Op 1 februari 1848 werd door de arrondissementsrechtbank in Deventer een zaak behandeld contra zaakwaarnemer Jacobus van Riemsdijk (1796-1859) uit Hardenberg. Van Riemsdijk was echter zelf niet verschenen. Het Openbaar Ministerie beschuldigde hem van gewelddadig verzet tegen een deurwaarder, die belast was met de uitvoering van een rechterlijk vonnis.
Op 4 september van het voorgaande jaar had deurwaarder J.C. Weenink de opdracht gekregen om Van Riemsdijks woning in Hardenberg, dat werd gehuurd van schipper Baarslag, te ontruimen. Samen met twee getuigen begaf hij zich naar het huis. Toen hij het vonnis voorlas, reageerde Van Riemsdijk onmiddellijk fel: hij verklaarde dat hij zijn huis niet zou verlaten en dreigde met geweld als men hem daartoe zou dwingen. Deurwaarder Weenink zette desondanks door en nam twee stoelen om buiten te brengen. Op dat moment trok Van Riemsdijk een ontbloot sabel, die hij dreigend boven het hoofd van de deurwaarder hief. Vervolgens richtte hij ook nog een pistool op hem. De deurwaarder, bevreesd voor zijn leven, zag zich genoodzaakt de woning te verlaten. Toen een van de getuigen achterbleef, werd ook hij door Van Riemsdijk aangegrepen en met dezelfde wapens bedreigd. Hierdoor moest de hele ontruiming worden afgebroken.
De rechtbank achtte op grond van getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen dat Van Riemsdijk zich met wapens had verzet tegen een deurwaarder en diens getuige in de uitoefening van hun ambt. Dit werd aangemerkt als een wanbedrijf, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Hoewel de officier zes maanden celstraf had geëist, veroordeelde de rechtbank Van Riemsdijk bij verstek tot acht maanden gevangenisstraf. Bovendien moest hij de proceskosten van ruim 62 gulden betalen. Het vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting op 1 februari 1848.

Een transcriptie:
Tusschen den Officier bij de Regtbank waarnemende het Ministerie Publiek, en Jacobus van Riemsdijk, oud een en vijftig jaar, zaakwaarnemer, geboren en woonachtig te Hardenberg, beklaagde, niet verschijnende. De arrondissementsregtbank te Deventer, provincie Overijssel, gehoord hebbende de voordragt van den substituut-officier, houdende dat de beklaagde zich zoude hebben schuldig gemaakt aan geweldadigen wederstand tegen eenen deurwaarder in de uitoefening zijner functiën werkzaam. Gezien de dagvaarding aan den beklaagde beteekend. Gelezen het bevelschrift, waarbij de beklaagde naar deze regtbank is verwezen, alsmede het proces-verbaal van aangave. Gehoord de getuigen door het Ministerie Publiek opgeroepen. Gehoord het requisitoir van den substituut-officier der regtbank, houdende dat de beklaagde zoude worden veroordeeld tot eene gevangenis van zes maanden, overwegende met betrekking tot de daadzaken, dat uit de verklaring der beëedigde getuigen wettig en overtuigend is bewezen dat de deurwaarder bij het Kantongeregt van Ommen, J.C. Weenink, last ontvangen hebbende om uit kracht van een vonnis van den regter in dat kanton den beklaagde deszelfs huis in de Stad Hardenberg te doen ontruimen, zich op den vierden september des vorige jaars verzeld met de twee hem toegevoegde getuigen derwaarts heeft begeven. Dat de beklaagde dien deurwaarder al dadelijk bij zijne komst en onder het voorlezen van dat vonnis in zijn functien heeft verhinderd door te zeggen dat hij dat huis niet wilde verlaten en dat zoo men hem daartoe wilde noodzaken, hij geweld zoude gebruiken. Dat de deurwaarder vervolgens twee stoelen opgenomen hebbende om die buiten de deur te brengen en alzoo een begin met de uitvoering van zijnen last te maken, de beklaagde eenen ontbloten sabel in eene dreigende houding boven het hoofd van den deurwaarder heeft opgegeven, en daarna een pistool op denzelven heeft aangelegd, zoodat deze uit vrees voor zijn leven de woning heeft verlaten. Waarna de beklaagde eenen der getuigen die nog in het vertrek gebleven was, heeft aangegrepen en alsmede met sabel en pistool gedreijgd ten gevolge van welk alles de executie heeft moeten worden gestaakt.
Verklaart den beklaagde schuldig aan geweldigden wederstand met wapenen jegens eenen deurwaarder en deszelfs getuige in de uitoefening hunner functiën. Overwegende met betrekking tot het vijt dat de voorzeide daar is een wanbedrijf, waartegen voorzien is bij art. 209, gevoegd bij artikel 212 van het Wetboek van het Strafrecht. Regt doende in het eerste ressort verleent verstek tegen den beklaagde Jacobus van Riemsdijk en veroordeelt denzelven tot eene gevangenis van acht maanden. Veroordeelt den beklaagde daarenboven bij lijfdsdwang om aan het Rijk te vergoeden de kosten door deze procedure veroorzaakt, begroot op eene som van twee en zestig gulden, drie en twintig en eene halve cent. Gelast dat het vonnis zal worden uitgevoerd op de vordering van den officier der regtbank. Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken in de teregtzitting van den eersten february 1800 acht en veertig door de heeren Nilant Bauwer.
Geef een reactie