het geheugen van hardenberg

De rijke schaapherder…

Delftsche courant, 26 februari 1858.

De Delftsche Courant berichtte op 26 februari 1858 dat er kort daarvoor in de gemeente Hardenberg een man was overleden op 73-jarige leeftijd. Het ging om G.W., van beroep schaapherder. Volgens de algemene opvatting was hij uit zuinigheid ongehuwd gebleven. Men kon zich niet herinneren dat hij ooit geld had uitgegeven aan tabak of aan iets wat niet strikt noodzakelijk was voor het levensonderhoud. Daardoor had hij, zo werd verteld, met zijn zestig jaar lange werk als herder een aanzienlijk bedrag van ongeveer 12.000 gulden nagelaten aan zijn familie.

Het betrof hier Gerrit Waterink. Hij was geboren in Anevelde en werd op 11 september 1785 gedoopt in de kerk van Hardenberg. Zijn ouders waren Marten Waterink en Jennegien Uelderink. Gerrit Waterink bleef ongehuwd en overleed op 18 februari 1858, op 72-jarige leeftijd..


Toen, op 13 februari… Twee wiegen, geen vader (1809)

Op 13 februari 1809 verschenen voor het Stadsgericht Hardenberg twee vrouwen met ieder een kind op de arm. De eerste was Margaretha Strötgers uit Nordhorn, bijgestaan door haar broer Gerhard. Zij verklaarde dat zij op 1 januari van dat jaar in Nordhorn was bevallen en dat zij tijdens de zware bevalling, toen haar leven in gevaar was, aan de vroedvrouw Rica Westenbergh had bekend dat niemand anders dan Evert Klaaszen ter Steeg, uit Hardenberg, de vader van haar kind was.

Fictieve illustratie…

De tweede vrouw was Jennechien Korterink, weduwe van Jan Kampferbeek, die vergezeld werd door Jan Derkzen Zweers. Zij bracht het kind mee dat haar dochter Hendrika op 1 februari in Hardenberg ter wereld had gebracht. Ook Hendrika had tijdens de bevalling, terwijl zij in levensgevaar verkeerde, tegenover de vroedmeester Antoni van Riemsdijk verklaard dat de vader niemand anders kon zijn dan dezelfde Evert ter Steeg.

Beide vrouwen lieten hun kinderen vervolgens in aanwezigheid van zijn vader Klaas zien aan Evert ter Steeg en vroegen hem of hij de vader was. Evert ontkende dit echter resoluut en hield vol dat hij nooit iets met Margaretha of met Hendrika te maken had gehad. Burgemeester Jan Santman Dz. legde deze verklaring officieel vast.


Toen, op 8 februari… Conflict tussen secretaris Krull en pachter Sierink (1723)

In het bewaard gebleven Statenarchief (toegang 0003.1.4), lezen we dat stadssecretaris Wilhelm Hendrik Krull uit Hardenberg zich op 15 augustus 1723 tot de Gedeputeerden van Ridderschap en Steden richtte in een poging om zijn naam te zuiveren. Hij beklaagde zich dat hij ten onrechte in verband werd gebracht met de pachterszaken van Herman Sierink, en dat er lasterlijke beschuldigingen over hem en zijn knecht Gerrit Herms zouden rondgaan.

De situatie kwam voort uit een incident op 8 februari waarbij Herman Sierink, die vaak dronken en agressief zou zijn, tijdens een bezoek aan Krulls huis de burgemeesters uitmaakte voor schelmen en daarna de knecht Gerrit Herms met een bierkroes in het gezicht sloeg. Volgens Krull was dit een brute en gevaarlijke daad: Herms viel van zijn stoel, en alleen door tussenkomst van anderen kon erger worden voorkomen. Krull benadrukte dat dit niet de eerste keer was dat Sierink zich op deze manier misdroeg; ook eerder sloeg hij iemand met een bierkroes na een woordenwisseling.

Hoewel Sierink beweerde dat Herms hem had uitgescholden, verklaarden meerdere getuigen dat zij dit nooit hebben gehoord. Wel hadden zij het gewelddadige slaan gezien. Toch was Herms volgens Krull ten onrechte in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot het betalen van kosten, terwijl Sierink de ware aanstichter was.

Daarnaast wees Krull erop dat de andere klachten van Sierink – bijvoorbeeld dat er schade zou zijn aangericht aan zijn hofje of huis – ongeloofwaardig zijn. Zo zou Sierink volgens omstanders dronken zijn eigen ramen hebben ingeslagen.

Krull besloot zijn brief met de oproep aan de Staten om rechtvaardig te oordelen, en verzekerde dat hij steeds naar waarheid verslag heeft gedaan…


Een transcriptie:
Edele mogende Heeren, de ordinaris gedeputeerden van ridderschap en steden, de staten van Overijssel et cetera. Mijnheren. Ik bevind dat mijn leedwezen zo uit de resolutie van uw edel mogende tot beintinne? Van de pachter Herman Sierink en andere pachters afgegeven, waarbij tegen gewoonte mijn naam bij de burgemeesteren wordt gevoegd, alsmede uit die aan mij gedane rapporten, dat ze bij de een of andere, zeer vuilaardig en gedenegreerd en verdacht gemaakt, alsof ik de pachter is, en alzo de ordonnantie van uw edel mogende contramineerde en tegen geen. Waarom dan uw edel mogende bij dezen hebben moeten voordragen, dat ik, die al over twee jaren een zeer pijnlijke en kwijnende ziekte ben onderhevig geweest, en die nergens minder plezier als in de ruzie scheppen, en die ook wel hebbe geleerd, dat men den keizer dat des keizers is, en vervolgens, dat men schattinge die men schattinge en tol die men tol schuldig is moet betalen, mij nergens minder als aan zo een boosaardige en vuile calange schuldig kenne vermits echter het voorgevallene ten onzen huize, tussen Herman Sierink en de knecht Gerrit Herms, de voorged. calange schijnt te hulp te komen, zo heb nodig geacht daarvan niets te zeggen, en hierbij voegen, de kopie van het rekwest waarbij Herman Sierink de knecht Gerrit Harms beklaagt, en welke van Herman Sierink onder zijn eigen hand geschreven aan de knecht bij insinuatie van het rekwest is overgegeven, uit voorschreven kopie zullen nu edele mogende datelijk zien, dat Herman Sierink aldaar ter neder stelt, dat hij als pachter van het hoofdgeld van den Hardenberg over den jare 1722 en dat hij onlangs is zich willende bezighouden, om gemelde pacht penningen aldaar te innen, onder andere naar verscheidene injurien en scheldwoorden geleden te hebben, eindelijk door eenen Gerrit Harmsen, zijnde de knecht van de secretaris Krull, nevens enige anderen zij op het lijf gevallen en geslagen. Ik kan niet mankeren uw edele te zeggen dat opgemelde klaagt zeer goddeloos en boosaardig van Herman Sierink is gesmeed en dat het de geraffineerste leugen is, die de boosaardigste mens geen consorentie en geweten hebbende, zouden kunnen praktiseren, om tegen alle liefde zijn even mens te beledigen en daar mede de gemoederen van uw mogende tegen iemand te verbeteren en gaande te maken en zo opgemelde vuile leugens de waarheid, waarheid waren, zo had de knecht Gerrit Herms verdiend dat hij tot afschrik van anderen werd gegeseld en uit het land gebannen.

De gedaagde Gerrit Herms onschuld manifesteert integendeel genoegzaam uit de condschappen, het eerst aan u edel mogende toegezonden bericht geanne acert?, zes zoek verder dat u edel mogende met patientie en zonder vooroordeel, van mij mogen onderricht worden, dat Herman Sierink op de achtste februari 1723 dronken zijnde aan ons huis is gekomen en aldaar destijds ook hebben gezeten Engbert Hagen en de stadsdienaar Jan Valkman, dat hij Herman Sierink naar dat een mengele bier had geëist ging zitten, en een weinig daarna segte, dat de burgemeesteren schelmen waren, om dat ze Berend Meijer, gewezen muller de ontvangst van de tol hadden gegeven, daar bij volgende, dat zij de ontvangst daarvan, aan oude burgers, als Engbert Hagen en Lukas Lamberts hadden moeten geven, dat eindelijk de diener siende, dat ik destijds zeer pijnlijk zijnde, verdriet in het aanhoren van dat schelden had, zei, dat hij mij en Engbert Hagen tot getuigen nam overheidsgelden van de burgemeesteren en de knecht Gerrit Herms, die een jarenlang, met de vader van Herman Sierink voor knecht heeft gewoond, en het naturel van Herman Sierink wel kennend als wetende hoe ondraaglijk Herman Sierink dronken zijnde voor een ieder in een gezelschap is, sprak hem ook over het schelden aan, omdat hij zag, dat mij het schelden en razen van Herman Sierink zeer verdroot, daar over harde woorden rezen, drinkende ondertussen Herman Sierink en de knecht separatelijk telkens is uit een mengelen, dat eindelijk Herman Sierink zonder dat de knecht Gerrit Herms of enige van het gezelschap, die niet wisten, of het gekijf en geraas ernst of gekscherend was de knecht Gerrit Herms met een mengelen vol bier? Dat hij van het vuur kreeg zodanig voor het aangezicht sloeg, dat de knecht daarvan, van de stoel viel, waar over een ieder en ik zeer werd gealtereert en Sierink die het wilde ontvluchten vastgehouden werd, ziet daar een barbarische daad, waarvan ik nog met een ijsinge en alteratie wordt aangedaan wanneer daar op denk, ik geef u edel mogende eens in bedenken, of de knecht die zo ellendig was getrakteerd en de heer fiscaal die destijds te Hardenberg was en die het gedrag en comportement van Herman Sierink kent, geen rechtmatige redenen hebben gehad, om haar rechtmatige actie deswegen coram competente judice te institueren, ten einde hij Herman Sierink vervolg van zo een cruelle en gruwelijke daad werd afgeschrikt, het is omtrent drie en vier jaar geleden, dat Herman Sierink ten huize van Lefert Derks een zeer fatsoenlijk persoon van Quakenbrugge, ik na enige woordenwisselingen, mede met een mengelen bier voor het gezicht sloeg, en daarop dadelijk de vlucht nam, hebben de zich daar over voornoemde persoon aan de burgemeesteren geadresseerd gehad, staat het dan nu niet te vrezen, dat Herman Sierink iemand ongestraft met een mengelen bier vermogende te slaan, in het vervolg in plaats van een mengelen niet een kanne zal gebruiken, en dan kan het hem wel gebeuren, dat tot Franeker, tussen twee studenten over de religie disputerende (discuteren de woordenboek) voor enige tijd is voorgevallen geweest, wanneer de ene de andere met een kanne doodsloeg.

Ik ondergeschrevene die altoos enpresent geweest verklaart voor u edel mogende dat ik de gedagte Middagmaal gerecolligeert, mij niet kan te binnenbrengen dat Gerrit Herms, Herman Sierink voor een pachter en schraper zou hebben gescholden, de Stadsdienaar Jan Valkman die altijd mede present is geweest, zegt mede zulks niet gehoord te hebben, gelijk uit zijn attestatie hier nevens gaande te zien, Berend Meijer en Egbert Meijer mede present, en het onmenselijke slaan hebben aangezien, des ondervraagd werden de cellen mede verklaren zulk zeggen niet gehoord te hebben. Hoe dat vervolgens Engbert hagen, die zelfs wat doof is daartoe gekomen is om zulks te zeggen kan niet weten, althans de onmenselijke feitelijkheid is klaar bewezen; dat bewijs van het schelden voor zo veel ik weet is niet voorgebracht, dat daartoe u rechte aannemelijk is, en nooit voortgebracht zal kunnen worden, nochtans heb ik van ter zijden vernomen dat Gerrit Herms in ongelijk is worden gesteld en gecondemneerd in de kosten van de leugenachtige aanbrenger Herman Sierink, en hem de vrijheid genomen om coram petente judice zijn zaak in rechte te kunnen vervolgen; hebbende wijders verstaan van enige andere klachten van Herman Sierink aan u edel mogende gedaan, zo dient dat ik niet heb gehoord dat hij schade aan zijn ijmen heeft geleden, zijn hofje van mij dikwijls voorbijgegaan wordende om open lucht te scheppen, vindt niets of weinig gedevaliseerd en hoe het zich met het inslaan van zijn glazen toedracht kan niet zeggen, maar wel dat gehoord heb, dat Herman Sierink voor enige tijd dronken zijnde, zijn glazen zelf heeft ingeslagen en daardoor van buiten in zijn huis is gekropen.

Ik heb dienstig geacht dit zou mijn verantwoording te zeggen en wijders te betuigen, dat ik wens, dat God de Heeren u edel mogende deliberatie en ten dienste van het gemeen, en de goede ingezetenen van dien moge dirigeren en zegenen, ik blijf we met diep respect. Edel mogende Heeren uw mogende zeer onderdanige dienaar Wilhelm Hendrik Krull, secretaris. Hardenberg de 15e augustus 1723.


Toen, op 22 januari… Driftbui komt dokter Van Riemsdijk duur te staan (1816)

In het voorjaar van 1816 boog de rechtbank te Deventer zich over de zaak tegen de 41-jarige arts Antoni van Riemsdijk uit Hardenberg. Deze werd ervan beschuldigd de jonge commies Harmen Queijsen te hebben mishandeld na een etentje bij de familie Van Foreest op Huize Heemse.

Ingekleurde, (gefantaseerde) tekening van Huize Heemse, toegeschreven aan Jacobus Stellingwerf, ca. 1723.

De aanleiding
Op 22 januari 1816 vond op Huize Heemse bij de familie Van Foreest een diner plaats, waarbij aanwezig waren: dokter Antoni van Riemsdijk uit Hardenberg, diens neef Jacob van Riemsdijk, en de jonge rijdende commies Harmen Queijsen. Tijdens het samenzijn ontstond onenigheid tussen gastheer Jacob van Foreest en Antoni van Riemsdijk. De gemoederen liepen hoog op: Van Foreest daagde Van Riemsdijk zelfs uit tot een duel met pistolen! De dochter van de gastheer, Juliana Louisa, viel in zwijm en moest naar een andere kamer worden gebracht, waarbij ook Queijsen aanwezig was. Hij merkte daar op dat Van Foreest volgens hem in zijn recht stond.

Na enige tijd keerde de rust terug en scheidde men in vriendschap, diep in de nacht. Van Riemsdijk, zijn neef en Queijsen vertrokken samen richting Hardenberg. Onderweg zou de situatie echter opnieuw uit de hand zijn gelopen. Volgens Queijsen en enkele later gehoorde getuigen kreeg hij van de dokter eerst een vuistslag en vervolgens meerdere stokslagen. Hij vluchtte en keerde hevig ontdaan terug naar Huize Heemse, waar hij klaagde over pijn en verklaarde door Van Riemsdijk te zijn geslagen.

Tegenstrijdige getuigenissen
Het proces draaide vooral om de vraag of Van Riemsdijk Queijsen daadwerkelijk had mishandeld:
Queijsen bevestigde dit onder ede en gaf een gedetailleerd relaas;
Neef Jacob van Riemsdijk ontkende stellig dat er geweld had plaatsgevonden en noemde Queijsen dronken;
De familie Van Foreest (vader Jacob, dochter Juliana Louisa en echtgenote Maria Clara) verklaarden dat er wel een woordenwisseling was geweest, maar dat men het diner in harmonie had afgesloten. Zij zagen geen uiterlijke tekenen van mishandeling bij Queijsen toen hij terugkeerde, al verklaarden sommigen dat hij hevig ontdaan was en klaagde door de dokter geslagen te zijn;
Diverse dienstboden bevestigden dat Queijsen later die nacht overstuur terugkeerde en zei dat de dokter hem geslagen had;
Twee boeren (Warmink en Oldemeijer uit Rheeze) verklaarden op verzoek van de verdediging dat zij Queijsen die nacht alleen hadden zien lopen bij de kerk van Heemse, zonder tekenen van achtervolging. Zij gaven echter toe dat Van Riemsdijk hen kort tevoren had gevraagd hun waarnemingen te onthouden “omdat het te pas kon komen”.

De verdediging
Van Riemsdijk erkende de woordenwisseling met Van Foreest, maar ontkende ten stelligste dat hij Queijsen had geslagen. Hij stelde dat Queijsen dronken was, en dat hijzelf met zijn neef een ander pad was ingeslagen.

Tussenvonnis (25 april 1816)
Omdat de verklaringen elkaar tegenspraken, verleende de rechtbank Van Riemsdijk de gelegenheid om nieuwe getuigen te laten horen.

Voortgezet verhoor (9 mei 1816)
Nieuwe verklaringen brachten weinig helderheid. Wel bleek dat Van Riemsdijk actief getuigen had benaderd om hun waarnemingen te onthouden. Ook bleef overeind dat Queijsen nog diezelfde nacht overstuur en met klachten was teruggekeerd naar Huize Heemse.

Eindvonnis (16 mei 1816)
De rechtbank oordeelde dat vaststond dat Van Riemsdijk, in drift ontstoken, Queijsen enkele slagen had toegebracht. Deze mishandeling werd gezien als een wanbedrijf volgens artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, maar de ernst was beperkt omdat er geen blijvend letsel of verhindering tot werken was. De rechtbank hield rekening met de omstandigheden: de ruzie, de alcohol en de verhitte gemoederen.

  • De eis van het Openbaar Ministerie: 6 weken gevangenisstraf en 25 gulden boete.
  • Het vonnis: een geldboete van 95 gulden, 4 stuivers en 12 penningen, plus 41 gulden, 7 stuivers en 2 penningen proceskosten.

Bijzonderheden
Het vonnis laat zien dat de rechtbank oog had voor de context: men zag de slagen niet als zware mishandeling, maar als een driftige uitbarsting tijdens een verhitte nacht. De zaak trok waarschijnlijk veel aandacht in Hardenberg en omgeving, mede vanwege de prominente personen (dokter Van Riemsdijk en de eigenaren van de Havezate Heemse, de familie Van Foreest). Het feit dat Antoni van Riemsdijk zelf getuigen had opgeroepen maar ook beïnvloed leek te hebben, werkte vermoedelijk in zijn nadeel.


Een transcriptie van het verhoor op 25 april 1816:
Achttienhonderd en zestien, de6n vijfentwintigsten april, de Regtbank ter eerster instantie, zitting houdende te Deventer, uitmakende de correctionele regtbank des arrondissements van dien naam, departement der Monden van den IJssel, vergaderd zijnde in de gehoorzaal van het gebouw der gemelde regtbank, in tegenwoordigheid van den officier en geadsisteerd door H.J. Jordens als griffier, ten einde over te gaan tot het houden der debatten en het vonnissen in de procedure tegen Antony van Riemsdijk, is de gemelde beklaagde binnen geroepen, gelijk ook deszelfs verdeedigers mr. H.G, Kronenberg, advocaat en notaris, en M.E. Houck, prokureur bij de regtbank, beide te Deventer.

De president heeft hierop den beklaagde deszelfs voornaam, naam, ouderdom, geboorte, beroep, en woonplaats gevraagd, waarop dezelve geantwoord heeft Antony van Riemsdijk genaamd te zijn, oud een en veertig jaar, medicijne dokter, geboren en woonachtig te Hardenberg. Voorts is het procesverbaal van aanklagte gelezen.

De getuigen hierop binnen geroepen zijnde, is derzelver lijst opgelezen, waar na zij zich wederom uit de gehoorzaal naar het voor hen geschikte vertrek begeven hebben, vervolgens een voor een terug geroepen, hebben zij ieder afzonderlijk gedeponeerd in de volgende orde.

De eerste getuige, volgens zijne opgave Harmen Queijzen H.z. genaamd, oud twintig jaar, rijdende commis, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagde Antony van Riemsdijk alhier tegenwoordig hem wel bekend, doch niet aan hem verwant is, en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst; dat hij op maandagavond den 22sten januarij dezes jaars met den beklaagde en deszelfs neef Jacob van Riemsdijk was ten eeten geweest ten huize van den heer Van Foreest op Heemse, dat na den eeten eenig verschil ontstaan was tusschen den heer Van Foreest en den heer Van Riemsdijk, hetwelk tot eene zoodanige hoogte was geloopen, dat de eerste den laatsten op een koppel pistolen had uitgedaagd, ten gevolge hiervan de dochter van den heer Van Foreest was flaauw geworden, en men haar na eene andere kamer had verbragt. Dat hij getuige ten einde met dat geschil niet te doen te hebben, zich mede had verwijderd en begeven naar ’t vertrek alwaar de dochter van den heer Van Foreest gebragt was, en zich aldaar had uitgelaten dat in zijn oog de heer Van Foreest gelijk had. Dat vervolgens alles weder was bevredigd en de heeren tesamen hadden gedronken en dat hij, des nachts tusschen drie en vier uur, met den beklaagde en deszelfs neef Jacobus van Riemsdijk was naar huis gegaan. Dat onderweg, ongeveer vijf minuten van het huis Heemse deze laatste tegen zijn oom gezegd had er zijn ook nog menschen die de partij van den Heer van Heemse trekken, waarop de beklaagde aan hem vrieg of hij dat was, en daarop eerst een vuistslag in het aangezigt gaf, vervolgens hem drie zware slagen met een stok op den arm toebragt, en hem getuige daarop in het vluchten nog een vierde toedeelde. Dat zij beide hem toen hadden vervolgd doch niet kunnen achterhalen, en hij zich eerst had verscholen, en niets meer hoorende naar het huis Heemse was teruggekeerd, alwaar hij het geval verhaald had, hebbende vervolgens de heer Van Foreest deszelfs zoon hem een eind wegs naar huis gebragt.

De tweede getuige, volgens zijne opgave, Jacobus van Riemsdijk genaamd, oud twintig jaar, regulateur der successie, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde en eerste getuige hem beide wel bekend zijn, dat de eerste is zijn oom, doch de tweede aan hem niet verwant, en dat zij niet zijnde eenen des anders dienst. Dat hij op maandag den 22 januarij des avonds dezes jaars was ten eeten geweest met den beklaagde en eersten getuige op den huize Heemse, alwaar na den eten eenig verschil ontstaan was tusschen den heer en mevrouw van Foreest, waarin des getuiges oom mede betrokken was, zoo echter dat hij daarvan hoegenaamd geene verdere omstandigheden weet op te geven, dat de dochter van den heer Van Foreest het op de zenuwen had gekregen en na een ander vertrek verbragt was, waarna zich een gedeelte van het andere gezelschap, nevens den eersten getuige en hij zelf zich mede begeven had. Dat hij Queijsen over het geschil in ’t geheel niet heeft hooren spreken; dat vervolgens alles weder bevredigd was en men in de beste vriendschap was gescheiden. Dat hij getuige nevens zijn oom en Queijsen tegelijk was weggegaan. Dat zij ongeveer tien minuten den zelfden weg gehouden hadden, dat hij toen met zijn oom een zijpad had ingeslagen en Queijsen den grooten weg vervolgd had; dat deze laatste was over zijn drank geweest. Dat onderweg niets gesproken was, dat hij getuige geensins gesegd had dat er ook nog lieden waren die het met den heer Van FOreest hielden of iets dergelijks, dat het ook geheel onwaar was, dat Queijsen door zijn oom zoude geslagen zijn, als kunnende hij met volle zekerheid bepalen dat zulks niet gebeurd was.

De derde getuige, volgens zijne opgave Jacob van Foreest genaamd, oud zeven en dertig jaar, lid der Staten van Overijssel, woonachtig onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben, dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige alhier tegenwoordig hem beide zijn bekend, dat geen hunner aan hem is verwant en dat zij niet zijnde eenen des anderens dienst, dat op maandagavond den 22 januarij laatsteleden bij hem ten eten geweest waren, de beklaagde en biede eerste getuigen, dat er tusschen hem en den beklaagden eenig geschil was ontstaan, doch in geen hoogen graad, dat Queijsen zich met dit geschil niet had bemoeid, dat zijne dochter onpasselijk was geworden en naar een andere kamer verbragt. Dat vervolgens des nachts alles in de beste harmonie was gescheiden, en dat geen zijner drie gasten, die te samen waren weggegaan, was over zijn drank geweest. Dat ongeveer een half uur daarna Queijsen was teruggekomen zeggende tegen hem dat dier heeft mij geslagen. Dat hij getuige daaruit den bedoelden persoon niet had opgemaakt, dat hij niet gezien had, dat Queijsen ontsteld was, dat hij ook geene uiterlijke teekens van slagen aan hem bespeurd had, en dat hij hem nevens zijnen zoon een eind wegs naar huis gebragt had.

De vierde getuige Juliana Louisa van Foreest, volgens hare opgave genaamd, oud achttien jaar, zonder beroep, woonachtig onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben, dat zij de volkomen waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedaane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst. Dat op maandagavond den 22 januarij laatstleden ten huize harer ouders waren ten eten geweest de beklaagde en beide eerste getuigen. Dat na den eten tusschen den beklaagde en haren vader eenige woorden waren voorgevallen, en dat zij daarop was ongesteld geworden en uit de kamer gebragt. Dat zij niet gemerkt heeft dat Queijsen zich anders met dit geschil bemoeid heeft, als dat zij hem in de andere kamer heeft hooren zeggen dat haar vader gelijk had, en dat de jonge Van Riemsdijk daarop had geantwoord. Dat daarna het geheele gezelschap wederom in volkomen vriendschap was tesamen geweest en ook alzoo gescheiden in den nacht, zijnde de drie heeren aan wien zij geene dronkenschap bespeurd heeft, tesamen weggegaan. Dat ongeveer een half uur daarna de eerste getuige was teruggekomen, klagende dat hij met een stok geslagen was, en dat zij vervolgens door de huisgenooten hoorde zeggen dat de beklaagde zulks gedaan had.

De vijfde getuige, volgens hare opgave Dina Roelofs genaamd, oud zeven en twintig jaar, dienstmeid, woonachtig op den huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij niet zijn de een in des anders dienst. Dat des avonds van den 22sten januarij dezes jaars ten huize hares meesters gezelschap ten eten geweest was, waaronder de beklaagde en eerste getuige. Dat zij getuige in den gang wel gehoord had, dat er eenige rusie onder ’t gezelschap was, en dat zij mede was behulpzaam geweest om de vierde getuige, die ongesteld geworden was, naar een ander vertrek te verbrengen. Dat echter vervolgens het geheele gezelschap weder vreedzaam was bij elkanderen geweest. Dat nadat het gezelschap een tijdlang was weggeweest, de heer Queijsen door de keukendeur weder was in huis gekomen, klagende over pijn aan ’t hoofd en den schouder, en dat hij door den dokter met een stok geslagen as: dat dezelve toen zeer ontsteld geweest was.

De zesde getuige, volgens hare opgave Aaltjen Timmerman genaamd, oud vijfentwintig jaar, dienstmeid, woonachtig op den huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij niet zijnde een in des anders dienst, dat op den avond van den 22sten januarij laatstleden ten huize hares meesters gezelschap geweest was, waaronder de beklaagde en eerste getuige, dat zij van geene rusie gemerkt heeft, doch dat na den eeten de vierde getuige het op de zenuwen gekregen hebbende, zij was behulpzaam geweest om dezelve naar een ander vertrek te verbrengen. Dat zij de gasten tegelijk had zien weggaan en niet gemerkt dat iemand hunner beschonken was. Dat omstreeks een half uur daarna de heer Queijsen door de keukendeur was teruggekomen, juist terwijl de knecht die deur los deed, dat deze hem vrieg wat hem deerde, waarop hij antwoordde dat de dokter hem op de schouders had geslagen en dat hij was teruggeloopen. Dat hij zoo ontsteld geweest was, dat zij getuige hem een glas water had gegeven. Dat haar heer benevens deszelfs zoon hem vervolgens wweder hadden weggebragt.

De zevende getuige, volgens hare opgave, Dina Roelofs genaamd, oud drie en twintig jaar, dienstmeid op den Huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen dat de beklaagde en eerste getuige haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant, en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst. Dat erop den avond van den 22sten januarij dezes jaars een vrolijk gezelschap geweest was ten huize hares meesters, waaronder de beklaagde en eerste getuige. Dat zij wel gemerkt had dat er na den eten eenige rusie had plaats gehad tusschen haren meester en den beklaagde en dat de vierde getuige in flaauwte gevallen zijnde, zij mede was behulpzaam geweest om dezelve naar een ander vertrek te verbrengen. Dat zij geen gesprekken betrekkelijk die rusie verstaan heeft, noch gemerkt dat iemand anders zich daarmede bemoeide. Dat het gezelschap daarna zeer eensgezind geweest was, dat zij bij niemand eenige dronkenschap bespeurd had, dat de gasten tegelijk vertrokken waren. Dat ongeveer een half uur daarna de heer Queijsen was teruggekomen door de keukendeur, klagende dat hij geslagen was door dat beest, door wien zij vermoedde dat hij den beklaagde bedoelde.

De achtste getuige, volgens zijne opgave, Jan Rood genaamd, oud negentien jaar, dienstknecht, wonende op den Huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen, dat de beklaagde en eerste getuige hem zijn bekend doch niet verwant, en dat zij niet zijn de een in des anderens dienst. Dat op den avond van den 22sten januarij dezes jaars een vrolijk gezelschap en huize zijner meesters geweest was, waartoe mede behoorden de beklaagde en eerste getuige. Dat hij na den eten wel gemerkt heeft, dat er eenig rumoer onder hetzelve plaats had, zonder te weten waar zulks in bestond. Dat de vierde getuige ook ongesteld uit de kamer gebragt was. Dat echter vervolgens het gezelschap weder eensgezind bij elkanderen geweest en ook alzoo gescheiden was. Dat de drie heeren tesamen waren weggegaan, dat hij aan geenen hunner eenige dronkenschap bespeurd heeft. Dat de eerste getuige ongeveer een half uur daarna de keukendeur weder was ingekomen juist terwijl hij dezelve losdeed. Dat hij er zeer ongesteld en bedroefd had uitgezien en op zijne vraag wat hem scheelde geantwoord had dat de dokter hem had geslagen. Dat zijn meester, nevens deszelfs zoon denzelven vervolgens weder hadden weggebragt.

De president den beklaagde gevraagd hebbende, wat hij ter zijner verdeediging had in te brengen, heeft dezelve gezegd dat erop den 22 januarij ter gelegenheid van de partij op den huize Heemse wel eenig verschil tusschen den heer en mevrouw van Foreest ontstaan was, waarin hij mede was betrokken, dat hetzelve echter weinig beteekend had; bekennende echter vervolgens dat hetzelve zoo ver gegaan was, dat die heer hem op een koppel pistolen had uitgedaagd. Dat de vierde getuige het alstoen op de zenuwen had gekregen en buiten de kamer verbragt was en dat hij haar alle hulp als arts had toegebragt. Dat de heer Queijsen zich met dat geschil in ’t geheel niet bemoeid had. Dat zij vervolgens in vriendschap tesamen geweest waren. Dat hij met Queijsen en zijn neef tegelijk was weggegaan, doch dat hij met dezen laatsten onderweg een zijpad had ingeslagen, terwijl queijsen, die zeer over zijn drank was, den grooten weg langs was voortgegaan, dat onderweg niets gesproken was, dat zijn neef mede niet aan hem verhaald had dat er nog lieden waren die de partij van den Heer van Heemse trokken. Dat hij beklaagde den heer Queijsen ook volstrekt niet geslagen of mishandeld had, als levende met hem in alle vriendschap.

De deuren geopend zijnde heeft de officier de zaak geresumeerd en zijne conclusie genomen. De advokaat des beklaagde heeft daarop geantwoord, en is voorts gediend van re- en dupliek. Waarmede de debatten zijn geëindigd en de regtbank overgegaan is tot het opmaken van een incidenteel vonnis tot het hooren van nieuwe getuigen, ’tgeen terstond daarna is uitgesproken. In kennis der waarheid is daarvan dit procesverbaal opgemaakt en door den president en griffier der regtbank geteekend.


Transcriptie van het incidenteel vonnis d.d. 25 april 1816:
Tusschen den Officier bij de Regtbank, waarnemende het Ministerie Publiek en Antony van Riemsdijk, medicijne dokter, wonende te Hardenberg, beklaagde. De correctionele regtbank van het arrondissement Deventer, gehoord hebbende de incidentele voordragt van den beklaagde, houdende dat hij in staat zoude zijn door getuigen te bewijzen dat de verklaring van één ofmeerdere der getuigen door het Ministerie Publiek geproduceerd, volkomen onwaarheden zouden behelzen, en dat daardoor de onschuld van den beklaagde zoude worden aan den dag gelegd, vorderende uit dien hoofde om alnog deze getuigen voor de regtbank te doen dagvaarden, ten einde te worden gehoord.

Gehoord den Officier, verklarende zich tegen deze vordering niet te verzetten.
Overwegende, dat zoodanig nader onderzoek eenig licht over de aanklagte zoude kunnen verspreiden.
Regt doende, verleent aan den beklaagde een termijn van veertien dagen om alsnog die getuigen voor deze regtbank te doen verschijnen, ten einde te worden gehoord, continueert de zaak ten principalen tot na het afhooren dezer getuigen. Aldus gedaan en uitgesproken in de teregtzitting der correctionele regtbank te Deventer, den vijfentwintigsten april achttienhonderd en zestien
.


Een transcriptie van het voortgezet verhoor van getuigen op 9 mei 1816:
Achttienhonderd zestien den 9den mei is de Regtbank van eersten aanleg, zitting houdende te Deventer, uitmakende de correctionele regtbank des Arrondissements van dien naam, vergaderd in de gehoorzaal van het gebouw der gemelde regtbank, in tegenwoordigheid van den officier en geadsisteerd door H.J. Jordens als griffier, ten einde over te gaan tot het vervolgen der debatten in de procedure tegens Antony van Riemsdijk, overeenkomstig het incidentelen vonnis dezer regtbank van den 25sten der vorige maand.

De beklaagde, nevens deszelfs praktizijns, binnen geroepen zijnde, is door dezelve de lijst der door hem gedagvaarde getuigen overgelegd. Deze getuigen daarop binnen geroepen zijnde, is de gemelde lijst opgelezen, waarna zij zich wederom uit de gehoorzaal naar het voor hen geschikte vertrek begeven hebben, vervolgens een voor een teruggeroepen hebben zij gedeponeerd in de volgende orde.

De eerste getuige volgens hare opgave Maria Clara van Rechteren, echtgenoote van Jacob van Foreest genaamd, oud achtendertig jaar, renteniersche, woonachtig op den Huize Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan haar gedane vragen, dat de beklaagde en rijdende commis Queijsen haar beide wel zijn bekend, dat geen hunner aan haar is verwant en dat zij geene betrekking van dienstbaarheid tot elkanderen hebben. Dat in den avond van den 22sten january dezes jaars eene vrolijke partij ten hare huize geweest was, waarbij tegenwoordig waren de beklaagde, deszelfs neef J. van Riemsdijk en de commis Queysen. Dat er geschil ontstaan was tusschen haren eheman en den burgemeester Van Riemsdijk, dat hare dochter tengevolge daarvan was flaauw geworden en naar een ander vertrek verbragt. Dat de heer Van Riemsdijk haar als geneesheer had bijgestaan. Dat deszelfs neef Jacob van Riemsdijk zoo wel als de commis Queijsen zich mede naar dat vertrek begeven hadden, dat zij tusschen dezelve echter geene gesprekken gehoord heeft, dat zij ook niet gemerkt heeft dat zij zich met de rusie bemoeid zouden hebben. Dat vervolgens het geheele gezelschap weder in goede harmonie was bij elkanderen geweest en ook alzoo gescheiden. Dat de beide heeren Van Riemsdijk, benevens den heer Queysen tegelijk waren weggegaan. Dat zij niet gelooft dat de beklaagde een stok bij zich had, omdat hij met rijtuig aan haar huis gekomen was. Dat de gasten beschonken geweest waren, uitgezonderd de beklaagde, aan wien zij dit niet bemerkt had, en dat de heer des huizes inzonderheid was over zijn drank geweest. Dat ruim een half uur na ’t vertrek der gasten, de commis Queijsen door de achterdeur in haar huis was teruggekomen en haar in den gang voorbij gaande gezegd had, dat hij geslagen was door een dier, zonder dat zij getuige weet wien hij daardoor bedoelde. Dat zij hem vragende, wat hem was overgekomen, tot antwoord bekomen had ik moet mijn heer spreken en heb met u niet te doen.

De tweede getuige Jacob van Foreest heeft op den eed door hem in de teregtzitting van heden en veertien dagen afgelegd, nader verklaard dat er langs en in de nabijheid van den weg van zijn huis naar den Hardenberg wel slooten zijn, doch dat die niet droog zijn in de maand january, dat er wel zandbelten of hoogtens zijn, waarachter het wel mogelijk in die maand droog zijn kan. Dat de rijweg en het voetpad zich een eind wegs vereenigen, doch dat op eenigen afstand van zijn huis een trapje is, over ’t welk het voetpad loopende zich van den rijweg afscheidt.

De derde getuige Maria Valk, heeft op den eed door haar in de teregtzitting van heden en veertien dagen afgelegd nader verklaard dat, nadat ten bewusten tijde het geschil tusschen den heer Van Foreest en den beklaagde was ontstaan, deze laatste alle moeite had aangewend om haren heer tot bedaren te brengen, zonder dat zij de woorden weet op te geven die hij toen tot dat einde gebezigd heeft. Dat toen de freule flaauw werd uit de kamer gedragen de beklaagde was medegegaan en haar had helpen ontkleden, snijdende de banden der klederen met de schaar door.

De vierde getuige, volgens zijne opgave Jan Warmink genaamd, oud zesenveertig jaar, bouwman, woonachtig in de boerschap Reese onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde en de rijdende commis Queysen hem wel bekend zijn, dat geen hunner aan hem is verwant en dat zij in geene betrekking van dienstbaarheid tot elkanderen staan. Dat hij in de maand januarij laatstleden op zekeren nademiddag met zijn buirman Jan Oldemeijer was gegaan naar den Hardenberg, naar ’t huis van Albert van der Velde, alwaar zij tot in den nacht gebleven waren, gaande tesamen uit den Hardenberg terug juist terwijl er door den tuiter drie uur geroepen werd. Dat het was lichte maan geweest. Dat zij den commis Queysen op den grooten weg waren tegengekomen bij den Heemser toren bij het hekje dat om den kerkhof is, zonder hem te spreken, en dat hij geheel alleen geweest was. Dat van daar een eindweegs naar ’t huis Heemse verder opgaande, zoo hij denkt ongeveer honderdvijftig treden, men een treedje of klimmetje ontmoet, dienende voor de voetgangers om op ’t pad te komen dat zich aldaar van den rijweg scheidt en naar de kant van den Hardenberg loopt. Dat hij den tijd, waarop dit voorval niet nader weet op te geven, als alleen dat hij des volgenden dags had hooren verhalen dat er des avonds tevoren op het Huis Heemse gezelschap geweest was, en dat daar rusie was ontstaan. Dat de beklaagde hem voor ruim veertien dagen bij zich had ontboden en gevraagd naar het bovenverhaalde voorval en gezegd dat hij zulks moest onthouden, omdat het te pas konde komen.

De vijfde getuige, volgens zijne opgave Jan Oldemeijer genaamd, oud negen en dertig jaar, bouwman, woonachtig te Reese onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde gelijk ook de rijdende commis Queijsen hem bekend zijn, dat dezelve niet aan hem zijn verwant en dat hij tot hen in geene betrekking van dienstbaarheid staat. Dat hij in de maand januarij laatstleden, zoo hij meent op eenen maandag, des nademiddags met Jan Warmink gegaan is naar den Hardenberg, naar ’t huis van den tapper Van der Velde alwaar zij tot laat in den nacht gebleven zijn, gaande van daar om drie uur wederom naar huis. Dat zij bij de Heemser kerk bij ‘t hekje van den kerkhof op den grooten weg ontmoet hadden den voorzeiden commis Queysen, die hen was voorbij geslingerd, zoo hij meent aan de regter zijde, hebbende zij niemand anders gezien. Dat hij des anderen dags had hooren verhalen dat er ’s avonds te voren op Heemse rusie ontstaan was tusschen zeker gezelschap. Dat voor ruim veertien dagen de beklaagde hem bij zich had ontboden en naar de voorzeide ontmoeting van Queysen gevraagd, zeggende dat zulks te pas konde komen. Dat in den omtrek van den heemser weg de slooten in january niet droog zijn, dat het korenland met hooge wallen is afgevreed, waarachter het wel droog kan zijn.

De zesde getuige, volgens zijne opgave Hermen Jan Dorgelo genaamd, oud drie en dertig jaar, schoolmeester en organist, woonachtig te Heemse onder den Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de beklaagde en commis Queysen hem bekend doch niet verwant zijn en dat hij tot dezelven in geene betrekking van dienstbaarheid staat. Dat op den weg van het Huis Heemse naar den Hardenberg de rijweg en het voetpad zich eerst vereenigen en vervolgens, bij zeker klein tuintje scheiden, gaande het laatste aldaar over zijn land en zoo voorts totdat het zich bij den Rustenberg weder met den rijweg verenigt. Dat men den rijweg volgende, ongeveer drie of vierhonderd treden verder dan het voorzeide klein tuintje, naar de zijde van den Hardenberg, de Heemserk kerk en kerkhof aantreft, waarom een hekje is.

Voorts heeft de president den commis Harmen Queysen op den eed door hem in de teregtzitting van heden en veertien dagen afgelegd, eenige nadere vragen gedaan, waarop dezelve geantwoord heeft dat hij door den beklaagde op den rijweg was geslagen, voor men aan het voetpad komt, dat Jacob van Riemsdijk hem vervolgende, hij naar de kant van den Zwolschen weg, achter een schaapskooi om, naar ’t huis Heemse is gevlucht, dat hij niet ver van dien kooi van eene hoogte in eene laagte is gevallen, alwaar hij zich verscholen heeft, wetende niet of zulks een sloot of een grup was. Dat hij bij de Heemser kerk den kerkhof en het hekje alleen zijnde, in ’t geheel niet geweest is, en ook niemand op weg gezien heeft. Dat gelijk hij reeds tevoren gezegd heeft, de heer Van Foreest en deszelfs zoon hem na zijne vlugt een eind wegs hadden geleid, en dat zij toen tesamen voorbij die kerk en dat hekje gegaan waren.

De deuren geopend zijnde, heeft de officier de zaak geresumeerd en zijnen genomenen eisch nader geadstrueerd, waartegen de beklaagde en deszelfs verdeediger hunne nadere belangen hebben ingebragt. Hierop zijn de debatten voor gesloten verklaard en heeft de regtbank de zaak in deliberatie gehouden tot heden over acht dagen, des morgens om tien uur.


Een transcriptie van het vonnis van de rechtbank d.d. 16 mei 1816:
Tusschen den Officier bij de Regtbank, waarnemende het Ministerie Publiek, en Antonij van Riemsdijk, oud volgens zijne opgave een en veertig jaar, medicijne dokter, geboren en woonachtig te Hardenberg, beklaagde.

De correctionele regtbank van het arrondissement Deventer, provincie Overijssel, gehoord hebbende de voordragt van den Officier, houdende dat de beklaagde zich zoude hebben schuldig gemaakt aan het slaan en mishandelen van den rijdenden commis Harmen Queijzen. Gelezen het proces-verbaal van aanklagte.

Gehoord de getuigen door het Ministerie Publiek en die van de zijde van den beklaagde geproduceerd, alsmede de ondervragingen van den beklaagde geproduceerd, alsmede de ondervragingen van den beklaagde op het aan hem ten laste gelegde wanbedrijf.

Gehoord den Officier in zijne conclusie, houdende, dat de beklaagde zoude worden gecondemneerd tot eene gevangenis van zes weken, en eene geldboete van vijfentwintig gulden.
Gehoord de beklaagde, alsmede deszelfs verdediger in hunner verdeediging.


Overwegende, dat uit de instructie der procedure gebleken is dat de beklaagde, benevens zijn neef Jacob van Riemsdijk en den commis Harmen Queijzen, op den twee en twintigsten januarij laatstleden, tezamen geweest zijn op eene vrolijke partij, die door den heer Van Foreest op den Huize Heemse, nabij den Hardenberg, gegeven werd. Dat aldaar laat in den avond of in het begin des nachts, hooggaande woorden zijn ontstaan tusschen den heer Van Foreest en den beklaagde, waardoor de vrolijkheid is gestoord geworden, en een gedeelte van het gezelschap zich naar een andere kamer begeven heeft. Dat Harmen Queijzen in die kamer heeft te kennen gegeven, in tegenwoordigheid van Jacob van Riemsdijk, dat de Heer van Heemse naar zijne gedagte in de verschillen gelijk had. Dat de verschillen vervolgens bedaard zijnde, het gezelschap in goede harmonie is gescheiden, des nachts ongeveer drie uren, gaande de beklaagde, Jacob van Riemsdijk en Queijzen te samen naar den Hardenberg, de plaats hunner woning. Dat onderweg Jacob van Riemsdijk aan zijn oom heeft te kennen gegeven, dat Queijzen het gedrag van den heer Van Foreest had goedgekeurd. Dat de beklaagde daarop in drift onstoken eenige slagen met een stok of met de hand aan Harmen Queijzen heeft toegebragt, waarop dezelve de vlugt genomen heeft, en een korten tijd, nadat hij van daar vertrokken was, op den Huize Heemse in groote ontsteltenis is teruggekomen.


Overwegende dat de slagen aan Queijzen toegebragt op zich zelven beschouwd niet gebleken zijn van een ergen aard te zijn geweest, of eenige nadeelige gevolgen gehad te hebben.
Overwegende dat de beklaagde en Harmen Queijzen te voren in goede harmonie hebben geleefd, en ook als goede vrienden van den Huize Heemse vertrokken zijnde, de mishandeling door den beklaagde aan Queijzen aangedaan moet beschouwd worden als een gevolg van een spoedige opgekomene drift over een gesprek dat betrekking had tot plaats gehad hebbende geschillen, die eerst eenen korten tijd tevoren waren bijgelegd geworden; en zulks wel op een ogenblik dat de gemoederen nog eeniger mate, zoo door de plaats gehad hebbende verschillen, als door den gebruikten drank verhit waren.


Overwegende dat zoodanige daad van den beklaagde in zijne omstandigheden beschouwd, is een wanbedrijf waartegen voorzien is bij art. 311 gevoegd bij art. 46 van het Wetboek van Strafrecht:
(Art. 311: “Wanneer de kwetsuren of slagen geenerlei ziekte of beletsel van te werken, als bij art. 309 gemeld, veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van eene maand tot twee jaren, en eene geldboete van zestien tot tweehonderd franken gestraft worden” en art. 46: “In alle de gevallen waarin de straf van gevangenis bij dit wetboek gesteld wordt, worden de vierscharen gemagtigd om bij aldien het veroorzaakte nadeel geen vijfentwintig franken te boven gaat, en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevangenis zelfs tot beneden de zes dagen en de boete zelfs beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook de eene of andere dezer straffen afzonderlijk mogen wijzen, zonder dat zij echter in eenig geval beneden den bloote policistraffen mag zijn”. Welke artikelen door de president in de teregtzitting zijn voorgelezen.


Regt doende ter eerster instantie, condemneert de beklaagde Antonij van Riemsdijk tot eene geldboete van vijfennegentig gulden, vier stuivers en twaalf penningen. Condemneert denzelven daarenboven om aan het Rijk te vergoeden de kosten door deze procedure veroorzaakt, begroot op eene somma van eenenveertig gulden, zeven stuivers en twee penningen. Gelast dat dit vonnis zal worden uitgevoerd. Aldus gedaan en uitgesproken in de Teregtzitting der correctionele regtbank te Deventer den zestienden mei achttienhonderd zestien.