16-02-1464: Derk van Reedze verklaart verkocht te hebben aan Derk van der Wiel een rente van 8 mud winterrogge (Zwolse maat) uit zijn erf Herspinck in ’t kerspel Heemse in de buurtschap Redze gelegen (vermeld bij ’t Klooster Sibculo).

1496: Klooster Sibculo bezit ’t erve en goed Heerspinck

1520: Hendrik (van Reedze) Heerschapinck dienstman van de bisschop (ridder, dus geen pachtbetaling)

1558: Boedelscheiding tussen Hendrik Derkszoon van Reedse en zijn vrouw Griete enerzijds, en zuster Anna van Reedse anderzijds. Van goederen van zaliger vader en moeder. Afstand van ’t gehele erve en goed genoemd Heersping in de gerichte van Hardenberg, mark en buurtschap Rheedse. Omdat Hendrick geen zegel heeft hangt Hermen van Bergentheim zijn zegel aan deze brief.

1601: Een erve genompt Herspinck toebehorende Steven Blanckevort ende wort gebrucket door Johan Herspinck die vorklart van 13 mudde landes en nog 3 dagwerk platland. Hij geeft de garve en 6 daler en 15 stuyvers.

1659: Wordt Geert Wolters Heerspinck genoemd. Hij was echtgenoot van Wendela Splijtelof.

1668: Wolter Heerspinck te Rheese. Schadegevallen door de oorlog.

1675: Wendela Splijtloff wordt als tante genoemd. Waarschijnlijk is Geert Heerspinck haar nagelaten man of zoon.

16-05-1687: Contentieus archief, ’t erve Heersminck te Rheeze (Philibert en Alard Blanckvoort).

17-10-1692: Is Geertien de weduwe van Harmen Welink, hertrouwd (reeds eerder) met Jan Heersmink te Rheeze.

03-12-1712: Evert Jan Vastenouw voor zichzelf en vrouw Catharina Lindenhovius, hypotheek wegens schuld aan Jan van Muiden en aan de hopman Egbert Ridder.

In het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg is deze overdracht geregistreerd op 11 maart 1720:
Ik Joan Molkenbour, wegens de hoogheit indertijd Scholtus van de Hardenbergh doe te weten dat voor mij in den gerigte erschenen sijn proc. Arnolt Voltelen als gevolmagtigde van Evert Jan Vastenouw en desselfs huisvrouwe Catrina Theodora Lindenhovius, tutore marito, volgens procuratie voor de magistraat der stat Zwol gepasseert den 1 meert des jaars 1720 in desen edele gerigte vertoont, gelesen en van weerden erkent, verklarende voor een somme van penningen ten noege voldaan en betaalt voor gedagte sine principalen verkoft, gecedeert en overgedragen in name en van wegen deselve doende in en vermits desen het erve ende goet Heerspink in desen karspele, boertschap Rese gelegen, aan de edele burgemeester Jan van Muiden, voor de ene helfte en Jan Henriks Heerspink voor de andere helfte, welke andere helfte dan noch aan geseide burgemeester van Muijden sal …. etc.

In het zgn. register van de 50e penning van verkopingen en collaterale successiën vinden we op 28 oktober 1727:
De heer dr. Thomas van Muijden doen bekentmaeken dat op den 20 october van de weduwe en kinders wijlen Jan Heerspink tot Reese in koop bij transport hadde overgenomen desselfs anpart van ’t erve Heerspink aldaer ad 750 gulden.

Vervolgens bevat datzelfde archief deze akte, gedateerd 3 november 1739:
Voor Rigter Arnold Voltelen, keurnoten Hendrik Otten en Albert Albertsen, sijn gecompareert Hendrik Everts Schutte, koster alhier, en Harmen Vincke, wonende mede alhier, om nevens mij op de instantie van de heer dr. Thomas van Muijden, scholtus van de stad Swolle en Swollerkarspel, onder eede te taxeren sijn weledele twaelf dagwerken hoijlant gemeenlijk het Beerser of Voorheerslag genoemt, gelegen in de Meene onder de buirschap Ane, benevens dannog het halve erve Heerspink gelegen in de buirschap Reese en door Jan Heerspink als meijer wordende bewoont en gebruickt, bij sijn weledele voor eenige jaeren aengekoft geweest; so verklaren deselve na haere beste wetenschap de gemelte twee parcelen onder solmnelen eede te hebben getaxeert tesamen op eene somma van drieduisent eenhondert carolyguldens. Wijders verklare ik Scholtus voornoemt op den eed bij mijn aenstellinge als Scholtus van dit Schouwtampt gedaan, de voorschreven taxatie mede na mijn beste wetenschap te hebben gedaan. En hebben dese also geteikent, actum Heemse als boven. Certificeere ik ondergeschreven Scholtus van den Hardenbergh etc, dat bovenstaande allodiale goederen bij de heer Scholtus van Zwolle Tomas van Muijden aangekoft, door dezelve niet beswaart zijn, actum Heemse als boven.

Dertien dagen later werd deze hypotheekakte geregistreerd, d.d. 16 november 1739:
Ick Arnold Voltelen, wegens haar edele mogende ridderschap en steden de staten van Overijssel, Scholtus van den Hardenbergh etc., doe cond en certificeere dat voor mij en keurnoten als waeren proc. Alb. van Riemsdijk en Seijne Hendriksen, in den gerigte erschenen is de edele B.G. Kramer, secretaris tot den Hardenbergh, in qualiteit als volmagtiger van de heer Tomas van Muijden, Scholtus van Zwolle, en Zwollerkarspel, nevens desselfs eheliefste vrouw Aleida Maria Assing, volgens volmagt voor de weledele hoogachtbare heeren van de Magistraat der stad Zwolle, tot het doen van dese saeke specialijk op den comparant op den 8e deser maant november behoorlijk gepasseert en onder des stadszegel uitgegaan, en alhier gelesen. En heeft de comparant uit kragte van deselve volmagt, namens sijne gemelte principalen, verklaart en wel ten aensien van de voorschreven vrouw constituante mede onder renunciatie van het vellejaensche raadsbesluit en authentica si qua mulier, willende dat vrouwens zig door andere niet mogen verbinden voor 8804-16-4 zijnde 3/4 parten van 11739-14-14 verpondinge en contributie met 1/4 verhoginge peerden en reliqua met 1/2 verhoginge hoornegelt en gezaaij, zonder verhoginge, zo bij sijns voornoemde heer constituant gemanieert en jaarlijks over het Schoutampt van Zwolle worden ontfangen, ter requisitie van haar edel mogende de ordinaris heeren gedeputeerden deser provintie, ende ten profijte der goedsheeren van welgemelde carspel, bij desen boven en behalven een generaal verband van sijns voorschreven principalen parsonen en goederen specialijk te verbinden en te verhypothiseren, sulks doende kragt deses, haar twaalf dagwerk hoijland in de Meene, onder de bourschap Ane gelegen, ’t Beerser of Voorsterslag gemenelijk genaamt, beneffens de halfscheid van het erve Heerspink in den carspele van den Hardenberg, bourschap Reese gelegen, bij Jan Heerspink bemeijert, zijnde vrij allodiael goed zonder eenig opleggende beswaar, tesamen ingevolge daarvan op den derden november 1739 bij eede gedane gerigtelijke taxatie tot Heemse door Hendrik Everts Schutte, custos, en Hermen Vink, begroot op 3100 gulden. In oirconde der waarheid hebbe ik Scholtus voornoemt, desen benvens de comparanten q.q. beteikent en bezegelt. Actum Hardenbergh, den 16 november 1739.

Op 25 september 1772 werd de hypotheek van 16 november 1739 geroyeerd en ‘geknipt’ vanwege de algehele afbetaling van de schuld.

Conditiën en Voorwaarden, waarop de Heeren Erfgenamen en Goeds Heeren van Rhese, ingevolge een eenparig genomen resolutie van den 15 julij 1767, voornemens sijn om op heden den 8 october 1767 den tot hier toe genomen Rhesermarsch onder malkanderen te verdelen”.

De Rheezermarsch werd verdeeld in elf delen:
– voor Heerspink of Heersmink, dat een whaere heeft, een deel.

In het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg vinden we deze huwelijksvoorwaarden, gedateerd 9 april 1791:
Ik G.J. Crull, van wegens hoger overheid verwalter Scholtus van den Hardenberg, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificeere dat voor mij en keurnooten die waren burgemeester F. Bussemaker en Gerrit Veurink, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn de hier ondergetekende persoonen dewelke verklaarden een wettig huwelijk gesloten en gededingt te hebben tusschen Hannes Harms Wolbink als bruidegom ter eener, en Jennegien Gerrits Heerspink als bruid ter andere zijde, zijnde zij bruid ter dezer zake geadsisteerd met Derk Scholten als haren gekoozenen en geadmitteerden mombaar, en zulks op conditien en voorwaarden hierna beschreven:
Ten eersten verklaarden Gerrit Jan Heerspink en deszelfs ehevrouw Geertien Derks dat na doode van haar beide het erve en goed Heerspink onder ’t Schoutambt van den Hardenbergh, boerschap Rheese gelegen, zal vervallen op bruidegom en bruid of op de langstlevende van dien, volgens daartoe verkregen octrooy en consent van de leenkamer des huizes Almelo. Ten anderen verklaarde Gerrit Jan Heerspink en deszelfs ehevrouw Geertjen Derks met deszelfs vader en moeder Jan Heerspink en deszelfs ehevrouw Geesjen Harms, de halve regering aan haar vier te houden en de halve regering en administratie voort aan den bruidegom en bruid over te geven, dog bij overlijden van een van bovengemelde vier, zal de halve regering op de langstlevende vallen, en na doode van bovengemelde vier, zal den gehelen boedel en goederen vervallen op bruidegom en bruid, of op de langstlevende van dien. Ten derden is geconditioneerd en verklaard van de vier boven gemelde oude lieden en bruidegom en bruid, dat aan de drie zusters van bruidegom en bruid, met name Fennegien, Geertien en Janna Heerspink, uit den gemelden boedel moet worden uitgekeerd aan ieder een summa van tweehonderd carolyguldens, een bedde met zijn toebehoor, bestaande in twee bedden, met kussens en puel, met vier lakens en zes kussenslopen, een zwart kleed met zijn toebehoor en damasten rok, een vuuren kaste en een dregtig beest off vijffendertig gulden aan geld, zo zij het verkiezen, indien zij het bedde met zijn toebehoor nodig hebben, zullen zij het zelve kunnen krijgen, dog het andere dat haar uit den boedel gemaakt is, zullen zij niet eerder kunnen krijgen als zij komen te trouwen off over tien jaren de intresse daarvan. Verders zullen gemelde zusters van de bruid, zo lange zij ongetrouwd blijven, bij ziekte of ongemak in haar ouderlijke huis moeten worden onderhouden en verzorgd, maar daarvoor zal hare erfportie hier aan huis moeten blijven. En eindelijk is geconditioneerd zo de vader en moeder van de bruidegom en bruid, bij andere erfenisse mogten komen te erven, zo zal dat zelve na doode van haar beide in egaale portien op haar vier dogters vervallen. Welk voorenstaande alzo geconditioneerd en gecontracteerd zijnde, willende en begerende zij gezamentlijk comparanten, bruidegom en bruid, en verdere vrienden en dedingslieden, dat hetzelve alzo stiptelijk zal worden nagekomen en achtervolgd. Des ten oirkonde hebbe ik verwalter Scholtus voornoemd, deze benevens de bruidegom en bruid en verdere vrienden en dedingslieden getekend en gezegeld, en alzo zijlieden geen zegels en hadden, zo heb deze op haar verzoek met mijn klein zegel voor haar mede gezegeld. Actum Hardenbergh, den 9 april 1791.

Huwelijksvoorwaarden, d.d. 20-05-1796:
Ik J.G. Pruim, Scholtus des kerspels Hardenbergh, cum annexis, doe kond en certificeere dat voor mij en keurnooten die waren M. Bruins en H. Lotterman, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn de hier ondergetekenden, dewelke verklaarden een wettig huwelijk gededingd en gesloten te hebben tusschen Hannes Hermsen Wolbink, weduwenaar van Jennegien Heersmink, als bruidegom ter eenre -, en Geertjen Leefherts, jongedochter als bruid ter andere zijde; zijnde zij bruid geadsisteerd met haaren vader Leefhert Jansz, als haaren gekozenen en geadmitteerden mombaar, ende zulks op navolgende conditiën.

Eerstelijk verklaarde den bruidegom voorzeid, en met hem Hendrik Schutte en Albert Wolbink, als voogden over de minderjarige kinderen Derk Wolbink en Hermen Wolbink, door voorzeide Hannes Hermsen Wolbink bij gemelde Jennegien Heersmink in echte verwekt, met elkanderen geconvenieerd en overeengekomen te zijn dat den voorzeide bruidegom aan de gemelde zijne twee voorkinderen, voor en in voldoeninge van dezelve kinderen hun aanbestorvene nalatenschap van de voorzeide hunne moeder Jennegien Heersmink, zal uitkeren en betaalen als volgd: In contant geld eene summa van eenhonderd en vijftig guldens aan yder, welke den bruidegom van stonden aan, tot de effective voldoeninge toe, zal verrenten tegens drie procento in ’t jaar. Voorts aan yder derzelven, ter gelegener en bekwaamer tijd en wanneer zij in staat zijn zullen die behoorlijk te kunnen bewaaren en gebruiken, een zilvere zakhorologie, twee paar zilvere gespen op de schoenen en aan de broek, ter waarde van veertien guldens, yder twee paar, een kerkboek met zilvere kreppen, een damasten borstrok met zilveren knoopen, en een eikene kleerkiste. Voorts der kinderen moeder haare nagelatene linnen en wullen klederen tot derzelver lijf behoord hebbende, dewelke ten profijte van dezelve kinderen publijcq en als naar landrechte zullen worden verkocht. Zullende ook het door den kinderen moeder nagelatene zilverwerk tot derzelver lijve hebben behoord, door dezelve kinderen geprofiteerd en genoten worden, zodra dezelven in staat en bevoegd zijn daarover te kunnen disponeeren. Ten anderen is geconditioneerd door de gezamelijke contrahenten dat wanneer onverhooptelijk eene der voorzeide voorkinderen van den bruidegom, gedurende deszelfs minderjarigheid ongetrouwd en kinderloos kwame te overlijden, alsdan de opgemelde aan hem bewezene eenhonderd en vijftig guldens en daarop dan verlopene en bij denzelven te goede zijnde interessen, alsmede diens aandeel in de te provenieerene penningen van de te verkopen linnen en wullen klederen zijnes voorzeide wijlen moeder, en het aandeel in diens nagelaten zilverwerk tot derzelver lijve behoord hebbende, alleen in vollen eigenodm bij de langstlevende van die beide des bruidegoms zoons zal geprofiteerd en genoten worden. Zullende nochtans in dat onverhoopte geval het overige aan die eerststervende hiervooren bewezene, hetzij denzelven zulks ontvangen, of nog te goede heeft, voor den bruidegom in dezen, of tot des huizes beste verblijven. Ten derden verklaarde de bruid, geadsisteerd met haaren voorzeiden mombaar, bij dezen de twee voorkinderen van haaren bruidegom, met namen Derk Wolbink en Hermen Wolbink, door gemelde haaren bruidegom bij Jennegien Heersmink in echte verwekt, te adopteren en als haare eigene kinderen aan te nemen, met dien effecte dat dezelve kinderen, even of zij uit haar zelven gebooren en nagelaten waren, bij haare aflijvigheid van haare nalatenschap erfgenaam zijn zullen; en wel bij aldien uit haar geen kind of kinderen gebooren en nagelaten worden, eenig en universeel, – en zo kind of kinderen uit haar gebooren en nagelaten worden, met dat of die in gelijke portie of portiën, hoofd voor hoofd. Ten vierden verklaarde de bruidegom Hannes Hermsen Wolbink, bij dezen de voorzeide zijne bruid Geertjen Leefherts, zo en alsnaar landrechte te beloven af te staan en te geven zoodanig aandeel in zijn goederen als eene zijner voorzeide voorkinderen namaals daarin zoude gehad hebben ingevalle deze dispositie niet geschied ware. Waarover, ten opzichte der leengoederen, de nodige approbatie zal worden verzocht, daar het behoord. En ten vijfden is geconditioneerd dat bruidegom en bruid in dezen, aan des bruidegoms schoonouders Gerrit Jan Heersmink en Geertjen Derks, ’s jaarlijks voor derzelver particulier gebruik geven zullen, gedurende derzelver leven lang, en bij vooroverlijden aan de langstlevende van beide, een summa van vijf guldens. Eindelijks en ten zesden is geconditioneerd dat wanneer de bruidegom binnen twintig jaaren na dato dezes kwame te overlijden, de bruid voor expiratie van die twintig jaaren wederom op het erve Heersmink te Reeze op alsdan behoorlijke aan te gaane conditien zal mogen hertrouwen; doch dien tijd verloopen zijnde en dezelve hertrouwen willende, zal zij in dat geval gehouden zijn het gemelde erve te moeten ontruimen en verlaten. Zullende wijders ook eene der voorzeide twee zoons van den bruidegom, ten keuze van bruidegom en bruid in dezen wie van beide zij zulks liefst opdragen, op het gemelde erve Heersmink introuwen mogen, op alsdan te beramene voorwaarden. Welk voorenstaande alzoo geconditioneerd en gecontracteerd zijnde, willen en begeeren bruidegom en bruid, de vader en mombaar van de bruid, de bruidegoms voorzeide schoonouders, de mombaaren zijner gemelde twee kinderen, en verdere aanwezende vrienden of dedingslieden, dat hetzelve in allen deele stiptelijk zal worden nagekomen, onderhouden en achtervolgd. Des ten oirkonde hebbe ik Scholtus voornoemd deze nevens de comparanten getekend, met mijn zegel bekrachtigd en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelven geene zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum Heemse, den 20 meij 1796.

Huwelijksvoorwaarden, d.d. 19-02-1803:
Ik J.G. Pruim, Scholtus des Kerspels Hardenbergh, cum annexis, doe kond en certificeere dat voor mij en keurnooten die waren Jasper Zweers en Marten Bruins, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn, de hier ondergetekenden, dewelke verklaarden een wettig huwelijk gededingd en gesloten te hebben, tusschen Hannes Wolbink, laatst weduwenaar van wijlen Geertjen Leefherts, bruidegom ter eenre -, en Aleida Gerrits, jongedochter als bruid ter andere zijde, zijnde zij bruid ter dezere zaake geadsisteerd met Jan Gerrits, haar broeder, als haren ter deezer zaak gekozenen en geadmitteerden mombaar. Ende zulks op conditien en voorwaarden hierna beschreven. Eerstelijk verklaarde den bruidegom Hannes Wolbink, en met hem Hendrik Schutte en Albert Wolbink, voogden over Derk- en Hermen Wolbink, door de eerstgemelde bij wijlen Jennechien Heersmink in echte verwekt, met elkanderen geconvenieerd en overeengekomen te zijn dat gemelde bruidegom aan de voorzeide zijne twee voorkinderen zal uitkeeren voor en in voldoening van derzelver nu aanbestorvene nalatneschap van haare voorzeide wijlen stiefmoeder Geertjen Leefherts te zaamen eenhonderd guldens, uit te keren als dezelven vijfentwintig jaaren oud zijn of eerder komen te trouwen. Ten anderen verklaarde de bruid Aleijda Gerrits, geadsisteerd als vooren, bij dezen de voorzeide voorkinderen van haaren bruidegom te adopteren en als haare eigene kinderen aan te nemen; met dien effecte dat dezelve kinderen evenals of zij uit haar zelven gebooren waren, bij haare aflijvigheid van haare nalatenschap erfgenaamen zijn zullen; en wel bij aldien uit haar geen kind of kinderen geboren en nagelaten worden, eenig en universeel, en zo kind of kinderen uit haar verwekt en nagelaten worden, met dat of die, in gelijke portie of portiën, hoofd voor hoofd. Ten derden verklaarde de bruidegom Hannes Wolbink bij dezen de voorzeide zijne bruid Aleijda Gerrits, zo en als naar landrechte te beloven af te staan en te geven, zoodanig aandeel in zijn goederen, als eene zijner gemelte voorkinderen, daarin zoude gehadt hebben ingevalle deze dispositie niet ware geschiedt. En eindelijks is geconditioneerd dat wanneer den bruidegom binnen twintig jaaren na dat dezes kwame te overlijden, de bruid voor expiratie van deeze twintig jaaren wederom op ’t erve Heersmink te Reeze zal mogen introuwen, op alsdan behoorlijk aan te gaane conditien, doch dien tijd verlopen zijnde, en dezelve wederom willende hertrouwen, zal zij het voornoemde erve verlaten moeten. Blijvende overigens het bij de huwelijkse voorwaarden van gemelde Hannes Wolbink en Geertjen Leefherts van den 20e meij 1796 geconditioneerde en versprokene, in kracht en waarde. Welk voorenstaande alzo geconditioneerd en gecontracteerd zijn, willen en begeeren bruidegom en bruid en verdere aanwezende vrienden of dedingslieden, dat al het zelve alzo in allen deele zal worden nagekomen, onderhouden en achtervolgd; ofschoon ook alle solemniteiten van rechten daarbij niet waren geobserveerd. Des ten oirkonde hebbe ik Scholtus voornoemd deze benevens de comparanten getekend, met mijn zegel bekrachtigd en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelve geene zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum Heemse, den 19 februari 1803. 

Op 7 maart 1826 hield notaris Antoni van Riemsdijk een openbare verkoop van roerende goederen op ’t erve Heersmink in Rheeze. Hij deed dat op verzoek van Aleida Gerrits, weduwe van Hannes Heersmink (aktenr. 533, scan 250).

In de Overijsselsche courant van 31 augustus 1827 werd de openbare verkoop van ’t Heersmink aangekondigd en wel op verzoek van Aleida Gerrits, de weduwe van Hannes Heersmink. Genoemde Hannes was geboren in Lutten op het erve Wolbink en was in eerste huwelijk getrouwd geweest met Jennegien Heersmink, maar na haar overlijden hertrouwd met Aleida. Uit het eerste huwelijk waren twee zoons geboren: Derk (1792) en Hermen (1794). Uit Hannes’ tweede huwelijk was zoon Jan (1812) geboren.

Notaris Antoni van Riemsdijk hanteerde de veilinghamer op 3 september 1827. Het ging om het erve het Heersmink met de daarbij horende katerstede (later ’t Hulsebosch genaamd). Het erve Heersmink bestond uit het woonhuis no. 25 met deszelfs grond en wheere, staande op het erve het Heersmink te Rheeze, ten oosten van en aan den gemeenen weg, met de halfscheid van den daartoe en aangelegenen gaarden en ging als eerste kavel in veiling. De bijbehorende katerstede lag agter aan den Groten Esch, bestaande uit deszelfs behuizinge numero 0, met deszelfs grond en wheere en werd als derde kavel in veiling gebracht. Het eerste perceel, het Heersmink, werd ingezet door Hermen Heersmink, jager op den Huize Heemse te Heemse, mede-verkoper en mede-eigenaar voor één-zesde gedeelte, voor een bedrag van 1100 gulden. Het derde kavel werd ingezet door Hendrik Timmerman, landbouwer te Rheeze, voor 727 gulden. Een week later, op 10 september, vond de definitieve veiling en toewijzing plaats. Gerrit Doezeman, landbouwer te Rheeze, bood 105 gulden meer voor het Heersmink en Hermannus Hesselink, landbouwer te Heemse, bood 98 gulden meer voor de katerstede. Vervolgens werd bij afslag 1208 gulden geboden door Gerrit Doezeman op ’t erve Heersmink. Hermannus Hesselink bood 825 gulden voor de katerstede, uit naam van Arend Marsman, boerenknecht te Heemse. Gerrit Doezeman en Egbert Dunnewind, beide landbouwers te Rheeze, boden vervolgens in compagnie 2004 gulden voor de combinatie van kavels 1 en 2 (waaronder ’t erve Heersmink). Het derde kavel (de katerstede) werd gegund aan Arend Marsman voor ’t geboden bedrag ad 825 gulden (aktenr. 670, scan 54).

Bij de aanvang van het kadaster, anno 1832, werd het erve Heersmink geregistreerd als sectie K-579 op legger 80 ten name van landbouwer Gerrit Doezeman en echtgenote Geertjen Hannink. Zij waren op 21 mei 1813 te Hardenberg getrouwd.

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

Legger 80/25: Sectie K-579. Huis en erf met schuur en schaapsschot. Eigendom van Gerrit Doezeman en Geertjen Hannink. Vervolgens vererfde de huisplaats op zoon Egbertus Doezeman en echtgenote Zwaantjen Brandt. Zij zijn op 8 mei 1840 getrouwd te Heemse. Huisnr. G-12. In 1901 verbouw en vereniging van percelen. Over op:
Legger 80/55: Nieuwe sectie K-1697. Huis, schuur, kookhuis, erf en bouwland. In 1911 boedelscheiding. Over op:
Legger 5539/34: Eigendom van landbouwer Gerrit Doezeman en echtgenote Evertjen Hannink. Zij zijn op 18 februari 1875 getrouwd te Heemse. In 1913 verkoop. Over op:
Legger 7341/32: Eigendom van Hendrik Jan Doezeman en echtgenote Hendrika Gerrits. Zij zijn op 6 november 1903 getrouwd te Heemse. Bezitters van het recht van gebruik en bewoning waren Gerrit Doezeman en echtgenote Evertjen Hannink. In 1913 redresberekening. Over op:

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1913 (Sectie K-1884).

Legger 7341/41: Nieuwe sectie K-1884. Huis, schuur, kookhuis en bouwland. In 1916 successie. Over op:
Legger 6971/37: Eigendom van landbouwer Hendrik Jan Doezeman.

Op 20 mei 1932 werd hun boerderij volledig door brand verwoest. De Vechtstreek schreef een dag later:

Rheeze. Donderdagmorgen brak brand uit in de boerenbehuizing van den landbouwer H.J. Doezeman te Rheeze. De eigenaar was met zijn zoon naar het land, terwijl zijn echtgenote en zijn kinderen binnenshuis bezig waren werkzaamheden te verrichten. Door omwonenden werd om ongeveer tien uur de brand het eerst opgemerkt. Deze gingen onmiddellijk waarschuwen, doch het mocht niet baten het vuur meester te worden. In een ogenblik was alles één vlammenzee. Aan redden viel niet te denken. Drie varkens en een aan de stierhouderij Rheeze toebehorende en bij Doezeman gestationeerde stier werden een prooi der vlammen. Van het huisraad werd niets gered. De vonken sloegen van daar over naar de belendende schuur van den landbouwer A. Veurink, doch door nat houden wist men deze te behouden. Toch kon niet worden belet dat een verder gelegen schuur van Veurink werd aangetast en het duurde dan ook niet lang of deze was tot aan den grond toe afgebrand. Een varken, een partij hooi en wat stro ging hier verloren. Burgemeester Weitkamp was spoedig ter plaatse en gaf aanwijzingen betreffende het bluswerk. Met gierketels werd het water aangevoerd en ten slotte gelukte het de smeulende massa te doven. Naar wij vernemen had Doezeman huis en inboedel verzekerd bij de Onderlinge Boeren-Brandwaarborg Mij. te Zwolle. Oorzaak van den brand is onbekend.

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 21 mei 1932.

Dankzij de uitgekeerde verzekeringspenningen kon Doezeman nog datzelfde jaar een nieuwe boerderij laten bouwen. De gemeente Ambt Hardenberg had de vergunning verleend voor ‘herbouw boerderij na brand’.

Kadastrale hulpkaart, anno 1934 (sectie K-1884).