In het zgn. register van de 50e penning van verkopingen en collaterale successiën vinden we op 13 september 1727:
De heer luitenant F.A. Kirberijn heeft ten overstaan van ’t Gerigte an Hendrik Albertsen op den 27 julij verkoft desselfs anpart van den Blaauwenkamp en een vierde part van ’t Swartiesstucke, beide tot Baalder gelegen, voor f. 305,-

In 1768 was de katerstede eigendom van de erfgenamen van de stadssecretaris van Hardenberg, Berend Janszoon Kramer. Dat blijkt onder andere uit deze akte die op 6 mei 1768 werd geregistreerd in het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg:
Schuldbekentenis met hypotheekstelling door Berend Gerhard Kramer, secretaris van de Stad Hardenberg, voor hemzelf, zijn zuster Femia Hermanna Kramer, huisvrouw van predikant J.W. Baerselman, en namens de kinderen van wijlen zijn broer Jan Kramer, aan Bernardus van der Kesten te Zwolle, voor een somma van 700 Carolyguldens. Als onderpand dienen de katerstede de Blaauwenkamp, bestaande uit woonhuis en gooren, acht mudden zaailand en ongeveer een dagwerk hooiland te Baalder. De kantlijn vermeldt dat het bedrag op 9 november 1772 is afgelost.

In het rechterlijk archief zien we vervolgens een akte, gedateerd 6 augustus 1769 waaruit blijkt dat voor enige dagen is komen te overlijden Hendrik Zwiese, gewoond hebbende op den Blaauwencamp te Baalder, nadat zijn vrouw Geertien Jannessen reeds van enige jaren is overleden. Over hun nagelaten minderjarige dochter, genaamd Fennegien Zwiese, werden mombers aangesteld: Gerrit Zwiese en Wolter Jannessen, beide ooms van het kind.

Op 9 december 1772 werd de helft van de katerstede verkocht door secretaris Berend Gerhard Kramer c.s. aan Jan Seinen van ’t Holt en Fennegien Hendriks Zwijze. Uit de akte blijkt dat zij het erf dan al jarenlang meijerswijze (als pachters) hebben bewoond, net als hun gestorven (schoon)ouders Hendrik Herms Zwijze en Geertje Jannessen Schuurman. Uit een bewaard gebleven dagboek (van Jan Zwijze alias Odink) blijkt dat Hendrik en Geertje resp. op 25 juli 1769 en 28 mei 1763 op de Blauwenkamp overleden zijn.

Jan van ’t Holt en Fennegien Zwijze lieten op 9 december 1772 ook hun beider testamenten vastleggen bij de schout en wel over en weer op de langstlevende.

Op 16 augustus 1773 werd een schuldbekentenis geregistreerd voor een hypotheek van 500 Carolyguldens die indertijd door Hermina Kramer-van Borne was opgenomen bij de erfgenamen van Hermannus l’Empereur en Judith Bartelink. Als onderpand stelden zij het resterende gedeelte van de katerstede de Blauwenkamp. Op 17 november 1790 werd die schuldbekentenis geroyeerd.

De volgende akte in het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg dateert van 7 september 1785:
Ik J.G. Pruim, van wegens hooger overheid verw. Scholtus des kerspels Hardenbergh cum annexis, doe kond en certificere: dat voor mij en keurnooten, die waren Berend Zweers en Jan Hend. Egbertdink, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn Jan van ’t Holt, woonachtig op den Blaauwenkamp in dit Schoutampt en deszelfs huisvrouw Fennegien Zwijse, tutore marito; dewelken verklaarden wegens opgenomene en aan hun ter leen verstrekte penningen oprecht en deugdelijk schuldig te zijn aan Jan Wolbink, woonachtig te Lutten, eene capitale summa van zeshonderd carolijguldens, met aanneming en belofte om dezelve capitaale summa ’s jaarlijksch en alle jaaren tot de effective aflosse en restitutie der penningen toe te zullen verrenten met drie gelijke guldens van yder honderd, waarvan het eerste jaar interesse zal verschenen zijn op den 1 mei 1700 zesentachtig en zoo vervolgens ’s jaarlijksch continuëren. En opdat de rentheffer voor zijn uitgedaane capitaal en de daarop te verlopene renten de vereischtte zekerheid moge hebben, zoo verklaarden zij comparanten daarvoor bij deze tot een generaal verband te verbinden en te stellen hunne persoonen en goederen, geene uitgezonderd, maar ook daarenboven tot een speciaal hijpotheecq en onderpand te verbinden en te stellen, hun comparanten eigendomlijke en zoo zij comparanten verklaarden met geenig ander hijpotheecq bezwaarde, halfscheid van de katerstede den Blaauwenkamp, bestaande in het woonhuis en den daaraan gelegenen gaarden, met de daarbij gelegene stukken zaaijland en groenland, voorts een vierde van een volle whaare in de markte van Hardenbergh en Baelder, zijnde allodiaal goed, ten einde de rentheffer zich daaraan in cas van onverhoopte wanbetaling, zoo van capitaal als de daarop te verlopene renten ten allen tijde kost- en schadeloos zal kunnen en mogen verhalen. Des ten oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voorn. deze benevens de comparanten eigenhandig getekend, met mijn zegel bekrachtigd, en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelve geene zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum Hardenbergh den 7 september 1700 vijfentachtig.

In 1788 wonen Jan Seinen van ’t Holt (ook genaamd: Jan Blauwkamp) en Fennegien Hendriks Zwijze nog altijd op de Blauwenkamp. Dat blijkt uit een zgn. interrogatoria op verzoek van de erfgenamen van Ane en Anevelde. Daarbij werd Jan onder ede verhoord. Hij gaf aan dat hij ongeveer 49 jaar oud was en woonde op de Blaauwenkamp.

Eind 1790 werd Jan Hendrik gedoopt in de kerk te Hardenberg waarbij vermeld werd dat hij geboren was ‘op Blaauwkamp onder Baalder’.

Zoon Seine Blaauwkamp zou zijn ouders opvolgen als eigenaar van den Blaauwenkamp. Hij trouwde op 15 mei 1808 in Hardenberg met Berendina Jansen Geertman uit Brucht.

Seine Blaauwkamp en Berendiena Geertmans verschenen op 26 april 1825 voor notaris Antoni van Riemsdijk. Ze verklaarden 1000 gulden schuldig te zijn aan Derk Santman Janszoon, koopman te stad Hardenberg. Tot onderpand stelden ze hun katerstede het Blaauwkamps ter buurtschap Baalder met derzelver behuizinge numero 38 c.s. In de akte verklaarden ze al een andere hypotheek van 600 gulden te hebben ten gunste van Jan Wolbink te Lutten. Die hypotheek was, zoals we hierboven hebben vermeld, op 7 september 1785 gevestigd door de ouders van Seine (aktenr. 475, scan 166).

Op de oudste kadastrale kaart van 1832 staat het erve vermeld als eigendom van Seine Blaauwkamp en echtgenote Berendina Geertman. De boerderij, gelegen ten noorden van de Radewijkerbeek, staat op legger 17 als sectie C-398.

Fragment van oorspronkelijk minuutplan, anno 1832.

Legger 17/2: Sectie C-398. Huis en erf.

Op 15 januari 1850 verleed notaris Swam een transportakte op verzoek van:
– Berendina Geertman, weduwe van Seine Blaauwkamp
– Jan Blaauwkamp te Baalder, landbouwer
– Johannes Blaauwkamp, landbouwer op ’t Anerveen
– Frederik Blaauwkamp, landbouwer
– Hermina Blaauwkamp en echtgenoot Klaas Ballast, landbouwers te Collendoorn
Zij verklaarden de katerstede, staande en gelegen aan de Radewijkerbeek, sectie C-398 c.a., voor 1200 guldens te hebben verkocht en over te dragen aan landbouwer Egbert Schuldink en echtgenote Johanna Blaauwkamp, die al voor een-tiende eigenaar ervan waren (aktenr. 1626).

Legger 921/2: Eigendom van Egbert Schuldink en echtgenote Johanna Blaauwkamp. Zij zijn op 17 mei 1844 getrouwd te Heemse.

Op 1 mei 1852 verleed notaris Swam te Gramsbergen een hypotheekakte, op verzoek van Egbert Schuldink en Johanna Blaauwkamp, wonende op den zoogenaamden Blaauwenkamp. Zij verklaarden daarin 2300 gulden schuldig te zijn aan mej. Gerritdina Zweers te stad Hardenberg. Als onderpand voor de lening stelden ze hun vaste goederen, bestaande in een huis en erf met deszelfs grond en wheere, benevens de daaraan grenzende bouw- en hooijanden, staande en gelegen aan de Radewijkerbeek onder de buurtschap Baalder, kadastraal bekend in sectie C-398 c.s. (aktenr. 1877).

In 1862 hermeting perceel. Over op:

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1862.

Legger 921/5: Nieuwe sectie C-626. Huis en erf. In 1871 terreinverandering. Over op:

Fragment van kadastrale hulpkaart, 1871.

Legger 921/18: Nieuwe sectie C-781. Huisnr H-2. Huis, erf en schuur.

Notaris Gerard de Meyier begon op 7 augustus 1879 met de eerste inzate van de openbare veiling van de katerstede den Blauwenkamp. Hij deed dat op verzoek van Derk Zweers Berendszoon, als mondelinge lasthebber van mej. Gerritdina Zweers te stad Hardenberg. Zij was begunstigde van de op 1 mei 1852 voor notaris Swam te Gramsbergen verleden hypotheek, waarbij Egbert Schuldink en Johanna Blaauwkamp hadden verklaard 2300 gulden schuldig te zijn aan Gerritdina Zweers. Egbert en Johanna waren overleden en de drie nagelaten kinderen waren in gebreke gebleven bij het aflossen van de hypotheek en de verschuldigde rente. Als onderpand voor de lening waren de onroerende goederen gestel, waaronder het huis en erf van de katerstede den Blauwenkamp, sectie C-781. Twee weken later, bij de definitieve veiling, werd het hoogste bod uitgebracht door landbouwer Jan Hendrik Jonkeren uit Heemse. Hem werd de koop gegund (aktenrs. 155 en 159).

Notaris Hilbrand van Barneveld te Gramsbergen verleed op 12 september 1880 een hypotheekakte op verzoek van Jan Hendrik Jonkeren, landbouwer te Heemse. Deze was 2000 gulden schuldig aan mej. Geziena Christina Waalman, weduwe van Marthanus Petrus Escher te stad Hardenberg. Als onderpand voor de lening vestigde hij een hypotheek op zijn onroerende goederen te Baalder, waaronder het huis en erf sectie C-781 (aktenr. 1800).

Fragment van kadastraal minuutplan, anno 1880.

Legger 4023/4: Eigendom van Jan Hendrik Jonkeren en echtgenote Hendrikje Albers (zie register van overschrijving hypotheken, deel 296, nr. 101). Zij zijn op 24 juni 1870 getrouwd te Gramsbergen. In 1882 sloping. Over op:

Legger 4023/8: Nieuwe sectie C-805. Grasgrond. In 1906 boedelscheiding. Over op:

Tegenwoordig is het de locatie van wijkvereniging De Wiekstee aan het Hondsdraf 2b en de voetbalvereniging Hardenberg ’85 aan het Hondsdraf 2c.