Op 20 januari 1701 verklaarde Maria Elisabeth van Langen, mede als gemachtigde van haar echtgenoot de vaandrig Jurrien Edinckhuisen, dat zij een lening van 300 Caroliguldens had ontvangen van rentmeester Gerhardt van Riemsdijck en Aleijtt Anna Voltelen. Zij beloofde hiervoor jaarlijks 5% rente te betalen, te beginnen op 20 januari 1704. Als zekerheid stelde zij haar erfdeel in het erve Stouten (Stoeten) te Rheeze als onderpand. De rente moest jaarlijks in Gramsbergen aan de rentmeester of diens erfgenamen worden voldaan.

Fragment van de hypotheekakte, bewaard in het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg (toegang 055.2.1, inv.nr. 29).

De transcriptie luidt:
Ick Johan Molckenbour, wegens hoger overigheijt, Scholtus van den Hardenbergh, Heemse en Gramsberge, doe mits deesen te weten dat voor mij en cuernoten als Egbert Jansen en Lambert Dercks, personelijk is gecompareert en erscheenen de welgeboren vrouw Maria Elisabeth van Langen, geassisteert met Donius Cornelis van Walcheren als haer welgeborene tot deeser saeke vercorene en van den gerighte toegelatene momber en sijnde sij welgeboren vrou mede als gevolmaghtight van haer welgeboren eheman de heer Jurrien Edinckhuisen, vaendrick int regiment van de heer colonel Stratenbach, volgents een procuratie voor drossaerd schouteth borgemeesters, schepenen en raad der stadt Bergen op den Zoom den 6ten julij 1701 gepasseert in desen edelen gerighte vertoont, gelesen en voor goedt erkent ende van woort tot woort neffens deesen ten prothocolle geinsereert, en bekende voor haer welgeborene selfs opreght en deughdelijck schuldigh te wesen wegens reede opgenomene en te dancke ontfangene penningen aen de heer Gerhardt van Riemsdijck, rentmeester, ende Aleijtt Anna Voltelen, eheluiden en haerer erfgenaemen, een somma van driehondert caroliguldens, welck capitaal van 300 caroliguldens sij welgeborene comparante beloofde jaerlijcks en alle jaer te willen verrenten met vijf diergelijcke guldens van ‘t hondert sullen de eerste rente hiervan verschenen wesen als men schrijft den 20sten januar 1704 en soo vervolghlijck alle jaer tot de volle aflosse toe welcke ten weder sijden vrij sal staen malcanderen te mogen opseggen wanneer de dununtiatie een vierendeel jaer van te voren wort aengecondight wanneer men gehouden sal wesen het bovengescreven capitaal met de verlopen interesse prompt wederom op te brengen voor welck capitaal en interessen sij welgeboren vrouwe generaal stelde haer persoon en alle goederen waer en in wat gerighten deselve moghten gelegen wesen en tot een speciaal hypotheecq en onderpandt haer welgeborenes reght en aenpart van een erve te Reese, Stouten Erve genaampt, sijnde vrij allodiaal goet en onbeswaert als met deese en voorgaende in dato den 6 augusti 1701 ten profite van de heer Rentmeester Van Riemsdijck mede voor mij Scholtus gepasseert, om daer aan dit capitaal en interesse cost en schadeloos te kunne verhaalen, met verderen bedingh dat de gebruiker van ‘t voorverhaalde Erve Stoute de beloofde interessen alle jaer gehouden sal wesen cost en commervrij tot Gramsberge aen de heer Rentmeester of sijn naekomelingen te betalen. Sonder argh of list des t’oirconde is desen van mij Scholtus neffens mevrou Maria Elisabeth van Langen eijgenhandigh gesegelt en geteijckent. Actum Heemse, den 20 januari 1701.