Categorie Wereldoorlog II

Toen, op 29 augustus 1939: de paardenvordering.

De Vechtstreek van 2 september 1939 meldde:
“Hardenberg. Wat reeds eenige dagen was verwacht, geschiedde maandagmiddag: het mobilisatiebevel werd uitgevaardigd. Dadelijk, nadat per radio deze mededeeling was gedaan, werd het huis ontvloden en begaf men zich in de richting van het gemeentehuis, wel wetende dat daar onmiddellijk die maatregelen zouden worden genomen, welke een gevolg zijn van het mobilisatiebevel.

Het duurde nog al even alvorens ten stadhuize het officiële telegram was ontvangen. Het publiek besprak den internationalen toestand en waagde allerlei gissingen. Eindelijk verschenen de verschillende publicaties op het aanplakbord. Bewust van den diepen ernst van het ogenblik, aanvaardde men den toestand met de noodige kalmte. Van zenuwachtigheid was niet het minst te bespeuren, niettegenstaande er velen waren die zelf of van wien een der huisgenooten den volgenden dag onder de wapenen moest komen. Langzamerhand verspreidde de menigte zich weer om op andere plaatsen groepjes te vormen die bijna tot het middernachtelijk uur den internationalen toestand bespraken.insdagmorgen den 29sten was er al weer vroeg een bijzondere drukte waar te nemen. Veel dienstplichtigen moesten nu huis en haard verlaten en werden door familieleden en vrienden naar het station gebracht. Alles verliep uiterst ordelijk.

De paardenvordering gaf veel bekijks. De houders van paarden in de gemeente Stad Hardenberg moesten deze aanvoeren op den Stationsweg. Vandaar werden ze geleid naar het Marktplein, waar inmiddels ook de paarden uit Ambt Hardenberg en Gramsbergen aankwamen. Ze werden voor een deskundige commissie geleid, welke de dieren moest keuren of ze al dan niet geschikt waren. Voor verschillende bezitters bracht het afstaan hunner paarden moeilijke ogenblikken mee, terwijl weer anderen gaarne afstand wilden doen, omdat ze wel wisten een behoorlijke prijs voor hun dieren te zullen ontvangen. Steeds meer paarden kwamen aan. De goedgekeurde werden getaxeerd, waarna een brandmerk op de hoeven werd aangebracht. Vervolgens werden ze naar het voetbalveld gebracht, om enkele uren later naar het station geleid te worden waar de trein de dieren vervoerde naar onbekende bestemming. Natuurlijk was bij het inladen weer een buitengewone belangstelling. Alles verliep ordelijk en toen de trein zich in beweging zette, keerde het publiek terug, om zich eenigen tijd later ter ruste te begeven.”


Toen, op 28 mei 1943: Ru de Bruin vermoord.

Op 28 mei 1943 werd een van Hardenbergs meest prominente inwoners slachtoffer van nazi-terreur. Rudolf Emanuel (Ru) de Bruin stierf die dag in een gaskamer van het concentratiekamp Sobibor.

In de collectie van het NIOD, het Nederlands Instituut voor oorlogs-, holocaust en genocide-studies, worden enkele na-oorlogse edities bewaard van de Hardenbergse krant “De Vechtstreek”. Die krant werd uitgegeven door Ru de Bruin. Hij was sinds 1920 eigenaar van een drukkerij met dezelfde naam, gelegen op de hoek van de Voorstraat en de Fortuinstraat. Daarnaast was Ru vanaf 1927 raadslid en van 1935 tot 1940 wethouder voor de gemeente Stad Hardenberg. Op 27 november 1940 werd hij door de Duitse machthebbers gedwongen om die functies neer te leggen en op 17 december 1941 werd zijn bedrijf op last van de Sicherheitspolizei in Zwolle gesloten. In mei 1943 werd Ru met zijn vrouw op transport gesteld naar de Duitse vernietigingskampen. Nog diezelfde maand en een dag voor zijn 56ste verjaardag stierf Ru in het concentratiekamp Sobibor.

Een kleine twee jaren later, op zaterdag 21 april 1945, verscheen de eerste editie van de na-oorlogse “De Vechstreek”. In de kop van de krant stond nog altijd “Drukker-Uitgever R.E. de Bruin, Hardenberg”. Men wist nog niet dat Ru een van de ruim 100.000 Nederlandse joodse slachtoffers was. Sterker nog, op de voorpagina wordt in het inleidend artikel geschreven dat men niet langer wilde wachten met het ter perse laten gaan van het eerste nummer. Beter zou het zijn dat ‘de heer De Bruin bij zijn terugkeer een draaiende zaak vindt’. Het mocht helaas niet zo zijn.


Toen, op 10 mei 1940: De Duitsers vielen binnen

Een ooggetuigenverslag:
“Wie 10 mei zegt, denkt onmiddellijk aan de fatale datum. Er kan op 10 mei van alles gebeurd zijn: een kind geboren, een geliefde overleden, een jubileum gevierd; maar wie 10 mei zegt denkt zonder meer direct aan 10 mei 1940, toen de Duitse troepen ons land binnenvielen.

Na een knal uit de verte doordringend tot ons slaperig oor (het zou wel een bom zijn die ergens ver weg viel) volgde later dichtbij een knal zo hevig, dat we overeind sprongen in bed. Uit het raam van de slaapkamer turend, zagen we heel hoog formaties vliegtuigen, wier gezoem ons oor hadden bereikt. En spoedig overal druk gepraat, flarden van gesprekken. En dat zo vroeg in de morgen – dat was wel wat bijzonders. Aan oorlog wilden we eigenlijk niet geloven. In november was er na allerlei bange geruchten ook niets van gekomen. Als de Hollandse soldaten wel eens bezorgd waren, konden wij daar maar moeilijk in delen. En zou dan nu toch…?!
Ras waren de kleren aangetrokken. Onze buurman was altijd heel vroeg uit de veren om in de tuin te werken. Hij was er ook nu. ‘Wat zou dat geweest zijn, die knal?’. ‘De Vechtbrug is in de lucht gevlogen!’. ‘Zou men dan werkelijk bang zijn, dat de Duitsers komen?’. ‘Man, ze gaan al een uur lang over de Bruchterweg, kijk maar!’. En daar zagen we de troepen langs trekken. Vreemde soldaten en vreemd uitgedost. Met paarden en kanonnen, eindeloos. En voor hun huizen schoolden de bewoners samen; bang om wat komen kon. Met kloppend hart zagen wij twee soldaten afslaan, de Koppellaan in, het geweer in de aanslag. Maar er gebeurde niets, ze gingen ons rustig voorbij om zich langs het Slat weer bij de troepen te voegen voor de opgeblazen brug. Daar werd de intocht voor een tijdje onderbroken en naderden weer nieuwe troepenformaties.

Er was ondertussen al een en ander gebeurd in de vroege morgen in onze onmiddellijke omgeving. Kommies H. Visser aan de Venebrugge, die waarschijnlijk gerucht had gehoord aan de grens en door het raam had gekeken, was direct al bij de grensoverschrijding door een kogel dodelijk getroffen. Hoe kort was het nog geleden, dat zijn vrouw vrolijk lachend op de foto kwam bij het vertrek van de markt met een uitstapje van de N.C.V.B.? Nu was ze plotseling weduwe.”

Op de Gramsbergerweg werd de uit Berkum afkomstige Gerrit Jan Eilander zwaargewond door burgers aangetroffen en op een ladder naar het ziekenhuis in Hardenberg vervoerd. Eilander reed als duo-passagier op een motor mee en was getroffen door een handgranaat, afkomstig van een van de vier Duitsers die de groep Eilander vanuit een droge sloot onder vuur namen.
Sergeant Eilander werd door scherven getroffen in zijn onderlichaam, longen en schouder. Gemeenteveldwachter Sebel schreef in zijn verslag: “Sergeant Eilander is daar gevallen als een held. Hoewel hij was getroffen, heeft hij nog zijn geweer tegen een boom stukgeslagen en de grendel en zijn munitie vernietigd”.
Eilander werd nog dezelfde dag geopereerd in het Duitse Nordhorn, maar dat mocht niet meer baten… Zijn stoffelijk overschot werd op 15 juni vervoerd naar Zwolle. Daar, op de begraafplaats Bergklooster, vond de sergeant zijn laatste rustplaats.


Toen, op 02 mei 1945: Geert Migchels overleden.

Deze foto is gemaakt in het midden van de jaren ’30 van de vorige eeuw. We zien de werkplaats van Geert Migchels op de Belte, aan de huidige Geert Migchelsweg 1. Voor de zaak staat een 6 cylinder Studebaker.

Op 2 mei 1945, drie dagen voor de bevrijding, overleed Geert Migchels, een verzetsman uit Slagharen, op 40-jarige leeftijd.

Geert Migchels werd op 24 april 1905 in Nieuw-Amsterdam geboren als vijfde kind van koopman Willem Migchels en Jacoba Munneke. Na zijn jeugd te hebben doorgebracht in Nieuw-Amsterdam kwam hij op 31 augustus 1925 in Slagharen en werkte daar bij rijwielhersteller firma Mastenbroek. Daar was hij tot in het begin van de jaren dertig in dienst. Hij was er manusje van alles en knapte alle voorkomende werkzaamheden op. Toch was hij niet helemaal tevreden met zijn bestaan, want in zijn achterhoofd leefde het verlangen om een eigen zaak te beginnen. Als er klanten kwamen in de werkplaats, dan sprak hij er met hen wel eens over.

Omdat de winkel van Mastenbroek in het dorp lag, moesten de mensen uit Schuinesloot en de Belte naar het dorp komen voor hun reparatie of inkopen. Daarom drongen zij er bij Migchels op aan zijn verlangen in concrete plannen om te zetten en een
eigen zaak bij hen in de buurt op te zetten. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. De plannen kregen steeds meer gestalte. Dus werd er uitgekeken naar een goede locatie om een eigen zaak te beginnen. Na veel wikken en wegen leek hem de kruising van de Hoogeveenseweg en wat tegenwoordig de Geert Migchelsweg heet, een goede plek. Tegenover café
Kleinheerenbrink zou een woning en een werkplaats gebouwd kunnen worden, die hij onder bepaalde voorwaarden zou kunnen huren.

De woning werd gebouwd en in 1934 betrok Geert het nieuwe pand. Het duurde niet lang of de zaak groeide uit tot een bloeiende onderneming. Op 8 november 1934 trad hij in het huwelijk met Annie Wolf uit Schuinesloot. Het pand op de hoek, dat dienst deed als logement, werd gekocht. Het waren niet alleen fietsen, waar hij zich mee bezighield, ook motoren hadden zijn belangstelling. Er waren er twee die hij in onderhoud had. De ene was van Willem Seinen, de oprichter van Seinen’s Grafische Bedrijven. De andere was van de godsdienstleraar Wanders. Later hield hij zich ook bezig met het repareren van auto’s en radio’s.

Tijdens de Duitse bezetting was hij niet bang om zich in te zetten voor het verzet. Hij zorgde voor bonkaarten en stond regelmatig in contact met Frits de Zwerver en Johannes Post, die wel bij hem gelogeerd hebben. Op 7 augustus 1944 vond in Slagharen een overval plaats op een Duitse soldaat van wie het pistool werd afgepakt. Dit was een reden voor de Duitsers om een twintigtal mensen op te pakken en naar het kamp Ten Arlo te brengen
voor nader verhoor. Later werd een aantal, waaronder ook Geert
Migchels, op transport gesteld naar kamp Amersfoort. Daar werd
hij op of omstreeks 17 augustus 1944 ingesloten. De gevangenis-kleding was gemerkt met een rode bal, het teken voor politieke delinquent. Op 1 september 1944 werd hij naar Duitsland overgebracht. Het Arbeitsamt Böhlen stelde hem te werk bij de Saksische Werke aldaar. Tijdens zijn verblijf in Böhlen heeft hij meermalen brieven naar huis gestuurd om het thuisfront te laten weten hoe het met hem ging.
Geert werd later op transport gesteld naar kamp Buchenwald. Hij werd daar op 29 maart 1945 ingesloten en op 2 mei 1945 als gevolg van ontberingen overleden.

In de Staatscourant van 31 december 1953 werd zijn overlijden gemeld. Dit bericht van zijn overlijden is pas 18 maart 1993 officieel bekend geworden door het Rode Kruis. Zijn weduwe A. Migchels-Wolf heeft dus bijna vijftig jaar in onzekerheid verkeerd…


Toen, op 6 april 1945: bevrijding met een rouwrand.

oorlog
Vechtbrug in Hardenberg.

Hardenberg werd op vrijdag 6 april 1945 bevrijd door geallieerde eenheden die vanuit oostelijke richting, dus vanuit Duitsland, naar Zuid-Drenthe en Oost-Overijssel oprukten. In Heemse zaten toen nog Duitse soldaten. Om hen te verdrijven trokken op 6 april Canadezen met hun pantserwagens vanuit Hardenberg naar Gramsbergen om via de Haardijk Heemse te bereiken. Die omweg was noodzakelijk omdat de Duitsers de brug over de Vecht hadden opgeblazen.

Lees meer