Toen, op 15 september 1926: ingebruikname veemarkt te Gramsbergen.

Op woensdag 15 september 1926 werd in Gramsbergen voor het eerst een veemarkt gehouden. Daartoe was eind 1925 reeds besloten, zoals blijkt uit een besluit van de Provincie:
“De Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel doen te weten dat zij bij hun besluit van heden hebben goedgekeurd het besluit van den raad der gemeente Gramsbergen, d.d. 1 december 1925, lot het instellen van een veemarkt te Gramsbergen (Stad), te houden geregeld op woensdag om de veertien dagen, te beginnen op woensdag den 6en Januari 1926, tenzij de vereischte goedkeuring van de in art. 5 der Veewet bedoelde verordening nog niet is verkregen of (en) het marktterrein nog niet in gereedheid is gebracht, in welk geval zal worden begonnen op den eerstvolgenden woensdag volgens die regeling volgende op den datum, waarop een en ander is goedgekeurd en het marktterrein is ingericht volgens de betrekkelijke voorschriften. Zwolle, den 9 Febr. 1926.”


Toen, op 13 november 1777: over de brand in Gramsbergen.


Boven de ingang van de kerktoren, aan de noordzijde, is het jaartal 1776 aangebracht, hetgeen geheel overeenkomt met wat de Groninger Courant een jaar later schreef.
De kerktoren was in 1776 en 1777 volledig vernieuwd en men was dus bijna klaar met de herstelwerkzaamheden toen de brand de torenspits verwoestte.
De kerktoren en de kerk zelf nu beschermd als rijksmonument.

De Groninger Courant van 14 november 1777 meldde:
“Groningen den 13 november. Van Gramsbergen, een Steedje in de Provincie van Overijssel, heeft men dat aldaar op den 4 deezer maand in een, aan het boveneinde van die plaats, staande huis, des voordemiddags tusschen tien en elf uuren brand ontstont, welke door den toenmaals sterk waayenden wind, met zoo veel en onbegrypelyke snelheid voortgedreeven wierd, dat binnen vier uuren alle de huizen, eenige weinige geringe die boven den wind wat afgeleegen stonden uitgezonderd, in vollen vlam, en nog dien zelfden dag tot de grond toe in de assche gelegd waaren, en welke brand te vehementer en onblusbaarder geweest was, doordien alle die huizen, die genoegzaam alle door lieden die den meede door den akkerbouw haar beslaan moeten vinden, met ongedorscht koorn, hooi en turf tot subsistentie van hun en hun vee opgevuld waaren, en dat daarenboven het ongeluk gewild heeft, dat de mansperzoonen buiten die plaats aan het repareeren van de wegen bezig waaren en dus aan den t’ huis gebleevenen ingezeetenen, die meerendeels uit vrouwen en kinderen bestonden, en die naauwlyks hun leeven hadden kunnen salveeren, de noodige hulp ontbrak waar door al meede veroorzaakt was dat uit dien alles verwoestenden brand weinig of niet geborgen heeft konnen worden.

Dat voorts door den vlam van de nabygeleegene huizen, de kerk in haar dak en soldering, ook des predikants bystaande woning aangestoken zynde, zeer beschaadigd waaren geworden. En eindelyk dat het daar niet by gebleeven was, maar dat ook door den vlam, en in de lugt vliegende brandstoffen, de spits van den, gedurende het laatst voorleeden en dit nog loopende jaar geheel van nieuws weer opgebouwde, en op een gedeelte van het leije dak na, daar aan gewerkt wierd, voltooide toren, in brand gestoken en meede tot op het muurwerk toe afgebrand was. Dat daar door die ingezetenen in de allerbeklaagste en deerniswaardige omstandigheden in de uiterste elende en armoede met hunne vrouwen en kinderen, in dit reeds ruuwe en van dag lot dag verergerend winter-saisoen gedompeld waaren.”

De ‘s-Hertogenbossche Courant van 18 november 1777 meldde:
“Zwolle, den 6 november. Men heeft tijding dat den 3 dezer maand in den ogtend ten 10 uuren op de Heerlijkheid Gramsbergen, toebehoorde aan den Graaf van Rechteren, zig een geweldige brand geopenbaard had, dewelke men ontdekt heeft, dat door het heekelen van vlas ontstaan is. Door dezen brand zijn 44 huizen en het bovenste gedeelte van den toren in de assche gelegd; dus zijn van de huizen niet meer dan 14 à 15, zoo als ook de kerk overig gebleeven. Deze ramp is des te verderflijker geweest door dien men geen brandspuit van digter bij bekomen konde als van Hardenberg, welke plaats een en een half uur daar vandaan legt.”

De hierboven verhaalde ramp was de laatste grote die Gramsbergen getroffen heeft. Mede door verscherpte brandveiligheidsmaatregelen kon een herhaling van een stadsbrand voorkomen worden.


Toen, op 21 september 1821: verkoop havezate Gramsbergen.

Huis Gramsbergen

De Overijsselsche Courant van 21 september 1821 meldt:
De erfgenamen van wijlen den Hoogwelgeboren vrouwe J.G le Chastelain, douairière baronesse van Coeverden, in leven vrouwe van Gramsbergen, zijn voornemens om op maandag den 24 september 1821, des voordemiddags ten 10 uren ten huize van den kastelein J. Odink Dz. op den Rustenbergh te Heemse, in de gemeente het Schoutambt Hardenbergh, door den notaris A. van Riemsdijk, resideerende ter Steede Hardenbergh, publiek en bij perceelen te doen inzetten, en om 3 weken daarna, maandag den 15 october aanvolgende ter zelfder uure en plaatse erflijk bij parceelen of in massa aan de meestbiedende te doen verkopen:
De riddermatige havezathe en goed Gramsbergen, liggende aan de steede van dien naam, kanton Hardenbergh, kwartier van Salland, provincie Overijssel, ten zuiden de rivier de Vecht, op 1 uur afstands van de Steede Hardenbergh voormeld, 2 uuren van de Stad Coevorden en 1/2 uur van het dorp Laerwoud in de Graafschap Bentheim, koningrijk Hanover, en bestaande uit deszelfs hechte en sterke, zeer logeable en allezints voor een zomer- en winter-verblijf geschikte, heeren-huizinge en bouwhuizen met koetshuis en stallingen, gestoeltens en grafkelder in de kerk te Gramsbergen, tuinen met exquisite vruchtbomen, goudvisch-kom en vijvers, wandelingen en dreeven, zo met opgaande boomen als met akkermaalshout beplant, bouw- en gaardenlanden, groen-, weide en hooijlanden (waaronder den zogenaamden Steen, leggende aan de rivier direct achter de behuizinge en weidende ’s jaarlijks 65 a 70 stuks koebeesten) turfgrond, en de erven en plantagien Den Slingenberg, de Kooij en het Zuidermans, tezaamen (de afzonderlijke bouwlanden in de Veldinger- en Lozer Eschen hier onder begreepen), voorts met deszelfs heerlijke en andere rechten, zo van jacht (deeze meede in een gedeelte der opgemelde Graafschap Bentheim) en visscherije, als collatie enz., mitsgaders met onderscheidene grond- en andere pachten, recognitien en diensten, deeze havezathe jaarlijks aankomende en verschuldigd; van al het welk tevens met de verkoops-conditien 8 dagen voor de inzate eene naauwkeurige staat op den Rustenberg voorschreven ter leezing zal worden voorgelegd, terwijl inmiddels des ook de begeerd wordende informatien te bekomen zijn op den huize Gramsbergen voorschreven, mitsgaders bij den Hoogwelgeboren heer jonkheer J. van Foreest van Heemse op den Huize Heemse en bij den notaris Van Riemsdijk te Hardenbergh voornoemd.


Toen, op 10 augustus 1825: Gramsbergen werd stad.

In het archief van de voormalige gemeente Gramsbergen wordt in inventarisnummer 165 een akte bewaard, waarin dit Koninklijk Besluit van 10 augustus 1825 werd bekend gemaakt:
“De gemeente van Gramsbergen, hoezeer tot het platteland der provincie Overijssel behoorende, zullen voortgaan respectivelijk den naam van stad, stadje of stedeke te dragen, zonder echter als zoodanig in de vertegenwoordiging ter Provinciale Staten eenig deel te ruimen”.

Koning Willem I besloot dus op 10 augustus 1825 dat de gemeente Gramsbergen zich voortaan officieel mocht tooien met het predicaat ‘Stad’.

Op 24 november 1819, dus bijna zes jaren daarvoor, kreeg Gramsbergen al een officieel gemeentewapen, vastgesteld bij besluit van de Hoge Raad van Adel.