Toen, op 17 augustus 1853: veiling erve Niezink in Brucht.

De Provinciale en Overijsselsche en Zwolsche Courant van 12 augustus 1853:

“W. Swam, notaris te Gramsbergen, is voornemens om op woensdag den 17 augustus 1853, des voordemiddags om 10 uren, ten huize van B.W. Stulen, kastelein te Hardenbergh, publiek te doen inzetten, en 14 dagen later aldaar erflijk verkoopen:

“Eene boerderij, het Nijzinks genaamd, in de buurtschap Brucht, gemeente Ambt Hardenbergh, bestaande in een huis met ongeveer 3 bunders, 82 roeden en 90 ellen bouwland, en 2 bunders hooiland met een vierde van een vol whaars aandeel in de heide-, weide- en veengronden der marke van Brucht, waarvan de grootte voor dit aandeel bedraagt p.m. 19 bunders, wordende doorsneden met het uitgebakende kanaal uit de Vecht naar dat door Dalmsholte van de Overijsselsche Kanaal Maatschappij.”

Het Nijzink of Niesink was een van de vanouds gewaarde erven in de marke Brucht. Op de oudste kadastrale kaart (zie uitsnede) stond het in 1832 vermeld als ’t Niesink en was het bekend onder sectie F nr. 112. Het erve was indertijd eigendom van Hannes Niesink en echtgenote Aaltjen Hilverdink. Zij waren op 6 maart 1804 getrouwd in de kerk in Hardenberg. In het huwelijksregister staat aangetekend:

“Hannes Nijsink, weduwenaar van Elisabeth Derksz, geboortig van en woonachtigh te Brucht, zoon van Jan Nijsink en Aaltjen Hendriks, en Aaltjen Hilverdink, j.d. geboortig te Diffelen, doch tans woonachtigh te Bergentheim, dochter van Albert Hilverdink en Catharina Maria Dannebroek, op 6 maart 1804 ten Hardenbergh gecopuleerd”

Hannes was twee jaar eerder, op 30 april 1802, getrouwd met Elisabeth Derks, maar zij is al vrij snel na het huwelijk gestorven…

Anno 2015 is het erve Nijzink te vinden aan de Hardenbergerweg no. 34 en 36 in Brucht. Dat wordt onder andere mooi inzichtelijk gemaakt met behulp van de website ‘watwaswaar.nl’ (zie bijgaand kaartje).


Toen, op 10 augustus 1825: Gramsbergen werd stad.

In het archief van de voormalige gemeente Gramsbergen wordt in inventarisnummer 165 een akte bewaard, waarin dit Koninklijk Besluit van 10 augustus 1825 werd bekend gemaakt:
“De gemeente van Gramsbergen, hoezeer tot het platteland der provincie Overijssel behoorende, zullen voortgaan respectivelijk den naam van stad, stadje of stedeke te dragen, zonder echter als zoodanig in de vertegenwoordiging ter Provinciale Staten eenig deel te ruimen”.

Koning Willem I besloot dus op 10 augustus 1825 dat de gemeente Gramsbergen zich voortaan officieel mocht tooien met het predicaat ‘Stad’.

Op 24 november 1819, dus bijna zes jaren daarvoor, kreeg Gramsbergen al een officieel gemeentewapen, vastgesteld bij besluit van de Hoge Raad van Adel.


Toen, op 07 augustus 1937: over bodemvondsten op de Baalder Esch.

De Vechtstreek schreef op 7 augustus 1937:
“Hardenberg. Urn en stenen bijl gevonden. Zoals de meesten onzer lezers wel zullen weten is men nog steeds bezig met het ophogen van den Marsch. Het daarvoor benodigde zand wordt met kipkarren aangevoerd uit Baalder. Bij het zandgraven aldaar zijn, naar men ons mededeelt, wederom enige voorwerpen tevoorschijn gekomen en wel een urn en een vrij scherpe steenen bijl. Bij informatie bleek ons, dat deze voorwerpen nog niet bij den burgemeester onzer gemeente zijn bezorgd.”

Precies een week later schreef dezelfde krant:
“Hardenberg. Uit de oudheid. Weer zijn er dezer dagen bij het zandgraven te Baalder een paar urnen tevoorschijn gekomen, helaas niet in ongeschonden toestand. De burgemeester was zo vriendelijk, ons in de gelegenheid te stellen ze te bezien. Het blijkt wel, dat deze omgeving vroeg bevolkt was; wie weet, welk kostbaar materiaal de bodem hier nog bevat. Onze deskundigheid is volstrekt onvoldoende, om ons te oriënteren omtrent wat onze bodem voor beschavingen heeft gedragen en waaraan die perioden van beschaving te kennen zijn. Ofschoon leek, wagen wij het toch, de veronderstelling uit te spreken dat het gevondene afkomstig is uit het Gallo-Germaansche tijdperk, van pl.m. 300 vóór tot 100 na Christus. Vergelijking van vorm en figuratie met die, welke voorkomen op de afbeeldingen der urnen op de oudheidkundige wandplaat voor Nederland door N. Holwerda-Jentink, geeft ons vrijmoedigheid dit overmoedig te uiten. Maar we herhalen het: deskundigheid ontbreekt ons en we zouden ons zeer verheugen als tot oordeelen bevoegde archeologen eens kwamen en hun licht lieten schijnen. Het bovenstaande was al gezet, toen deze wens vervuld werd. Vrijdagmorgen kwam hier nl. de bekende archeoloog mr. Ter Kuile. Hij heeft een kijkje genomen op het terrein, waar de urnen gevonden zijn en deze ten gemeentehuize gezien. Aan zijn deskundigheid danken we het dat we het door ons uitgesproken vermoeden moeten intrekken; we hadden ons niet minder dan 2000 jaar vergist (dat komt er van als men gaat oordelen over dingen waarvan men geen verstand heeft). De bewuste urnen zijn uit een tijdperk, ca. 2000 jaar vóór Christus; de lijken werden toen nog niet verbrand, maar begraven, zoo’n urn werd dan als ‘bijgave’ bij ’t lijk gelegd.”

In de zomer van 1937 waren arbeiders bezig met het ophogen van de Marsch en het opvullen van oude watergangen bij stad Hardenberg. Men voerde het benodigde zand aan uit Baalder. Dit gebeurde in het kader van de werkverschaffing. Meester Jongsma, die altijd zeer geïnteresseerd was in de plaatselijke geschiedenis, was snel ter plekke en zag dat men hier met een bijzondere vondst van doen had. Hij schakelde de burgemeester in, evenals mr. G.J. ter Kuile, de voorzitter van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG). In het vervolg stond meester Jongsma er elke dag bij als er weer verder gegraven werd. Ter Kuile schreef in 1938 over hem: “Zoo heeft deze onvermoeide speurder elken dag ter plaatse toezicht uitgeoefend, heeft gezorgd, dat zoo weinig mogelijk zoek raakte of stuk ging, heeft namens de Vereeniging de werkers een behoorlijke belooning telkens uitgereikt en heeft de moeizame expediëering bezorgd.”

Er kwamen veel voorwerpen aan de dag: in totaal een 35-tal kommen, bekers, schaaltjes, potjes en zelfs twee flesjes van aardewerk, zogenaamde kraagflesjes. Verder veel vuursteen, bewerkt en onbewerkt, waaronder zes bijlen.

Mr. Ter Kuile schreef in zijn verslag over de vondsten: “De Baalder Esch, gelegen in de oude Baalder Marke, ongeveer een kwartier gaans ten oosten van het stedeke Hardenberg in een langzame glooiing zich plus minus twee meter verheffend boven de omliggende gronden, vertoonde tijdens de afgraving na een eeuwenlange bebouwing een geweldige humuslaag, teellaag, van ruim 1 meter dik. Tot op onze dagen hadden oude beddingen van de Vecht daar in grillige bochten en over wijde breedten hun water langs gestuwd, de omgeving uitgehold, het esch-terrein afgerond en er een brede veilige waterbescherming omheen gelegd. Na 1901 werd de Vecht op die plaats geheel verlegd, genormaliseerd, en nu werd die hooge esch in maanden-langen arbeid verticaals-gewijze afgegraven en werd het diepliggende witte, onvruchtbare zand, welzand, in kipkarretjes weggereden tot opvulling van verlaten Vechtarmen. En juist in die diepe, witte zandlagen, dus ongeveer 1.85 M onder het maaiveld, maar op zéér ongelijke diepte telkens, werden deze vondsten toevalligerwijze blootgelegd.”

Naast achttien aardewerkscherven uit de ijzertijd (800 – 12 voor Chr.) bleek het dat men hier van doen had met aardewerken potten, schalen, flesjes en bekers uit de Trechterbekerperiode,
3400 – 2900 voor Christus, ook wel de Hunebedtijd genoemd.

Twee jaar eerder, in 1935, waren ook al potten en urnen gevonden in Baalder bij de afgraving van een aangrenzende es iets oostelijk van de vindplaats in 1937. Omdat de arbeiders er geen beloning voor kregen werd het vaatwerk achteloos weggegooid en in stukken gesmeten. Slechts één enkele gave gladwandige pot met veertien stempelindrukken bleef behouden. Het was een kogelpot.

Door zorgvuldig archeologisch onderzoek en toevallige vondsten is aangetoond dat in de directe omgeving van de stad Hardenberg al bijna 10.000 jaar lang mensen langs de Vecht zijn getrokken en er in sommige tijden hebben gewoond. Net als nu kenden deze mensen goede en slechte tijden. Wat ons tastbaar verbindt met hen zijn slechts bodemverkleuringen en enkele
voorwerpen. Duizenden jaren lang hebben mensen hier meer en meer vat proberen te krijgen op de natuur. Uiteindelijk heeft dit
geleid tot onze huidige woonomgeving.

(vrij naar een bijdrage van H.W. Dimmendaal, 2009)
(afbeeldingen van de Baalder vondsten afkomstig uit de database van het Archeologisch Depot in Deventer)


Toen, op 01 augustus 1916: eerste-steen-legging school te Radewijk.

school Radewijk

Op 1 augustus 1916, werd ‘de eerste steen’ gelegd van de nieuw te bouwen ‘school met den bijbel’ aan de Radewijkerweg in Radewijk.

Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, waarbij Nederland gelukkig een neutrale positie kon behouden, werd in Radewijk onder leiding van predikant dr. C.C. Schot uit Hardenberg een vergadering gehouden met als doel het oprichten van een ‘School met den Bijbel’. Men besloot een bouwterrein aan te kopen van Janna Derks, de weduwe van Albert Jansen. De begroting voor het bouwen van de school en een meestershuis bedroeg 10.000 gulden. De laagste van de 14 inschrijvers bij de op 27 juni 1916 gehouden aanbesteding bleek aannemer Huijgen uit De Krim. Hem werd de opdracht gegund om een tweeklassig schooltje en onderwijzerswoning te bouwen naar het door architect Joh.D. Meppelink uit Coevorden ontworpen bestek.

personeel school Radewijk

Eind 1916 werd het eerste schoolhoofd, B. Schipper, aangesteld en op 4 januari 1917 werd het schooltje feestelijk in gebruik genomen met 45 leerlingen die voorheen onderwijs hadden genoten in de openbare lagere school aldaar.

Door de snelle groei moest men in 1930 het schoolgebouw uitbreiden met een derde lokaal. In 1971 zou de school maar liefst 130 leerlingen tellen, het grootste getal in de geschiedenis van de nu bijna een eeuw oude school. Zou men over anderhalf jaar een eeuwfeest vieren in Radewijk?

reactie Herma Varweg:
Wat leuk! Mijn oude basisschool. ..daar achter stond mijn ouderlijk huis.


Toen, op 28 juli 1227: de ‘Slag bij Ane’.

Ane 1227

Op 28 juli 1227 vond de ‘Slag bij Ane’ plaats, ook wel bekend als ‘de Gulden Sporenslag van de Lage Landen’.

De veldslag bij Ane is zonder twijfel een van de indrukwekkendste gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Het was de grootste ramp uit die tijd.

Drenthe stond vanaf die datum op de kaart en de stad Assen heeft zijn bestaansrecht als ’t ware aan deze veldslag te danken. Zelfs kan men zonder overdrijven stellen dat de steden Zwolle, Ommen en Hardenberg hun ontstaan mede te danken hebben aan de Slag bij Ane. Zwolle en Ommen kregen als beloning voor de aan de bisschop verleende hulp stadsrechten, Hardenberg kreeg een stedelijke versterking voor de bisschoppelijke verdediging van het gebied ‘Oversticht’. Hardenberg bestond toen overigens helemaal nog niet. Wel het nabij gelegen ‘stedeke’ Nijenstede. Hasselt kreeg in 1252 stadsrechten, vanwege de hulp van de vier ridders uit Hasselt bij de Slag bij Ane.

Bij deze Slag bij Ane kwamen zo’n vierhonderd ridders en andere adellijke schildknapen om in het hoogveenmoeras. Ze hadden gevochten tegen een Drents boerenlegertje, waaraan ook de vrouwen hadden meegedaan. Het Utrechtse ridderleger – dat de weerspannige Drenten een lesje wilde leren – werd aangevoerd door de toenmalige bisschop van Utrecht, Otto II van der Lippe. De bisschop was zoals in die tijd gebruikelijk tevens wereldlijk heerser over Overijssel, Drenthe en Groningen. Het Drentse boerenlegertje, bewapend met pijlen en speren, stond onder commando van Rudolf van Coevorden, de slotvoogd van Coevorden. Het door de bisschop aangevoerde Utrechtse ridderleger bestond uit een keur van zwaar geharnaste ridders te paard. Hieronder waren grote namen als de graaf van Gelre, Gijsbrecht van Amstel, graaf Boudewijn van Bentheim, Rudolf van Goor.

Een aantal van hen was kort ervoor samen met bisschop Otto van de (vijfde) kruistocht, naar de stad Damiate (Doemjat) in Egypte naar Nederland teruggekeerd. Ook uit Duitsland waren er ridders die de bisschop wel een handje wilden helpen om in Drenthe orde op zaken te stellen. Zo was onder andere de beroemde kruisridder Bernhard von Horstmar van de partij. Hij kwam uit het Duitse stadje Horstmar, niet ver van Munster. Hij had in heel Europa naam gemaakt in de kruistocht van de Engelse koning Richard Leeuwenhart en gold in Europa als een beroemdheid op militair terrein. Zo op het eerste gezicht leek het Drentse boerenlegertje geheel kansloos tegen dit voor die tijd hypermoderne Europese leger.

Toch werden de Utrechtse ridders bijna allemaal door de lichtbewapende Drenten in de pan gehakt. Ze werden een slachtoffer van hun eigen kostbare wapenrusting, blinkende zware harnassen en schilden. Ze kwamen namelijk niet ver van Ane in het zompige veen terecht. Daarin zakten ze in hun zware harnassen met paard en al weg. Daarnaast kregen ze het door het drukkende weer op die 27e juli – het was toen bloedheet – in die zware bepantsering spaans benauwd. Als gevolg van dit alles raakte het leger ook nog in paniek en gedesoriënteerd. Zo konden de in het veen vastzittende paarden niet meer voor of achteruit en werden ze ook nog eens door hun eigen achterhoede onder de voet gelopen. Er ontstond een vreselijke chaos. Voor de licht bewapende Drenten, die zich wel makkelijk op het veen konden bewegen, vormden de edele ridders dan ook een gemakkelijke prooi. Volgens een kroniekschrijver begon toen ‘het vleeshakken’ dat de hele dag zou voortduren. Honderden ridders werden door hen afgeslacht. Onder de doden bevonden zich bisschop Otto II en ridder Bernhard von Horstmar.