Geheugen van Hardenberg

Toen, op 01 juni 1928: de eerste ziekenauto.

Het Sallands Volksblad meldde op 1 juni 1928:
“De firma Oostenbrink en Lägers zit niet stil en is vooruitstrevend waar het geldt het aanpassen aan de diverse behoeften van het publiek. Zij kocht aan een groote familieauto, voorts een kleinere 5-persoons wagen een een groote ziekenauto. Hoewel we voor onze lezers hopen dat zij van de laatstgenoemde nooit gebruik behoeven te maken, toch willen we er op wijzen dat ze aan een groote behoefte voldoet. Deze auto is speciaal ingericht voor zieken die liggend vervoerd moeten worden, waartoe een brandcard [brancard] in den auto geplaatst is. Deze brandcard is uitneembaar, loopt op rollen en is voorzien van de noodige veeren, zoodat een zieke zonder veel moeite vervoerd kan worden. Deze auto is door de medici goedgekeurd.

Enkele maanden later, op 28 september 1928, adverteert de firma Oostenbrink & Lägers, met vestigingen in Heemse en Lutten: “Auto-verhuurinrichting en speciaal ziekenvervoer (met en zonder chauffeur)”.

Het kleurrijk logo van Oostenbrink & Lägers sierde al hun briefpapier en facturen. De foto toont een gedeelte van de Hessenweg in Heemse. Iets links van het midden was de garage gevestigd. Voor het pand staan twee automobielen, een kleine en een grote. Mogelijk is de grote de eerder genoemde eerste ambulance geweest…

Mocht iemand beschikken over een vooroorlogse foto van een ambulance in Hardenberg, dan houden we ons wederom aanbevolen!


Toen, op 26 mei 1860: over bijgeloof.

De Provinciale Overijsselsche Courant van 30 mei 1860 meldde:
Lutten, 26 mei. Gisteren had hier een voorval plaats, dat weder ten bewijze kan strekken, hoe diep het bijgeloof nog bij de laagste volksklasse geworteld is. Aan een veenarbeider, een ziek kind hebbende, was gezegd, dat zijn kind behekst was en dat hij zich om raad naar den zoogenaamden duivelbanner te Slagharen moest begeven. Zoo gezegd, zoo gedaan. Deze bevestigt de tooverij, geeft een middel ter genezing aan de hand, en zegt den vader dat op den derden dag eene vrouw te zijnen huize zoude komen om het kind te liefkozen en te streelen. Toevallig komt daar gisteren, zijnde de derde dag, eene vrouw met eene kruiwagen voorbij, gaat binnen en spreekt de moeder met haar ziek kindje eens aan. En, ziedaar de heks, die men duchtig moet afgerost en gedwongen hebben, de zieke te genezen.

Een jaar ervoor was Slagharen ook al in het nieuws vanwege hekserij, toverij en bijgeloof. Het Algemeen Handelsblad van 25 april 1859:
Hardenbergh. In eene nabijgelegen buurtschap van den Hardenbergh is dezer dagen een kind overleden, dat volgens deskundigen behekst zoude zijn geweest. Het vermoeden ging tot zekerheid over toen men het bedje van het kind onderzocht en zoogenaamde tooverkransen vond (ontstaan door het niet of gebrekkige opschudden van veeren bedden). Vrij algemeen wordt in dezen omtrek aan het bestaan van heksen en tooverij geloof geslagen, ofschoon niemand het gaarne wil erkennen. Te Slagharen woonde vroeger een duivelbanner, die verscheidene behekste kinderen van den duivel heeft verlost en daarmede goede zaken heeft gemaakt. Ongelukkig is deze hoogwijze man voor eenige jaren naar Amerika vertrokken en alhier is nog niemand op het denkbeeld gekomen om de vacante praktijk weder op te vatten. Ook wordt aan sommige families de macht toegekend om anderen te beheksen, alzoo in betrekking te staan met den duivel en wordt van die families gezegd dat zij van het volk zijn. De leden van zulke familien worden met de noodige omzichtigheid behandeld en zijn gewoonlijk in zoover van de zamenleving uitgesloten, dat zij geen huwelijk kunnen aangaan met iemand die niet tot het volk behoort. Het zou voor een onderwijzer gevaarlijk kunnen worden om den kinderen in te prenten dat er geen heksen, toovenaars en duivels bestaan, daar de ouders, wier geloof aan zoodanige wezens en andere dergelijke verborgenheden onwrikbaar is, hunne kinderen naar eene andere school zouden zenden, waar zoodanige goddelooze dwaalbegrippen niet geleerd worden.

Tien jaar later, op 11 januari 1869 meldde de Schiedamse Courant:
Uit Ambt Hardenberg wordt van 6 januarij gemeld: Ten bewijze dat de bijgeloovigheid in deze streek nog niet is verdwenen, deelen wij mede, dat eergisteren eenige boeren zooveel mogelijk hunne goederen hadden gepakt uit vrees voor een orkaan, waardoor de wereld zou vergaan. Waar zij, ingeval die catastrophe inderdaad plaats zoude hebben, hunne aardsche goederen wenschten te bergen, is niet duidelijk gebleken.

Op 29 juni 1872 meldde De Koerier van Deventer:
Hardenberg, 20 junij. Dat het bijgeloof in deze streek bij den boerenstand nog niet is uitgeroeid, bewijst het volgende: Een kind van G.H. alhier werd ongesteld, juist op ’t oogenblik dat zich een bejaarde buurvrouw daar ten huize bevond. Daar nu de vrouw met familie van oudsher bij het domme publiek als heksen bekend staan, en men ter bevestiging bij een dadelijk ingesteld onderzoek kransen in de bedden vond, werden H. en zijn geloofsgenooten in hun gevoelen versterkt dat het kind niets anders dan betooverd (de Friezen zeggen betjoend) kon zijn, en of verlichter menschen hem al zeiden, als uw kind ongesteld is, raadpleeg dan toch een der kundige geneesheeren alhier, het was aan een doovemans deur geklopt: ‘die weten van zulke kwalen niets’, beweerde hij, ‘alleen en uitsluitend de duvelbanner te S. kent die kwaal en hem heb ik dan ook reeds geschreven.’ De duivelbanner liet zich dan ook niet lang wachten, kwam, zag, en – verrigte wat hokes pokes, verklaarde het kind voor betooverd, gaf een fleschje met …. en vertrok, waarna het kind, dat waarschijnlijk tengevolge van indigestie eenigszins benaauwd en reeds voor de komst van den duivelbanner hersteld was, door diens wonderkuur voor genezen werd verklaard niet alleen, maar uitsluitend de duivelbanner en niemand anders had het kind van den dood gered. De gevolgen lieten zich dan ook niet wachten, boeren te Brucht en te Kloosterhaar consulteerden eveneens onzen wonderdokter voor hunne vermeende betjoende kinderen, terwijl zelfs een oude vrouw te Diffelen, die een ingebeelde ziekte heeft, den duivelbanner ontbood, en verklaarde door hem genezen te zijn. Intusschen laat zich mijnheer duivelbanner door het toenemend debiet per rijtuig afhalen tegen hooge en natuurlijk contante betaling.

En dat bijgeloof tot een rechtszaak kon leiden, bewijst de Zierikzeesche Nieuwsbode van 25 december 1877:
Zwolle, 21 dec. Donderdag 13 dezer is voor de correctioneele regtbank alhier een zaak behandeld, die weder een bijdrage levert hoedanig het bijgeloof nog ten platten lande heerscht. Een koopman in manufacturen ventte met zijn waar in de buurtschap Slagharen, gemeente Ambt Hardenberg, toen hij door eene vrouw in huis werd geroepen; hij dacht daar iets te kunnen verkoopen, doch was gansch verbluft toen twee vrouwen hare zuigelingen vertoonden, welke kinderen zij beweerden dat hij betooverd had; de verontwaardigde en toornige moeders geboden hem op staanden voet die kinderen te onttooveren, en om haar bevelen klem bij te zetten, zou eene vrouw hem bij de keel gevat hebben en de andere met een mes in de hand gedreigd hebben hem te zullen doorsteken. Of de koopman al beweerde volstrekt niet te kunnen tooveren, het baatte hem niet; de vrouwen werden hoe langer hoe kwader, totdat de man eindelijk toegaf en zeide, dat hij voor de kinderen zoude bidden: hij maakte daarop het teeken des kruises op de voorhoofden en borsten der kinderen en bad dat ze door de hulp van Vader, Zoon en Heiligen Geest mogten genezen. Hierdoor waren de moeders voldaan en zij gaven den toovenaar vrijheid om te vertrekken, die daarvan onverwijld gebruik maakte. Evenwel heeft hij van deze aanranding aangifte gedaan en stonden de beide moeders teregt wegens mishandeling. Het O.M. requireerde schuldigverklaring en veroordeeling van elk der beklaagden tot drie dagen eenzame opsluiting. De beide aangeklaagden zijn echter gisteren uit gebrek aan bewijs vrijgesproken.

Eerder in de negentiende eeuw speelde zich ook al een rechtszaak af aangaande toverij:
In Slagharen woonde Hermen Schuurman. Hij was met de helm geboren, oftewel hij had een heel bijzondere gave. Hij stond in Hardenberg en verre omstreken bekend als wonder- of toverdokter. Soms werd hij voor deze praktijken op het matje geroepen. In 1842 wilde de officier van justitie te Deventer iets meer te weten komen over de toverijen van Schuurman. Het bleek dat Hermen op 2 mei om elf uur ’s avonds bij een vierjarig kind in Sibculo was geroepen. Het kindje heette Johannes Kampherbeek en leed aan ernstige stuipen. Hij was een zoontje van de aldaar gestationeerde commies Reindert en diens vrouw Margaretha van Dijken. Oma Kampherbeek, die in de stad woonde, was bij de kinderen op bezoek en kon mede getuigen over wat er in die bewuste lentenacht was gebeurd. Na binnenkomst was Schuurman meteen naar het kind toegegaan en had het jongetje, een patiëntje van dokter Van Riemsdijk, betast en bevoeld en gezegd dat de kleine Johannes betoverd was. Hierop had hij iets droogs, een soort poeder, uit een bij zich hebbend papiertje geschud. Nadat hij deze droge stof met water vloeibaar had gemaakt, bestreek hij met dit papje het gehele hoofd van het kind. Toen hij dit mengsel goed had ingewreven gaf hij de volgende instructies: Zorg ervoor dat het kind een open lijf behoudt. Maak hiervoor gebruik van zenuwbladen, zoete melk met broodsuiker en rauw spek. Het wonder geschiedde! De kleine Johannes was spoedig geheel hersteld. Schuurman ontving voor zijn helende kunsten tien guldens. Later bleek echter dat hij niet om die beloning had gevraagd. Ook kon hij voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst niet in Deventer worden berecht. Commies Kampherbeek was inmiddels overgeplaatst naar het grenskantoor op de Bruinehaar en daar zou het mirakel zijn voorgevallen. Bruinehaar is een buurtschap in de gemeente Vriezenveen en behoorde zodoende onder het arrondissement van de rechtbank in Almelo.

Heeft u nog niet genoeg gelezen over toverij, hekserij en duivelbanning, lees dan meer in de publicatie over emigratie van Dinah Hesselink-Zweers, onder het kopje ‘Het sprookje’.


Toen, op 25 mei 1888: een verhaal uit het veen.

0525_turfwerkers

De Leeuwarder Courant van 25 mei 1888 schreef:
“Onder het opschrift ‘Iets over het lot der veenarbeiders’, schrijft J.W. Kroeze, de opzichter in ‘De Krim’, gemeente Gramsbergen, aan de redactie van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant het volgende:
Naar aanleiding van het door den heer Domela Nieuwenhuis in de Tweede Kamer gesprokene, betreffende den ellendigen toestand waarin turfmakers en baggerlui in de veenderijen verkeeren, verzoek ik u vriendelijk het volgende in uw geacht dagblad op te nemen, opdat velen onzer medeburgers niet in den waan zouden gebracht worden, dat de verveners in onze noordelijke provinciën niet anders zouden zijn dan lage bloedzuigers. De ondergetekende meent als opzichter in eene groote veenderij in dezen een woordje te mogen meespreken. Gedurende vijfentwintig jaren is hij zelf turfmaker geweest en sedert 1881 opzichter.

Er bevinden zich onder mijn onmiddellijk opzicht zeventien turfmakers, welke meest allen vaders van huisgezinnen zijn. Ik stel mij voor den algemeenen toestand, waarin deze gezinnen verkeeren, in de volgende regelen te schetsen. Voor zoover ze niet wonen in de huizen der verveners, hebben ze meest allen hun eigen boerderij, welke gewoonlijk bestaat in het verbouwen van aardappelen en rogge, het fokken en mesten van varkens, een of twee koeien; voorts houden zij er wat klein vee op na, als schapen en geiten, verder kippen enz. De arbeid op de boerderij wordt meestal door ’t vrouwvolk verricht, ten minste als het goed droogt, want dan is het mannelijk personeel hoog noodig bij de turfmakerij. Is het ’s voorjaars regenachtig, dan helpen de mannen ook flink mede dat de velden bemest en bebouwd worden. Men zal dan ook des winters met Kersttijd of Nieuwjaar bij geen enkelen turfmaker komen, waar geen genoegzame proviand voor den winter voorhanden is. Men vindt er overvloedig aardappelen, rogge, boonen enz., en het schoonste sieraad, een of bij sommigen twee vette varkens aan den zolder.

Er is natuurlijk een uitzondering op den regel. Er zijn er ook, evenals bij de beoefenaars van andere vakken, waar geen zalf aan te strijken is en dan voor eigen schuld natuurlijk des winters gebrek moeten lijden. Voor zoover de turfmakers in de huizen der patroons wonen, zijn de toestanden als bovengemeld; alleen dient hier te worden aangestipt wat dan gewoonlijk aan den patroon daarvoor moet betaald worden. Er is er hier een die voor drie koeien weiland en voor een goed deel ook hooiland bij zijn woning heeft; daarbij komt een massa goed bouw- en boekweitland en vrij turf branden en daarvoor betaalt hij tachtig gulden per jaar. De meesten echter, die slechts een of twee koeien alleen zomers kunnen weiden of alleen klein vee weiden, betalen van vijfentwintig tot vijfenveertig gulden voor huis, land en vrij brand.

0525_turfwerkers

Nu zal men vragen, wat kunnen die menschen met turfmaken verdienen? Iedereen zal zeker begrijpen dat ook in dit vak alle werklieden niet even flink zijn. Een vader met twee aankomende zoons verdient bijv. per jaar zevenhonderd gulden, een ander met een jongen van 15 à 16 jaren vijfhonderd, wederom een ander die alleen werkt om de driehonderd gulden, altijd wel begrepen in acht maanden tijds, want des winters, als sneeuw en ijs den baas spelen, blijft de turfmaker bij het haardvuur zitten of gaat op een avondpraatje bij de buren, terwijl de ongehuwden zich dag aan dag met schaatsenrijden bezig houden. Vraag hun dan niet om het een of ander werk te verrichten, ze zouden u heel bedaard onder het oog brengen dat vader en grootvader bij den winterdag ook niets deden dan het vee voederen en een paar of wat kousen breien, en als soms de maand maart, zooals dit voorjaar, ook nog verbiedt den neus buiten te steken, daar lachen ze wat om en eten zich even dik. Gewoonlijk wordt hier in januari met de turfmakers afgerekend; velen zijn er die dan nog aan de honderd gulden kunnen ontvangen.

Men zal uit het bovenvermelde ontwaren dat er van een ellendigen toestand geen sprake kan zijn, te meer daar al het geld hun in klinkende munt wordt uitbetaald en ze er dus volkomen naar eigen goedvinden mede kunnen handelen. Bals, concerten, opera’s en café’s chantants moeten ze weliswaar ontberen, maar wees ervan verzekerd dat ze zich voor hun geld voorzien van een flink stuk kleeren, en al dragen hunne dochters geen tournures, zij mogen zich daarom des zondags gerust laten zien met hunne van flinke stof gemaakte japonnen en neepjesmutsen.

Wat de baggerlieden betreft, voor zoover ze in de huizen der patroons wonen, genieten ze dezelfde voorrechten als de turfmakers. Voor hen, die van elders komen, zijn flinke keeten opgericht, goed met riet of pannen gedekt. Zij krijgen bij hunne aankomst ieder een deken en keukengereedschap, waarmee zij zich behoorlijk kunnen redden. Dat het er in sommige keeten wel eens wat ruw uitziet, zal toch zeker wel aan de bewoners zelf te wijten zijn. Ieder zal wel begrijpen dat het hun niet verboden is den boel zindelijk te houden. Een goed baggerman kan, naar gelang van zijn kracht en bekwaamheid, tusschen de twee en drie gulden per dag verdienen. Men denke nu niet dat alleen deze toestanden bestaan onder des schrijvers opzicht, o neen, al zijn collega’s, opzichters van de heeren Gebr. Minke, Geerdes, Berends, Van Haeringen enz., hebben hem verklaard, dat de verhoudingen bij hen dezelfde zijn.

De heer Domela Nieuwenhuis weet in zijn redevoering zoo haarklein te vertellen hoeveel een vervener zoo per roede al verdient; schrijver dezes zou hem echter aanraden eerst eens beter te onderzoeken hoe de vork aan den steel zit; het staat z.i. zoo mal als een heer, die nu lid van de Kamer is, zulke grove bokken schiet. Hij sprak van 1600 turven in de roede; hier worden er slechts 1200 in gestoken; in Friesland en de meeste andere veenderijen is het ook zoo; dan zeide hij dat f. 3,50 voor wordt ontvangen, maar er is ook turf van f. 1,80 en f. 2,00. De meeste wordt op het land verkocht voor f. 2,25 a f. 2,50 per mille.

0525_veenarbeiders

Hoe staat het dan met het overschot voor den vervener? Wanneer men de jaarlijks terugkerende rekeningen ziet van timmerman, scheepstimmerman, smid enz. (ook de turfmakerswoningen kosten gemiddeld f. 15,00 per jaar aan onderhoud) en men trekt daarbij het geld dat aan bankroet verloren gaat, dan de kansen van het verdrogen of nat blijven der turf, dat steeds met groote schade gepaard gaat, en in de lagere veenstreken het wegspoelen van miljoenen turven zoals in januari 1863 bij de stad Kampen het geval was, dan zal men tot de overtuiging komen, dat de verveners, willen ze behoorlijk kunnen bestaan, de loonen der arbeiders onmogelijk kunnen verhoogen, en tevens dat er ook geen behoefte aan loonsverhooging aanwezig is.

Schrijver dezes kan niet nalaten hier openlijk een woord van dank te brengen aan het geachte kamerlid den heer Van der Feltz, welke door zijn redevoering heeft getoond beter op de hoogte der zaak te zijn dan de heer Domela Nieuwenhuis. Mocht iemand in bovengemelde zaken belang stellen, de ondergetekende zal hem met genoegen ten zijnent ontvangen.


Toen, op 19 mei 1922: benoeming burgemeester Schuite.

gezin Schuite

Portret van het gezin Schuite; v.l.n.r.:
Bouke Albert (burgemeester stad Hardenberg), Albert Johan Willem, Willemina Cornelia Johanna, Jan Willem Piet en Georgenetta Antonia Rudolphina Schuite-Boerrigter.

Het Sallands Volksblad van 19 mei 1922 meldde:
“Hardenberg. Donderdagavond bracht de telegraaf ons het bericht dat de heer B.A. Schuite, alhier, benoemd was tot burgemeester dezer gemeente. Door de twee muziekcorpsen werd den nieuwen burgemeester een serenade gebracht. Een groote menigte washierbij tegenwoordig.

Dr. Oldeboom was de tolk der aanwezigen toen hij den heer Schuite hartelijk feliciteerde met zijn benoeming. De heer B.A. Schuite is den 6en febr. 1888 te Ooststellingwerf geboren. Hij was 3,5 jaar volontair ter secretarie van Oldemarkt, daarna 3 jaar ambtenaar ter secretarie te IJsselstein; vervolgens vanaf 1 mei 1913 eerste ambtenaar ter secretarie te Ambt Hardenberg en vanaf 1 september 1917 secretaris dier gemeente. De heer Schuite behoort tot de Christelijk Historische partij. Moge het de gemeente Stad Hardenberg onder zijn bestuur welgaan.”
Bouke Schuite was geboren op 6 februari 1888 in het Friese Ooststellingwerf, als zoon van Albert Schuite en Pietje de Haan. Hij huwde op 30 september 1915 te Stad Hardenberg met Georgenetta Antonia Rudolphina Boerrigter. Schuite begon zijn loopbaan op de secretarie van Oldemarkt. Daarna werkte hij op de secretarie van het gemeentehuis in Heemse (Ambt Hardenberg). Op 25-jarige leeftijd volgde hij daar gemeentesecretaris Jouwstra op, die benoemd was tot burgemeester van Bedum. Gemeentesecretaris Schuite werd benoemd tot burgemeester van Stad Hardenberg. Deze plaats was opengevallen door het overlijden van burgemeester J.W.C. Bloem. Diens zoon Jacques Bloem, de bekende dichter, had voor de eer bedankt om burgemeester te worden.
Tijdens de raadsvergadering van 8 juni 1922 werd Bouke Albert Schuite geïnstalleerd als burgemeester van Stad Hardenberg. Loco-burgemeester Zweers hing hem het ambtsketen om. Bij koninklijk besluit van 25 april 1928 werd Schuite herbenoemd tot burgemeester van Stad Hardenberg.

Burgemeester Schuite was geëerd en geliefd. Niet voor niets werd in Hardenberg een straatnaam naar hem vernoemd. Veel leed heeft hij in zijn korte leven moeten ondervinden. Zijn vrouw stierf in het kraambed, slechts 27 jaar oud. Hij hertrouwde met Willemina Catharina Kroes uit Zwolle. Twee kinderen stierven op zeer jonge leeftijd (door een verkeersongeval en door ziekte). Zaterdagavond 21 februari 1931 stierf de burgemeester op 43-jarige leeftijd. In de negen jaren dat hij hoofd van de gemeente was, had hij de liefde en hoogachting van de inwoners verkregen.


Toen, op 10 mei 1828: verkoop huis Rode-Hanen-Steegjen.

Verkoop huis Roode Haanensteeg

Op 2 mei 1828 verkondigde de Overijsselsche Courant dat de volgende dag de openbare verkoop zou plaats vinden van een huis aan de Achterstraat in Stad Hardenberg, gelegen op de hoek van de zogenaamde Roode-Haanen-Steeg:
Men is voornemens op zaturdag den 3 mei 1828, des voordemiddags ten 10 uren, ten huize van den kastelein J. van Munster Fz. te Hardenbergh door het ministerie van den notaris A. van Riemsdijk en ten overstaan van het Vredegeregt des kantons Hardenbergh te doen inzetten, en op den 10 aanvolgende publiek aan den meestbiedenden te verkoopen:
Een woonhuis met deszelfs grond en wheere, staande en gelegen ter zelfder steede onder no. 122 aan de Achterstraat, op de hoek van de Roode-Haanen-Steegjen, met eene daartoe gehorende begraafplaats op het kerkhof te Hardenbergh, mitsgaders ongeveer 2 roeden gaardenland in de Hooge Braake onder dezelfde stede, tusschen dat van Hendrik Kampherbeek en van Gerrit ten Broeke.


%d bloggers liken dit: