluit van den raad der gemeente Gramsbergen, d.d. 1 december 1925, lot het instellen van een veemarkt te Gramsbergen (Stad), te houden geregeld op woensdag om de veertien dagen, te beginnen op woensdag den 6en Januari 1926, tenzij de vereischte goedkeuring van de in art. 5 der Veewet bedoelde verordening nog niet is verkregen of (en) het marktterrein nog niet in gereedheid is gebracht, in welk geval zal worden begonnen op den eerstvolgenden woensdag volgens die regeling volgende op den datum, waarop een en ander is goedgekeurd en het marktterrein is ingericht volgens de betrekkelijke voorschriften. Zwolle, den 9 Febr. 1926.”


Toen, op 13 november 1777: over de brand in Gramsbergen.


Boven de ingang van de kerktoren, aan de noordzijde, is het jaartal 1776 aangebracht, hetgeen geheel overeenkomt met wat de Groninger Courant een jaar later schreef.
De kerktoren was in 1776 en 1777 volledig vernieuwd en men was dus bijna klaar met de herstelwerkzaamheden toen de brand de torenspits verwoestte.
De kerktoren en de kerk zelf nu beschermd als rijksmonument.

De Groninger Courant van 14 november 1777 meldde:
“Groningen den 13 november. Van Gramsbergen, een Steedje in de Provincie van Overijssel, heeft men dat aldaar op den 4 deezer maand in een, aan het boveneinde van die plaats, staande huis, des voordemiddags tusschen tien en elf uuren brand ontstont, welke door den toenmaals sterk waayenden wind, met zoo veel en onbegrypelyke snelheid voortgedreeven wierd, dat binnen vier uuren alle de huizen, eenige weinige geringe die boven den wind wat afgeleegen stonden uitgezonderd, in vollen vlam, en nog dien zelfden dag tot de grond toe in de assche gelegd waaren, en welke brand te vehementer en onblusbaarder geweest was, doordien alle die huizen, die genoegzaam alle door lieden die den meede door den akkerbouw haar beslaan moeten vinden, met ongedorscht koorn, hooi en turf tot subsistentie van hun en hun vee opgevuld waaren, en dat daarenboven het ongeluk gewild heeft, dat de mansperzoonen buiten die plaats aan het repareeren van de wegen bezig waaren en dus aan den t’ huis gebleevenen ingezeetenen, die meerendeels uit vrouwen en kinderen bestonden, en die naauwlyks hun leeven hadden kunnen salveeren, de noodige hulp ontbrak waar door al meede veroorzaakt was dat uit dien alles verwoestenden brand weinig of niet geborgen heeft konnen worden.

Dat voorts door den vlam van de nabygeleegene huizen, de kerk in haar dak en soldering, ook des predikants bystaande woning aangestoken zynde, zeer beschaadigd waaren geworden. En eindelyk dat het daar niet by gebleeven was, maar dat ook door den vlam, en in de lugt vliegende brandstoffen, de spits van den, gedurende het laatst voorleeden en dit nog loopende jaar geheel van nieuws weer opgebouwde, en op een gedeelte van het leije dak na, daar aan gewerkt wierd, voltooide toren, in brand gestoken en meede tot op het muurwerk toe afgebrand was. Dat daar door die ingezetenen in de allerbeklaagste en deerniswaardige omstandigheden in de uiterste elende en armoede met hunne vrouwen en kinderen, in dit reeds ruuwe en van dag lot dag verergerend winter-saisoen gedompeld waaren.”

De ‘s-Hertogenbossche Courant van 18 november 1777 meldde:
“Zwolle, den 6 november. Men heeft tijding dat den 3 dezer maand in den ogtend ten 10 uuren op de Heerlijkheid Gramsbergen, toebehoorde aan den Graaf van Rechteren, zig een geweldige brand geopenbaard had, dewelke men ontdekt heeft, dat door het heekelen van vlas ontstaan is. Door dezen brand zijn 44 huizen en het bovenste gedeelte van den toren in de assche gelegd; dus zijn van de huizen niet meer dan 14 à 15, zoo als ook de kerk overig gebleeven. Deze ramp is des te verderflijker geweest door dien men geen brandspuit van digter bij bekomen konde als van Hardenberg, welke plaats een en een half uur daar vandaan legt.”

De hierboven verhaalde ramp was de laatste grote die Gramsbergen getroffen heeft. Mede door verscherpte brandveiligheidsmaatregelen kon een herhaling van een stadsbrand voorkomen worden.