het geheugen van hardenberg

Toen, op 22 januari… Driftbui komt dokter Van Riemsdijk duur te staan (1816)

In het voorjaar van 1816 boog de rechtbank te Deventer zich over de zaak tegen de 41-jarige arts Antoni van Riemsdijk uit Hardenberg. Deze werd ervan beschuldigd de jonge commies Harmen Queijsen te hebben mishandeld na een etentje bij de familie Van Foreest op Huize Heemse.

Ingekleurde, (gefantaseerde) tekening van Huize Heemse, toegeschreven aan Jacobus Stellingwerf, ca. 1723.

De aanleiding
Op 22 januari 1816 vond op Huize Heemse bij de familie Van Foreest een diner plaats, waarbij aanwezig waren: dokter Antoni van Riemsdijk uit Hardenberg, diens neef Jacob van Riemsdijk, en de jonge rijdende commies Harmen Queijsen. Tijdens het samenzijn ontstond onenigheid tussen gastheer Jacob van Foreest en Antoni van Riemsdijk. De gemoederen liepen hoog op: Van Foreest daagde Van Riemsdijk zelfs uit tot een duel met pistolen! De dochter van de gastheer, Juliana Louisa, viel in zwijm en moest naar een andere kamer worden gebracht, waarbij ook Queijsen aanwezig was. Hij merkte daar op dat Van Foreest volgens hem in zijn recht stond.

Na enige tijd keerde de rust terug en scheidde men in vriendschap, diep in de nacht. Van Riemsdijk, zijn neef en Queijsen vertrokken samen richting Hardenberg. Onderweg zou de situatie echter opnieuw uit de hand zijn gelopen. Volgens Queijsen en enkele later gehoorde getuigen kreeg hij van de dokter eerst een vuistslag en vervolgens meerdere stokslagen. Hij vluchtte en keerde hevig ontdaan terug naar Huize Heemse, waar hij klaagde over pijn en verklaarde door Van Riemsdijk te zijn geslagen.

Tegenstrijdige getuigenissen
Het proces draaide vooral om de vraag of Van Riemsdijk Queijsen daadwerkelijk had mishandeld:
Queijsen bevestigde dit onder ede en gaf een gedetailleerd relaas;
Neef Jacob van Riemsdijk ontkende stellig dat er geweld had plaatsgevonden en noemde Queijsen dronken;
De familie Van Foreest (vader Jacob, dochter Juliana Louisa en echtgenote Maria Clara) verklaarden dat er wel een woordenwisseling was geweest, maar dat men het diner in harmonie had afgesloten. Zij zagen geen uiterlijke tekenen van mishandeling bij Queijsen toen hij terugkeerde, al verklaarden sommigen dat hij hevig ontdaan was en klaagde door de dokter geslagen te zijn;
Diverse dienstboden bevestigden dat Queijsen later die nacht overstuur terugkeerde en zei dat de dokter hem geslagen had;
Twee boeren (Warmink en Oldemeijer uit Rheeze) verklaarden op verzoek van de verdediging dat zij Queijsen die nacht alleen hadden zien lopen bij de kerk van Heemse, zonder tekenen van achtervolging. Zij gaven echter toe dat Van Riemsdijk hen kort tevoren had gevraagd hun waarnemingen te onthouden “omdat het te pas kon komen”.

De verdediging
Van Riemsdijk erkende de woordenwisseling met Van Foreest, maar ontkende ten stelligste dat hij Queijsen had geslagen. Hij stelde dat Queijsen dronken was, en dat hijzelf met zijn neef een ander pad was ingeslagen.

Tussenvonnis (25 april 1816)
Omdat de verklaringen elkaar tegenspraken, verleende de rechtbank Van Riemsdijk de gelegenheid om nieuwe getuigen te laten horen.

Voortgezet verhoor (9 mei 1816)
Nieuwe verklaringen brachten weinig helderheid. Wel bleek dat Van Riemsdijk actief getuigen had benaderd om hun waarnemingen te onthouden. Ook bleef overeind dat Queijsen nog diezelfde nacht overstuur en met klachten was teruggekeerd naar Huize Heemse.

Eindvonnis (16 mei 1816)
De rechtbank oordeelde dat vaststond dat Van Riemsdijk, in drift ontstoken, Queijsen enkele slagen had toegebracht. Deze mishandeling werd gezien als een wanbedrijf volgens artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, maar de ernst was beperkt omdat er geen blijvend letsel of verhindering tot werken was. De rechtbank hield rekening met de omstandigheden: de ruzie, de alcohol en de verhitte gemoederen.

  • De eis van het Openbaar Ministerie: 6 weken gevangenisstraf en 25 gulden boete.
  • Het vonnis: een geldboete van 95 gulden, 4 stuivers en 12 penningen, plus 41 gulden, 7 stuivers en 2 penningen proceskosten.

Bijzonderheden
Het vonnis laat zien dat de rechtbank oog had voor de context: men zag de slagen niet als zware mishandeling, maar als een driftige uitbarsting tijdens een verhitte nacht. De zaak trok waarschijnlijk veel aandacht in Hardenberg en omgeving, mede vanwege de prominente personen (dokter Van Riemsdijk en de eigenaren van de Havezate Heemse, de familie Van Foreest). Het feit dat Antoni van Riemsdijk zelf getuigen had opgeroepen maar ook beïnvloed leek te hebben, werkte vermoedelijk in zijn nadeel.


Een transcriptie van het verhoor op 25 april 1816:
Achttienhonderd en zestien, de6n vijfentwintigsten april, de Regtbank ter eerster instantie, zitting houdende te Deventer, uitmakende de correctionele regtbank des arrondissements van dien naam, departement der Monden van den IJssel, vergaderd zijnde in de gehoorzaal van het gebouw der gemelde regtbank, in tegenwoordigheid van den officier en geadsisteerd door H.J. Jordens als griffier, ten einde over te gaan tot het houden der debatten en het vonnissen in de procedure tegen Antony van Riemsdijk, is de gemelde beklaagde binnen geroepen, gelijk ook deszelfs verdeedigers mr. H.G, Kronenberg, advocaat en notaris, en M.E. Houck, prokureur bij de regtbank, beide te Deventer.

De president heeft hierop den beklaagde deszelfs voornaam, naam, ouderdom, geboorte, beroep, en woonplaats gevraagd, waarop dezelve geantwoord heeft Antony van Riemsdijk genaamd te zijn, oud een en veertig jaar, medicijne dokter, geboren en woonachtig te Hardenberg. Voorts is het procesverbaal van aanklagte gelezen.

De getuigen hierop binnen geroepen zijnde, is derzelver lijst opgelezen, waar na zij zich wederom uit de gehoorzaal naar het voor hen geschikte vertrek begeven hebben, vervolgens een voor een terug geroepen, hebben zij ieder afzonderlijk gedeponeerd in de volgende orde.

De eerste getuige, volgens zijne opgave Harmen Queijzen H.z. genaamd, oud twintig jaar, rijdende commis, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagde Antony van Riemsdijk alhier tegenwoordig hem wel bekend, doch niet aan hem verwant is, en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst; dat hij op maandagavond den 22sten januarij dezes jaars met den beklaagde en deszelfs neef Jacob van Riemsdijk was ten eeten geweest ten huize van den heer Van Foreest op Heemse, dat na den eeten eenig verschil ontstaan was tusschen den heer Van Foreest en den heer Van Riemsdijk, hetwelk tot eene zoodanige hoogte was geloopen, dat de eerste den laatsten op een koppel pistolen had uitgedaagd, ten gevolge hiervan de dochter van den heer Van Foreest was flaauw geworden, en men haar na eene andere kamer had verbragt. Dat hij getuige ten einde met dat geschil niet te doen te hebben, zich mede had verwijderd en begeven naar ’t vertrek alwaar de dochter van den heer Van Foreest gebragt was, en zich aldaar had uitgelaten dat in zijn oog de heer Van Foreest gelijk had. Dat vervolgens alles weder was bevredigd en de heeren tesamen hadden gedronken en dat hij, des nachts tusschen drie en vier uur, met den beklaagde en deszelfs neef Jacobus van Riemsdijk was naar huis gegaan. Dat onderweg, ongeveer vijf minuten van het huis Heemse deze laatste tegen zijn oom gezegd had er zijn ook nog menschen die de partij van den Heer van Heemse trekken, waarop de beklaagde aan hem vrieg of hij dat was, en daarop eerst een vuistslag in het aangezigt gaf, vervolgens hem drie zware slagen met een stok op den arm toebragt, en hem getuige daarop in het vluchten nog een vierde toedeelde. Dat zij beide hem toen hadden vervolgd doch niet kunnen achterhalen, en hij zich eerst had verscholen, en niets meer hoorende naar het huis Heemse was teruggekeerd, alwaar hij het geval verhaald had, hebbende vervolgens de heer Van Foreest deszelfs zoon hem een eind wegs naar huis gebragt.

De tweede getuige, volgens zijne opgave, Jacobus van Riemsdijk genaamd, oud twintig jaar, regulateur der successie, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde en eerste getuige hem beide wel bekend zijn, dat de eerste is zijn oom, doch de tweede aan hem niet verwant, en dat zij niet zijnde eenen des anders dienst. Dat hij op maandag den 22 januarij des avonds dezes jaars was ten eeten geweest met den beklaagde en eersten getuige op den huize Heemse, alwaar na den eten eenig verschil ontstaan was tusschen den heer en mevrouw van Foreest, waarin des getuiges oom mede betrokken was, zoo echter dat hij daarvan hoegenaamd geene verdere omstandigheden weet op te geven, dat de dochter van den heer Van Foreest het op de zenuwen had gekregen en na een ander vertrek verbragt was, waarna zich een gedeelte van het andere gezelschap, nevens den eersten getuige en hij zelf zich mede begeven had. Dat hij Queijsen over het geschil in ’t geheel niet heeft hooren spreken; dat vervolgens alles weder bevredigd was en men in de beste vriendschap was gescheiden. Dat hij getuige nevens zijn oom en Queijsen tegelijk was weggegaan. Dat zij ongeveer tien minuten den zelfden weg gehouden hadden, dat hij toen met zijn oom een zijpad had ingeslagen en Queijsen den grooten weg vervolgd had; dat deze laatste was over zijn drank geweest. Dat onderweg niets gesproken was, dat hij getuige geensins gesegd had dat er ook nog lieden waren die het met den heer Van FOreest hielden of iets dergelijks, dat het ook geheel onwaar was, dat Queijsen door zijn oom zoude geslagen zijn, als kunnende hij met volle zekerheid bepalen dat zulks niet gebeurd was.

De derde getuige, volgens zijne opgave Jacob van Foreest genaamd, oud zeven en dertig jaar, lid der Staten van Overijssel, woonachtig onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben, dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige alhier tegenwoordig hem beide zijn bekend, dat geen hunner aan hem is verwant en dat zij niet zijnde eenen des anderens dienst, dat op maandagavond den 22 januarij laatsteleden bij hem ten eten geweest waren, de beklaagde en biede eerste getuigen, dat er tusschen hem en den beklaagden eenig geschil was ontstaan, doch in geen hoogen graad, dat Queijsen zich met dit geschil niet had bemoeid, dat zijne dochter onpasselijk was geworden en naar een andere kamer verbragt. Dat vervolgens des nachts alles in de beste harmonie was gescheiden, en dat geen zijner drie gasten, die te samen waren weggegaan, was over zijn drank geweest. Dat ongeveer een half uur daarna Queijsen was teruggekomen zeggende tegen hem dat dier heeft mij geslagen. Dat hij getuige daaruit den bedoelden persoon niet had opgemaakt, dat hij niet gezien had, dat Queijsen ontsteld was, dat hij ook geene uiterlijke teekens van slagen aan hem bespeurd had, en dat hij hem nevens zijnen zoon een eind wegs naar huis gebragt had.

De vierde getuige Juliana Louisa van Foreest, volgens hare opgave genaamd, oud achttien jaar, zonder beroep, woonachtig onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben, dat zij de volkomen waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedaane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst. Dat op maandagavond den 22 januarij laatstleden ten huize harer ouders waren ten eten geweest de beklaagde en beide eerste getuigen. Dat na den eten tusschen den beklaagde en haren vader eenige woorden waren voorgevallen, en dat zij daarop was ongesteld geworden en uit de kamer gebragt. Dat zij niet gemerkt heeft dat Queijsen zich anders met dit geschil bemoeid heeft, als dat zij hem in de andere kamer heeft hooren zeggen dat haar vader gelijk had, en dat de jonge Van Riemsdijk daarop had geantwoord. Dat daarna het geheele gezelschap wederom in volkomen vriendschap was tesamen geweest en ook alzoo gescheiden in den nacht, zijnde de drie heeren aan wien zij geene dronkenschap bespeurd heeft, tesamen weggegaan. Dat ongeveer een half uur daarna de eerste getuige was teruggekomen, klagende dat hij met een stok geslagen was, en dat zij vervolgens door de huisgenooten hoorde zeggen dat de beklaagde zulks gedaan had.

De vijfde getuige, volgens hare opgave Dina Roelofs genaamd, oud zeven en twintig jaar, dienstmeid, woonachtig op den huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij niet zijn de een in des anders dienst. Dat des avonds van den 22sten januarij dezes jaars ten huize hares meesters gezelschap ten eten geweest was, waaronder de beklaagde en eerste getuige. Dat zij getuige in den gang wel gehoord had, dat er eenige rusie onder ’t gezelschap was, en dat zij mede was behulpzaam geweest om de vierde getuige, die ongesteld geworden was, naar een ander vertrek te verbrengen. Dat echter vervolgens het geheele gezelschap weder vreedzaam was bij elkanderen geweest. Dat nadat het gezelschap een tijdlang was weggeweest, de heer Queijsen door de keukendeur weder was in huis gekomen, klagende over pijn aan ’t hoofd en den schouder, en dat hij door den dokter met een stok geslagen as: dat dezelve toen zeer ontsteld geweest was.

De zesde getuige, volgens hare opgave Aaltjen Timmerman genaamd, oud vijfentwintig jaar, dienstmeid, woonachtig op den huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij niet zijnde een in des anders dienst, dat op den avond van den 22sten januarij laatstleden ten huize hares meesters gezelschap geweest was, waaronder de beklaagde en eerste getuige, dat zij van geene rusie gemerkt heeft, doch dat na den eeten de vierde getuige het op de zenuwen gekregen hebbende, zij was behulpzaam geweest om dezelve naar een ander vertrek te verbrengen. Dat zij de gasten tegelijk had zien weggaan en niet gemerkt dat iemand hunner beschonken was. Dat omstreeks een half uur daarna de heer Queijsen door de keukendeur was teruggekomen, juist terwijl de knecht die deur los deed, dat deze hem vrieg wat hem deerde, waarop hij antwoordde dat de dokter hem op de schouders had geslagen en dat hij was teruggeloopen. Dat hij zoo ontsteld geweest was, dat zij getuige hem een glas water had gegeven. Dat haar heer benevens deszelfs zoon hem vervolgens wweder hadden weggebragt.

De zevende getuige, volgens hare opgave, Dina Roelofs genaamd, oud drie en twintig jaar, dienstmeid op den Huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant, en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst. Dat erop den avond van den 22sten januarij dezes jaars een vrolijk gezelschap geweest was ten huize hares meesters, waaronder de beklaagde en eerste getuige. Dat zij wel gemerkt had dat er na den eten eenige rusie had plaats gehad tusschen haren meester en den beklaagde en dat de vierde getuige in flaauwte gevallen zijnde, zij mede was behulpzaam geweest om dezelve naar een ander vertrek te verbrengen. Dat zij geen gesprekken betrekkelijk die rusie verstaan heeft, noch gemerkt dat iemand anders zich daarmede bemoeide. Dat het gezelschap daarna zeer eensgezind geweest was, dat zij bij niemand eenige dronkenschap bespeurd had, dat de gasten tegelijk vertrokken waren. Dat ongeveer een half uur daarna de heer Queijsen was teruggekomen door de keukendeur, klagende dat hij geslagen was door dat beest, door wien zij vermoedde dat hij den beklaagde bedoelde.

De achtste getuige, volgens zijne opgave, Jan Rood genaamd, oud negentien jaar, dienstknecht, wonende op den Huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige hem zijn bekend doch niet verwant, en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst. Dat op den avond van den 22sten januarij dezes jaars een vrolijk gezelschap en huize zijner meesters geweest was, waartoe mede behoorden de beklaagde en eerste getuige. Dat hij na den eten wel gemerkt heeft, dat er eenig rumoer onder hetzelve plaats had, zonder te weten waar zulks in bestond. Dat de vierde getuige ook ongesteld uit de kamer gebragt was. Dat echter vervolgens het gezelschap weder eensgezind bij elkanderen geweest en ook alzoo gescheiden was. Dat de drie heeren tesamen waren weggegaan, dat hij aan geenen hunner eenige dronkenschap bespeurd heeft. Dat de eerste getuige ongeveer een half uur daarna de keukendeur weder was ingekomen juist terwijl hij dezelve losdeed. Dat hij er zeer ongesteld en bedroefd had uitgezien en op zijne vraag wat hem scheelde geantwoord had dat de dokter hem had geslagen. Dat zijn meester, nevens deszelfs zoon denzelven vervolgens weder hadden weggebragt.

De president den beklaagde gevraagd hebbende, wat hij ter zijner verdeediging had in te brengen, heeft dezelve gezegd dat erop den 22 januarij ter gelegenheid van de partij op den huize Heemse wel eenig verschil tusschen den heer en mevrouw van Foreest ontstaan was, waarin hij mede was betrokken, dat hetzelve echter weinig beteekend had; bekennende echter vervolgens dat hetzelve zoo ver gegaan was, dat die heer hem op een koppel pistolen had uitgedaagd. Dat de vierde getuige het alstoen op de zenuwen had gekregen en buiten de kamer verbragt was en dat hij haar alle hulp als arts had toegebragt. Dat de heer Queijsen zich met dat geschil in ’t geheel niet bemoeid had. Dat zij vervolgens in vriendschap tesamen geweest waren. Dat hij met Queijsen en zijn neef tegelijk was weggegaan, doch dat hij met dezen laatsten onderweg een zijpad had ingeslagen, terwijl queijsen, die zeer over zijn drank was, den grooten weg langs was voortgegaan, dat onderweg niets gesproken was, dat zijn neef mede niet aan hem verhaald had dat er nog lieden waren die de partij van den Heer van Heemse trokken. Dat hij beklaagde den heer Queijsen ook volstrekt niet geslagen of mishandeld had, als levende met hem in alle vriendschap.

De deuren geopend zijnde heeft de officier de zaak geresumeerd en zijne conclusie genomen. De advokaat des beklaagde heeft daarop geantwoord, en is voorts gediend van re- en dupliek. Waarmede de debatten zijn geëindigd en de regtbank overgegaan is tot het opmaken van een incidenteel vonnis tot het hooren van nieuwe getuigen, ’tgeen terstond daarna is uitgesproken. In kennis der waarheid is daarvan dit procesverbaal opgemaakt en door den president en griffier der regtbank geteekend.


Transcriptie van het incidenteel vonnis d.d. 25 april 1816:
Tusschen den Officier bij de Regtbank, waarnemende het Ministerie Publiek en Antony van Riemsdijk, medicijne dokter, wonende te Hardenberg, beklaagde. De correctionele regtbank van het arrondissement Deventer, gehoord hebbende de incidentele voordragt van den beklaagde, houdende dat hij in staat zoude zijn door getuigen te bewijzen dat de verklaring van één ofmeerdere der getuigen door het Ministerie Publiek geproduceerd, volkomen onwaarheden zouden behelzen, en dat daardoor de onschuld van den beklaagde zoude worden aan den dag gelegd, vorderende uit dien hoofde om alnog deze getuigen voor de regtbank te doen dagvaarden, ten einde te worden gehoord.

Gehoord den Officier, verklarende zich tegen deze vordering niet te verzetten.
Overwegende, dat zoodanig nader onderzoek eenig licht over de aanklagte zoude kunnen verspreiden.
Regt doende, verleent aan den beklaagde een termijn van veertien dagen om alsnog die getuigen voor deze regtbank te doen verschijnen, ten einde te worden gehoord, continueert de zaak ten principalen tot na het afhooren dezer getuigen. Aldus gedaan en uitgesproken in de teregtzitting der correctionele regtbank te Deventer, den vijfentwintigsten april achttienhonderd en zestien
.


Een transcriptie van het voortgezet verhoor van getuigen op 9 mei 1816:
Achttienhonderd zestien den 9den mei is de Regtbank van eersten aanleg, zitting houdende te Deventer, uitmakende de correctionele regtbank des Arrondissements van dien naam, vergaderd in de gehoorzaal van het gebouw der gemelde regtbank, in tegenwoordigheid van den officier en geadsisteerd door H.J. Jordens als griffier, ten einde over te gaan tot het vervolgen der debatten in de procedure tegens Antony van Riemsdijk, overeenkomstig het incidentelen vonnis dezer regtbank van den 25sten der vorige maand.

De beklaagde, nevens deszelfs praktizijns, binnen geroepen zijnde, is door dezelve de lijst der door hem gedagvaarde getuigen overgelegd. Deze getuigen daarop binnen geroepen zijnde, is de gemelde lijst opgelezen, waarna zij zich wederom uit de gehoorzaal naar het voor hen geschikte vertrek begeven hebben, vervolgens een voor een teruggeroepen hebben zij gedeponeerd in de volgende orde.

De eerste getuige volgens hare opgave Maria Clara van Rechteren, echtgenoote van Jacob van Foreest genaamd, oud achtendertig jaar, renteniersche, woonachtig op den Huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen, dat de beklaagde en rijdende commis Queijsen haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij geene betrekking van dienstbaarheid tot elkanderen hebben. Dat in den avond van den 22sten january dezes jaars eene vrolijke partij ten hare huize geweest was, waarbij tegenwoordig waren de beklaagde, deszelfs neef J. van Riemsdijk en de commis Queysen. Dat er geschil ontstaan was tusschen haren eheman en den burgemeester Van Riemsdijk, dat hare dochter tengevolge daarvan was flaauw geworden en naar een ander vertrek verbragt. Dat de heer Van Riemsdijk haar als geneesheer had bijgestaan. Dat deszelfs neef Jacob van Riemsdijk zoo wel als de commis Queijsen zich mede naar dat vertrek begeven hadden, dat zij tusschen dezelve echter geene gesprekken gehoord heeft, dat zij ook niet gemerkt heeft dat zij zich met de rusie bemoeid zouden hebben. Dat vervolgens het geheele gezelschap weder in goede harmonie was bij elkanderen geweest en ook alzoo gescheiden. Dat de beide heeren Van Riemsdijk, benevens den heer Queysen tegelijk waren weggegaan. Dat zij niet gelooft dat de beklaagde een stok bij zich had, omdat hij met rijtuig aan haar huis gekomen was. Dat de gasten beschonken geweest waren, uitgezonderd de beklaagde, aan wien zij dit niet bemerkt had, en dat de heer des huizes inzonderheid was over zijn drank geweest. Dat ruim een half uur na ’t vertrek der gasten, de commis Queijsen door de achterdeur in haar huis was teruggekomen en haar in den gang voorbij gaande gezegd had, dat hij geslagen was door een dier, zonder dat zij getuige weet wien hij daardoor bedoelde. Dat zij hem vragende, wat hem was overgekomen, tot antwoord bekomen had ik moet mijn heer spreken en heb met u niet te doen.

De tweede getuige Jacob van Foreest heeft op den eed door hem in de teregtzitting van heden en veertien dagen afgelegd, nader verklaard dat er langs en in de nabijheid van den weg van zijn huis naar den Hardenberg wel slooten zijn, doch dat die niet droog zijn in de maand january, dat er wel zandbelten of hoogtens zijn, waarachter het wel mogelijk in die maand droog zijn kan. Dat de rijweg en het voetpad zich een eind wegs vereenigen, doch dat op eenigen afstand van zijn huis een trapje is, over ’t welk het voetpad loopende zich van den rijweg afscheidt.

De derde getuige Maria Valk, heeft op den eed door haar in de teregtzitting van heden en veertien dagen afgelegd nader verklaard dat, nadat ten bewusten tijde het geschil tusschen den heer Van Foreest en den beklaagde was ontstaan, deze laatste alle moeite had aangewend om haren heer tot bedaren te brengen, zonder dat zij de woorden weet op te geven die hij toen tot dat einde gebezigd heeft. Dat toen de freule flaauw werd uit de kamer gedragen de beklaagde was medegegaan en haar had helpen ontkleden, snijdende de banden der klederen met de schaar door.

De vierde getuige, volgens zijne opgave Jan Warmink genaamd, oud zesenveertig jaar, bouwman, woonachtig in de boerschap Reese onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde en de rijdende commis Queysen hem wel bekend zijn, dat geen hunner aan hem is verwant en dat zij in geene betrekking van dienstbaarheid tot elkanderen staan. Dat hij in de maand januarij laatstleden op zekeren nademiddag met zijn buirman Jan Oldemeijer was gegaan naar den Hardenberg, naar ’t huis van Albert van der Velde, alwaar zij tot in den nacht gebleven waren, gaande tesamen uit den Hardenberg terug juist terwijl er door den tuiter drie uur geroepen werd. Dat het was lichte maan geweest. Dat zij den commis Queysen op den grooten weg waren tegengekomen bij den Heemser toren bij het hekje dat om den kerkhof is, zonder hem te spreken, en dat hij geheel alleen geweest was. Dat van daar een eindweegs naar ’t huis Heemse verder opgaande, zoo hij denkt ongeveer honderdvijftig treden, men een treedje of klimmetje ontmoet, dienende voor de voetgangers om op ’t pad te komen dat zich aldaar van den rijweg scheidt en naar de kant van den Hardenberg loopt. Dat hij den tijd, waarop dit voorval niet nader weet op te geven, als alleen dat hij des volgenden dags had hooren verhalen dat er des avonds tevoren op het Huis Heemse gezelschap geweest was, en dat daar rusie was ontstaan. Dat de beklaagde hem voor ruim veertien dagen bij zich had ontboden en gevraagd naar het bovenverhaalde voorval en gezegd dat hij zulks moest onthouden, omdat het te pas konde komen.

De vijfde getuige, volgens zijne opgave Jan Oldemeijer genaamd, oud negen en dertig jaar, bouwman, woonachtig te Reese onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde gelijk ook de rijdende commis Queijsen hem bekend zijn, dat dezelve niet aan hem zijn verwant en dat hij tot hen in geene betrekking van dienstbaarheid staat. Dat hij in de maand januarij laatstleden, zoo hij meent op eenen maandag, des nademiddags met Jan Warmink gegaan is naar den Hardenberg, naar ’t huis van den tapper Van der Velde alwaar zij tot laat in den nacht gebleven zijn, gaande van daar om drie uur wederom naar huis. Dat zij bij de Heemser kerk bij ‘t hekje van den kerkhof op den grooten weg ontmoet hadden den voorzeiden commis Queysen, die hen was voorbij geslingerd, zoo hij meent aan de regter zijde, hebbende zij niemand anders gezien. Dat hij des anderen dags had hooren verhalen dat er ’s avonds te voren op Heemse rusie ontstaan was tusschen zeker gezelschap. Dat voor ruim veertien dagen de beklaagde hem bij zich had ontboden en naar de voorzeide ontmoeting van Queysen gevraagd, zeggende dat zulks te pas konde komen. Dat in den omtrek van den heemser weg de slooten in january niet droog zijn, dat het korenland met hooge wallen is afgevreed, waarachter het wel droog kan zijn.

De zesde getuige, volgens zijne opgave Hermen Jan Dorgelo genaamd, oud drie en dertig jaar, schoolmeester en organist, woonachtig te Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde en commis Queysen hem bekend doch niet verwant zijn en dat hij tot dezelven in geene betrekking van dienstbaarheid staat. Dat op den weg van het Huis Heemse naar den Hardenberg de rijweg en het voetpad zich eerst vereenigen en vervolgens, bij zeker klein tuintje scheiden, gaande het laatste aldaar over zijn land en zoo voorts totdat het zich bij den Rustenberg weder met den rijweg verenigt. Dat men den rijweg volgende, ongeveer drie of vierhonderd treden verder dan het voorzeide klein tuintje, naar de zijde van den Hardenberg, de Heemserk kerk en kerkhof aantreft, waarom een hekje is.

Voorts heeft de president den commis Harmen Queysen op den eed door hem in de teregtzitting van heden en veertien dagen afgelegd, eenige nadere vragen gedaan, waarop dezelve geantwoord heeft dat hij door den beklaagde op den rijweg was geslagen, voor men aan het voetpad komt, dat Jacob van Riemsdijk hem vervolgende, hij naar de kant van den Zwolschen weg, achter een schaapskooi om, naar ’t huis Heemse is gevlucht, dat hij niet ver van dien kooi van eene hoogte in eene laagte is gevallen, alwaar hij zich verscholen heeft, wetende niet of zulks een sloot of een grup was. Dat hij bij de Heemser kerk den kerkhof en het hekje alleen zijnde, in ’t geheel niet geweest is, en ook niemand op weg gezien heeft. Dat gelijk hij reeds tevoren gezegd heeft, de heer Van Foreest en deszelfs zoon hem na zijne vlugt een eind wegs hadden geleid, en dat zij toen tesamen voorbij die kerk en dat hekje gegaan waren.

De deuren geopend zijnde, heeft de officier de zaak geresumeerd en zijnen genomenen eisch nader geadstrueerd, waartegen de beklaagde en deszelfs verdeediger hunne nadere belangen hebben ingebragt. Hierop zijn de debatten voor gesloten verklaard en heeft de regtbank de zaak in deliberatie gehouden tot heden over acht dagen, des morgens om tien uur.


Een transcriptie van het vonnis van de rechtbank d.d. 16 mei 1816:
Tusschen den Officier bij de Regtbank, waarnemende het Ministerie Publiek, en Antonij van Riemsdijk, oud volgens zijne opgave een en veertig jaar, medicijne dokter, geboren en woonachtig te Hardenberg, beklaagde.

De correctionele regtbank van het arrondissement Deventer, provincie Overijssel, gehoord hebbende de voordragt van den Officier, houdende dat de beklaagde zich zoude hebben schuldig gemaakt aan het slaan en mishandelen van den rijdenden commis Harmen Queijzen. Gelezen het proces-verbaal van aanklagte.

Gehoord de getuigen door het Ministerie Publiek en die van de zijde van den beklaagde geproduceerd, alsmede de ondervragingen van den beklaagde geproduceerd, alsmede de ondervragingen van den beklaagde op het aan hem ten laste gelegde wanbedrijf.

Gehoord den Officier in zijne conclusie, houdende, dat de beklaagde zoude worden gecondemneerd tot eene gevangenis van zes weken, en eene geldboete van vijfentwintig gulden.
Gehoord de beklaagde, alsmede deszelfs verdediger in hunner verdeediging.


Overwegende, dat uit de instructie der procedure gebleken is dat de beklaagde, benevens zijn neef Jacob van Riemsdijk en den commis Harmen Queijzen, op den twee en twintigsten januarij laatstleden, tezamen geweest zijn op eene vrolijke partij, die door den heer Van Foreest op den Huize Heemse, nabij den Hardenberg, gegeven werd. Dat aldaar laat in den avond of in het begin des nachts, hooggaande woorden zijn ontstaan tusschen den heer Van Foreest en den beklaagde, waardoor de vrolijkheid is gestoord geworden, en een gedeelte van het gezelschap zich naar een andere kamer begeven heeft. Dat Harmen Queijzen in die kamer heeft te kennen gegeven, in tegenwoordigheid van Jacob van Riemsdijk, dat de Heer van Heemse naar zijne gedagte in de verschillen gelijk had. Dat de verschillen vervolgens bedaard zijnde, het gezelschap in goede harmonie is gescheiden, des nachts ongeveer drie uren, gaande de beklaagde, Jacob van Riemsdijk en Queijzen te samen naar den Hardenberg, de plaats hunner woning. Dat onderweg Jacob van Riemsdijk aan zijn oom heeft te kennen gegeven, dat Queijzen het gedrag van den heer Van Foreest had goedgekeurd. Dat de beklaagde daarop in drift onstoken eenige slagen met een stok of met de hand aan Harmen Queijzen heeft toegebragt, waarop dezelve de vlugt genomen heeft, en een korten tijd, nadat hij van daar vertrokken was, op den Huize Heemse in groote ontsteltenis is teruggekomen.


Overwegende dat de slagen aan Queijzen toegebragt op zich zelven beschouwd niet gebleken zijn van een ergen aard te zijn geweest, of eenige nadeelige gevolgen gehad te hebben.
Overwegende dat de beklaagde en Harmen Queijzen te voren in goede harmonie hebben geleefd, en ook als goede vrienden van den Huize Heemse vertrokken zijnde, de mishandeling door den beklaagde aan Queijzen aangedaan moet beschouwd worden als een gevolg van een spoedige opgekomene drift over een gesprek dat betrekking had tot plaats gehad hebbende geschillen, die eerst eenen korten tijd tevoren waren bijgelegd geworden; en zulks wel op een ogenblik dat de gemoederen nog eeniger mate, zoo door de plaats gehad hebbende verschillen, als door den gebruikten drank verhit waren.


Overwegende dat zoodanige daad van den beklaagde in zijne omstandigheden beschouwd, is een wanbedrijf waartegen voorzien is bij art. 311 gevoegd bij art. 46 van het Wetboek van Strafrecht:
(Art. 311: “Wanneer de kwetsuren of slagen geenerlei ziekte of beletsel van te werken, als bij art. 309 gemeld, veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van eene maand tot twee jaren, en eene geldboete van zestien tot tweehonderd franken gestraft worden” en art. 46: “In alle de gevallen waarin de straf van gevangenis bij dit wetboek gesteld wordt, worden de vierscharen gemagtigd om bij aldien het veroorzaakte nadeel geen vijfentwintig franken te boven gaat, en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevangenis zelfs tot beneden de zes dagen en de boete zelfs beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook de eene of andere dezer straffen afzonderlijk mogen wijzen, zonder dat zij echter in eenig geval beneden den bloote policistraffen mag zijn”. Welke artikelen door de president in de teregtzitting zijn voorgelezen.


Regt doende ter eerster instantie, condemneert de beklaagde Antonij van Riemsdijk tot eene geldboete van vijfennegentig gulden, vier stuivers en twaalf penningen. Condemneert denzelven daarenboven om aan het Rijk te vergoeden de kosten door deze procedure veroorzaakt, begroot op eene somma van eenenveertig gulden, zeven stuivers en twee penningen. Gelast dat dit vonnis zal worden uitgevoerd. Aldus gedaan en uitgesproken in de Teregtzitting der correctionele regtbank te Deventer den zestienden mei achttienhonderd zestien.


Toen, op 16 januari 1787: verdronken lichaam geborgen bij de ‘Rikkenkoppeltjes’

0113_verdronken
Op 13 januari 1787 verdween Hermina Bussemaker uit stad Hardenberg. Het vermoeden was dat ze in de Vecht gevallen en verdronken was. Uit het resolutieboek van de stad blijkt dat ze drie dagen later werd gevonden, namelijk aan de oevers van de rivier nabij de zgn. ‘Rikkenkoppeltjes’ in de stadsvrijheid. De burgemeesters hadden haar lichaam ‘gevisiteerd’, maar geen verwondingen ontdekt, waardoor een mogelijk misdrijf niet reëel werd geacht. Vervolgens werd de moeder van de verdronkene toestemming verleend tot het ter aarde ‘besteden’ en begraven van het ‘doode ligchaam’.

Het handelde hier om de 39-jarige, ongehuwde, Johanna Harmina Bussemaker, dochter van de al vroeg gestorven Jan Bussemaker en diens echtgenote Geertruid Meijer.


Aanwinst

Recent mocht het ons lukken om deze unieke prentbriefkaart aan te schaffen. De kaart is verzonden vanuit het N.A.D. Kamp 232 Heemse, oftewel het kamp Johan Maurits graaf van Nassau-Siegen van de Nederlandsche Arbeids Dienst. Het kamp lag ten noorden van de Ommerweg in het Heemserveld. De kaart is op 31 januari 1944 verzonden door arbeidsman A. Rozenberg, N.A.D. 232, Heemse aan den heer Tj. v.d. Meulen aan de Boogstraat te Grouw (Fr).

NAD Kamp 232 was een van de kampen van de Nederlandsche Arbeidsdienst (NAD) waar jonge Nederlandse mannen (18-23 jaar) hun verplichte (nationaalsocialistische) dienstplicht vervulden door werkzaamheden te verrichten in de landbouw en bosbouw, met het doel hen te trainen voor onder meer verdedigingswerken voor het Oostfront.

Op onze website vindt u een rijk geïllustreerde bijdrage over de geschiedenis van het NAD-Kamp Heemse.


Familiewapen Van Sytzama

Recte faciendo neminem timeas : Door recht te handelen hoef je niemand te vrezen …

Onder registratiecode HDATNL016702 staat bij het Centrum voor Familiegeschiedenis (CBG) in Den Haag het familiewapen van Van Sytzama beschreven. De daarbij geplaatste afbeelding hebben we, met behulp van AI, geoptimaliseerd. Hierboven het resultaat.

Wapen: in blauw boven elkaar een gouden klaverblad tussen twee zilveren rozen, goud geknopt en gepunt
Helm: aanziend
Kroon: van drie bladeren en twee parels
Helmteken: een uitkomende zilveren eenhoorn, het hoofd naar rechts, goud gehoornd, gesikt en gehoefd
Schildhouder: twee omziende eenhoorns als van het helmteken
Wapenspreuk: RECTE FACIENDO NEMINEM TIMEAS


Toen, op 2 januari… Burgemeester Van Riemsdijk bespot (1835)

In januari 1835 ontstond er in Ambt Hardenberg opschudding rond het verbod dat burgemeester Antoni van Riemsdijk had uitgevaardigd om tijdens Kerstmis met de klokken te luiden, het zogenoemde beijeren. Soldaten die waren ingekwartierd bij landbouwer Schrotenboer hoorden hoe de broers Hendrik en Gerrit Holleboom zich fel uitlieten tegen dit verbod.

Hendrik zou hebben gezegd: “Hoe is het, komt gijlieden hier om ons het beijeren met de klokken te beletten?” en voegde daaraan toe: “Ik geef een gulden als maar een of ander het wil doorzetten om te bijeren.” Gerrit reageerde daarop dat men zich nu stil moest houden, maar: “als de militairen weg zijn, dan denk ik dat eerstdaags het zal bewaarheid worden, zoo als men reeds de schimm van de dikke burgemeester van Heemse meermalen heeft gezien als opgehangen, gelijk een varken, in zijn eigen deurraam.” Ook werd opgetekend dat er over de burgemeester gezegd was dat hij zijn eigen dood niet zou sterven.”

Figuratieve schets (AI)

De verklaringen van de soldaten, die als getuigen werden gehoord, kwamen grotendeels overeen: Hendrik beloofde geld om toch te luiden, Gerrit sprak dreigend over de dood van de burgemeester en er was sprake van ophangen “als een vet varken in zijn eigen deur.”

Voor de rechtbank in Deventer hielden de broers deels vol dat hun woorden waren overdreven weergegeven. Hendrik gaf toe dat hij een gulden had beloofd voor wie durfde te luiden, maar ontkende doodsbedreigingen te hebben geuit. Gerrit zei slechts te hebben herhaald wat men “verhaald” had, namelijk dat men de schim van de burgemeester al eens had gezien alsof hij hing.

De rechtbank achtte de beledigingen en bedreigingen bewezen. Gerrit werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, Hendrik tot twee maanden. Beiden moesten daarnaast de proceskosten betalen, een bedrag van twee gulden en achtenvijftig cent.

Kortom, uit onvrede over een verbod op klokgelui tijdens Kerst uitten de broers Holleboom dreigende en spottende opmerkingen als “ik geef een gulden als er gebeierd wordt”, “de burgemeester zal zijn eigen dood niet sterven” en “opgehangen gelijk een varken in zijn eigen deurraam.” Die woorden kwamen hen duur te staan: ze belandden in de gevangenis.


In een bewaard gebleven pakket met ingekomen stukken van het gemeentebestuur van Ambt Hardenberg vinden we het proces-verbaal, gedagtekend 2 januari 1835:

Op heden den tweeden januari 1835, wierd ik gedurende dat er door mij een onderzoek plaatshad omtrend een verschil tusschen het huisgezin van den landbouwer M. Schrotenboer, door de manschappen welke aldaar in het kwartier liggen, onderricht dat Hendrik Holleboom, bij hunne aankomst in het gemelde kwartier, zich op de navolgende wijze heeft uitgelaten: “hoe is het, komt gijlieden hier om ons het beijeren met de klokken te beletten?” “als wij dat immers wilden doen, dan kunt gijlieden zulks tog niet tegengaan; want 14 poldergasten joegen voor 5 jaar geleden 50 man van jelui weg”. Vervolgens zeide Holleboom: “Ik geef een gulden als maar een of ander het wil doorzetten om te bijeren, wij zullen ons echter nu wat stil houden, maar als gijlieden eens weg zijt, dan zult gij er van hooren. Onze burgemeester zal zijn eigen dood niet sterven“. Waarop Gerrit antwoorde: “houdt uw toch maar stil, wij mogen nu niet alles zeggen, – maar ja als de militairen weg zijn, dan denk ik, dat, eerstdaagsch het zal bewaarheid worden, zoo als men reeds de schimm van de dikke burgemeester van Heemse meermalen heeft gezien als opgehangen, gelijk een varken, in zijn eigen deurraam“. De manschappen welke dit een en ander kunnen bevestigen, en verklaren dit alles gehoord te hebben, zijn: de fusiliers Jolink, Rutgers, Drijver en Morshuis, allen van de 2e kompagnie depot der 7e afdeeling infanterie. De kommandant van het detachement te Heemse, was getekend G. Haasloop Werner.

De dikke burgemeester, Antoni van Riemsdijk, liet het er niet bij zitten, zo blijkt uit een proces-verbaal voor de Regtbank van eersten aanleg te Deventer, van 20 januari 1835.


Een transcriptie van het verhoor:
Achttienhonderd vijfendertig, den twintigsten januarij, is de Regtbank van eersten aanleg, zitting houdende de te Deventer, uitmakende de correctionele regtbank des Arrondissements van dien naam, provincie Overijssel, vergaderd in de gehoorzaal van het gebouw der gemelde regtbank, in tegenwoordigheid van den officier bij dezelve, en geadsisteerd door den griffier der regtbank, ten einde over te gaan tot het houden der debatten en het vonnissen in de procedure tegen Gerrit Holleboom en Hendrik Holleboom.

De beklaagde binnengeroepen zijnde, heeft de substituut officier het onderwerp der klagte ontvouwd en de lijst der getuigen overgelegd. De president heeft hierop den beklaagden derzelver voornaam, naam, ouderdom, geboorte, beroep en woonplaats gevraagd, waarop dezelve geantwoord hebben, de eerste dat hij genaamd is Gerrit Holleboom, oud dertig jaar, kleedermaker, en de tweede Hendrik Holleboom, oud twee en twintig jaar, landbouwer, beide geboren en woonachtig in het Ambt Hardenberg.

Voorts is het proces-verbaal van aangave gelezen. De getuigen hierop binnen geroepen zijnde, is derzelver lijst opgelezen, waarna zij zich wederom uit de gehoorzaal naar het voor hen geschikte vertrek begeven hebben; vervolgens een voor een teruggeroepen hebben zij ieder afzonderlijk gedeponeerd in de volgende orde.

De eerste getuige, volgens zijne opgave Jan Jolink genaamd, oud vijfentwintig jaar, fuselier bij den 2de compagnie, 7de afdeling infanterie, in bezetting te Zwol, na met eede beloofd te hebben, dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagden Gerrit Holleboom en Hendrik Holleboom alhier tegenwoordig hem wel bekend doch niet verwant zijn, en dat hij in geene betrekking van dienstbaarheid tot hen staat; dat hij getuige onlangs bij gelegendheid dat er een detachement militairen van Zwol naar den Hardenberg was vertrokken, om aldaar de wet te bewaren, zijn kwartier alstoen aldaar had gehad te Heemse bij zekeren Schrootenboer, bij wien mede waren geehuijsvest de beklaagden. Dat aldaar zijnde hij getuige destijds ongenoegen had vernomen over het verbieden door den burgemeester van het beijeren of luiden met de klokken, dat de beklaagde Hendrik Holleboom had te kennen gegeven dat hij nog wel een gulden uit zijn zak wilde geven, indien er wierd gebeijerd, mits hij zelve zulks maar niet deed; dat vervolgens Gerrit Holleboom hierop had geantwoord dat men zich nu moest stilhouden, doch dat wanneer de militairen weg waren, het alsdan door de poldergasten ligt konde gebeuren dat de burgemeester zijn eigen dood niet stierf, en dat de beklaagde hierop wederom had gezegd dat de burgemeester nog wel eens als een vet varken in zijne eigene deur konde worden opgehangen, zoo als zulks jaren tevoren in eene schuur gezien was.

De tweede getuige volgens zijne opgave Mannes Rutgers genaamd, fuselier bij de tweede compagnie 7den afdeling infanterie in guarnisoen te Zwolle, oud negentien jaar, na met eede beloofd te hebben van de volkomene waarheid te zullen zeggen, deponeert op de aan hem gedane vrage dat de beklaagde hem wel bekend, doch geen van beide aan hem zijn verwant, en dat hij niet staat in eenige betrekking van dienstbaarheid tot hen. Dat hij getuige onlangs gedetacheerd had gelegen aan den Hardenberg en dat hij aldaar alstoen zich bevindende in kwartier bij zekeren Schrootenboer te Heemse, on… had hooren aan den dag leggen ten opzigte van den burgemeester, als hebbende deze verboden het beijeren of luiden der klokken, ter gelegenheid van het Kersfeest, dat de beklaagde Hendrik alstoen zich had uitgelaten dat hij nog wel een gulden wilde geven wanneer er gebeijerd wierd, dat de beklaagde Gerrit hierop had gezegd dat zoodanig een verbod, indien de militairen waaren vertrokken, den burgemeester nog veel konde berokkenen, dat dezelve zijn eigen dood niet stierf.

De derde getuige volgens zijne opgave Willem Drijver genaamd, oud twintig jaar, fuselier bij de 2de compagnie der 7de afdeling infanterie, in garnizoen te Zwol, na met eede beloofd te hebben van de volkomene waarheid te zullen zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagden hem wel bekend, doch geen van beide aan hem zijn verwant, en dat hij niet staat in eenige betrekking van dienstbaarheid tot dezelve. Dat hij dan onlangs was ingekwartierd aan de Hardenberg ten huize van den landbouwer Schrootenboer onder Heemse, hij aldaar had aangetroffen de beklaagden, hun misnoegen te kennen geven dat op Kerstfeest het beijeren me de klokken door de burgemeester krachtens eene publicatie was verboden. Dat hij den beklaagde Hendrik te dier gelegenheid had hooren zeggen dat het hem nog wel een gulden waard was, dat er gebeijerd of met de klokken wierd geluid, zoo hij zich daaraan maar niet schuldig maakte, en dat de beklaagde Gerrit hierop had geantwoord, dat, indien de militairen waren teruggekeerd, het wel nog konde gebeuren dat de burgemeester uit Heemse zijn eigen dood niet stierf, dat er ook gesproken is om den burgemeester in zijne eigene deur op te hangen, dat hij echter niet weet door wien dat is gezegd geworden.

De vierde getuige volgens zijne opgave Gerrit Jan Morshuis genaamd, oud negentien jaar, fuselier bij de 2de compagnie van de 7de afdeeling infanterie in bezetting te Zwol, na met eede beloofd te hebben van de volkomene waarheid te zullen zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagden hem wel bekend, doch geen van beide aan hem zijn verwant en dat hij niet staat in eenige betrekking van dienstbaarheid tot hen. Dat hij onlangs in kwartier zich bevindende aan den Hardenberg en wel op een avond onder anderen in gezelschap met den beklaagde Gerrit Holleboom deze hem had gevraagd of de ambtenaren waren gekomen met oogmerk om het beijeren der klokken in den toren te beletten? En tevens te kennen gegeven dat men zulks wel niet zoude kunnen tegengaan en wel anders zouden leeren, er bijvoegende dat hij een gulden gaf indien hij de burgemeester die zulks verbood ter eenigen tijd mogt villen.

De president den beklaagden gevraagd wat zij ter hunner verschooning hadden in te brengen, zeide de beklaagde Gerrit Holleboom dat hij met de militairen over het al of niet beijeren geenszins had gesproken, doch wel gezegd dat er verhaald wierd dat de burgemeester zijn eigen dood niet konde sterven, uit hoofde men sedert lang zijne schim in de deur had zien hangen. En zeide de beklaagde Hendrik Holleboom dat het waar was dat hij een gulden had beloofd aan hem die het eerst begon de klokken te luiden of te beijeren, doch dat het hem is geheel onbewust dat hij zoude gesproken hebben dat de burgemeester nog eenmaal in zijne eigene deur zoude worden opgehangen, noch de wensch te hebben geuit dat hij denzelven daartoe zag verwerken.

De deuren geopend zijnde, heeft de substituut officier zijn conclusie genomen. De beklaagden hadden verder niets te zeggen. Waarop de debatten zijn gesloten en de regtbank is overgegaan tot het opmaken van het vonnis, hetwelk terstond daarna is uitgesproken.


Een transcriptie van het vonnis:
Tusschen den Officier bij de Regtbank, waarnemende het Ministerie Publiek, en Gerrit Holleboom, oud volgens zijne opgave dertig jaar, kleedermaker, en Hendrik Holleboom, oud volgens zijne opgave twee en twintig jaar, landbouwer, beide geboren en woonachtig in het Ambt Hardenberg, beklaagden.

De correctionele regtbank van het Arrondissement Deventer, gehoord hebbende de voordragt van den substituut officier, houdende dat de beklaagden zich zouden hebben schuldig gemaakt aan het hoonen van den burgemeester van het Ambt Hardenberg, ter gelegenheid van de waarneming van deszelfs ambtsverrigtingen.

Gelezen het proces-verbaal van aangave. Gehoord de getuigen door het ministerie publiek geproduceerd, alsmede de ondervragingen van de beklaagden op het aan hen te laste gelegde wanbedrijf. Gehoorde de subsituut-officier in zijne conclusie, houdende dat de eerste beklaagde zoude worden gecondemneerd tot eene gevangenis van drie en de tweede beklaagde tot eene gevangenis van twee maanden.

Gehoord de beklaagden in hunne verdediging. Overwegende met betrekking tot de daadzaken, dat uit de verklaring der getuigen en de instructie dezer procedure gebleken is dat het luiden of beijeren met de klokken in de gemeente het Ambt Hardenberg ter gelegenheid van het Kerstfeest bij publicatie verboden zijnde, daaruit ernstige bewegingen ontstaan zijn, ten gevolge waarvan het noodzakelijk geworden is een afdeling krijgsvolk derwaarts te zenden.

Regt doende ter eerster instantie condemneert den beklaagde Gerrit Holleboom tot eene gevangenis van drie maanden en den beklaagde Hendrik Holleboom tot eene gevangenis van twee maanden. Condemneert dezelve daarenboven beide te samen en ieder voor het geheel om aan het Rijk te vergoeden de kosten door deze procedure veroorzaakt, begroot op eene som van twee gulden en achtenvijftig cents.