Op 13 februari 1809 verschenen voor het Stadsgericht Hardenberg twee vrouwen met ieder een kind op de arm. De eerste was Margaretha Strötgers uit Nordhorn, bijgestaan door haar broer Gerhard. Zij verklaarde dat zij op 1 januari van dat jaar in Nordhorn was bevallen en dat zij tijdens de zware bevalling, toen haar leven in gevaar was, aan de vroedvrouw Rica Westenbergh had bekend dat niemand anders dan Evert Klaaszen ter Steeg, uit Hardenberg, de vader van haar kind was.

De tweede vrouw was Jennechien Korterink, weduwe van Jan Kampferbeek, die vergezeld werd door Jan Derkzen Zweers. Zij bracht het kind mee dat haar dochter Hendrika op 1 februari in Hardenberg ter wereld had gebracht. Ook Hendrika had tijdens de bevalling, terwijl zij in levensgevaar verkeerde, tegenover de vroedmeester Antoni van Riemsdijk verklaard dat de vader niemand anders kon zijn dan dezelfde Evert ter Steeg.
Beide vrouwen lieten hun kinderen vervolgens in aanwezigheid van zijn vader Klaas zien aan Evert ter Steeg en vroegen hem of hij de vader was. Evert ontkende dit echter resoluut en hield vol dat hij nooit iets met Margaretha of met Hendrika te maken had gehad. Burgemeester Jan Santman Dz. legde deze verklaring officieel vast.
Geef een reactie