D. Hesselink-Zweers en E. Wolbink

In 1811 deed het instituut en begrip ‘gemeente’ in Nederland zijn intrede. De nieuwe bestuurslaag werd ingevoerd in de tijd dat Nederland deel uitmaakte van het grote Franse keizerrijk. Van 1806 tot 1810 was Nederland nog een (zelfstandig) koninkrijk met vorst Lodewijk Napoleon Bonaparte, de broer van de Franse keizer, aan het hoofd van de regering. Maar in 1810 werd daaraan een eind gemaakt door de ‘kleine keizer’, omdat hij ontevreden was over het beleid van zijn jongere broer en omdat Lodewijk volgens hem te veel de Nederlandse belangen liet prevaleren. Op 13 juli 1810 werd Nederland ingelijfd bij Frankrijk. Daarmee werd ook de Franse wetgeving de norm.

Invoering burgerlijke stand
Een van de belangrijkste decreten betrof de invoering van de burgerlijke stand – de état civil – die op 1 maart 1811 officieel van kracht ging met de Code Napoléon (het wetboek Napoleon). De feitelijke invoering verschilt van plaats tot plaats. Napoleon voerde de burgerlijke stand onder andere in om de dienstplicht voor zijn leger beter te kunnen afdwingen en om een efficiëntere belastingheffing te kunnen realiseren.

Het invoeren van de burgerlijke stand was een enorme reorganisatie. Voorheen werden geboorten, huwelijken en sterfgevallen door kerkelijke instanties opgetekend, meestal door predikanten en kosters. In 1811 kregen de kerkelijke bestuurders opdracht om hun doopboeken en huwelijksregisters voor de overheid open te stellen. Het jaar daarop moesten ze de registers en de contraboeken bij het archief van de stad deponeren. Huwelijken mochten niet langer door predikanten of anderen gesloten worden – wel ingezegend – maar slechts door de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Portret van Louis Napoleon Bonaparte (1778-1846), koning van Holland.

Wanneer we het oudste boek van de burgerlijke stand van Hardenberg opslaan, dan zien we dat op 16 april 1811 de eerste akte werd ingeschreven. Het betreft de volledig handgeschreven geboorteakte van Albert Jan Wunnink. Hij was drie dagen eerder in Diffelen geboren als zoon van de landbouwers Gerrit Wunnink en Hermiena Braakmans. Niet alleen werd beschreven wie de getuigen bij de aangifte waren, maar ook dat de kleine precies ’s middags om 12 uur ter wereld was gekomen. Maire (burgemeester) Antonie van Riemsdijk heeft deze eerste akte opgesteld. Hij zette zijn kenmerkende handtekening met de sierlijke krullen ter bekrachtiging onder de akte. De laatste regels ervan luiden: Tengevolge waarvan ik Maire, na mij, volgens de wet, van de mannelijke sexe van den geboorenen verzekerd te hebben, deeze acte hebbe opgemaakt, voorgeleezen en benevens den vader en getuigen geteekend.

De geheel handgeschreven eerste akte van de burgerlijke stand van Hardenberg, 16 april 1811

De eerste overlijdensakte werd op diezelfde 16de april 1811 ingeschreven. Het betreft de rooms-katholieke Geziena Torijn. Zij was 19 jaar, ongehuwd en een dochter van schilder en glazemaker Johannes Assueris Dominicus Thourin en Hermina Reckman uit Stad Hardenberg. Geziena was gestorven in Heemse in het huis van heel- en vroedmeester Frederik Coenraad Wilhelm Rathsman, waar ze vermoedelijk als dienstmeid werkzaam was.

Het eerste huwelijk dat werd ingeschreven, was dat van de 34-jarige Albertus Wilpshaar en de 26-jarige Hillegien Wiegmink. Het bruidspaar trouwde op 3 mei 1811. Albertus was geboren in Holtheme en Hillegien in Bergentheim. Beiden waren van goede boerenkomaf. Enkele weken daarvoor hadden de aanstaande echtgenoten hun huwelijkse voorwaarden al laten vastleggen bij de notaris. De Franse wetgever heeft in 1811 namelijk ook een eenvormig en algemeen notariaat ingevoerd. Voordien werden dergelijke akten vooral beschreven door de magistraat.

Akten van naamsaanneming
Vaak wordt aangenomen dat de achternamen in Nederland zijn ingevoerd door Napoleon en dat het dus aan hem te danken zou zijn, maar dat is een misvatting. In feite hadden veel mensen al achternamen, maar die waren niet officieel geregistreerd. De bestaande achternamen waren veelal ontstaan uit het patroniemensysteem. Een patroniem of vadersnaam geeft aan hoe de vader van de naamdrager heet. Bekende voorbeelden hiervan zijn: Willems (Willemzoon), Jansen (Janzoon), Bruins (Bruinzoon) en Reinders (Reinderzoon).

De volledig in het Frans geschreven akte waarbij Lubbertus Bosman verklaarde voortaan Velsink (Veldsink) te heten. Dat was blijkbaar nog wel even wennen, want hij ondertekende de akte nog met zijn ‘oude naam’.

Omstreeks 1800 was het patroniemensysteem nog volop in gebruik, om uiteindelijk te worden opgeheven tijdens de invoering van de burgerlijke stand. In Oost-Nederland werd vaak de naam van de boerderij (toponiem) waar men woonde aangenomen; namen als: Slingenberg, Klinge, Leemgraven, Hanekamp, Van den Poll en Haandrikman. Daarbij is met name in onze regio de uitgang ‘ink’ een veelvoorkomende. Voorbeelden zijn: Odink, Warmink, Hilberink, Hurink, Veldsink, Hofsink, Hesselink, Wolbink, Willink, Richterink, Lamberink, Meilink, Veurink, Schuldink en Hannink. Verder werden achternamen aangenomen aan de hand van het beroep dat men had. Zo zijn er namen als Bakker, Snijder, Schoemaker, Ramaker, Timmerman, De Ruiter, Schipper, Mulder, Smid en Visser.

In oktober 1811 werd bepaald dat wie nog geen vaste achternaam had, er nog voor het einde van het jaar eentje moest aannemen. Hiervan zijn akten opgemaakt en een groot deel ervan is bewaard gebleven. De Hardenberger naamsaannemingen worden sinds jaar en dag bewaard in het gemeentearchief. Ze geven een overzicht van de gezinssamenstelling, vaak zelfs met vermelding van de kleinkinderen die dezelfde familienaam kregen als hun grootvader. Ze zijn overwegend in het Frans geschreven.

Geboorten
Op 15 juni 1812 werd de eerste geboorteakte van een tweeling ingeschreven. Het ging om Berendina en Elisabeth, dochters van kleermaker Hendrik Ensink en Anne Rengelink in de Achterstraat. Datzelfde jaar werden nog twee tweelingen geboren: Jan en Johanna Brand op 5 oktober te Rheezerveen en Johanna en Maria op 21 december op de Brink in Heemse, dochters van molenaar Roelof Bouwhuis. De eerst bekende drieling betrof de geboorte van Maria Aleida, Johannes Bernardus en Maria Gesina Bouck. Zij werden op 12 april 1832 geboren in Slagharen, kinderen van de rooms-katholieke landbouwer Franciscus Bouck en Engelina Maria Oosterman. Pas op 3 mei 1993 werd de eerste Hardenbergse vierling geboren: Bo, Tessa, Lisa en Esmé Akse.

Grote gezinnen waren vroeger meer regel dan uitzondering. Geboortebeperking kende men niet en kinderen waren een zegen, vooral als oudedagsvoorziening. Elftallen kwamen geregeld voor, maar het dubbele ervan was toch wel een unikum. Dat haalde zelfs de krant en wel het Algemeen Handelsblad van 27 april 1864. Het betrof het gezin van bakker en tolgaarder Jan Hermen Wandscheer en zijn vrouw Gerritjen Kluvers. Zij waren in 1841 getrouwd in Ambt Delden, maar meteen daarna in Hardenberg gaan wonen. Daar werd eind 1841 de eerste geboren, genaamd Johanna. Vervolgens kwam er bijna in ieder volgend jaar gezinsuitbreiding, van 1842 tot 1864, waaronder één tweeling. Helaas werden er maar liefst elf kinderen doodgeboren en vier stierven er kort na de geboorte. De krant schreef dat als ene zeldzaamheid vermeld kan worden dat de vrouw van den tolgaarder J.H. Wandscheer dezer dagen van haar 22ste kind is bevallen.

Casanova Van Faassen
Sinds 1811 zijn er ontelbaar veel geboorten, huwelijken en sterfgevallen aangegeven bij de burgerlijke stand. Daarbij zijn er ook die opmerkelijk te noemen zijn. Zo kwam het geregeld voor dat een man of vrouw hertrouwde nadat de eerste partner op jonge leeftijd was gestorven. Zo’n tweede huwelijk werd veelal uit noodzaak geboren. Vaak werd de tweede partner in de schoonfamilie gevonden: een zwager of schoonzus. Een derde huwelijk werd sporadisch gesloten, maar het was vrij bijzonder dat iemand voor de vijfde keer in het huwelijksbootje stapte. Toch gebeurde dat in het jaar 1855. Het voorval was zo opmerkelijk dat het de landelijke kranten haalde. In de Goessche Courant van 24 mei van dat jaar werd geschreven: Den 19 mei jl. is te Hardenberg zekere E. van V., oud 38 jaar, ondertrouwd, en zal zich daarna ten vijfden male in den echt begeven.

Dankzij de goed geadministreerde burgerlijke stand is het eenvoudig op te zoeken wie de 38-jarige aanstaande bruidegom was. Het ging om klompenmaker Engbert van Faassen uit Lutten. In 1836, toen hij 19 was, trouwde hij voor de eerste keer met Harmanna Flim uit Den Ham. Ze kregen twee kinderen, maar zij overleed al in 1842. Het jaar erop hertrouwde Engbert met Jantje Giethoorn uit Hoogeveen. Uit dit huwelijk werd een zoontje geboren, maar Jantje overleed in het kraambed. Ruim een half jaar later stapte Engbert voor de derde maal in het huwelijk. Dit maal was Arendina Nijeboer uit Lutten zijn bruid. Ze kregen in 1846 een dochtertje, maar opnieuw stierf zijn vrouw in het kraambed. Het vierde huwelijk werd wederom ruim een half jaar later bij de burgerlijke stand ingeschreven. Deze keer werd Gezina Likkel uit Heemse zijn echtgenote. Ze kregen twee dochters, maar in 1854 overleed Gezina op 32-jarige leeftijd; dit keer niet in het kraambed. Engbert was toen nog geen veertig jaar oud, maar had al vier huwelijken achter de rug. In 1855 hertrouwde hij – zoals het krantenbericht vermeldde – voor de vijfde maal. Op 14 juni werd zijn huwelijk met de 31-jarige Willemina Rundervoort uit Baalder voltrokken in het gemeentehuis in Heemse.

Vijf keer getrouwd zijn is heel bijzonder – het haalde de landelijke krant – maar toch werd Engberts geschiedenis nog opmerkelijker. In 1859 overleed ook Willemina, met wie hij twee kinderen had gekregen. De vijfvoudig weduwnaar bleef opnieuw alleen achter met zijn kinderen. De kranten konden daarom andermaal in de pen klimmen toen Engbert in 1860 voor de zesde keer in het huwelijk trad. Dat alleen was al voldoende geweest voor landelijke publiciteit, maar het feit dat zijn zesde echtgenote slechts achttien jaar oud was, zorgde voor sensatie. Zijn jeugdige bruid, Louisa Wille, was in 1842 geboren in de gemeente Ambt Ommen. Hun huwelijk werd voltrokken op 25 oktober 1860. De Goessche Courant schreef in januari 1860 – opnieuw – over deze Hardenberger casanova: Naar men berigt zal zekere Van F. te Hardenberg, welke op ruim 40-jarigen leeftijd in het vorige jaar voor de vijfde maal weduwnaar werd, voor de zesde maal zijn huwelijksgeluk beproeven. De Overijsselsche Courant deed er nog een schepje bovenop: Te Lutten in de gemeente Ambt Hardenberg zal eerlang een weduwnaar voor de zesde maal in het huwelijk treden. Eene dochter van hem uit zijn eerste huwelijk is reeds ouder dan hare aanstaanden stiefmoeder die pas 18 jaren telt!

Delftsche courant, 15 juni 1860.

Toen de datum van de huwelijksvoltrekking naderde, publiceerde de Goessche Courant nogmaals over deze gebeurtenis. Het verhaal werd steeds sensationeler weergegeven en men verdraaide (bewust?) de feiten: Te Ambt Hardenberg zal deze week een huwelijk voltrokken worden tusschen een weduwnaar van 54 en een meisje van 16 jaren, dat reeds kans heeft binnenkort grootmoeder te worden. Naar men wil is dit huwelijk bij wijze van koop gesloten, en wel voor de som van honderd gulden. Engbert was geen 54 maar 44 en Louisa was geen 16 maar 18. Wellicht is het daarom verstandig om ook de rest van dit bericht met een korreltje zout te nemen.

De kranten bleven Engbert nauwlettend volgen. Toen Louisa twee jaar later ziek werd, schreven ze dat sedert eenigen tijd ook deze vrouw in een kwijnenden toestand verkeerde. Men vreesde voor haar leven. Toch bleek het dit keer loos alarm, want Louisa knapte op, kreeg negen kinderen en overleed in 1884 op 42-jarige leeftijd. Engbert zelf overleefde daarmee al zijn zes echtgenotes bij wie hij maar liefst zeventien kinderen verwekte. Hij stierf op 29 april 1894 in Lutten, op 77-jarige leeftijd.

Huwelijkse bijlagen
In 1852 wilde Jan Hendrik van Buuren trouwen met Everdina Hendriks uit Sleen. Jan Hendrik verklaarde zelf dat hij geboren was in Duits Wielen en dat zijn ouders nimmer aangifte hadden gedaan en dat hij daarom ook geen uittreksel van zijn geboorteakte kon krijgen. Het overleggen van bewijsstukken was wettelijk verplicht. Die bewijsstukken werden vervolgens als afzonderlijke serie bewaard onder de noemer ‘huwelijkse bijlagen’. Wanneer een bruid of bruidegom een akte niet kon leveren, werden normaal gesproken getuigen opgeroepen die onder ede verklaarden ‘wel te weten’ wie de ouders waren en wanneer het kind geboren was. Vreemd genoeg werd Jan Hendrik op zijn woord geloofd… Mogelijk omdat hij uit Duitsland afkomstig was. Pas in 1997 ontdekten wij – bij het registreren van de akten in een stamboomprogramma – dat er wel degelijk een bewijs van Jan Hendriks geboorte in de burgerlijke stand was aangetekend. Hij was niet in Duits Wielen maar in de gemeente Stad Hardenberg geboren, en wel op 15 september 1821, als zoon van landbouwer Jan van Buuren en Aaltjen Mulder.

Over de puthaak trouwen
De wettelijke verplichting om huwelijken te laten voltrekken door de ambtenaar van de burgerlijke stand, werd niet altijd nagevolgd. In het midden van de negentiende eeuw vestigden zich veel rooms-katholieken in het noorden van onze gemeente, in de omgeving van Slagharen en De Krim. Een groot deel was afkomstig uit Duitsland waar men de burgerlijke stand meteen na het vertrek van de Franse bezetters weer had afgeschaft. De veelal armlastige katholieke turfgravers trouwden met elkaar ‘in het veen’ en ondernamen niet de reis naar het gemeentehuis in Heemse. Men trouwde dan niet voor de wet, maar enkel voor de kerk. In de volksmond trouwde men dan ‘over de puthaak’. Een puthaak was een stuk gereedschap: een stok van ongeveer 70 cm. met een klein ijzeren haakje en puntje. Een dergelijk voorval in 1854 werd vermeld in het Algemeen Handelsblad:

Voor eenige dagen werd er onder de poldergasten te De Krim een huwelijk voltrokken ‘over den puthaak’. Dit geschiedt op de eenvoudige wijze, dat genoodigden of getuigen eenen puthaak voor eenen boom leggen, bruid en bruidegom daarover heen stappen, en de echt is gesloten. Zoo noodig, dan wordt deze op dezelfde wijze weder ontbonden, met uitzondering dat partijen alsdan echter van den tegenovergestelden kant over den haak stappen. Naar men ons mededeelt staat er te Zwinderen in Drenthe een oude eik, onder welks eerwaardigen kruin meer dan 100 bruidegoms, meest scharenslijpers, hunne dulcinea’s over den puthaak hebben geleid.

Normaal gesproken werd een huwelijk altijd voltrokken op het gemeentehuis. Af en toe kwam het echter voor dat de ambtenaar van de burgerlijke stand naar het bruidspaar toe moest. Zo is bekend dat in 1846 Jennegien Hutten en Hendrik Ekkelenkamp uit Baalder trouwden ‘in het kraambed’. Jennegien was volgens de huwelijksakte ‘ziek’, maar ze was enkele dagen ervoor bevallen. In 1898 vond eenzelfde voorval plaats bij Seine ter Wijlen en Jennegien Roelofs uit Lutten aan de Dedemsvaart. Ook zij werden ‘op locatie’ getrouwd, omdat de bruid nog niet op krachten was na de bevalling van haar zoontje Gerrit Jan.

Kerkelijke inzegening geweigerd
Op 11 augustus 1860 werd in het gemeentehuis te Heemse het huwelijk geregistreerd van de 48-jarige weduwnaar Hendrik Plaggenmarsch uit Bergentheim en zijn 16-jarige dienstmeid Bartha Waterink. De man behoorde tot de Christelijk afgescheiden gemeente te Heemse en wilde graag dat zijn huwelijk ook kerkelijk zou worden ingezegend, maar dat verzoek werd afgewezen. De vader van de jonge bruid, Albert Waterink, wendde zich daarop tot de predikant van de hervormde gemeente aldaar, maar kreeg ook nul op het rekest. Vervolgens probeerde men het huwelijk in de Stephanuskerk in Hardenberg te laten voltrekken en dat leek aanvankelijk ook te lukken. Op de dag van de inzegening had het bruidspaar al plaats genomen ‘in het doophek’, toen hen door een van de kerkeraadsleden alsnog werd medegedeeld dat de inzegening niet kon doorgaan. Hendrik en Bartha verlieten daarop zeer teleurgesteld het kerkgebouw, aldus de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.

Een originele trouwbrief uit 1859. Sommige gemeenten zijn al omstreeks 1850 begonnen met het verstrekken van een trouwbrief, de voorloper van het trouwboekje.

Belofte maakt…
Een volgend bijzonder voorval vond in 1861 plaats op het zgn. Lutterharde (Lutterhart). De Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef dat daar een tragisch-comisch voorval had plaats gevonden. Een weduwnaar die op het punt stond om voor de tweede keer een huwelijk aan te gaan, en waarvoor de festiviteiten al klaar waren, herinnerde zich ineens dat hij zijn overleden echtgenoote de belofte had gedaan nooit een tweede huwelijk te zullen aangaan. Dat gaf hij zijn bruid en genodigden bon gré mal gré te kennen. Men verbeelde zich de teleurstelling van hen, die dachten feest te vieren, maar vooral aan de jeugdige schoone, die nu weder haar geluk zal moeten afwachten.

De eerste scheiding
Op 16 februari 1871 werd de allereerste scheidingsakte ingeschreven in de burgerlijke stand van de gemeente Ambt Hardenberg. Jan Berend Bolks was de uitvoerend ambtenaar die de door de arrondissementsrechtbank in Deventer uitgesproken scheiding aan het papier toevertrouwde. Het betrof de scheiding van het op 8 augustus 1863 in Dalen voltrokken huwelijk tussen dienstknecht Herm Imos, afkomstig uit Osterwald bij Veldhausen, en dienstmeid Miena Schollink van het Anerveen. De bruid was al moeder, want ze was op 21 oktober 1863 in Lutten bevallen van een jonge dochter. Een half jaar later, in april 1864, had Harm het huis kwaadwillig verlaten en was nooit meer teruggekeerd. Harm had Miena en de kleine Maria zonder enig onderhoud of middel van bestaan achtergelaten. Vijf jaar lang wachtten moeder en dochter op zijn terugkomst, maar nog altijd was de woon- of verblijfplaats van de weggelopen echtgenoot – ondanks vergeefse naspeuringen – onbekend. Daarom had ze haar man bij openbaar exploit opgeroepen en gesommeerd om bij haar terug te keren, maar daaraan had hij ook geen gehoor gegeven. De wettelijk vereiste periode van vijf jaar ‘verlating’ was daarmee een feit en zo werd Miena gerechtigd om ontbinding van haar huwelijk aan te vragen. De rechter ontbond het huwelijk en bepaalde dat de kleine Maria bij haar moeder zou blijven. Een half jaar later hertrouwde Miena met bakker Wessel Dorgelo uit Ommen en ze leefde nog lang en gelukkig…

Carte-de-visite van wethouder Jan Berend Bolks (1828-1907). Hij vervulde ruim 43 jaren de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Ambt Hardenberg.

DNA onbekend
Een volgend interessant voorval lezen we in de Amersfoortsche Courant van 20 mei 1859. Op 6 juni 1858 overleed in Lutten aan de Dedemsvaart de 51-jarige Gerrit Jan Kuiper. Hij was echtgenoot van Berendina Nijkamp en had met haar vijf kinderen gekregen. Op 27 maart 1859, precies 293 dagen, dus bijna tien maanden na zijn overlijden, beviel zijn weduwe van hun zesde kind. Het meisje werd Gerridina genoemd, waarschijnlijk vernoemd naar haar overleden ‘vader’. Ten tijde van haar geboorte had moeder Berendina al weer plannen om te trouwen met een gepensioneerd Oost-Indisch militair, genaamd Aalbert van de Riet. Bij dat huwelijk wilde de bruidegom ‘zijn’ kind Gerridina wettigen, omdat hij ervan uit ging dat hij de vader van het pasgeboren kind was. Dat was ook wel aannemelijk, want Berendinas eerste echtgenoot was voor zijn overlijden langdurig en zwaar ziek geweest. De echting kon echter niet doorgaan, omdat er sinds het overlijden slechts 293 dagen verstreken waren en dat was wettelijk te kort. Het zeldzame geval deed zich daardoor voor dat Aalbert tegelijk vader en stiefvader werd van zijn ‘eigen’ kind. Werkelijk vaderschap was destijds nog moeilijk te bewijzen…

Over de doden…
De Zierikzeesche Nieuwsbode van 4 november 1844 berichtte over een arbeider genaamd Jan Dood, die bekend stond als smokkelaar. Hij werd door commiezen van de belasting doodgeschoten toen hij probeerde goederen het land binnen te smokkelen. De burgerlijke stand toont aan dat het handelde om de 44-jarige Jan Dood. Hij overleed op 12 oktober 1844 in het zogenaamde Kloosterhaarscheveld onder Sibculo. Hij was gehuwd met Hendrikje Moddejonge en geboren in Den Ham.

Een volgend bijzonder voorval vond plaats in 1871 in Slagharen. Daar overleed de pas weduwe geworden Maria Karperien-Kloppenburg op 38-jarige leeftijd bij de bevalling van een tweeling. Tijdens de kerkdienst na haar begrafenis, zoals dat bij de roomskatholieken gebruikelijk was, ontstond plotseling grote ontsteltenis toen de 47-jarige Johann Hermann Bouck door een beroerte getroffen werd en dood neerviel.

Rook – Roke – Roveke – Radewijk
In 1832 ontving burgemeester Antoni van Riemsdijk een brief met een overlijdensakte uit Den Haag. Daar was Jan Harmen Klinge, in dienst van de Overijsselsche Schutterij, overleden in het hospitaal van de Oranjekazerne. Volgens de akte had hij het laast gewoond in Baalder en was hij 27 jaar geleden geboren te Rook, als zoon van Jan Klinge en Fennigje Hamhuis. De ambtenaar van de burgerlijke stand van Den Haag zond een afschrift van de akte aan de burgemeester van Baalder. Burgemeester Van Riemsdijk schreef in het overlijdensregister: Wij hebben (de overledene ter buurtschap Baalder in deze gemeente zijne laatste woonplaats gehad hebbende) hetzelve afschrift, waarbij deezes geboorteplaats van Radewijk naa het hier gewoon dialect onder den Boerenstand door Rook, voor Rovek of Roveke, komt te worden aangeduidt, ter Secretarie der Gemeente gedeponeerd.

Als uit de dood opgestaan…
De Goessche Courant van 30 januari 1851 schrijft over een opmerkelijk drama. In 1811 trouwde ene Hendrik Likkel, klompenmaker uit Hardenberg, met Fenne Roelofs uit Ane. Kort daarna werd Hendrik als jager van de 1ste compagnie, 5de bataljon, 33ste regiment in dienst van de Fransch Keizerlijke Armée naar Rusland gezonden. Daar werd hij in 1812 bij de Slag om Moskou gevangen genomen en naar Siberië verbannen, alwaar hij al die tijd zijn verblijf had gehouden. De krant schreef: Voor eenigen tijd is er berigt gekomen dat bovengenoemde (nu een grijsaard) zich wederom naar het vaderland op weg begeeft. Hij zal echter vreemd opzien dat iemand anders zijne plaats heeft ingenomen. Zijne vrouw namelijk, in den waan zijnde dat haar man in Rusland gesneuveld was (doordien er geene tijdingen van hem kwamen), is sedert ruim dertig jaren met een ander man gehuwd. Men ziet de ontknooping van dit drama belangstellend tegemoet… Onze burgerlijke stand toont aan dat Fenne Roelofs inderdaad hertrouwd was, en wel met Herm Bekman.

Portret van Zwaantine Theodore Walter (1852-1952), weduwe van Willem baron van Ittersum.

Eeuwlingen
De mens wordt steeds ouder dankzij verbeterde gezondheidszorg en minder zware arbeid. Het bereiken van de honderdjarige leeftijd is tegenwoordig niet uniek meer, maar in de negentiende eeuw was dat zeker wel bijzonder. De Nieuwe Gorinchemse Courant schreef in 1872 over een zekere A. Eschendal uit Baalder bij Hardenberg die nagenoeg 100 jaren oud is geworden. De grijsaard was in het bezit van al zijn geestvermogens en had zelfs eenige dagen geleden nog gras gemaaid. Een bekendere persoonlijkheid die ook bijna 100 jaar werd, was Zwaantine Theodore Walter, de weduwe van Willem baron van Ittersum uit Heemse. Een bekende inwoner van stad Hardenberg was Lucas Zweers, bijgenaamd Luuks van ‘Noef. Hij bereikte de respectabele leeftijd van 98 jaar. De oudste inwoner van onze gemeente aller tijden – voor zover bekend – was mevr. W. Zwitsers die in 1993 maar liefst 107 jaar oud werd.

(geactualiseerde versie van onze bijdrage verschenen in Rondom den Herdenbergh anno 2011)