Geheugen van Hardenberg

Toen, op 01 augustus 1916: eerste-steen-legging school te Radewijk.

school Radewijk

Op 1 augustus 1916, werd ‘de eerste steen’ gelegd van de nieuw te bouwen ‘school met den bijbel’ aan de Radewijkerweg in Radewijk.

Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, waarbij Nederland gelukkig een neutrale positie kon behouden, werd in Radewijk onder leiding van predikant dr. C.C. Schot uit Hardenberg een vergadering gehouden met als doel het oprichten van een ‘School met den Bijbel’. Men besloot een bouwterrein aan te kopen van Janna Derks, de weduwe van Albert Jansen. De begroting voor het bouwen van de school en een meestershuis bedroeg 10.000 gulden. De laagste van de 14 inschrijvers bij de op 27 juni 1916 gehouden aanbesteding bleek aannemer Huijgen uit De Krim. Hem werd de opdracht gegund om een tweeklassig schooltje en onderwijzerswoning te bouwen naar het door architect Joh.D. Meppelink uit Coevorden ontworpen bestek.

personeel school Radewijk

Eind 1916 werd het eerste schoolhoofd, B. Schipper, aangesteld en op 4 januari 1917 werd het schooltje feestelijk in gebruik genomen met 45 leerlingen die voorheen onderwijs hadden genoten in de openbare lagere school aldaar.

Door de snelle groei moest men in 1930 het schoolgebouw uitbreiden met een derde lokaal. In 1971 zou de school maar liefst 130 leerlingen tellen, het grootste getal in de geschiedenis van de nu bijna een eeuw oude school. Zou men over anderhalf jaar een eeuwfeest vieren in Radewijk?

reactie Herma Varweg:
Wat leuk! Mijn oude basisschool. ..daar achter stond mijn ouderlijk huis.


Toen, op 01 augustus 1959: het Slat aan de Vecht.

pentekening

Op 1 augustus 1959 maakte H. ter uit Assen deze fraaie prent van de omgeving ’t Slat te Stad Hardenberg, gezien van achter de eierschuur van Bokking, met zicht op het huis van Jan Zweers (Lange Jan).

kadaster

De eierschuur van Bokking, hier niet te zien overigens, werd gebouwd op een gedeelte van het zogenaamde Bleekveld. Bokking kreeg op 12 maart 1931 toestemming van het college van Burgemeester en Wethouders tot oprichting van een eierpakhuis op het Slat.

De prent is gemaakt vanaf de locatie pal naast het pakhuis. Op bijgaande kaart is de plek goed herkenbaar, als sectie A-2669.


Toen, op 31 juli 1906: instelling eiermarkt.

eiermarkt

Op 31 juli 1906 werd door de raad van de gemeente Stad Hardenberg besloten tot het instellen van een zogenaamde ‘eiermarkt’. Het luidde:
“De raad der gemeente Stad Hardenberg, overwegende dat het met het oog op de vee-rijke omgeving dezer plaats en de verbetering en uitbreiding der verkeersmiddelen, het wenschelijk is alhier in te stellen een wekelijksche markt van eieren, boter en pluimvee en zulks ten goede zal komen van de landbouwers en neringdoenden alhier […] besloten elke maandag een eier-, boter- en pluimveemarkt op te richten ’s morgens van 9-10 uur, met deze bepaling dat men niet anders mag koopen dan op de markt”.

Waar deze eerste eiermarkt gehouden werd, is niet (meer) bekend. Wel weten we dat genoemd terrein blijkbaar niet echt geschikt was, want in 1912 besloot het gemeentebestuur de eiermarkt te verplaatsen naar het plein bij het brandspuitenhuisje, het huidige Ds. Boumanplein aan de Oude Bosch. In dat jaar werden al zo’n twee miljoen eieren op de markt verhandeld. Een jaar later werd het brandspuitenhuisje afgebroken om plaats te maken voor een overdekte eierenhal. Bij de aanbesteding werd ingeschreven door drie aannemers. Engbert Hamhuis uit Hardenberg bleek de laagste inschrijver voor 515 gulden. De afbraak van het brandspuitenhuisje werd gegund aan Jan Melenberg.

Uit een jaarverslag over 1930 kunnen we opmaken dat de markt floreerde. Ruim zes miljoen eieren waren in dat jaar verhandeld op de Hardenberger eiermarkt. Toch kwam er in de jaren daarna een kentering in de handel. Mede door de algehele economische malaise daalde de vraag naar eieren, waardoor de boeren uit de omgeving niet meer de moeite namen om naar Hardenberg te komen voor de paar centen die ze eraan konden verdienen.

eiermarkt overzicht

Op 10 april 1937 schreef De Vechtstreek:
“Onze eiermarkt. De aanvoer van eieren op onze markt wordt steeds geringer. Afgelopen maandag was er zelfs geen enkel ei aangevoerd. Dat heeft ook de aandacht getrokken van het dagelijks bestuur onzer gemeente. Naar wij vernemen denken B. en W. er sterk aan bij den raad een voorstel in te dienen tot opheffing der eiermarkt, tenzij door de belanghebbenden kenbaar wordt gemaakt dat zij op behoud dier markt prijs stellen. Wij meenen dat voortbestaan gewenscht is en dat de ‘belanghebbenden’ hun eigen belang kunnen behartigen door, als vroeger, hun eieren op de markt aan te bieden. ’t Wordt hun wel gemakkelijk gemaakt door de handelaren, die de eieren komen afhalen, maar daarnaast hebben zij de vraag te overwegen, hoe de hoogste prijzen te bedingen!”

Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is het echter over en uit met de wekelijkse eierenmarkt in Hardenberg. De overdekte eierenhal is dan al buiten gebruik gesteld. De heer H.J. Zweers die er tegenover woonde en een rijwielzaak had, bood de gemeente aan om de hal te huren voor een jaarprijs van vijfentwintig gulden, maar dan moest wel eerst het dak worden vernieuwd. Het bestuur gaf aan diverse pogingen te hebben aangewend om de eiermarkt nieuw leven in te blazen, maar was daar nimmer in geslaagd. De burgemeester stelde:
“De kooplui zijn er ook zelf schuldig aan dat de eiermarkt hier verloopen is. Wanneer de landbouwers met hun eieren ter markt kwamen, legden de kooplui geen kooplust aan den dag. Korten tijd voor het sluiten van de markt werden pogingen gedaan om de eieren te koopen.”

Het gevolg hiervan is geweest dat de boeren hun eieren rechtstreeks naar de pakhuizen in Hardenberg brachten. Ook ging men er later meer toe over om de eieren bij de boeren van huis te halen. Besloten werd de markthal te verhuren aan de firma Zweers en pas in 1963 werd de overdekte hal gesloopt, waarna het plein als parkeerterrein werd ingericht.


Toen, op 28 juli 1227: de ‘Slag bij Ane’.

Ane 1227

Op 28 juli 1227 vond de ‘Slag bij Ane’ plaats, ook wel bekend als ‘de Gulden Sporenslag van de Lage Landen’.

De veldslag bij Ane is zonder twijfel een van de indrukwekkendste gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Het was de grootste ramp uit die tijd.

Drenthe stond vanaf die datum op de kaart en de stad Assen heeft zijn bestaansrecht als ’t ware aan deze veldslag te danken. Zelfs kan men zonder overdrijven stellen dat de steden Zwolle, Ommen en Hardenberg hun ontstaan mede te danken hebben aan de Slag bij Ane. Zwolle en Ommen kregen als beloning voor de aan de bisschop verleende hulp stadsrechten, Hardenberg kreeg een stedelijke versterking voor de bisschoppelijke verdediging van het gebied ‘Oversticht’. Hardenberg bestond toen overigens helemaal nog niet. Wel het nabij gelegen ‘stedeke’ Nijenstede. Hasselt kreeg in 1252 stadsrechten, vanwege de hulp van de vier ridders uit Hasselt bij de Slag bij Ane.

Bij deze Slag bij Ane kwamen zo’n vierhonderd ridders en andere adellijke schildknapen om in het hoogveenmoeras. Ze hadden gevochten tegen een Drents boerenlegertje, waaraan ook de vrouwen hadden meegedaan. Het Utrechtse ridderleger – dat de weerspannige Drenten een lesje wilde leren – werd aangevoerd door de toenmalige bisschop van Utrecht, Otto II van der Lippe. De bisschop was zoals in die tijd gebruikelijk tevens wereldlijk heerser over Overijssel, Drenthe en Groningen. Het Drentse boerenlegertje, bewapend met pijlen en speren, stond onder commando van Rudolf van Coevorden, de slotvoogd van Coevorden. Het door de bisschop aangevoerde Utrechtse ridderleger bestond uit een keur van zwaar geharnaste ridders te paard. Hieronder waren grote namen als de graaf van Gelre, Gijsbrecht van Amstel, graaf Boudewijn van Bentheim, Rudolf van Goor.

Een aantal van hen was kort ervoor samen met bisschop Otto van de (vijfde) kruistocht, naar de stad Damiate (Doemjat) in Egypte naar Nederland teruggekeerd. Ook uit Duitsland waren er ridders die de bisschop wel een handje wilden helpen om in Drenthe orde op zaken te stellen. Zo was onder andere de beroemde kruisridder Bernhard von Horstmar van de partij. Hij kwam uit het Duitse stadje Horstmar, niet ver van Munster. Hij had in heel Europa naam gemaakt in de kruistocht van de Engelse koning Richard Leeuwenhart en gold in Europa als een beroemdheid op militair terrein. Zo op het eerste gezicht leek het Drentse boerenlegertje geheel kansloos tegen dit voor die tijd hypermoderne Europese leger.

Toch werden de Utrechtse ridders bijna allemaal door de lichtbewapende Drenten in de pan gehakt. Ze werden een slachtoffer van hun eigen kostbare wapenrusting, blinkende zware harnassen en schilden. Ze kwamen namelijk niet ver van Ane in het zompige veen terecht. Daarin zakten ze in hun zware harnassen met paard en al weg. Daarnaast kregen ze het door het drukkende weer op die 27e juli – het was toen bloedheet – in die zware bepantsering spaans benauwd. Als gevolg van dit alles raakte het leger ook nog in paniek en gedesoriënteerd. Zo konden de in het veen vastzittende paarden niet meer voor of achteruit en werden ze ook nog eens door hun eigen achterhoede onder de voet gelopen. Er ontstond een vreselijke chaos. Voor de licht bewapende Drenten, die zich wel makkelijk op het veen konden bewegen, vormden de edele ridders dan ook een gemakkelijke prooi. Volgens een kroniekschrijver begon toen ‘het vleeshakken’ dat de hele dag zou voortduren. Honderden ridders werden door hen afgeslacht. Onder de doden bevonden zich bisschop Otto II en ridder Bernhard von Horstmar.


Toen, op 26 juli 1865: meester Hendrik Baarschers.

schoolmeester Baarschers

De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 26 juli 1865, vandaag precies anderhalve eeuw geleden, schreef:
“Wij hebben kennis gemaakt met een klein boekje, dat ons meer genoegen gaf dan menig werk van geleerde schrijvers. En waarom? Omdat alles wat erin geschreven is, zoo duidelijk en helder is voorgesteld dat het zelfs door kinderen wordt begrepen en in eene lang reeds gevoelde behoefte voorziet. Het boekje is getiteld: ‘De kinderen van den buitenman’, een schoolboekje, bevattende korte lessen over landhuishouding, door H. Baarschers, onderwijzer te Hardenberg.

In meer dan vijftig lesjes worden verschillende den land- en tuinbouw, de veeteelt en natuurkunde betreffende onderwerpen, op eene aangename en bevattelijke wijze behandeld. Is het boekje door den geachten schrijver meer bepaald voor de kinderen van den buitenman geschreven, het is niettemin te wenschen dat het op de stadsscholen evenzeer zal worden gebruikt, want maar al te zeer blijven bij onze leerlingen in de groote steden onkunde en onverschilligheid heerschen nopens alles wat den landbouw en landhuishoudkunde betreft en wij zeggen niet te veel wanneer wij verwachten dat dit boekje bij de kinderen belangstelling zal doen ontstaan in eene met ons volksbestaan zoo naauw verbondene zaak.

Het boekje vordert zeker geene aanbeveling, het zal zijn weg wel vinden, vooral bij het gunstig oordeel, door den hoogleeraar L. Mulder, hoofdredacteur der Landbouw-Courant, in een voorwoord er over uitgesproken. Maar wij wilden er al dadelijk de aandacht op vestigden, opdat allen, die tot het onderwijs in eenige betrekking staan, het mogen leeren kennen. De uitvoering door den uitgever, den heer Tjeenk Willink te Zwolle, is zeer netjes en doelmatig. Als lesboekje voor de hoogste klassen der lagere school is het uitmuntend te gebruiken.”

Het boekje van meester Baarschers kostte destijds 30 cent, vooral samengesteld voor de avondscholen op het platteland.

Hendrik Baarschers was in 1823 geboren in Zwolle en op 5 maart 1853 te Stad Hardenberg getrouwd met Wilhelmina Heebink uit Herwijnen. Baarschers was hoofdonderwijzer aan de openbare lagere niet gesubsidieerde school in Hardenberg. Hij onderwees zowel overdag als ’s avonds (dagschool en avondschool). In 1866 kreeg Baarschers een eervolle vermelding van ’t Nederlandsch onderwijzers-genootschap voor het schoonschrijven van zijn schoolleerlingen. Het echtpaar kreeg een dochter, genaamd Barbara, en een zoon, genaamd Hendrik Jan, maar deze overleed al op 10-jarige leeftijd in januari 1867.

schoolmeester Baarschers

Een paar maanden later, op 10 mei 1867, schreef het Algemeen Handelsblad:
“Gaarne vestigen wij de bijzondere aandacht van onderwijzers der lagere school, vooral ten platten lande op een werkje van den heer H. Baarschers, onderwijzer te Hardenberg, waarvan onlangs de derde druk is verschenen. Onder den titel van ‘de Kinderen van den Buitenman’, behandelt de schrijver de voornaamste onderwerpen uit het gebied der landhuishoudkunde. Stelselmatige behandeling heeft de heer Baarschers te regt vermeden. Verhalenderwijs doet hij nu hier dan daar een greep uit hetgeen de dorpsjeugd dagelijks rondom zich ziet; de opstellen zijn los en vloeijend geschreven en daardoor zeer geschikt om bij de oefening in het lezen te worden gebruikt, natuurlijk door eenigzins gevorderde leerlingen.

Het denkbeeld, om op deze wijze de leerstof der lagere school te doen dienen bij het onderrigt in de eigenlijk gezegde leervakken (lezen, schrijven en rekenen) is niet nieuw; het werd reeds meermalen ook op andere onderwerpen toegepast. Het ware echter zeer te wenschen, dat dit nog meer algemeen bijval vond en dat alle schrijvers van schoolboeken bij de verwezenlijking van dit denkbeeld, zoo gelukkig slaagden als de heer Baarschers. De ongerijmde klagt over de verbazende kunde, welke tegenwoordig en in de onderwijzers en in de leerlingen der lagere school wordt gevorderd, zou dan weldra niet meer worden vernomen. Het boekje wordt, wat den inhoud betreft, aanbevolen door Dr. L. Mulder, o.a. bekend als hoofdredacteur der Landbouw-Courant.

Bij denzelfden uitgever (W.E.J. Tjeenk Willink te Zwolle) verschenen een 1ste, 2de, 3de en 4de leesboekje voor eerstbeginnenden, mede van den heer Baarschers. Ook deze boekjes schijnen met veel oordeel te zijn samengesteld. Er zijn reeds onderscheidene drukken van verschenen.”

In 1868 zouden nog een drietal rekenboekjes van zijn hand verschijnen. In 1873 verliet het echtpaar Baarschers Hardenberg. Zij vestigden zich in Putten, alwaar Hendrik was benoemd tot onderwijzer en eerste vader van het Weeshuis (die functie bekleedde hij daar van 1873 tot 1880). Het laatste boekje door Baarschers geschreven verscheen in 1895, getiteld ‘Mijn legaat aan de Vaderlandsche Jeugd’.

Hendrik overleed in 1907. In de krant ‘Het nieuws van den dag’ stond:
“De heer Hendrik Baarschers, vroeger hoofd eener school te Hardenberg, is ten huize van zijn neef, den Heer C. Harberts alhier, overleden in den hoogen ouderdom van 83 jaar. De overledene was algemeen bekend in de schoolwereld door zijne schoolboekjes.”

zie: https://uvaerfgoed.nl//beeldbank/nl/unavailable