– door Ruud Visser –

Naast de succesvolle geschiedenis over personen van het geslacht Van Riemsdijk uit Hardenberg en omgeving is het ook onze taak de geschiedenis van een minder succesvol persoon van dit geslacht te beschrijven, namelijk Jacobus van Riemsdijk (1796-1859) en zijn echtgenote Margaretha Elisabeth Schuurman (1790-1862), gehuwd op 11 september 1818 te Zevenaar.

Jacobus, geboren te Hardenberg op 11 augustus 1796 was de zoon van Johannes Wilhelmus van Riemsdijk (1770-1796) die gehuwd was met zijn volle nicht Johanna Elisabeth van Riemsdijk (1771-1830). Jacobus was hun enig kind. Korte tijd na Jacobus geboorte overlijdt zijn vader Johannes Wilhelmus op 22 december 1796.

Jacobus en Margaretha, woonachtig te Hardenberg, hadden voor zo ver bekend zeven kinderen, allen geboren te Hardenberg:

  1. Jacoba Clara, geboren op 01-09-1819 te Stad Hardenberg, overleden op 23-06-1837 te Stad Hardenberg, op ’t Zand no. 115 op 17-jarige leeftijd.
  2. Johannes Wilhelmus Christianus, geboren op 03-03-1822 te Stad Hardenberg.
  3. Wolterus Gerhardus, geboren op 04-04-1824 te Stad Hardenberg.
  4. Catharina, geboren op 26-12-1826 te Stad Hardenberg, overleden op 19-05-1829 te Stad Hardenberg, op ’t Zand no. 115 op 2-jarige leeftijd.
  5. Arnoldus Jacobus Johannes, geboren op 21-02-1829 te Stad Hardenberg.
  6. Jacobus, geboren op 04-01-1831 te Stad Hardenberg, overleden op 23-07-1835 te Stad Hardenberg, op ’t Zand no. 115 op 4-jarige leeftijd.
  7. Christianus, geboren op 04-07-1834 te Stad Hardenberg.

Jacobus van Riemsdijk, was zaakwaarnemer van beroep, gemeenteontvanger te Hardenberg, en fungerend secretaris aldaar. Later zal blijken ook veenman.

Jacobus van Riemsdijk heeft rond 1840 wellicht problemen gehad met zijn psychische gesteldheid. Hij is handelingsonbekwaam verklaard, vandaar de advertentie in Overijsselsche Courant, datum 11 oktober 1842:

Blijkens uitgebragte verklaring voor den Heer Kanton Regter te Ommen, in dato den 6den junij 1842, behoorlijk geregistreerd, is door den heer Jacobus van Riemsdijk, Plaatselijke Ontvanger ter stedeke Hardenberh en aldaar wonende,  handligting (recht het vóór de meerderjarigheid toekennen van bepaalde rechten aan minderjarigen) verleend in gevolge de Wet aan zijnen zoon Johannes Wilhelmus Christianus van Riemsdijk en hem toegekend de uitoefening der Regten bij Art. 484 Burgerl. Wetb. omschreven.  Geschiedende deze plaatsing ter voldoening aan het 486e Artikel des gezegden Wetboeks.

Uit documenten die na onderzoek in 2012 door Ruud Visser en Lenie van Riemsdijk, nazaten van Jacobus en Margaretha, zijn onderzocht in het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle blijkt dat Jacobus in 1845 fl. 4000,- heeft geleend van ene Friederik Christiaan Hagedoorn, particulier, woonachtig te Zwolle. Waarvoor Jacobus het geld heeft geleend is onduidelijk. Duidelijk is wel dat hij dat kapitaal niet kon terugbetalen. Jacobus werd dan ook voor de rechtbank gedaagd door Ernst Frederik Meijerink getuige onderstaand document:

“Tussen Ernst Frederik Meijeringh, veenbaas woonachtig aan de Dedemsvaart, gemeente Avereest, echter verschijnende bij mr HW Jordens derselfs procureur
En Jacobus van Riemsdijk, veenman te Hardenberg, gedaagde niet verschijnende
De regtbank gehoord hebbende de voordragt en coulance van den procureur des Eischers
Gezien de Akte van dagvaarding aan den gedaagde geëxploiteerd den 21sten april heden zijn de behoorlijk geregistreerd
Overwegende dat de gedaagde niet is verschenen
Gezien Art. 76 en 77 van het wetboek van Burgelijke regtsvordering
Verleent verstek tegen den gedaagde en houdt deze zaak aan tot heden en acht dagen“.

Uit dit document blijkt dat Jacobus van Riemsdijk failliet werd verklaard, getuige onderstaande
advertentie in de Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant, datum 18 september 1846: 
W. Swam, notaris te Gramsbergen, zal ten verzoeke van den heer F.C. Hagedorn te Zwolle, als daartoe onherroepelijk gemagtigd door den heer J. van Riemsdijk en deszelfs echtgenoote M.E. Schuurman te Hardenberg, op woensdag den 7den october 1846, des middags om 12 uur, ten huize van den weduwe J. van Munster te Hardenberg, doen inzetten en 14 dagen later aldaar publiek verkoopen:

  1. een huis en where, staande te Hardenberg, op het Zant, met annexe schuur en een tuintje daarachter, sectie A no. 241, groot 3 r.
  2. een tuin, gelegen op den Brink, gemeente Ambt Hardenberg, aan de Molensteeg, sectie B no 628
  3. een stuk veengrond, gelegen in de Gem. Avereest, langs de gronden van Jan Zwiers en de heeren De Vos van Steenwijk, belend de Kruizinga’s wijk ten zuiden en de Reest sloot ten noorden, sectie E no. 507
  4. een nieuw gebouwd huis, waarin eene bakkerij, staande in de gemeente Ambt Hardenberg, op den Brink, sectie B no. 1698
  5. een stuk bouwland, gelegen in de gemeente Hardenberg, in de Lage Gaarden, sectie A no. 573a.

Na het faillissement heeft het gezin van Jacobus van Riemsdijk wellicht voor enige tijd een huis gehuurd van schipper Baarslag, doch toen het huis door Baarslag werd opgeëist weigerde Jacobus het huis te verlate,n waarna Baarslag op 25 januari 1848 een deurwaarder, genaamd Johannes Cornelis Weenink, heeft ingeschakeld. De deurwaarder werd vervolgens door Jacobus bedreigd met een sabel en Jacobus’ zoon (Johannes Wilhelmus Christianus?) heeft zelfs een pistool getrokken. Jacobus is hiervoor op 1 februari 1848 volgens het vonnis van de kantonrechter te Ommen veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf wegens ‘bedreiging van een ambtenaar in functie’, waarbij was bepaald dat Van Riemsdijk uit diens gehuurde woning diende te worden gezet.

Hieronder het vonnis van de kantonrechter:
Van Riemsdijk veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf wegens bedreiging ambtenaar in functie
1848-01-25
De behandeling der correctionele procedure tegen Jacobus van Riemsdijk, oud 51 jaar, zaakwaarnemer, geboren en woonachtig te Hardenberg, beklaagde, niet verschijnende.
Getuige Johannes Cornelis Weenink, oud 60 jaar, deurwaarder te Ommen.
Dat hij getuige op den 4den september ll. des morgens voorzien van zijne aanstelling was gegaan naar het huis van den beklaagde met verzoek om dat huis behoorende aan eene schipper Baarslag dadelijk te verlaten.
Dat na voorlezing der akte van ontruiming en terwijl hij getuige wilde overgaan om het ….. de beklaagde zich daartijds met geweld had …., zeggende wat er ook gebeurd, ik verlaat het huis niet. 
Dat de beklaagde hem had gedreigd met een sabel te mishandelen en deszelfs zoon het pistool tegen hem voorgehouden. Dat hij getuige daarop de vlugt had genomen. 
Dat hij was geadsisteerd geweest met Gerrit Jan van Wijk en Johannes Volkers als benoemde getuigen, benevens vergezeld van den politiebediende Cornelis van Reenen uit den Hardenberg.
Bij uitspraak van de eerste februari daaraanvolgend werd Jacobus van Riemsdijk schuldig verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en tot betaling der proceskosten (zie inv.nr. 42).
In het vonnis wordt verwezen naar de uitspraak van de kantonrechter te Ommen waarbij was bepaald dat Van Riemsdijk uit diens gehuurde woning diende te worden gezet.
Toegang 107: Arrondissementsrechtbank Deventer, processen-verbaal van correctionele vonnissen, inv.nr. 22, nr. 938, Historisch Centrum Overijssel

Naar alle waarschijnlijkheid (dat moet nog verder onderzocht worden in het archief van de Gemeente Hardenberg) is Jacobus van Riemsdijk na zijn hechtenis met zijn gezin uit schaamte vertrokken uit Hardenberg. Zij vestigden zich in Coesfeld, Koninkrijk Pruisen (deze woonplaats is vermeld in de trouwakte nr. 31 van zijn zoon Johannes Wilhelmus Christianus, Venlo, 9 oktober 1849). Later verhuisde het gezin naar Venlo en vervolgens naar Arcen en Velden, hertogdom Limburg. Daar is Jacobus overleden op 10 november 1859.