Toen, op 18 februari…

De Schiedamsche Courant van 1 maart 1858 meldde:
In de vorige week is in de gem. Hardenberg overleden, in den ouderdom van 73 jaren, zekere G.W., van beroep schaapherder. Van dezen man, die, volgens de algemeene opinie, uit een zuinigheids-principe ongehuwd was gebleven, weet men zich niet te herinneren dat hij ooit een stuiver voor tabak, noch voor iets wat niet tot de dringendste levensbehoeften behoort, heeft uitgegeven. Van daar ook dat hij, naar men verneemt, door zijn 60-jarig herdersbedrijf, aan zijne familie de aanzienlijke som van f. 12.000,- heeft nagelaten.

Het ging om de ongetrouwde Gerrit Waterink. Hij was in 1785 geboren in Anevelde en op 11 september van dat jaar gedoopt in de kerk in Hardenberg. Hij was de oudste zoon van Marten Waterink en Jennegien Uelderink. Na zestig jaar lang met zijn schaapskudde te hebben gezworven over het Hardenbergerveld, overleed hij op 18 februari 1858 te Venebrugge. Zijn gehele bezit vererfde op zijn zusje Aaltjen Waterink, getrouwd met Gerrit van ’t Holt.


Toen, op 28 december… de ontslagen commies

In Collectie Overijssel (het voormalige HCO) te Zwolle, in toegang 1447.1, wordt het familiearchief Van Dedem bewaard. Onder inventarisnummer 467 vinden we een bijzondere brief, gedateerd 28 december 1843. De brief is verzonden door de te Hardenberg wonende, ontslagen commies Bartholomeus Cromjongh, gericht aan de hoog weledelgeboren heer baron van Dedem tot den Berg te Dalfsen. Cromjongh schreef:

Mijn heer! Met gevoel van eerbied kom ik mijne welmenende dank betuigen voor de van u onlangs ontvangen weldaad, mij zoo deelnemend toegevoegd, in mijne folteringe dien ik zoo onverdiend onderga met vrouw en 5 kinderen.

God, hope ik met de mijnen, spare u benevens hoog geëerde familiekring, voor zoo noodlottig schuldeloos leiden. Daar men mij op den 4 julij jl. door het gouvernement van Overijssel, zonder iets op mijn geweten te hebben, door laster, zonder verhoor, als commis der 1 klasse uit ’s Rijksdienst heeft ontslagen, ter zake eener valsche beschuldiging, van de zeijde des heere controleur (Van Rhijn) thans liniecontroleur te Hardenbergh, als of ik, schrijver, steller of medeweter zou zijn eener valsche brief aan het Gouvernement te Zwolle gerigt, ten naam voerenden (Rut van Kranen), commis te voet der 3 klasse te Venebrugge (grenskantoor) inhoudende verzoek om tot belang zijner kinderen, van daar te worden overgeplaatst, werwaards eene school is. Gelieve mij te willen geloven, u heere dat het nimmer bij mij noch de mijnen is opgekomen om ons aan een dusdanige brief schuldig te maken. En evenwel vaart men voort, om mij uit het cader der ambtenaren te stellen.

Mijne troost zoekende bij het boek der psalm 55 vers 23, alsmede bij psalm 7 en 120 en gezang 37. En dan ben ik zoo gerust, en ik houd nog moet, daar mijne zaak regtvaardig is, en zal ik nog wel eens zegepralen. De heere slaat en geneest, dus het water wel tot de lippen kome, dan wil nog wel uitkomst schenken, hoe wonderbaarlijk ook voor ons klein doorzicht. Dit is zoo! weledelgeboren heer! dat mij uit eene goede bron gezegt is, men bij u veel vermag, wanneer men met een regtvaardige zaak te worstelen heeft, om redding bij u zoo gulhartig te kunnen vinden. Och! red mij als een altoos braaf man en vader en tevens een eerlijk ambtenaar. God, die de liefde zelve is, belone u voor deze daad. Lange heeft men mij gezocht, en heeft men mij nimmer op mijne ambtsverrigting niet kunnen bestraffen, maar heeft men mij zoo willekeurig behandeld, waar van ik beklag aan de Hooge Raad der Nederlanden ingediend, zie daarover staatscourant van 11 aug. 1843 no. 190 – en ben als een ambulant ambtenaar behandeld, en nog onophoudelijk verplaatst, waardoor ik arm en in den achterstand gebracht ben – zoo zelfs, dat in de gemeente Blokzijl van mij mijn zilvere tabaxsdoos en van mijne vrouw haar halsketting verpand staan. Zoo zelfs, dat de tijd sneld om aldaar verkogt te zullen worden. De doos voor f. 18 en de halsketting voor f. 12. Och! mocht ik eene weg gebaand vinden dat ik die panden konde lossen, onder voorwaarde dat die voorwerpen onder de bewaring wierde gesteld, tot zoo lange het de voorzienigheid zal gelieven behage mij uit deze ongelukkige positie te redden. Wij vleijen ons eerbiedig, om een gunstig berigt van u te zullen mogen ontvangen. ’t Welk smekende. B. Cromjongh.

In augustus 1843 was een pleitbrief van Cromjongh over zijn ontslag door de Tweede Kamer voor kennisgeving aangenomen. De commies was gestationeerd aan de Venebrugge, maar had dus zijn congé gekregen. Hij was in 1814 in Leerdam getrouwd met Jannigje de Jong. Aanvankelijk had hij gewerkt als koopman en winkelier, maar later werd hij rijksambtenaar (commies te voet eerste klas). Kinderen werden geboren in Culemborg, Leerdam en Papendrecht, voor hij naar Venebrugge kwam. Uiteindelijk is hij na zijn ontslag terecht gekomen in Dordrecht, alwaar hij aan de slag kon als praktizijn aan de regtbank. Bartholomeus overleed daar op 71-jarige leeftijd in 1861.


Toen, op 08 mei 1833: havezate Venebrugge door brand verwoest.

De Overijsselsche Courant van 17 mei 1833 schreef:
“Heemse, den 9 mei.
In den laten avond van gisteren en ten afgeloopen nacht is ten gronds toe afgebrand het woonhuis van B. Veenebrugge Cz. aan de Veenebrug in de gemeente het Ambt Hardenberg; zijnde behalven de geheele daarin aanwezige ruime inboedel des voormelden eigenaars, zijne gereedschappen voor de huishouding en boerderij, de voorraad van leeftogt en voeding voor menschen en vee, daarin ook nog zes stuks kalveren omgekomen, als mede ook tevens al het lijfstoebehooren der dienstboden verbrand.

De brand, waarvan men de eigenlijke oorzaak niet weet aan te geven, schijnt binnen ’s huis te zijn ontstaan omstreeks 11 uren des avonds op het oogenblik, dat, behalve de huisvrouw, al de te huis zijnde huisgenooten reeds te bed en slapende waren, wachtende zij op de te huiskomst van derzelver voorzeiden echtgenoot en oudsten zoon, die juist bij het begin van den brand van Sibculo kwamen te huis rijden en daar door nog in de gelegenheid waren, derzelver verdere vee aan denzelven te ontvoeren, doch overigens van derzelver verder in het gebouw aanwezige bezittingen niets vermogten te redden, als staande momentelijk en op eens in ligte laaije vlam, grootelijks begunstigd wordende door het riet en stroodak des gebouws: en hebbende zich alzoo de vlijt en de waakzaamheid van de overige bewoners der Veenebrug, mitsgaders van de aldaar gestationneerde rijksbeambten en eenige dadelijk uit de nabijheid ter hulp toegesnelde personen alleen moeten en met vrucht kunnen bepalen tot de wering der vlammen van het belende woonhuis van B. Schutte, mede, zoo en als de nabij staande schuren en schaapskooijen, met riet en stroo gedekt, zijnde derzelver onvermoeide pogingen, opvolgende gesterkt door een uit de stad Hardenberg aangevoerde brandspuit en de toesnelling der ingezetenen van de buurtschap Brucht met hunne brandhaken en een aantal water emmers, mitsgaders begunstigd door den zich leggenden wind, dan ook ten dezen gelukt en alzoo alle verder onheil te voorgekomen.”

Nog in hetzelfde jaar werd op dezelfde plek een nieuwe boerderij gebouwd, gefundeerd op veldkeien. In de achtergevel herinneren twee stenen aan de bouw. Ze hebben als inscriptie: ‘gebouwd’ en ‘int jaar 1833’.

Op de foto is de grote boerderij van de havezate Venebrugge te zien. Opmerkelijk is de ‘knik’ in het dak, halverwege het pand. De achtergevel is dertien meter hoog, terwijl de voorgevel nog ruim een meter hoger is. Men zou daaruit kunnen opmaken dat het voorhuis van oudere datum is, maar de krant van 1833 geeft daarover volstrekte duidelijkheid: ‘het is ten gronde toe afgebrand’.

Rechts op de foto staat de boerderij van Berend Schutte die in 1833, zoals we lazen, met vereende krachten gespaard bleef. Het is echter decennia geleden afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe schuur.

Nog veel meer informatie over de voormalige havezate leest u op onze website:


Toen, op 16 juni 1662: Stierf Rabo Herman Schele toe Weleveld en Venebrugge.

0616_Schele
Rabo’s portret is bewaard gebleven en maakt deel uit van de omvangrijke collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam.

Op 16 juni 1662 overleed Rabo Herman Schele toe Weleveld en Venebrugge.

Radbodus Hermannus Schele werd in 1622 uit een aanzienlijk geslacht geboren op het huis Weleveld bij Borne. Zijn vader, Sweder Schele tot Weleveld en Welberg, die vanwege de ridderschap der provincie Overijssel in 1619 in de vergadering van de Algemene Staten had gezeten, overleed terwijl zijn zoon aan de hogeschool studeerde.

Na volbrachte studie maakte Rabo een buitenlandse reis om de verkregen kennis en kunde te vergroten, mensen te leren kennen, en de regeringsvorm, geaardheid, zeden en gewoonten van andere volkeren van dichtbij te aanschouwen. Eerst nam hij zijn weg naar Frankrijk, vervolgens naar Italië, waar hij zich vooral op de krijgskunst toelegde. Om zich in de wapenhandel te oefenen, en van het belegeren van steden en de verdere delen van de krijgskunst, betere denkbeelden te vormen, nam hij dienst in het leger van de groothertog van Toscane. Vooral maakte hij werk van een nauwkeurige vergelijking van de toenmalige en oude wijze van oorlogvoeren, met het oogmerk om, bij zijn terugkomst, zijn vaderland, dat toen nog met Spanje in oorlog was, van dienst te zijn. Zijn verdiensten bleven niet onopgemerkt.

Na vier jaren in het buitenland nam Rabo zijn verblijf op het voorouderlijk huis Welberg, niet ver van Steinfurt. In stille eenzaamheid besteedde hij daar zijn tijd met het lezen en beoefenen van de schriften van oude historieschrijvers, dichters en redenaars. De rust duurde niet lang. Overijssel werd namelijk door binnenlandse twisten beroerd. Om deze tot bedaren te brengen, oordeelde men geen beter toevlucht te kunnen nemen dan tot de raad, de mond en de pen van de geleerden ridder. Gelukkig slaagde Rabo erin zijn opgelegde taak te volbrengen en gedroeg hij zich als een ijverig voorstander van de rechten en vrijheden van zijn vaderland. Daarna werd hij tot nog belangrijker zaken geroepen.

In 1651 verscheen hij, vanwege de ridderschap van Overijssel, op de grote vergadering, na het sluiten van de vrede met Spanje, om de regeringsvorm van ons land op een vaste voet te brengen. Mede hierdoor verwierf hij de achting en het vertrouwen van zijn landgenoten. Vervolgens werd hem het drostambt van IJsselmuiden opgedragen. Niet lang overleefde hij deze verheffing. Twee maanden later (op 16 juni 1662) ontrukte hem een brandende koorts aan zijne vrienden en vaderland, in de ouderdom van nog geen 40 jaren. Zijn lijk werd in de kerk te Borne ter aarde besteld.

Rabo heeft in de zeventiende eeuw een aantal belangrijke boeken geschreven over politiek gevoelige onderwerpen in die tijd, zoals over de algemene vrijheid (Libertas publica). Ook heeft hij enige tijd gewerkt voor het hof van Toscane.

Vanaf 1612 was de familie Schele toe Weleveld beleend met de berchvrede, de havezate Venebrugge.