Ruim twee eeuwen geleden, op 11 juli 1799, behaalde de toen 24-jarige Hardenberger Antoni van Riemsdijk, zijn academische graad van doctor onder supervisie van rector magnificus Jan Bleuland (hiernaast afgebeeld), door het publiekelijk verdedigen van zijn proefschrift.
Antoni’s zogenaamde inaugurale medische stellingen, de toespraak die hij als nieuw te benoemen hoogleraar in de geneeskunde hield om zijn ambt officieel te kunnen beginnen, is – geschreven in Latijn – bewaard gebleven in de bibliotheek van de Universiteit van Utrecht.
Het boekje dat al generaties lang op de plank heeft gestaan, is enkele jaren geleden gescand door Google. Men wil alle auteursrechtvrije boeken ter wereld online beschikbaar stellen.

Inaugurele medische stellingen die, met de gunst van het allerhoogste goddelijke wezen, op gezag van de verheven rector magnificus, Jan Bleuland, buitengewoon hoogleraar in de geneeskunde, anatomie, fysiologie (zowel van de mens als van dieren), en de verloskunde, en met instemming van de zeer hooggeleerde academische senaat en op grond van het besluit van de hoogedele medische faculteit,
tot het verkrijgen van de graad van doctor en van de hoogste eerbewijzen en voorrechten in de geneeskunde, aan het oordeel van geleerden wordt voorgelegd door:
Antoni van Riemsdijk,
geboren te Hardenberg, provincie (departement) van den Ouden IJssel.

Te Utrecht aan de Rijn, uit de drukkerij van Otto Johannes van Paddenburg, universiteitsdrukker, 1799.
Aan het vaderland gewijd!
Een openbaar ambt, dat de burgers van mijn vaderlandse stad mij hebben toevertrouwd, en dat zowel de genegenheid van de burgers als mijn eigen verlangen om op alle mogelijke manieren naar hun welzijn te streven, mij niet toestaan te weigeren, verhindert mij om – nu ik op het punt sta deze voortreffelijke zetel van de vrije kunsten te verlaten, na het voltooien van mijn academische studie – te voldoen aan de plechtige en zeker nuttige academische gewoonte: namelijk het opstellen van een inaugurele verhandeling en het naar vermogen verdedigen daarvan in een examen.
Wat ik dus reeds geschreven had met het oog op dat doel, betreffende de echte pleuritis, zowel in het borstvlies (pleura – een membraan rijk aan zowel slagaders als aders, en niet zonder haar eigen vezels en zenuwen), als in de vleesachtig-spierachtige delen die de borst omvatten, en wat ik beslist passend had proberen te onderbouwen met een anatomische preparatie van datzelfde borstvlies, laat ik met moeite los.
Maar aangezien het niet anders kan zijn, laat de volgende stellingen dan tot hetzelfde doel dienen, en moge men, bij bevoegde beoordelaars, gemakkelijk daarvoor vergeving verkrijgen!
Stellingen (THESES)
I.
De symphyses (dat wil zeggen: stevige, onbeweeglijke verbindingen tussen beenderen) worden nog niet op juiste wijze verdeeld in middellijke en onmiddellijke symphysis; want een onmiddellijke symphysis bestaat niet.
Kort gezegd: Antoni stelt hier dat de traditionele indeling van symphysen (verbindingen tussen botten) in directe en indirecte verbindingen nog niet adequaat is, omdat een directe (onmiddellijke) symphysis eigenlijk niet voorkomt. Alle symphysen zijn dus altijd van het middellijke type, met een tussenliggend weefsel (zoals kraakbeen).
II.
De driedeling van de verbindingen tussen de beenderen van het skelet in:
- beweeglijke verbindingen (nexus mobilis),
- onbeweeglijke verbindingen (nexus immobilis),
- en tijdelijke verbindingen (nexus temporarius — d.i. bij sommigen in de schedelbeenderen en onder bepaalde omstandigheden en op een bepaald tijdstip), aanvaarden wij gemakkelijk, ook al zijn de beweeglijke verbindingen op verschillende manieren te begrijpen.
III.
De rode kleur van het bloed is af te leiden uit de ontleding (decompositie) van de atmosferische lucht die door de longen wordt ingeademd.
Met andere woorden: de rode kleur van bloed ontstaat doordat de ingeademde lucht in de longen een chemische verandering veroorzaakt in het bloed.
IV.
Evenzo ontstaat de warmte van het bloed uit de ontleding van diezelfde lucht tijdens de ademhaling. Uit deze bron is de oorsprong van de dierlijke warmte gemakkelijk af te leiden.
De warmte in het lichaam komt voort uit de veranderingen die de ingeademde lucht tijdens de ademhaling in het bloed teweegbrengt.
V.
In het algemeen geldt dat de kleinste arteriolen, waar zij in de kleinste venulen overgaan, dit direct doen, zonder tussenkomst van enig parenchym (orgaanweefsel), noch via blaasjes of follikels.
De overgang van kleine slagadertjes naar kleine adertjes gebeurt rechtstreeks, zonder dat er een tussenliggend weefsel of blaasjes betrokken zijn.
VI.
In een gezonde toestand bevat het pericardium (het hartzakje) noch damp noch vochtige nevel, maar de meest ware lymfe, dat wil zeggen, een zekere hoeveelheid heldere, vloeiende vloeistof.
VII.
Dit blijkt ook uit de functie van die vloeistof: ze dient om het hart voortdurend vochtig te houden, om de wrijving te verminderen, om de voortdurende bewegingen van het hart te vergemakkelijken en om verklevingen met het pericardium te voorkomen.

VIII.
Tussen de systole (de samentrekking van het hart) en de diastole (de ontspanning of uitzetting), lijkt er een toestand van absolute rust van het hart te bestaan – al is het maar een uiterst kort moment, dat nauwelijks met het verstand kan worden gevat.
IX.
In de natuurlijke toestand is er geen tussenliggende lucht aanwezig tussen het borstvlies (pleura) en de longen. De nabije voedende stof van het lichaam wordt gevormd door gelatine.
X.
Gelatine vormt de dichtstbijzijnde voedende substantie van het lichaam.
XI.
Er lijkt geen reden te zijn waarom wij de plaats van echte pleuritis zouden beperken tot de spier- en vleesachtige delen die de borstkas omvatten.
Antoni stelt dat het onjuist is om pleuritis (ontsteking van het borstvlies) alleen toe te schrijven aan de spieren en het vlees rondom de borstkas; de ontsteking kan breder of op andere plaatsen aanwezig zijn.
XII.
Overmatige speekselvloed (salivatie) bij pokken (morbo varioloso) is werkelijk een kritiek (beslissend) teken.
Men zag in overvloedige speekselvorming een teken dat het lichaam via uitscheiding het ziekteproces begon te keren.
XIII.
Zure en gistende plantaardige sappen, zoals die van appels, sinaasappels, citroenen, enzovoort, samen met de voortdurende zuiverheid en verversing van lucht en kleding, volstaan vrijwel geheel voor de genezing van scheurbuik.
Scheurbuik (scorbutus) was in die tijd nog een ernstige aandoening bij gebrek aan vitamine C. Van Riemsdijk erkent hier het nut van citrusvruchten en hygiëne. Antoni erkent correct het belang van citrusvruchten en hygiëne bij de behandeling van scheurbuik, die veroorzaakt wordt door vitamine C-tekort.
XIV.
De dagelijkse intermitterende koorts, vooral die van het voorjaar, wordt door de arts vaak veel te snel onderdrukt, wat niet tot voordeel, maar eerder tot nadeel van de zieke leidt.
Intermitterende koorts (zoals bij malaria) kan natuurlijk verlopen. Te snelle onderdrukking (bijv. met kinine of aderlating) werd soms als nadelig beschouwd.
XV.
Bij beknelde hernia’s (breuken) is in veel gevallen aderlating aan te bevelen.
Vroeger dacht men dat aderlating de druk in het lichaam kon verlagen en daardoor verlichting kon geven bij hernia’s die niet terug te duwen waren.
XVI.
Wanneer na degelijk uitgevoerd onderzoek voor de verloskundige duidelijk is dat het hoofd van de vrucht zó groot en zó diep in het benige geboortekanaal (het onderste bekken) is ingeklemd, dat het zonder uiterste hulp der kunst niet ter wereld kan worden gebracht, en toch slechts een geringe toename in ruimte vereist zou zijn om dit mogelijk te maken – dan lijkt het opensnijden van de synchondrose (kraakbenige verbinding) van de schaambeenderen niet uitgesteld te mogen worden ten gunste van een keizersnede.
Een opvallende uitspraak! Hier pleit Antoni voor het chirurgisch openen van het schaambeen (symphysiotomie) als alternatief voor een keizersnede, wanneer het hoofd net niet door het bekken past.
Geef een reactie